Ds. A.T. Vergunst - Romeinen 5 : 9

De zekerheid van de zaligheid - I

Een zekerheid voor nu
Een zekerheid voor de toekomst
Dit is een eerste preek in een tweeluik over Romeinen 5. Deze preek behandeld vooral het eerste punt.

Romeinen 5 : 9

Romeinen 5
9
Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 116: 10 en 11
Lezen : Romeinen 5: 1 - 14
Zingen : Psalm 31: 1
Zingen : Psalm 146: 4 en 5
Zingen : Psalm 79: 4 en 7
Zingen : Psalm 40: 1 en 5

Jongens en meisjes, hij zit al heel lang in de gevangenis. Hij ziet er wat mager en bleek uit. Zijn lichaam is uitgeput. De rechtszaak is afgerond. Die man is ter dood veroordeeld. Hij wacht totdat de deur van zijn cel opengaat. En op een dag gáát de deur van zijn cel ook open. Hij moet meekomen. Die arme man verwacht dat nu het einde is gekomen en dat het schavot klaar staat. Maar in plaats daarvan staat er een bode van de koning voor hem. Die bode zegt: ‘In de naam van de koning, u bent vrijgesproken, u krijgt gratie.’ De man in de cel kijkt naar die bode en zegt: ‘Dat geloof ik niet, meneer. U bedriegt mij zeker. Ik durf het niet te geloven en ik ben het ook niet waardig.’ Hij blijft in die cel zitten, met de aankondiging van de koning, met de deur open!

 

Kinderen, jullie denken zeker: dat is een rare man, dat is toch geen echt verhaal? Dat is het wel! Misschien klinkt het wat onwerkelijk, maar toch ontmoet ik heel veel van zulke mensen. Ze zitten niet in een echte, maar in een geestelijke gevangenis. Gemeente, misschien herkent u zichzelf er wel in. Misschien bent ú die gevangene wel. U heeft het vonnis gehoord vanuit het Woord. U bent de dood waardig. U heeft geantwoord: ‘Ik heb gezondigd en ik heb het verdiend om de dood te moeten sterven. Ik aanvaard dat vonnis.’ Maar u hebt ook herhaaldelijk het Woord van de Koning gehoord. Hij zegt dat allen die in Hem geloven het eeuwige leven hebben. Dat zij gratie hebben en vrijgesproken zijn. Deze boodschap heeft al heel vaak in uw oren geklonken: in het lezen en horen van het Woord, in het luisteren naar het Woord, en in de boodschap van de sacramenten. Toch zit u nog steeds in de cel, met de deur wijd open. De vrijspraak van de Koning is door het Woord aan de poort van uw oor gelegd en toch zegt u: ‘Ik geloof het niet.’

Ik begrijp het. Het ís ook haast niet te geloven. Zeker niet als je gezien hebt wat je misdreven hebt tegen die Koning en wat je nog steeds doet. Dan ís dat ook bijna niet te geloven. Nee, niet bijna: het is onmógelijk om die boodschap te geloven!

Die strijd kenden de christenen in Rome ook. Daarom schreef Paulus hun deze schitterende brief. Die Romeinse christenen waren ook gewone kerkmensen zoals wij. Ze hadden zeker geen theologische opleiding. Paulus hebben ze nog nooit ontmoet, maar hij schrijft alsof hij hen kent. Ze zijn broeders in het geloof.

Natuurlijk schreef Paulus niet zomaar een brief. Zijn brief is Gods Woord. Paulus schrijft: ‘Zo zegt de Heere.’ Zo spreekt de Heere vandaag ook. Moge Hij Zijn Geest schenken opdat wij Zijn Woord niet alleen zullen begrijpen, maar mogen geloven wat Hij tot ons zegt.

