Ds. J. Driessen - Johannes 1 : 16 - 17

Johannes' lofzang op de genadevolheid van Christus

De Bron, waaruit deze volheid wordt genoten
De mensen, door wie deze volheid wordt genoten
De wijze, waarop deze volheid wordt genoten

Johannes 1 : 16 - 17

Johannes 1
16
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.
17
Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 113: 1 en 2
Lezen : Johannes 1: 1 - 18
Zingen : Psalm 72: 6, 7 en 8
Zingen : Psalm 103: 3
Zingen : Psalm 116: 7 en 10

Gemeente, het Schriftwoord dat we met u met de hulp van de Heere overdenken, vindt u in het gedeelte dat ons gelezen is, Johannes 1, daarvan de verzen 16 en 17. We lezen daar het Woord van God:

 

16. En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.

17. Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.

 

We willen naar aanleiding van deze woorden stilstaan bij:

 

Johannes’ lofzang op de genadevolheid van Christus

 

En we zien dat de apostel ons daarin wijst op:

  1. De Bron, waaruit deze volheid wordt genoten.
  2. De mensen, door wie deze volheid wordt genoten.
  3. De wijze, waarop deze volheid wordt genoten.

 

  1. De Bron, waaruit deze volheid wordt genoten

Gemeente, de evangelisten Mattheüs, Markus en Lukas beginnen hun Evangelie met een beschrijving van de historische gebeurtenissen rond de geboorte van de Zaligmaker, en  de geboorte en het optreden van Johannes de Doper.

 

Maar het Evangelie van Johannes tekent de Zaligmaker vooral in Zijn góddelijke natuur, als de Zóón van God; als Degene Die voortkomt uit het Vaderhart van God, opdat Hij ons zal bekend maken wat er in dat Vaderhart van God leeft.

 

Door Gods Geest gedreven geeft Johannes Hem de diepzinnige naam ‘het Woord’. En wat is een woord? Een woord is de uiting van onze gedachten. De vertolking van wat er in ons binnenste leeft. En zo is nu Christus, hét Wóórd, de openbaring en de vertolking van wat er in Gód leeft.

 

In den beginne was het Woord en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is (Joh.1:1-3).

 

Alle orde, alle wijsheid, alle schoonheid, alle majesteit die uit de schepping ons tegen straalt, ja, heel de schepping zelf – zo wil de apostel zeggen – is uit God de Vader, is er dóór het Woord, door Jezus Christus.

 

Ja, meer nog. Want de schepping, maar ook de onderhouding van al het geschapene is uit Hem. Johannes roemt Hem immers als het Leven, als het Licht van de wereld. En dan, wanneer Johannes ons zo de alles overweldigende majesteit van Christus als het eeuwige Woord heeft doen zien, dan verkondigt hij de rijkdom van het heilsfeit van de menswording van de Heere en zegt hij: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond.

 

Hoe diep is de tegenstelling die hier naar voren wordt gebracht. Het Woord Dat in den beginne was, het Woord Dat bij God was. Het Woord, Waardoor alles is geschapen en Waardoor alles wordt onderhouden – dat Woord is vlees geworden. Dat Woord is ten volle tot ons neergedaald. Eerst zien we Hem als de Hoge, als de Verhevene, als de eeuwige God, in al Zijn glorie, in al Zijn heerlijkheid.

 

En dan, opeens, zien we de lijn loodrecht naar beneden dalen: het Woord is vlees geworden. Wat een tegenstelling! Wat een diepte! Wat een val! Deze diepte, deze val, herinnert ons aan ónze val, waarvan Genesis 3 spreekt. Op welk een heerlijke hoogte mochten wij staan toen God ons schiep. Wij mochten met God omgaan als een kind met zijn vader. We kenden onze Schepper zelfs aan de wind des daags. En toen, omdat we de duisternis liever hadden dan het licht, kwam daar dat neerstorten in die ontzaglijke diepte. Door de zonde kwam de onrust, kwam de schrik in het geweten, de schuld. Het wegvluchten voor God, het oordeel, de ellende en de dood.

