Ds. L. Huisman - Johannes 1 : 11 - 13

Christus en de Zijnen

wie zij zijn die Hem niet aannemen
wie behoren tot degenen die uit God geboren zijn

Johannes 1 : 11 - 13

Johannes 1
11
Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
12
Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;
13
Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 36: 3
Lezen : Johannes 1: 1 - 13
Zingen : Psalm 33: 7 en 8
Zingen : Psalm 95: 4 en 5
Zingen : Psalm 43: 4

Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven. Welke niet uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn.

 

Het gaat in deze tekst over: Christus en de Zijnen.

De mensheid wordt in twee delen gesplitst:

  1. wie zij zijn die Hem niet aannemen;
  2. wie behoren tot degenen die uit God geboren zijn.

 

1. Wie het zijn die Hem niet aannemen

Uit de Catechismus weten we dat het Woord van God een sleutel is. Een sleutel, waarmee het ene deel van de mensen wordt binnengezet en het andere deel van de mensen wordt buitengesloten. Dat doet niet de dominee, dat doet niet één of andere man of vrouw, die het wel van de één gelooft en het van de ander niet gelooft, of van deze wel en van die niet; maar dat doet God door Zijn Woord. Het Woord is dus een sleutel.

 

Ik zal u de sleutelen des hemelrijks geven (Matth. 16:19), zegt de Heere tegen de discipelen. Het is niet zoals de roomse kerk het opvat, alsof Petrus bij de poort van de hemel staat en de sleutel draagt. Hij kan dan naar believen de één binnenlaten en de ander buitensluiten. Dat is een verhaaltje; dat rust niet op de waarheid van de Bijbel. Maar de apostelen en alle dienaren van het Evangelie van God hebben macht gekregen om in het gebruik van het Woord dóór dat Woord het ene deel der mensen binnen te sluiten en het andere deel der mensen buiten te sluiten. Op gezag van Christus Zelf, want Christus blijft altijd de grote Sleuteldrager.

 

Hij is de meerdere Eljakim, op Wiens schouders de sleutels van het huis van David gelegd worden. Hij opent en niemand sluit. Hij sluit en niemand opent. Tegen Johannes zegt Hij: Ik heb de sleutels van de hel en van de dood (Openb. 1:18). Jezus draagt die en Hij geeft Zijn dienaren de sleutel van het Woord. Daar valt de mensheid in tweeën uiteen: aan de ene kant die uit God geboren zijn; en aan de andere kant die weigeren in Hem te geloven, al behoren ze tot het Zijne. Want de scheiding loopt niet langs het boek van de scriba; dat weet u allemaal wel. Het is niet: lid van de kerk, gedoopt, trouw naar de kerk gaan, bidden en Bijbellezen aan de ene kant; en aan de andere kant mensen die nooit naar de kerk gaan, ongelovigen en zondaren. Het is wel waar dat die laatsten aan de andere kant staan, maar het zijn er veel méér dan alleen degenen die openlijk goddeloos zijn.

 

We zien het hier in het optreden van de Heere Jezus in het midden van Zijn volk. Daar gaat ook een groot deel verloren van de kinderen des Koninkrijks. In nieuwtestamentische taal gesproken: van kerkmensen, van gedoopte mensen, die formeel wel in de boeken van de kerk staan opgeschreven. Maar wezenlijk zijn ze niet aan God verbonden door een waarachtig geloof, omdat ze de nieuwe geboorte missen die uit God is. Ze zijn wel godsdienstig, en zelfs op allerlei wijs, maar ze zijn niet wezenlijk in Christus ingeplant.

 

De scheidslijn loopt dwars door de kerk en soms dwars door de gezinnen. Daarom is het zo noodzakelijk dat we altijd weer opnieuw vrezen met een kinderlijke vreze. Die doet ons van de zonde en van de wereld afzien, en die doet ons vluchten tot God om onze naam te mogen lezen. Nee, niet in het verborgen boek dat alleen voor God is, maar in de geopenbaarde wil van God, in de doorboorde handen van de Heere Jezus Christus, in het handschrift dat in de handen van Christus gegraveerd staat. Hij zegt immers: Ik heb u in Mijn beide handpalmen gegraveerd (Jes. 49:16). Als we nu door het oog van het geloof in de handpalmen van Christus het graveersel mogen vinden, dan staat ook onze naam in Zijn handpalmen gegraveerd.

Welnu, de Heere doe ons niet rusten, eer we in die doorboorde handen ook onze naam gelezen hebben. Aan de ene kant de naam zondaar, verlorene, ongelovige, goddeloze; maar aan de andere kant de naam met daarop: gewassen, geroepen, geheiligd, afgezonderd, voor eeuwig verkoren, bemind tot in de dood toe.

 

Het Woord is vlees geworden, zegt Johannes, en Het heeft onder ons gewoond (Joh. 1:14). Hij brengt in de mensheid een scheiding aan. Hij is de Persoon, in Wie het Woord zichtbaar wordt. Onder het Oude Testament had men alleen het hoorbare woord. De inhoud van dat woord was de Heere Jezus Christus. In de volheid des tijds zendt God het Woord in de persoon van Christus Jezus. Dat Woord, Dat altijd geweest is. Dat Woord, Dat ook onder het Oude Testament heeft geklonken, waardoor ook toen mensen tot God bekeerd werden. Dat Woord is nu vlees geworden en dat Woord heeft onder ons gewoond, zegt Johannes, en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien.