 

Meisjes en jongens, jullie hoeven je echt niet te schamen als je dit een heel moeilijk hoofdstuk vindt. Weet je, dat vind ik ook. Maar tóch is het de moeite waard om je in te spannen om het te begrijpen. Als de Heilige Geest onze inspanning wil zegenen, dan ervaar je iets van wat bergbeklimmers ook ervaren. Misschien zijn jullie wel eens naar de top van een hele hoge berg geklommen. Als je dan eindelijk boven op de berg bent en je kijkt om je heen, zeg je ‘Nou, dat was wel al die moeite waard.’ Zo is het ook als je de Romeinenbrief doorleest. Dat is eigenlijk een ‘theologische berg beklimmen’. Het is dus een pittig hoofdstuk dat we met elkaar overdenken.

 

Gemeente, ik behandel niet het hele hoofdstuk. We gaan samen één tekst overdenken. We gaan luisteren naar vers 9. Daarin klinkt een echo en ligt een verdieping van vers 1. Ik lees dat vers ook. Paulus schrijft daar:

           

Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.

 

En in vers 9:

 

Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn.   

 

We overdenken deze verzen in twee preken, met als thema: De zekerheid van de zaligheid. Ik doe dit aan de hand van twee punten:

 

1. Het is een zekerheid voor nu.

2. Het is een zekerheid voor de toekomst.

 

Vandaag dus alleen het eerste punt. Het tweede komt in een volgende preek aan de orde.

 

1. De zekerheid voor nu

 

Laten we eerst zien hoe hoofdstuk 5 in de brief van Paulus past. Dit hoofdstuk staat in het tweede gedeelte van Paulus’ brief. In het eerste gedeelte schrijft hij over onze ellende. In het tweede gedeelte over onze verlossing en het derde gedeelte gaat over de dankbaarheid. Van hoofdstuk 5 tot en met 11 gaat het in wezen over hetzelfde thema: de zekerheid van het geloof. In hoofdstuk 5 heeft Paulus het vooral over de vruchten van het ware geloof. Eén van de vruchten van het ware geloof is de verzekering dat alles tussen God en mij goed is geworden. Heel pastoraal schrijft Paulus verder over de worstelingen die er in het geestelijke leven van elke gelovige blijven. Dit vind je globaal in hoofdstuk 6 en 7.

Dan volgt het schitterende hoofdstuk 8. Dat bevat eigenlijk een gezang over de zaligheid en de verzekering ervan. Hoofdstuk 9 tot en met 11 zijn ook geschreven om de gelovigen te verzekeren dat vertrouwen op Gods Woord niet teleur zal stellen. Want de duivel doet echt zijn best om Gods kinderen in de twijfel te houden. Ik denk dat hij de gelovigen in Rome wijst op de Joden. Heel geniepig zegt Satan dat u maar niet te veel verwachting hebben van God! Hij verbréékt Zijn beloften immers. Kijk maar naar Zijn oude verbondsvolk. Hij heeft ze verworpen. Dat is toch Zijn belofte breken? Stel je er maar niet te veel van voor hoor. Het zijn alleen maar woorden, meer niet. In hoofdstuk 9 tot en met 11 lees je Gods antwoord door Paulus op deze valse beschuldiging.

Ten eerste heeft de Heere de Joden helemáál niet verworpen. Zij hebben Hém verworpen. Bovendien, wat de Joden deden, was al voorspeld in het Oude Testament. Dus God vervult wél Zijn Woord. Daarom zijn de hoofstukken 9 tot en met 11 allereerst geschreven om de gelovigen te versterken in hun geloof in Gods beloften.

 

We gaan nu samen luisteren naar Gods stem in het vijfde hoofdstuk van Paulus’ brief. Hij spreekt daarin over de verzekering van het geloof. Dat is altijd een heel moeilijk stuk. Het wordt aangevallen en geeft altijd veel strijd. Waarom? Dit heeft te maken met onze vrees om iets heel rijks te geloven. Het heeft ook te maken met de duivel. Hij concentreert zich sterk op het vertroebelen van de zekerheid van het geloof in Gods kinderen. Waarom doet de satan dat?