 

En daar tegenover staat nu dat Christus, het eeuwige Woord, in ons vlees, in die verschrikkelijke diepte van onze ellende en verlorenheid, ons is nágedaald. Nee, dat deed Hij niet, omdat Hij Zich ook aan die zondeval schuldig maakte. Maar dat deed Hij als Zaligmaker. Daarbij aanvaardde Hij als Borg van zondaren de vreselijke val en de ontzaglijke diepte van onze zonde en schuld, van onze ellende, van onze verlorenheid, om Zijn Kerk ervan te verlossen en te bevrijden. En als Johannes dat geschreven heeft, roept hij in verwondering uit: En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.

 

In Hem, Die Zich zo diep vernederd heeft, is een volheid van genade geopenbaard. Hoe komt deze volheid in Hem? Dat zegt de apostel Paulus ons in zijn brief aan de gemeente van Kolosse. Daar schrijft hij: Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou (Kol. 1:19). Daar ligt de diepste achtergrond van de volheid in Christus. In God Zelf. In de vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. God was vol van eeuwige liefde. Vol van ontferming. In Hem was een volheid van goddelijke bewogenheid die zich heeft geopenbaard in het zenden van Zijn Zoon. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16).

 

Achter de volheid van Christus ligt de volheid van de Drie-enige God. De volheid van de Vader, Die Zijn Zoon gaf, om als Middelaar op te treden tussen Hem en schuldige  zondaren. De volheid van de Zoon, Die Zichzelf gaf om deze opdracht te vervullen, om verlossing te verwerven. En de volheid van de Heilige Geest, Die het op Zich nam, om zondaren deze verlossing deelachtig te maken. En al deze volheid van de Drie-enige God is nu in Hem, Die kwam in ons vlees, zichtbare werkelijkheid geworden. Hij is immers neergedaald om Zijn Middelaarswerk te volbrengen?

 

De genade waarover de apostel Johannes hier spreekt, is dan ook de samenvatting van alle heilsweldaden die de Heere Jezus voor zondaren heeft verdiend. En nu had de apostel een hele opsomming kunnen geven van deze heerlijke genadegaven. Hij had kunnen spreken van de betaling van de schuld, van de vergeving van de zonden, van de vrijspraak voor Gods gericht, van verlossing van de dood. Hij had kunnen spreken van redding, van zaligheid, van vrede, van vreugde, van licht, van leven en nog heel veel meer. Maar ziende op de onmetelijke rijkdom van deze Christus gevoelt hij zijn onmacht om die rijkdom naar waarheid te beschrijven. Hij ervaart eigenlijk dat die rijkdom van Christus veel te groot is en dat hijzelf veel te klein is om Zijn schatten te kunnen bevatten. Daarom noemt hij slechts dit enkele woord, dat alles omvat: Zíjn volheid. In deze Christus is geen leegte. In  Hem is enkel volheid.

 

Want deze Zaligmaker heeft alles volbracht om onze leegte te vervullen. Hij is van God geworden tot wijsheid, tot rechtvaardigheid, tot heiligmaking, ja, tot volkomen verlossing. Deze volheid houdt Hij niet voor Zichzelf. Het is een volheid waarvan Hij uitdeelt. En dat niet bekrompen, niet sobertjes, maar mild en overvloedig. Ik, zo horen we Hem straks spreken als de Goede Herder, Ik ben gekomen, opdat Mijn schapen het leven en overvloed hebben.

 

In deze Christus heeft God een Fontein van genade doen ontspringen. Een Fontein die niet rijker wordt door het inhouden en niet leger door het uitdelen van al de genaden waarin Gods Kerk zich ooit mocht verheugen. En van al de genaden, die Gods Kerk nog nodig zal hebben, is Hij de Bron, Die steeds maar vloeit, zonder ooit minder te worden.

 

Er is een volheid van volkomen genoegdoening in Zijn bloed. Want het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde.