 

Een heerlijkheid? Wat voor een heerlijkheid? Hij heeft nooit in een paleis gewoond. Hij heeft nooit een kroon gedragen. Ja, toch wel, een kroon van doorntakken. Jesaja zegt van Hem: Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben (Jes. 53:2). We zagen Hem aan, maar er was niets begeerlijks aan Hem; er was geen enkele glans op Hem. Maar Johannes zegt: Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien. Dan bedoelt hij niet alleen Zijn heerlijkheid toen Hij van de Olijfberg naar de hemel voer. Maar hij denkt aan de heerlijkheid die hij in Hem gezien heeft als de lijdende en stervende Borg, Die voor anderen betaalde, Die de schuld van Zijn volk uit Gods boek heeft gedaan. Dan zegt Johannes: En wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader; vol van genade en vol van waarheid.

 

Dit vleesgeworden Woord deelt de mensheid in tweeën. O zeker, er kan met de opwekking van algemene godsdienstige gevoelens veel bereikt worden; er kunnen veel mensen bewogen worden. U ziet het in onze dagen. Als regeringspersonen en kerkelijke leiders de mensen oproepen om ergens in Nederland naar een plaats te komen, met spandoeken en  allerlei andere poespas, dan komen er duizenden en duizenden mensen. Ze komen aan om hun steentje bij te dragen, om mee te schreeuwen over de wantoestanden, die er in deze wereld zijn. Duizenden mensen zijn warm te krijgen door algemene godsdienstige gevoelens om samen te komen, om samen te roepen en om samen te schreeuwen.

Het Evangelie van Jezus Christus heeft ook een samenbindende kracht, maar het heeft daarnaast een verdelende kracht. Het Evangelie is als een hamer en als een vuur, dat wezenlijk samenbindt wat eerst door het vuur gelouterd is, wat eerst stukgeslagen is op de rotsen van Gods heilige regels, van Gods gloeiende wet, van Gods heerlijk getuigenis. We zien de mensheid, zeg ik, uiteenvallen wanneer het Woord Zich presenteert, Jezus Christus.

 

Dan zegt Johannes: Hij is gekomen tot het Zijne. Het Zijne (Joh. 1:11). Dat is het volk der Joden. Dat was het Zijne, Zijn volk, Gods volk. Troost, troost Mijn volk (Jes. 40:1), heeft Jesaja gezegd. Het ging over het volk van Israël. Tot dat volk is Hij gekomen. Hij was de Beloofde aan de vaderen. Ze zagen naar Hem uit. De Messias was een begrip. Nu is Hij gekomen. Hij is gekomen tot het Zijne. Dan staat er: en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Jes. 1: 11).

 

De wereld kent Hem niet, en dat is tot op een bepaalde hoogte nog te begrijpen. De wereld buiten het Jodendom heeft Hem niet gekend. De heidenen die geslacht na geslacht geleefd hebben in de dikke duisternis van hun vaderlijke godsdienst, onder allerlei valse profeten en toverdokters – ze hebben Hem nooit gekend. Ik zeg: dat is te begrijpen. Maar het Zijne, Zijn volk… Vanaf de dagen van Abraham wisten ze van de Messias. Geslacht na geslacht heeft de gedachte aan Hem levend gehouden. Of liever: God heeft die gedachte levend gehouden in Zijn verbond. Hij komt! Hij komt!

 

Dan komt Hij. Dan komt Hij eindelijk tot het Zijne. Dat woord 'het Zijne' is van zeer diepe betekenis. Want in Johannes 19 staat dat Johannes Maria in zijn huis nam. Weet u wel, als Maria daar onder het kruis staat, en de Heere Jezus tegen Johannes zegt: Zie uw moeder! Tegen Maria: Zie uw zoon! Dan staat er: en van die ure af nam haar de discipel in zijn huis (Joh. 19:27). Dan wordt er in de grondtekst, in het Grieks, precies hetzelfde woord gebruikt dat hier gebruikt wordt. Dus: Hij is gekomen tot het Zijne betekent: Hij is gekomen tot Zijn huis, Zijn eigen huis. Israël was het huis van de Logos, het Woord, Jezus, het vleesgeworden Woord.

 

Maar dan blijkt hun ongeloof zoveel erger te zijn. Als Hij tot het huis van een ander gekomen was of tot het huis van het heidendom – dan hadden ze kunnen zeggen: ’Ja, we hebben Hem ook nooit gezien, nooit van Hem gehoord!’ Maar Hij is gekomen tot het Zijne. Hij is als Koning gekomen tot Zijn eigen volk. Erger nog, Hij is als Vader gekomen tot Zijn eigen gezin. De man in Zijn eigen huis. Dan staat er: Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Niet aangenomen, daar zit het woord ‘nemen’ in, tot zich nemen. Ook weer dat intieme, zoals eer over Jozef staat, toen de engel de boodschap bracht dat Maria onschuldig was. Toen heeft Jozef zijn vrouw tot zich genomen. Dat ziet op die huwelijksband; die twee die tot één vlees zullen zijn.

 

Nu, zo staat hier in de tekst: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Ze zijn niet één met Hem geworden. Ze hebben niet in Hem geloofd. De zonde, geliefden, de zonde is onredelijk. Het ongeloof is eigenlijk insubordinatie. Jongens die in militaire dienst zijn, weten wel wat dat betekent. Insubordinatie betekent opzettelijk niet gehoorzamen aan wat van boven wordt opgelegd, als een bevel voorgeschreven is. Zo heeft God gezegd: Dit is mijn Zoon. Ik heb Hem aan u gegeven. Hij komt tot Zijn eigen huis. Dit is de verwachte Messias!