Wel, zolang die vrijgesproken man in de cel blijft zitten, is hij geen bedreiging voor de duivel! Zolang die man daar maar blijft zitten en niet als een triomferende en zingende soldaat voor Koning Jezus door het leven gaat, dan heeft de duivel ook geen last van hem. Dan hoort niemand van die grote Koning, Die gratie verleende. Dan blijft de mond dicht en het nieuwe leven blijft verborgen. Verzekerde christenen zijn immers de gevaarlijkste christenen, dat weet de duivel. Daarom doet hij er alles aan om de verzekering van het geloof te verduisteren.

 

Gemeente, het Woord van God zegt het heel anders. We gaan luisteren naar wat Paulus zegt over de verzekering voor nu:

Wij dan, zo begint het hoofdstuk. Jongens en meisjes, heeft Paulus dan alle kerkgangers in gedachten? Wij dan. Is dat voor iedereen? Nee, als Paulus het over ‘wij dan’ heeft, dan bedoelt hij mensen die als de tollenaar naar de tempel zijn gekomen. Hij spreekt mensen aan die zichzelf hebben leren kennen als een onwaardige en verdoemelijke man, vrouw, jongen of dat onwaardige meisje. Wij dan… Hij spreekt over mensen van wie de mond gestopt is. Ze staan schuldig voor God. Ze hebben niets meer te zeggen dan: ‘Schuld, Heere. Alles wat ik doe, alles wat ik deed, alles wat ik ben, is zonde.’ Paulus spreekt tot hén die voor Gods voeten buigen en Hem vragen: ‘Wilt U om Jezus’ wil mij vergeven? Nee, Heere, in mij is niets dan zonde en onwaardigheid. Ik heb niets anders, Heere God, dan het bloed van Uw Zoon om op te pleiten en te vragen of U mij genadig wilt zijn. Om Jezus’ wil. Ik kan niet genoeg doen en ik kan niet genoeg zijn. Dat weet ik, Heere. Maar U hebt een genoegdoening gegeven in Jezus Christus voor zondaren. Heere, op Zijn werk als Persoon, op Zijn lijden en sterven en Zijn leven pleit ik. Wilt U omwille van Zijn Naam mij genadig zijn?’

Tot zulke mensen richt Paulus zich in dit hoofdstuk. Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof en: Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed. De kracht van het Evangelie, gemeente, ligt in de kleinste woordjes in de Bijbel. Bijvoorbeeld in Johannes 3 vers 16: Alzo lief... Wat ligt er een wereld van betekenis in dit ‘alzo’! Andere woorden waar we veel op moeten letten zijn daarom, nochtans of maar.

 

Er staat ook zo’n klein woordje in vers 9: Veel meer dan, zijnde nú gerechtvaardigd door Zijn bloed. Ziet u? In vers 11 staat weer het woordje ‘nu’: Niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus, door Welken wij nú de verzoening hebben. In hoofdstuk 6 vers 22 komen we het woordje nog eens tegen. Lees maar mee: Maar nú, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven. En in Romeinen 8 vers 1 staat: Zo is er dan nú geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

Waarom herhaalt Paulus het woordje ‘nu’ zo vaak?

Wel, hij heeft die man in de cél in zijn gedachten. Die zit daar maar in zijn ellende, met de deur open! Het Woord van de Koning klinkt in zijn oor en is zichtbaar voor zijn ogen. Nú zijt gij gerechtvaardigd. Nu! Wat betekent het woordje ‘nu’ eigenlijk?

Het betekent gewoon: nú, op dit moment. Nu u of jij hier in de kerkbank zit. Terwijl je het leest of hoort. Nú, en niet morgen; hoewel als ‘morgen’ komt dan is het ook weer ’nu’.

In Romeinen 10 schrijft Paulus: Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid. Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden (Rom.10:10-11). Als dat de belijdenis van jouw hart is, luister dan goed wat de Heere belooft aan jou! Als je zo vanuit je armoede en je schuld op het kruis van Christus ziet en op Hem je vertrouwen stelt, dan zegt God dit tegen jou: Nu dan gerechtvaardigd zijnde. Nu… Dat is niet pas wáár als ik het voel. Het is niet alleen waar als ik het ervaar. Het is waar, omdat God het zegt.