 

Er is een volheid van rechtvaardig makende gerechtigheid in Zijn leven. Want zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn (Rom. 8:1).

 

Er is een volheid van goddelijke kracht in Zijn voorspraak. Want Hij kan volkomen zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altoos leeft om voor hen te bidden.

 

Er is een volheid van overwinning in Zijn dood. Want door Zijn dood heeft Hij tenietgedaan degene die het geweld van de dood had, namelijk de duivel.

 

Er is een volheid van kracht in Zijn opstanding. Want daardoor worden al de Zijnen wedergeboren tot een levende hoop.

 

Er is een volheid van overwinning in Zijn hemelvaart. Want daardoor heeft Hij de gevangenis gevankelijk gevoerd en heeft Hij gaven genomen om uit te delen onder de mensen, zelfs onder de wederhorigen.

 

In Hem is een volheid van verlichtende genade. Want Hij is het Licht der wereld, Die de ogen van blinden opent.

 

In Hem is een volheid van heiligende genade om los te maken van de meest sterke zondebanden.

 

In Hem is een volheid van versterkende genade tegen alle kwaad van de verzoeking.

 

In Hem is een volheid van bemoedigende genade in wegen van kruis en van beproeving.

 

In Hem is een volheid voor alle zaken die ook voor dit tijdelijke leven nodig zijn. Want de wereld en haar volheid is van Hem.

 

Kortom, gemeente, van Hem, van het vleesgeworden Woord, kun je noemen wat je wilt, maar het getuigt alles van de volheid van goddelijke genade, die in Hem geopenbaard is voor vloekwaardige zondaren.

 

We staan daarbij stil in de tweede plaats, als we letten op degenen die deze volheid mogen genieten.

 

  1. De mensen, door wie deze volheid wordt genoten

Wie dat zijn, gemeente? Dat wordt ons gezegd in de twee woordjes ‘wij allen’. En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen. Wat moet je daaronder verstaan?

 

Wil dat zeggen: alle mensen? Wanneer u de tekst oppervlakkig leest, bent u geneigd om ‘ja’ te zeggen op deze vraag. Immers, waar hebben wij het aan te danken dat we elke dag eten en drinken hebben? Dat we iedere dag, en in het bijzonder op de zondag, de boodschap van het Evangelie mogen horen? Iedere zondag weer opnieuw! Wanneer u een beetje zelfkennis hebt, zult u toch niet zeggen dat we dat verdiend hebben, of dat we dat waard zijn?

 

Nee, als zondige mensen hebben wij al Gods zegeningen verbeurd. We hebben ons door de zonde de dood waard gemaakt. En alles wat God daarboven geeft, leven en voedsel en gezondheid en nog zoveel meer, dat is nooit los te maken van Hem Die kwam in ons vlees.

 

Maar toch, genade, in de diepste zin van het woord, wil zeggen dat we weer delen in de gunst van God, Dat we met Hem verzoend zijn.

 

Daarom zijn die ‘wij allen’ waarvan de tekst spreekt, niet degenen die vol zijn van zichzelf. Dat zijn niet de farizeeën die zich erop beroemen dat ze zoveel presteren. Die roemen over de volheid van hun verdiensten die ze voor God denken te hebben. Want zo’n volheid van onszelf en de genadevolheid van Christus, die sluiten elkaar te enenmale uit. Genade is niet voor geestelijk rijken, maar juist voor geestelijk arme mensen. Uit de volheid van Christus worden geen volle, maar lege vaten gevuld.

 

‘Wij allen’, dat zijn degenen die de leegheid van de dienst van de zonde hebben leren kennen. Die leerden zien dat het einde daarvan de eeuwige dood is. Het zijn zij die ook de leegheid kennen van het schijnschoon van deze wereld. Want hun ogen en ook hun oren zijn opengegaan voor het Woord dat de Heere Jezus eenmaal sprak: Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel? (Matth. 16:26).