Maar God heeft, tot de tijd van hun bekering, Israël vanwege hun ongeloof afgebroken van de olijfboom van het verbond en de heidenen als onnatuurlijke takken in die olijfboom ingeënt. We mogen nu de gemeente van het Nieuwe  Testament Gods verbondsgemeente noemen.

 

Nu zegt de Heere van ons: Hij is gekomen tot het Zijne. Want u behoort bij de gemeente; u bent geboren uit gelovige ouders die belijdenis der waarheid deden. U bent gedoopt, u draagt het merk- en veldteken van Jezus Christus. Als zodanig behoort u tot het Zijne. God heeft u apart gezet, apart van de wereld, apart van de heidenen, apart van de ongelovigen. God heeft u als Zijn gemeente apart gezet. We hebben kerstfeest gevierd en daarin hebben we inzonderheid herdacht: Hij is gekomen! Maar zo komt Hij altijd nog. Elke preek is een komen van Christus tot u, van niet minder waarde dan Zijn geboorte in Bethlehems stal. Hij is gekomen tot het Zijne.

 

Nu noemt God u ook het Zijne, de Zijnen, Zijn eigen huis, Zijn eigen volk, waar Hij thuishoort, aan wie Hij beloofd is. Hij is aan u gegeven in de prediking van het Evangelie; van God gegeven om een Zaligmaker van zondaren te zijn. God laat u prediken, hoofd voor hoofd, dat er voor u een Zaligmaker is, Die u wil zalig maken van al uw zonden. Daarom heeft God Hem u gegeven. Hij is gekomen tot het Zijne. Wat is nu het gevolg van Zijn komen? Van de meesten van u geldt: maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Stel dat ik de banken langsga en ik vraag u hoofd voor hoofd: Hebt u Hem aangenomen? Bent u een kind van God? Hebt u een recht gekregen om kinderen Gods genaamd te worden? Bent u uit God geboren? Dan antwoorden de meesten van u: ‘Nee, nee, ik niet, ik niet, ik niet.’

 

O, wie kiest, o verdwaasden, voor 't leven de dood? Hoe is dat toch gekomen onder Israël? Hoe komt dat toch onder ons? Hoe komt het toch dat het grootste deel van de mensen nog zonder God en zonder Christus door het leven gaat? Geliefden, de zonde is altijd onzinnig, de zonde is verblindend. Velen van de Zijnen wandelden niet meer met Hem (Joh. 6:66). Ze vonden het Evangelie dat Hij bracht wel mooi. Ze konden met ontroering luisteren als Hij preekte over een jongen die van zijn vader was weggegaan, die al zijn goed met hoeren had doorgebracht en die eindelijk in zijn grootste armoede, nederig en smekend terugkeerde en zei: ‘Vader, ik heb het niet verdiend, maar mag ik hier weer op de hofstee wonen? Al heb ik maar een plaatsje van een huurling.’

 

Wie zou niet ontroerd worden? Je beeldt het je in, je stelt het je voor, je huilt tranen om zo’n geschiedenis! Ja, maar het volk dat het hoorde, was zelf die verloren zoon! De oversten van Israël zeiden tegen Jezus: ‘Wij? Wij zijn fatsoenlijke mensen. Wij zijn niet uit hoererij geboren. Abraham is onze vader. We hebben de inzettingen des Heeren onderhouden!’ Maar even later roepen ze: Kruist Hem! Kruist Hem (Joh. 19:6).

 

Zou het daar soms ook in óns leven op vast kunnen zitten? We houden van een goede preek. We zijn soms ook wel eens ontroerd, als er bijzondere geschiedenissen uit de Bijbel worden voorgedragen. We zijn bewogen als het Evangelie met klem en kracht gepreekt wordt. We zijn aangedaan  als het geluk van degenen die God vrezen wordt voorgesteld, met daartegenover de rampzaligheid van degenen die de Heere verwerpen. Dan kun je weleens innerlijk bewogen zijn; dan kun je weleens tranen schreien over zoveel geluk en over zoveel rampzaligheid.

 

Maar dan, als dat Evangelie persoonlijk wordt – en dat wordt het, dat wordt het vroeg of laat – dan komt dat Evangelie persoonlijk aan de deur van ons hart. Dan zegt de Heere: Gij zijt die zondaar. Gij zijt die melaatse; gij zijt die blinde; gij zijt die hoereerder; gij zijt die moordenaar; gij zijt die dief; gij zijt die onheilige; gij zijt die heiden! Dan schrikken we terug. Als dat Evangelie ons zegt: Laat los en gij zult losgelaten worden (Luk. 6:37), ja, moet je dan alles loslaten? Alles voor nul en geen waarde achten? Als je dat nu allemaal verliezen moet! De Heere zegt: Het is allemaal als een wegwerpelijk kleed. Dat kan niet bestaan in de dag van het gericht!

Maar dat doet heel veel pijn. Dan hebben we genade nodig om te zeggen: Heere, U hebt gelijk! U hebt echt gelijk als U me voor altijd verstoot. Ik zal nooit kwaad van U spreken. Ik zal in de hel nog zeggen dat U recht bent in al Uw weg en werk. Ik zal het aan al de duivelen vertellen, dat mijn plaats rechtvaardig in de eeuwige duisternis is.

 

Ja, om dát te zeggen is het nodig om de Heere lief te hebben boven onszelf. Om dat te zeggen hebben we genade nodig; om dat te zeggen moeten we uit God geboren zijn. Dán zeggen we het. Dan zijn er tijden in ons leven, dat de Heere ons hart overreedt, dat we echt aan de kant van God staan. Dan zijn we ook gered, dan zijn we op het smalle pad. Maar anders blijven we geveinsd. Witgepleisterde graven, zegt Jezus, aan de buitenkant wel mooi, maar van binnen vol doodsbeenderen (Matth. 23:25).