Jongens en meisjes, ik zal een voorbeeld geven. Op 8 september 1997, het was rond drie uur ‘s middags, kon ik opeens zeggen: ‘Ik ben nú getrouwd.’ Ik was dat die ochtend nog niet. Maar gelukkig ben ik op dit moment nog steeds getrouwd. Dat is niet alleen maar waar als ik dat vóél. Ik ben ook niet alleen getrouwd als ik dicht bij mijn vrouw ben of haar zie.

Zo is het ook met wat God zegt over de rechtvaardigmaking: Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd. Dat hangt niet af van mijn gevoel. Het hangt niet af van mijn ervaring. Het hangt af van het Woord van de Koning. Als we die woorden van Paulus lezen, bidt dan met Paulus: De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes (Rom.15:13).

In het geloven van wát?

Van wat God hier zegt over hen die door de Heilige Geest buiten zichzelf mogen zien op Jezus Christus als de ware Zaligmaker en de enige Middelaar. De zaak van de rechtvaardigmaking hangt niet af van het feit of uw geloof zwak of sterk is, of dat u verzekerd of onverzekerd bent over de waarheid van Gods Woord in onze tekst.

 

Gemeente, wij worden allemaal onder de vloek geboren op deze wereld. Paulus zegt dat heel duidelijk in het tweede gedeelte van dit hoofdstuk. Wij zitten allemaal in de gevangenis. We zijn verdoemelijk in Adam. Die werkelijkheid kunnen wij niet ongedaan maken, en het wordt alleen maar erger en erger. Ouderen, jongeren, door Gods Geest leren we die breuk zien, door Gods Geest leren we die erkennen als eigen schuld. Door Gods Geest leer je aanvaarden dat je geen greintje genade waardig bent; maar leer je ook zien op de gekruisigde Jezus als de enige mogelijkheid en de enige weg terug naar God. Luister daarom naar wat God tegen u zegt. Vrienden, gaat uw hart uit naar de enige Weg en de enige Naam onder de hemel door God Zelf gegeven, waardoor wij zalig kunnen worden? Hongert uw hart naar Hem, in Wie u ziet dat het mogelijk is, zelfs voor jou?

Misschien komt het bij u niet verder dan hongeren en dorsten naar Zijn gerechtigheid. Luister dan naar wat de Zaligmaker Zelf sprak: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid (Matth. 5: 6). Vrienden, u of jij bént welgelukzalig als u of jij die honger en dorst naar Zijn gerechtigheid kent. Welgelukzalig bent u als u rust hebt gevonden in Jezus en Zijn gerechtigheid, als u enkel en alleen uw vertrouwen probeert te stellen op Zijn gerechtigheid, zelfs al durf je dat niet eens vertrouwen te noemen. De Heiland zegt: ‘Toch zijn ze welgelukzalig!’ Paulus schreef dat ook. Hij sprak Zijn Zender gewoon na in zijn brieven.

Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed... Misschien kun je niet verder komen dan Petrus wanneer de Heere vraagt: ‘Wie ben Ik voor u, voor jou? Willen jullie ook niet weggaan?’ We horen dan Petrus’ belijdenis, recht uit zijn hart: Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh.6:68).

Ligt het zo in uw hart? Gaat uw hart zo ook uit naar Jezus? Naar Zijn Persoon? Naar Zijn werk? Valt alles je uit handen wat je zelf doet en deed? Leer je meer en meer – zoals Paulus het zegt – alles schade en drek te achten, om in Hem gevonden te worden? Door Hem gewassen te worden, door Hem bekleed te zijn? Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd. Wat is het een rijk Woord, waar het geloof alleen op steunt: Gerechtvaardigd door Zijn bloed.