 

Die ‘wij allen’, dat zijn ook degenen die de leegheid kennen van hun eigen deugden en werken, want ze beseffen dat ze daarmee niet voor God kúnnen bestaan. Ja, zij die uit de genadevolheid van Christus worden bediend, kennen niet alleen de leegheid van hun leven buiten God, maar ze beseffen ook de grote schuld die ze tegenover de Heere hebben.

 

Helaas wordt dat door veel mensen voorbijgezien. Soms wordt er geroemd in de genade, in de volheid van Christus, zonder dat men weet waarvoor die genade nodig is en waarvoor Jezus nodig is.

 

O zeker, het is een lofzang: Uit Zijn volheid hebben wij ontvangen genade voor genade. Maar het is wel een lofzang die in de diepte geleerd wordt. Niet op de onvruchtbare hoogte van ijdele zelfverheffing, van eigengerechtigheid. Niet op de dorre akker van het ongebroken zondaarshart verrijst de lofzang op de genade van God.

 

Weet u, waar die lofzang verrijst? In de vallei van zelfkennis, waar God door Zijn Geest ons zondaarshart verbreekt. Waar zonde wérkelijk zonde en schuld echt schúld voor ons  wordt. Daar wordt het gebed geboren: O God, wees mij, zondaar genadig (Luk.18:13). Juist daar krijgen we die genadevolheid nodig die God in Christus heeft geopenbaard. Daar krijgen we Hem Zelf nodig.

 

Die mensen zijn het van wie Johannes in onze tekst zegt: ‘Wij allen.’ Dat is Gods Kerk, Zijn gemeente op aarde, op alle plaatsen, vanuit alle windstreken, door alle eeuwen. Het zijn mensen, die, ontdekt aan de leegheid van hun leven, zichzelf leren kennen als schuldige zondaren voor God. Mensen die zo gaan vluchten tot Christus, om door Zijn genade behouden te worden.

 

Wat is dit Evangelie dan geweldig ruim, gemeente. Wij allen, dat wil zeggen dat de genadevolheid van Christus er niet alleen is voor de ouderen, maar ook voor de jongeren. Ook voor de kinderen wil de Heere uit Zijn volheid schenken. Hoor je dat, jonge mensen? De Heere komt ook tot jullie met de volheid van de Zaligmaker. De prediking van het Woord, als je op catechisatie bent, als je op de jeugdvereniging of de club komt. Hij staat er telkens weer aan de deur van jullie hart, en Hij zegt: Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij je hart (Spr. 23:6).

 

Wij allen. Dat wil zeggen: de volheid van Christus is er niet alleen voor de geoefenden in het geloof, maar juist ook voor de kleinen en de zwakken. Niet alleen voor degenen die Zijn genade reeds kennen, maar ook voor hen die Zijn genade voor het eerst nodig krijgen. Die volheid van Christus is er ook voor hen die schuchter zijn. Voor hen die zichzelf die volheid niet waardig keuren.

 

Wij allen. Dat wil zeggen: de volheid van de genade van Christus is er ook voor Nicodemus. Dat is de man die alleen maar ’s nachts tot Jezus durfde te gaan. Die volheid is er ook voor Zacheüs, die eigenlijk maar ver bij de anderen vandaan wilde blijven. Die genade is er voor een moordenaar aan het kruis. Die volheid is er voor een Saulus van Tarsen, die op weg is naar Damascus om de gemeente van Jezus te vervolgen.

 

Wie u ook bent, wie jij ook bent, Christus’ volheid is er ook voor ú, is er ook voor jóu, als je maar buigt en bedelt om een kruimel van genade. Ziende op de volheid van Christus mag u, mag jij nooit zeggen: ‘Voor mij kan het niet. Ik ben te slecht. Ik heb te lang gezondigd. Ik heb te zwaar overtreden.’ O, laten uw zonden als het ware tot de hemel toe opgehoopt zijn. Nog oneindig veel hoger, oneindig veel groter is de volheid van Christus. Voor wie maar arm en leeg is in zichzelf, voor wie maar hongert en dorst naar de gerechtigheid, is in Christus overvloed.