Vergeet het nooit: er is een theoretische verwerping van Christus; dat doen de communist en de atheïst en zovelen, die allerlei vreemde godsdiensten aanhangen. Die verwerpen theoretisch, zwart op wit, de Christus en ze spreken Hem openlijk tegen. Maar er is ook een praktische verwerping van Christus. De praktische verwerping van Christus vindt menigmaal plaats. Die vindt door velen plaats, waar in theorie de waarheid wordt onderschreven, waar u beslist niets zult afdoen van de gereformeerde leer, maar waar u in de praktijk van uw leven toch op afstand blijft.

Dat kan zo niet doorgaan. Want u ziet het bij de Heere Jezus: hoe langer Hij preekt, hoe meer de mensen aan Hem geërgerd worden. Waarom? Omdat het kruis zich steeds meer begint af te tekenen in Zijn prediking; omdat Hij steeds meer laat zien geen aards koning te zijn, bij wie geen aards voordeel te verwachten is.

Dat is de rots waar Judas zich op te pletter gelopen heeft. Judas wilde groot worden met Jezus. Hij dacht: Jezus koning en ik minister van financiën; dan gloriëren we beiden. Maar toen Jezus naar het kruis ging, toen zei Judas: ‘Daar is voor mij geen eer aan te behalen. Dan schiet je er niets mee op volgeling van Jezus te zijn; je gaat de dood in.’ Toen paste hij ervoor. Toen zei hij tegen de oversten van het volk, met wie hij samen heulde: Wat wilt u me geven? Dan zal ik Hem aan u overleveren. Wat wilt u me geven? Jezus is mij niets meer waard. Wat is Hij u waard? Ik ben in Hem teleurgesteld. U kunt Hem van me krijgen; dertig zilverlingen, de prijs van een slaaf. Daar hebben ze Jezus voor verkwanseld.

 

Meen niet dat deze zonde in ons hart niet kan opkomen. God weet hoe menigmaal we Jezus verkocht hebben voor minder dan dertig zilverlingen. Hier voor een vriend en daar voor een vriendin. Hier voor een mooi zaakje en daar voor een dikke winst. Dat deden we in ons persoonlijk, huiselijk en kerkelijk leven. Ik zeg: Het is in het boek des Heeren geschreven hoe menigmaal we de kant van de zonde, van de wereld, van onszelf gekozen hebben, waardoor Hij smaadheid ontving, waardoor Hij verworpen werd. Toen Hij ging spreken over Zijn kruis, over Zijn verbroken lichaam, over Zijn vergoten bloed – wandelden velen niet meer met Hem. Ze gingen terug.

Dan stelt Hij het op scherp, ook in het hart van Zijn discipelen. Dan zegt Hij: Gijlieden, wilt gijlieden ook niet weggaan? U ziet, er is geen eer bij Mij te behalen. Maar dan blijkt dat zij  uit God geboren zijn. Ze zeggen namelijk: Tot Wie, tot Wie zullen we heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh. 6:68). Gij draagt de sleutel tot het waarachtig geluk. Gij alleen kunt ons wederbrengen tot God. Wij schuilen bij U! Zo schuilen ze in onbegrepen wegen bij de Heere Jezus Christus.

 

Als u dit woord leest, zou u denken dat er totaal niemand in de hemel zal komen. Want er staat radicaal: Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Zal de hemel dan leeg blijven? Zal Zijn offer dan tevergeefs zijn? Ach, u weet beter: daar zullen er zijn. Op een andere plaats staat: Dan zullen ze komen van oosten en van westen, en ze zullen met Abram, Izak en Jakob aanzitten aan de ronde tafel van de bruiloft des Lams.

Als het volk der Joden Hem dan als volk uitwerpt, zal Hij met Zijn Evangelie naar de heidenen gaan. Zo is Hij tot ons gekomen. Zo komt Hij ook vandaag tot ons. Er staat: Máár... dat goddelijke maar! Ons ‘maar’ deugt meestal niet. Ons ‘maar’ is altijd een maar van opstand, van weerstand, van tegenspreken, van ongeloof. Maar het goddelijke ‘maar’ is anders! Allen verloren, allen van Mij afgeweken, niemand die naar God vraagt, niet tot één toe ... Maar …

 

We zingen eerst Psalm 95: 4 en 5:

 

Want Hij is onze God, en wij

Zijn 't volk van Zijne heerschappij,

De schapen, die Zijn hand wil weiden;

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;

Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Verhardt u niet; neemt Zijn genâ

Ootmoedig aan". "Laat Meriba,

Laat Massa u ten afschrik wezen,

Waar 'k door uw vaders ben verzocht,

Toen alles, wat Mijn almacht wrocht,

Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.

 

2. Wie behoren tot degenen die uit God geboren zijn

Máár … maar zovelen Hem aangenomen hebben. Zovelen, hoort u wel? O, het kuddeke van Christus is maar een klein kuddeke; de meeste mensen gaan verloren. Maar dat kleine kuddeke, dat zijn er toch velen. Er staat niet: zo weinigen Hem aangenomen hebben. Daar staat toch: zovelen Hem aangenomen hebben.