 

Gemeente, wat is ‘gerechtvaardigd’? Dat woord hoort thuis in een rechtszaal. Na het grondige onderzoek van de rechter wordt er een uitspraak gedaan op basis van de feiten. Wat verklaart de rechter als hij iemand rechtvaardigt? Dan hoort u uit de mond van die rechter: ‘U bent onschuldig, u mag naar huis, terug naar uw gezin. U bent vrijgesproken van alle beschuldigingen. U hebt de wet niet overtreden.’

Maar dat kan toch niet waar zijn voor een zondig mensenkind? Hoe kan Paulus toch schrijven dat die Romeinse gelovigen nú gerechtvaardigd zijn? Hoe kan dat ooit waar zijn? Hoe kan God, Die dieper ziet dan wij zelf ooit kunnen zien, een zondaar rechtvaardigen? Hoe kan Hij ooit zoiets zeggen over een gevallen en door en door zondig en schuldig mens? Is de Rechter blind? Ziet Hij niet dat die man of vrouw tegen al Gods geboden zwaar gezondigd heeft? Dat hij zelfs in zonden ontvangen en geboren is en nog steeds zo’n zondig hart heeft? Dagelijks steken de zonden de kop op en worden er zondige dingen gezegd, gedacht en gedaan. Ziet die Rechter dat dan niet? Hoe kan Hij zó iemand rechtvaardigen?

Ik begrijp uw vragen. Het is ook een verborgenheid die alleen in het klare Evangelie wordt opgelost.

 

Wij dan, gerechtvaardigd zijnde... Luister nog eens aandachtig naar vers 1 en 9. Gerechtvaardigd, maar niet uit ónze werken. Niet uit wie wíj zijn. Niet uit wat wij ervaren. Niet uit wat wij voelen. Nee. Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. Gerechtvaardigd door Zijn bloed. Nee, de Rechter van hemel en aarde ís niet blind. Maar God ziet het bloed van Jezus. Hij ziet de verdienste van Jezus. Hij ziet Hem, beladen met alle zonden van Zijn volk. Met de zonden die Hij wegdroeg aan het kruishout. Die verdienste zag Hij in de tollenaar die voor dat altaar stond, die niet naar de hemel durfde op te zien, maar die naar dat offer, naar het altaar keek en zei: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk.18:13). De Rechter keek toen door dat opgeofferde lam naar de tollenaar en zag daarin het beeld van Jezus Christus. Weet je wat de Rechter toen zag in die tollenaar? Hij zag een heilige, vlekkeloze, onberispelijke, onschuldige man! Wonderlijk! Ongelooflijk rijk! Wat is het Evangelie hemels!

 

Ik las pas iets van dominee Hellenbroek dat ik wat moeilijk vind om te geloven. Hij schreef dat er één ding is wat een razende olifant kan kalmeren. Dat is als het beest een lammetje ziet. Ik weet echt niet of het waar is. Maar Hellenbroek maakt er in ieder geval wel een prachtige toepassing bij, die ik graag door wil geven. ‘Mijn hoorders, God is vol van heilige toorn over onze zonden. Maar als Hij iemand ziet met het Lam Jezus Christus in de handen van het geloof, dan stilt dat Zijn toorn en kan Hij zo’n zondaar rechtvaardigen door het bloed van het Lam.’

Ik heb daarom een aantal persoonlijke vragen:

De eerste vraag is: Wat betekent het bloed van Christus voor u, voor jou en voor mij?

De tweede: Wat zijn uw geloofswerkzaamheden met de gehoorzaamheid van de Heere Jezus, zowel in Zijn leven als in Zijn sterven?

De derde: Nemen we die genoegdoening van Gods Zoon met ons mee als we ons tot God wenden in het gebed?

En de vierde vraag: Is de Geest ons aan het leren dat alles wat ik doe, deed, ben en meebreng alleen maar schuld is?

 

Maar we gaan eerst zingen uit Palm 79 vers 4 en 7:

 

Gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven;

Onz' euveldaad word' ons uit gunst vergeven;

Waak op, o God, en wil van verder lijden

Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.

Help ons, barmhartig Heer’,

Uw groten naam ter eer;

Uw trouw koom' ons te stade;

Verzoen de zware schuld,

Die ons met schrik vervult;

Bewijs ons eens genade!