 

Het zullen er ondanks de zonde en het ongeloof toch nog 144.000 zijn én een schare die niemand tellen kan uit alle geslachten, volken en natiën. Maar zovelen Hem aangenomen hebben … Ze hebben Hem aangenomen. Daar zijn dus anderen, die Hem niet aannemen. Aannemen is niet zozeer een zaak van kennis; het is geen kwestie van inzicht. Het is geen zaak van verstandelijk overleg, maar van het hart.

Het staat in het verdere van de tekst: namelijk, die in Zijn Naam geloven. Dus Jezus aannemen is in Jezus geloven. Nu is geloven hoofdzakelijk een zaak van ons hart. Geloven kunnen we alleen wanneer we ons leven verliezen. Geloven kun je nooit als een staand mens. Geloven doe je altijd als je in het stof ligt neergebogen.

 

Zolang we hier op aarde zijn, is geloven altijd de kracht van de Heilige Geest, die opstijgt tot God vanuit mijn gebroken en verloren ik, vanuit de nood van mijn leven, waaruit niemand redden kan. Geloven is iets onmogelijks voor een mens die niet uit God geboren is. Zo iemand kan wel wat godsdienstig zijn, maar hij kan niet geloven. Hij kan de waarheid wel toestemmen en al redenerend tot conclusies komen, maar het gaat buiten zijn hart om. Het wezenlijke van zijn leven wordt er niet door veranderd, omdat hij in feite innerlijk niet sterft en innerlijk niet leeft. Dus denk erom: als hier staat dat zovelen Hem aangenomen hebben, dan betekent dat niet alleen een verstandelijke toestemming van de gekende waarheid. Nee, dan betekent dat een in Hem geloven, ten koste van jezelf.

 

Geloven gaat trouwens altijd ten koste van jezelf. Wie gelooft, geeft God de eer. Wie gelooft, ziet zichzelf als waardeloos, nietig, zondig en verloren. Al de geboden van God overtreden …, geen van die onderhouden …, nog steeds tot alle kwaad geneigd. Er komt nooit meer wat van me terecht! Maar ik geloof! Heere, ik geloof, dat Gij goddelozen rechtvaardigt. Ik geloof dat Gij zondaren aanneemt. Ik geloof dat Gij om Christus' wil ook mij, de allerellendigste, de allergrootste van de zondaren niet eeuwig in het verdriet zult laten. Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan. Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden.

 

Hier wordt dus een onderscheid gemaakt tussen het geloven in Hem en tussen het macht ontvangen een kind van God te worden. Ik zeg niet dat er een scheiding is. Ik weet dat in de wedergeboorte, de vernieuwing door de Heilige Geest, in beginsel beide een plaats hebben. Als God met Zijn Heilige Geest een zondaar levend maakt, maakt Hij hem van een kind der wereld een kind Gods en worden we in feite tot Gods kinderen aangenomen. Maar daar wordt hier nu niet over gesproken. Hier gaat het over dat macht ontvangen om een kind van God te worden met medeweten van het eigen hart, dus in de oefening van het geloof. Dan gaat geloven vóór het macht ontvangen om een kind Gods te worden.

 

Ik zeg, het geloven. Er zijn oprechte kinderen van God, getrokken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, die diepe smart hebben over hun zondige leven. Ze hebben een diep verdriet over hun aan God ongelijkvormig bestaan, maar ze durven toch niet zeggen: Ik ben tot een kind van God aangenomen.

Dat is de gewone weg in het leven van Gods kinderen. Het tijdgeloof van de huichelaar en de nabijkomende christen weet het meestal van de ene op de andere dag. Ze hebben grote benauwdheden meegemaakt, ze hebben een tekst gekregen en nu zijn ze van de ene op de andere dag van een arm verloren zondaar een bevestigd kind van God geworden. Ik wil niet twisten over de almacht van God, want ik weet hoe de Heere sommigen op zo’n plotselinge wijze van hun zaligheid verzekeren kan. Maar ik moet u ook zeggen: dit is niet de gewone weg die God met Zijn volk houdt.

 

De gewone weg die God met Zijn volk gaat, is de weg door de woestijn. Dat is een lange woestijnweg, waar ze aan zichzelf bekendgemaakt worden en aan zichzelf moeten sterven, opdat ze alleen op de beloften leren leven. Jaren en dagen tobben ze soms tussen hoop en vrees. Ze komen telkens weer opnieuw aan de voeten des Heeren als een arm en verloren zondaar. Maar ze worden ook van stap tot stap bevestigd en geoefend dat de Heere niet verlaten zal het werk dat Zijn hand begon.

Ik weet wel, hier haalt de wereld de neus voor op. Hier zegt de wereld van: Die mensen leven zo zwaar en zo moeilijk, ze hebben zo'n nare godsdienst. Maar vergis u niet, u ziet de buitenkant maar. U kunt het hart niet zien, want dan zou u zien dat de mensen die zo vaak wenen en klagen, die zo dikwijls schreien naar God, die zo menigmaal in twijfel staan of hun werk waarheid is, die soms nachten doorbrengen met klagen en hun ziel tot God opheffen, tóch een hoop hebben.

 

Die levende hoop op God is door Gods toezeggingen levend gemaakt; die is door de Heere Zelf in hun hart gelegd. Maar vanwege de macht van het ongeloof, vanwege de kracht van de zonde die in hen woont, vrezen ze dat die hoop niet van God is. Ze vrezen menigmaal dat ze zichzelf bedriegen. Dat geeft die strijd! Maar dat brengt hen ook steeds nauwer en steeds dichter bij de Heere, waardoor ze tegen Hem zeggen: Heere, spreek Gij tot mijn ziel: Ik ben uw Heil (Ps. 35:2). Dat zijn zij, die de Heere oefent. Zovelen Hem aangenomen hebben, zovelen tot Hem gekomen zijn, heeft Hij macht gegeven. Dat woord ‘macht’ betekent ‘recht’; ze hebben het recht, het voorrecht van God gekregen om kinderen Gods te worden. Dat betekent natuurlijk niet dat ze het pas later worden. Nee, al gelovende worden ze het. Al gelovende wordt hun bevestigd dat ze kinderen van God zijn door de verzekering van God de Heilige Geest.