 

Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden,

In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,

En zingen van geslachten tot geslachten

Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb're krachten.

 

Wij dan. Wat zal Paulus dat met vreugde verkondigd hebben. Hij hoorde er immers ook bij. Hij, de vervolger van Gods Kerk! Hij, die huichelaar in de tempel die waarschijnlijk ook vaak bad zoals de farizeeër dat deed. Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. Vrede bij God.

In vers 9 schreef hij: Veel meer dan. Wat bedoelde hij daarmee? Veel meer dan zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed. We staan in deze preek stil bij het ‘nu dan’ van deze rechtvaardiging door het geloof in het bloed van de Heere Jezus Christus. Paulus trekt de lijn van dat ‘nu’ even terug. In vers 6 tot en met 8 lezen we: Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven. Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.

In vers 10 staat dan: Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. Bij leven en welzijn gaan we daar in de vervolgpreek op verder. Ik beperk me nu tot dat geloof: gerechtvaardigd door het geloof.

 

Geloven blijft altijd een moeilijk woord voor ons. Het is een ‘werkwoord’ maar het heeft niets te maken met ‘goede werken.’ Het geloof verdient niets. Het maakt ons niets waardig. Maar het geloof is wel werkzaam met het Woord en met Jezus Christus. Het geloof kijkt naar Hem; het verlangt naar het bloed van Jezus Christus. Het geloof mag rusten op het werk van de Zaligmaker. Let nog maar eens op de tollenaar in de tempel. Hij zag zijn hele zwarte verleden. Hij zag dat alles tegen hem getuigde van het begin tot het einde. Hij kon niet bij de Heere komen met een waslijst van alles wat hij goed had gedaan. Hij kwam als een arm en verloren mens. Hij bad om genade, terwijl hij zijn hand als het ware uitstrekte naar het lam op het altaar. Hij bad heel eenvoudig maar oprecht: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13).

Let op wat er over hem in de Bijbel staat! Er staat dat hij naar huis ging… Hoe? Als een tollenaar? Nee, gerechtvaardigd! Wanneer? Toen! Op dat moment! Als Paulus bij hem had gestaan, had hij tegen hem kunnen prediken: Broeder, wij dan… veel meer zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed.

 

Gemeente, zo beveelt de Heere mij ook op dit moment de sleutel van Gods Koninkrijk te gebruiken. Ik ken u niet. Maar God kent u wel. God kijkt in uw hart. Hij weet waar u zit. Hij weet hoe uw hart door al de ontdekkingen aan uzelf is uitgegaan naar Hem. Hij weet hoe u walgt van uzelf! Hoe u zoekend, hongerend en reikhalzend uitziet naar de Heere Jezus! Misschien komt u niet verder dan het gebed van de tollenaar. U durft het niet eens geloof te noemen. U staat met knikkende knieën en een bevend hart voor Hem. Hoor dan, mijn vriend of vriendin: Als uw hart ziet op het Lam Gods en in Hem alleen genade zoekt, dan is dit woord waar voor jou: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof in Zijn bloed en in Zijn verdienste. Als u of jij zelfs maar de zoom van Zijn kleed aangeraakt hebt, is het al waar wat Paulus schrijft! U weet toch wel wat de Heere Jezus tegen die zondares zei? Ga heen in vrede. Uw geloof (in Mij) heeft u behouden (Luk.7:50).

Het is niet het geloof zelf dat haar behouden heeft, maar omdat haar geloofshanden Hem aanraakten! Zo zegt Hij ook tegen u, die geen vreemdeling bent van dat toevluchtnemend geloof: Ga heen in vrede. Welke vrede? Die vrede waar Paulus het over heeft in het eerste vers. Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God. Ziet u het? Vrede bij God.