 

Wanneer de Heere zulke betraande en bedroefde en ellendige zondaren bij tijd en wijle uit het Woord van God wil verzekeren, drukt Hij het stempel erop. Dan mogen ze hier lezen wat er in hun hart gebeurt. Dan zeggen ze: ‘Hier staat het wat ik in mijn hart ervaar.’ Dan getuigt de Geest met onze geest, dat we kinderen van God zijn (Rom. 8:16). Dan wordt de Bijbel ons zo lief. Dan is het Woord onze spijs, dan is het een lamp voor onze voet en een licht op ons pad. Dan kunnen we niet buiten het Woord van God en zeggen we: Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door zijnen smaak én hart én zinnen strelen.

 

Dat Woord werpt ons terneer, maar dat Woord richt ons ook op. Dat Woord sluit alle mogelijkheid van onze kant uit, maar het openbaart de heerlijke zaligheid die in Christus Jezus is. Dan mogen we Hem leren kennen, om Wiens wil God ons barmhartig is. Dan mogen we aan Zijn doorboorde handen en met doornen omkranst hoofd de liefde Gods aflezen. Dat is de liefde van Hem, Jezus Christus, Die in onze plaats wilde staan, Die om onzentwil in het gerichte Gods gestaan heeft. Als we dat beleven, hebben we een hemel op aarde. Dan begint hier op aarde reeds de eeuwige blijdschap waarmee we straks volmaakt vervuld zullen worden. Dat is een blijdschap waardoor we hier op de aarde al zeggen: ‘Weg wereld, weg schatten; gij kunt niet bevatten, hoe rijk dat ik ben. Ik heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.’

 

Als het geloof gelooft, hebben we van God een macht, een recht, een voorrecht om kinderen van God te mogen zijn. Daarvan mogen we genieten in het strijdperk van dit leven. Dat geldt voor hen die in Zijn Naam geloven.

Dan vervolgt Johannes en zegt hij: ze zijn niet geboren uit den bloede, niet uit de wil des vleses, niet uit de wil des mans, maar ze zijn uit God geboren. Die Hem aangenomen hebben, die dus in Hem geloven, moeten dat geloven in Hem en dat aannemen van Hem dus niet toeschrijven aan hun eigen kracht of godzaligheid. Nee, die in Hem geloven, díe zijn uit God geboren. Een mensenkind kan zichzelf niet geboren doen worden; en zo kan ook niemand in geestelijke zin zichzelf wederbaren. We zijn in onze geboorte lijdelijk;  we wórden geboren. Een mens doet er wel vele pogingen toe. Hier staat het ook: ze zijn niet uit den bloede. Hier bedoelt Johannes mee dat de Joden zich erop beroemden Abrahams kinderen te zijn. Ze waren volgens hen nooit dienstbaar geweest. De genade gaat van Abraham op Izak, op Jakob over – en wij zijn hun kinderen. Wat wil je nog meer?

 

Zo waren er en zo zijn er duizenden, die van hun kindschap Gods niet meer weten te vertellen dan: Ja, we zijn in de kerk geboren, we hadden ouders die belijdenis gedaan hadden; het waren dus gelovige ouders, en daarom zijn wij ook kinderen van God … Een persoonlijke verandering en een hartelijke bekering tot God lijkt iets van vroeger dagen, een antiquiteit, waar je misschien je grootvader nog weleens over hoorde spreken. Maar in de verlichte eeuw waarin wij leven, is dat toch niet nodig. Hier staat: die uit God geboren is … Dat zijn niet de mensen die ‘uit den bloede’ zijn. Dat zij niet degenen die zeggen: Wij zijn Abrahams kinderen, want we hadden een gereformeerde vader en moeder en grootvader en grootmoeder, en we zijn altijd trouw in de gemeente geweest tot aan de dag van vandaag. Johannes heeft gezegd: Roemt u daarop? Denkt u dat u daarom een kind van God bent? God kan uit deze stenen Abraham kinderen verwekken. Dacht u dat God die bloedlijn nodig heeft om u als kind aan te nemen? Nee geliefden, dat is een onhoudbare grond.

 

Zeker, het behaagt God menigmaal om het gouden koord van Zijn verbond door te trekken in de lijn der geslachten. Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob (Ex. 3:6). Ja, Gode zij dank, het kan ook in de opvoeding tot veel sterkte zijn dat God een God des verbonds is. Hij zal gedachtig zijn aan degenen die Hem vrezen, die niet trouweloos zijn wetten schenden en die Zijn verbond niet verwerpen. Dat is dan om dezelfde genade waarmee Hij Abraham uitgeleid heeft. Hij wil hun God zijn tot in het duizendste geslacht, zegt de Heere. Nee, daar hoeft u niet bang voor te zijn. God zal getrouw zijn, Hij zal niet liegen; maar wij zijn ontrouw. Als wij daarom Abrahams werken niet doen en zijn geloof niet hebben; als wij met Abraham niet ons land en ons volk in geestelijke zin verlaten om alles prijs te geven om des Heeren wil – dan zijn we Abrahams kinderen niet. Dan horen we er niet bij, al beroemen we er ons duizendmaal op dat we naar het bloed afstammen van een godvrezende vader of een godvrezende moeder.

 

Niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses. Is dat ook mogelijk? Uit de wil des vleses geboren te worden, te geloven? Jazeker geliefden, dat is ook mogelijk, maar dan blijft het toch altijd een vleselijk zaakje. Want het vlees komt nooit boven het vlees uit. Het vlees komt nooit boven onszelf uit. Het blijft altijd een zaak van mij. Als ik uit het vlees geboren ben, draait mijn hele godsdienst ten diepste om mezelf. Dat kan door ernstige prediking, dat kan door het aanraden van andere mensen, dat kan door onderzoek van de Schrift – maar het blijft een verstandelijke bekering. Het blijft een zaak van mezelf. Dan krijgt God nooit de eer, dan wordt God nooit verheerlijkt; dan vertrouwt men ook nooit alleen op God. Het blijft altijd én, én. Hij moet wassen, maar ik ook; Hij moet meerder worden, maar ik ook; Hij krijgt de eer, maar ik moet ook met Hem triomferen.

 

Ik heb u al eerder het voorbeeld gegeven van Judas, die hieraan te gronde gegaan is – uit het vlees geboren; een vleselijke godsdienst. Dan kent u vanzelf ook niet de strijd tussen vlees en Geest, want u hebt de Geest niet. Er is wel een gezapig rusten in wat in de Bijbel geschreven staat, maar u kent niet de worsteling; u weet niet van het omkeren van uw kroon – omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd (Ez. 21:27). Dat wil zeggen: de totale ontlediging van uzelf, zodat u met een leeg hart, een schreiende ziel en een hemelhoge schuld gered moet worden. Dat betekent dat God er in uw leven eens een keer aan te pas moet komen, zodat u zegt: ‘O God, nu heb ik het zo verzondigd, hier kan mijn vlees het nooit meer goed maken. Al ging ik vanaf vandaag op de knieën, al bad ik vierentwintig uur achter elkaar, dit kan geen mens meer goed maken. Hier moet genade aan te pas komen. Help me, o God, help!

Ik zeg: die zo spreken zijn niet uit het vlees geboren. Maar een vleselijke godsdienst kan altijd zichzelf redden, en ziet altijd nog wel ergens een deur om door weg te vluchten. Die godsdienst komt nooit boven het vlees uit en kent de strijd tussen vlees en Geest niet.

 

Ze zijn niet geboren, zo staat er, uit ‘de wil des mans’. Dat wil zeggen: ze zijn niet verwekt, niet geboren uit de wil des mans. Ze zijn ook niet door anderen godsdienstig gemaakt. Kan dat dan ook? Jazeker, dat gebeurt nogal. Wanneer er van die machtige meetings gehouden worden en een gloedvolle prediker de mensen daar oproept naar voren te komen, dan komen er soms tien, twintig, driehonderd. De praktijk heeft echter bewezen dat er bitter weinig van overblijft. Waarom? Ze zijn door ‘de wil des mans’ herboren; ze zijn door aanraden van een ander tot bekering gekomen. Maar de Geest werkte niet in hun hart.

 

Nu moeten we wel oppassen. Ik zeg niet dat de Heere geen dienaren des Woords gebruikt. Juist wél! Want Paulus zegt: het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God (Rom.10:17). Als je bekeerd wilt worden, moet je in de kerk komen. Ds. Fraanje zei vroeger al: ‘Als je nat wil worden, jongens en meisjes, dan moet je in de regen gaan lopen. Als je bekeerd wil worden, moet je in de kerk komen.’ Dat is een eenvoudige, maar echte waarheid naar het Woord van God. Maar denk eraan dat je je niet door een méns laat bekeren. De welsprekendste prediker kan je hart niet bekeren, hij is slechts een instrument in de hand van God. Onthoud dat. Niet uit ‘de wil des mans’. Maar hoe word je dan wel uit God geboren?

 

Waaraan kun je nu weten of je uit God geboren bent? Wat is dat: uit God geboren worden? Laat ik het heel eenvoudig zeggen: als je uit God geboren wordt, ga je op God lijken. Vader Cats, de dichter, zegt: ‘Er is geen kind zo raar, of het aardt naar moêr of vaêr.’ Dat geldt ook voor de geestelijke kinderen, voor de kinderen van God. Als je uit God geboren wordt, ga je de trekken van God in je leven vertonen. Zo was het in het paradijs. Adam was gemaakt naar het beeld van God. Hij openbaarde God in zijn leven; hij had lief als God, hij hield de wet als God, hij kende als God. Zo wordt het nu ook in de wedergeboorte.

 

Ik weet wel, zolang we in dit leven zijn, zijn we niet volmaakt; maar toch: in beginsel. In beginsel uit God geboren. Dat wil zeggen: dan gaan we de trekken van Gods beeld weer vertonen. Dan krijgen we hier in dit leven oprecht gemeenschap met God. Dan worden we andere schepselen, en we worden een vreemdeling op deze wereld.

We krijgen ook strijd in ons leven. Als God ons wederbaart, gaan we vanaf dat ogenblik inderdaad op God lijken, maar zolang we in deze wereld zijn, lijken we ook nog op onszelf en op de wereld. We dragen onze oude natuur nog om; dat is een zondige natuur, een wereldse natuur, en dat geeft strijd. Dat geeft zo'n benauwdheid, omdat het ongeloof en die wereldse, aardse natuur, het vlees, hier beneden vaak nog zo sterk is! Laat het echter de troost zijn voor degenen die uit God geboren zijn dat wat uit God geboren is, de wereld zál overwinnen. Wat uit God geboren is, zal het vlees overwinnen en de wereld overwinnen.