Er is vrede in Góds hart. Dat staat er. Waarom? Omdat Hij het bloed van het Lam in uw handen ziet. Omdat Hij het kleed van Jezus’ gerechtigheid ziet dat u met trillende handen hebt ontvangen als de enige hoop! Hij ziet u niet meer zoals u uzelf ziet. Hij ziet uw schuld niet meer. Hij ziet uw ongerechtigheid niet meer. Hij ziet het bloed van het Lam. Het bloed waarmee wij voor Hem kunnen en moeten verschijnen.

 

Kinderen van God, leeft u uit de troost van deze waarheid? Of zit u nog steeds in uw cel met die geopende deur, met het Woord van de Koning dat u maar niet wilt geloven? Of zegt u misschien: ’Ik kán het maar niet geloven’?

Ik kan dat best begrijpen. Maar zeg nu niet zoals Thomas zei: ‘Ik zal het niet geloven, totdat die Koning dit of dat doet.’ Zulke dingen mag u niet denken of zeggen. Nee, u moet maar zeggen: ‘Heere, dat kan ik gewoon niet geloven. Helpt U mij om te geloven. Heere, ik durf het niet te geloven. O, helpt U me toch om Uw Woord, wat Paulus schreef, te geloven.’

Ik kan best begrijpen dat u soms denkt: ik wil dat die Koning Zelf binnenkomt en mij eruit haalt. Dán zal ik pas geloven. Of: ik wil het ervaren zoals hij of zij het mocht ervaren…

Ik kan die gedachtegang heel goed begrijpen, maar ik weet dat de Heere, de Koning, daar niet blij mee is. Hij heeft Zichzelf neergebogen om Thomas uit die put te halen, maar Hij heeft er wel bij gezegd: Zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben (Joh.20:29). Nee, de Heere is bedroefd wanneer we Zijn stem en Zijn beloften als onwaarheid blijven verwerpen!

 

U zegt misschien: ‘Dominee, u moet me niet zo streng of hard behandelen. Ik kán het niet geloven.’

Ach, vrienden, zo bedoel ik het niet; ik ken die worsteling ook. Maar toen de Heere Jezus met die twee ongelovige discipelen mee naar Emmaüs liep, zei Hij niet tegen hen: ‘Ach, arme broeders, Ik kan jullie wel begrijpen.’ Nee, Hij zei: ‘Jullie dwazen, geloven jullie dan niet wat Ik in het Woord heb geopenbaard en waarover Ik al drie jaar met jullie gesproken heb?’ Nee, Hij gaat heel eerlijk om met deze mannen. Hij legt de vinger bij de zere plek…

Buig dan voor de Heere Jezus en belijdt uw zonden van het ongeloof! ‘Heere, het is zo onmogelijk om dit voor mezelf te geloven. Ik weet dat het in Uw Woord staat, ik weet dat U het zegt. Maar ik kan en durf maar niet te geloven.’ Wees werkzaam met uw ongeloof! Zet niet uw ervaring of verwachting bóven het geschreven Woord, want dan kan het weleens zijn dat u lang in die cel zult blijven zitten. Ik begon mijn preek er al mee: de duivel vindt het al lang goed als Gods kinderen maar in die cel met die geopende deur blijven zitten. Want het betekent groot verlies voor de duivel wanneer u met uw zwarte verleden, met al uw gebreken en gebrokenheid, zingend van Zijn gerechtigheid en Zijn oneindige liefde door het leven gaat.

 

Hoor Gods stem in Zijn Woord. Tot u die uw schuld en zondigheid niet alleen érvaart, maar ook áánvaardt. Zie ik u buigen voor de Heere God? Hoor ik het als het ware uit uw mond: ‘Heere, ik ben nietswaardig. Ik ben alleen waard om voor eeuwig buiten te staan. Met Adam en met mezelf buiten, dat ben ik waardig.’

Zijn we het daarover eens? Bent u het daarmee eens? Echt? Werp dan, terwijl u zo buiten staat, uw blik maar op de geopende Deur. Werp uw blik op de Heere Jezus. Hij is immers de Deur voor zondaren. Zie op de verdiensten van het Lam. Hoor Hem toch nodigen: Kom herwaarts tot Mij allen die vermoeid en belast zijt (Matth.11:28). Met je zondigheid, met je onkunde, met je onwil en alles wat tegen je getuigt. ‘Kom nu tot Mij’, zegt Hij, ‘jullie allemaal die zo belast zijt met je breuk, met je zonden. Ik zal u rust geven.’