 

Ik heb met innerlijke ontroering het laatste testament gelezen van ir. Van Dis. Dat doet je toch wat. Zo'n man heeft zijn hele leven alleen gestaan in de politiek, en dan houdt hij zijn laatste rede in de volksvertegenwoordiging, de hele Eerste Kamer. Dan spreekt hij daarin het gehele volk aan en zegt: ‘Mensen, dit is mijn geloof: ik was verloren, maar God heeft mij gevonden. Jezus Christus zal overwinnen, en allen die in Hem geloven, zullen tot in eeuwigheid overwinnaars zijn!’

Wat een getuigenis! Hier moet zelfs de meest brutale goddeloze het hoofd bij laten zakken, want die heeft geen verwachting. Al denken we op aarde straks een paradijs te hebben, het komt er echt niet, want oorlogen en geruchten van oorlogen zullen vermeerderen, zegt Jezus, naarmate de dag van Mijn wederkomst nadert. Maar al zou er een paradijs op aarde zijn, wat hebben we dan nog? Als we God niet hebben, dan leven we zeventig of tachtig jaar en dan vergaan we. Dan keren we tot het stof en onze ziel zinkt met de rijke man dieper weg dan het graf, in het eeuwige verderf.

 

Maar als we uit God geboren zijn en door het geloof gemeenschap met God hebben, zegt Hij tegen ons dat we de wereld zullen overwinnen. Dat blijft waar, al is de strijd nog zo erg en al zijn de zonden nog zo veel. Dan schreien we wel vele tranen, maar we zijn toch in hope zalig. Dan hebben we de Heilige Geest, Die nooit meer van ons wijken zal. Dan hebben we de Heere niet alleen nodig tot afwassing van onze gemaakte schuld, maar ook om dagelijks in Zijn wegen te mogen wandelen.

 

O, dan is het mijn grootste smart als ik ongelijkvormig ben aan het beeld dat Christus vertoont. Het is mijn grootste verdriet als ik maar niet buigen wil, als ik mijn recht maar wil handhaven, als ik het maar bij het rechte eind wil hebben, als ik maar méér wil zijn dan die ander ... Dat is zo slecht voor ons geestelijk leven, daar gaan we innerlijk aan dood.

Christus leerde het zo anders en deed zo anders. Als Hij gescholden werd, schold Hij niet weder, en als Hem leed gedaan werd, dreigde Hij niet. Hij gaf het over in de hand van Dien, Die rechtvaardig oordeelt (1 Petr. 2:23). Om zó te wandelen, om zó onszelf te verloochenen, om zó onze Heiland te belijden in een nieuw godzalig leven – dat is het begin van de hemel. Als we in dat heilige leven mogen opwassen, gaan de poorten der gerechtigheid steeds wijder voor ons open. Dan wordt de glans van de hemelse majesteit steeds meer in ons hart gezien. Dan moet de duisternis eindelijk wijken. Dan doden we de leden die op de aarde zijn, dan mogen we door de Geest van Christus als nieuwe schepselen wandelen. Wel, die nu zó uit God geboren is, die zal in eeuwigheid niet meer sterven.

 

Bent u op een andere wijze tot verandering gekomen, hetzij ‘uit den bloede’, hetzij ‘door de wil des vleses’, hetzij ‘door de wil des mans’? Beken dan heden het tekort! Belijd het, schreeuw het voor God uit, en zoek uw toevlucht alleen onder Zijn vleugelen. Dat geldt voor u en voor mij, want de dag nadert dat Jezus Christus Zelf ten laatste Zijn taak vervullen zal.

Als de grote Sleuteldrager heeft Hij de sleutels van dood en hel, maar ook de sleutels van het eeuwige leven, van de hemelpoort, in Zijn hand omklemd. Dan zullen ze gaan, die hier op de brede weg gewandeld hebben, door die wijde poort naar het eeuwige verderf. Daar is geen redding meer mogelijk. Dat zal dan het ergste zijn voor de Zijnen: de Zijnen tot wie Hij gekomen is en die Hem niet hebben aangenomen. Wee Chorazin, wee Kapernaüm, wee Bethsaïda, tot de hemel toe verhoogd, tot de hel toe zult ge nedergestoten worden (Matth. 11:21).

 

Maar het zal ook tot verwondering zijn voor die schare, die in het dodelijkst tijdsgewricht gezegd heeft: Heere, tot wie zullen we heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh. 6:66). Dan zal Hij zeggen: Kom in, gij goede en getrouwe dienstknecht, u was over weinig getrouw, over veel zal Ik u zetten (Matth. 5:21). Dan zal Hij de sleutel van Zijn schouders nemen en Hij zal de zalen van het eeuwige licht voor ons openen. En buiten zullen zijn de honden, de tovenaars, de dronkaards, de waarzeggers, de ongelovigen en de hoereerders. Maar dan:

Dan ga ik op tot Gods altaren,

Tot God, mijn God, de bron van vreugd.

Dan zal ik juichend stem en snaren,

Ten roem van Zijne goedheid paren,

Die na kortstondig ongeneugt,

Mij eindeloos verheugt.

Amen.

 

Slotzang Psalm 43: 4

 

Dan ga ik op tot Gods altaren,

Tot God, mijn God, de bron van vreugd. 

Dan zal ik juichend stem en snaren,

Ten roem van Zijne goedheid paren,

Die na kortstondig ongeneugt,

Mij eindeloos verheugt.