We zijn het waard om buiten te staan. Toch móeten we naar die Deur toe. De deur die God geopend heeft in Zijn Zoon Jezus Christus. Hoor dan wat God tegen u zegt: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven (Joh.6:47). Hetzelfde zegt Paulus: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. Het staat zo vaak in de Bijbel.

Hier is nog een ander woord van Jezus: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn Woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven (Joh.5:24). Dat zegt de Heere toch? U zegt: ‘Dominee, dat is zo moeilijk om te geloven.’ Probeer het toch maar eens. Ga op uw knieën en zeg: ‘Heere, ik ga het proberen te geloven, maar helpt U mij om niets van mijzelf mee te brengen. Help mij alleen in Uw werk te rusten.’

 

Ik eindig met een beeld uit het Oude Testament. Kinderen, kennen jullie dat verhaal over het paaslam? De Heere zendt in de nacht Zijn Engel door Egypte. Alle eerstgeborenen moeten sterven. Weet je nog wat die vaders moesten doen? Ze moesten een lam slachten en het bloed opvangen in een kommetje. Ze moesten een stukje hysop, een takje met bladeren, gebruiken als kwast en daarmee de buitenkant van de deurpost bestrijken met bloed.

Wat gebeurde er die nacht?

De verderfengel kwam langs! Maar niet in ieder huis kwam de dood die nacht. Wanneer de verderver bij een deur kwam en dat bloed zag aan de deurpost, dan ging hij dat huis voorbij. Let op, de Heere keek naar het bloed. Hij zag niet die bevende hand die het bloed er die dag op gestreken had. Hij zag niet dat hart dat aarzelde om te geloven of het bloed hem die nacht echt zou beschermen. Nee, dat zag Hij niet. Er staat heel eenvoudig: Wanneer Ik het bloed zie, zal ik ulieden voorbijgaan (Ex.12:13). Zo is het vandaag nog: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde in Zijn bloed. Als de Heere langskomt in uw leven met die doodsengel, ziet Hij dan ook het bloed van het Lam aan de deur van jouw hart? Dan vraagt Hij niet hoe sterk of hoe verzekerd dat geloof is en of het geloof er altijd is. Maar Hij kijkt naar het bloed. Dat bloed, dat een aarzelende gelovige nauwelijks aan zijn hart durft te strijken.

Een mooi beeld hè? Het staat in onze tekst: Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed. Dat geeft zo’n vrede, gemeente, wanneer we mogen zien op het bloed van het Lam.

Nu... terwijl er weer een week achter me ligt, waarin ik alles verzondigd heb, met mijn gedachten, woorden en werken. Altijd komen we weer tekort.

Maar het is tóch waar: Maar nú... in en door dat bloed… gerechtvaardigd. Vrijgesproken!

 

Amen.

 

Psalm 40 vers 1 en 5:

 

'k Heb lang den Heer’ in mijnen druk verwacht,

En Hij heeft zich tot mij geneigd;

Ik riep, door nood op nood bedreigd,

Hij gaf gehoor aan mijne jammerklacht.

Mij, in den kuil verzonken,

Mij heeft Hij hulp geschonken,

Gevoerd uit modd'rig slijk;

Mij op een rots gezet,

Waar ik, met vasten tred,

Die jammerkolk ontwijk.

 

Uw heilleer wordt door mij alom verbreid;

'k Bedwing mijn tong en lippen niet;

Gij weet het, Heer’, die alles ziet.

Mijn hart verbergt nooit Uw gerechtigheid;

Uw waarheid doe ik horen;

Uw heil, den mens beschoren,

Vloeit daag’lijks uit mijn mond;

Uw gunst, Uw trouw, Uw woord

En Godsgeheimen, hoort

Uw talrijk volk in 't rond.