 

Hoe groot deze volheid is, blijkt wel heel duidelijk wanneer we in de derde plaats gaan letten op de wijze waarop deze volheid van Christus wordt genoten.

 

Maar laten we eerst samen zingen uit Psalm 103, het derde vers:

 

Loof Hem, Die u vergunt uw zielsverlangen,

En ’t goede tot verzading doet ontvangen;

Uw jeugd vernieuwt, gelijk eens arends jeugd;

De Heer’ doet recht, is heilig in Zijn richten,

Treft iemand druk, Hij wil den druk verlichten,

En hart en mond vervullen met Zijn vreugd.

 

  1. De wijze, waarop deze volheid van Christus wordt genoten

Gemeente, wanneer het gaat over de wijze waarop de genadevolheid van Christus genoten wordt, moet in de eerste plaats het woordje ‘ontvangen’ onze aandacht hebben. Daarin zegt Johannes ons hoe hij met heel Gods Kerk aan de genadevolheid van Christus deel gekregen heeft.

 

In het zeventiende vers verduidelijkt hij dat nog door Mozes en Jezus te vergelijken. Hij maakt een vergelijking tussen de Wet van Mozes en de genadevolheid van Christus. Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Johannes maakt hier niet een tégenstelling tussen Mozes en Jezus, maar hij benadrukt dat er in de Heere Jezus zoveel méér geschonken is dan door Mozes.

 

Door bemiddeling van Mozes is de wet aan Israël gegeven. En dat woord ‘wet’, dat mag u hier in tweeërlei zin opvatten. In de eerste plaats als het Woord van God, als het getuigenis van de Heere, als de wet van de ceremoniën. Maar in de tweede plaats ook als de Wet van de Tien Geboden, de twee stenen tafels van de wet, door de Heere op de Sinaï gegeven. Mozes was een dienstknecht van God om de woorden van God aan Israël  door te geven. Dat was gunst, dat was genade van de Heere.

 

Maar nu, nu is er een veel rijker genade door Christus teweeggebracht. Want de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. De wet is door Mozes gegeven. Maar bij de wet zelf is er geen sprake van geven. Want de wet geeft niets! De wet wil zelf ontvangen. De wet eist alleen maar. De wet verkondigt ons de gerechtigheid van God, waaraan voldaan moet worden. De wet verkondigt ons de heiligheid van God, waarmee we in overeenstemming moeten zijn. En wanneer we in de weg van het onderhouden van de wet de zaligheid zouden moeten verdienen, nooit zouden we daartoe komen. Want: Vervloekt is eenieder, zegt de Schrift, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen (Gal. 3:10).

 

Maar Gode zij dank. Tegenover de eisende wet verkondigt het Evangelie ons de Zaligmaker, Die Zichzelf gegeven heeft, Die Zelf de wet vervuld heeft. Hij heeft alles verdiend en daarom eist Hij ook niets, maar schenkt Hij alles. De genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.

 

Sinds de komst van Jezus in Bethlehem, sinds het Woord vlees geworden is, is er een nieuwe bedéling, een nieuw verbond. Mozes was kaarslicht, Jezus is meer dan zonlicht. Mozes gaf de wet in stenen tafels, maar Jezus schrijft de Wet in de vlezen tafel van ons hart. Mozes is een wegwijzer, Jezus is Zelf de Weg. Hij baant de weg en Hij richt je voeten op de weg des levens. Mozes gaf het schaduwbeeld, het bloed van stieren en bokken, van lammeren en rammen die geofferd werden. Jezus is en brengt de Waarheid. Hij kwam met het echte bloed. Hij kwam met het waarachtige offer. Mozes mocht de Wet geven, maar de genade is door Jezus Christus geworden. Dat wil zeggen: gekomen in de kribbe, gekomen aan het kruis, gekomen uit het graf. En nu is Hij verhoogd. Nu heeft Hij Zijn Geest uitgezonden om van de volheid van genade en van waarheid te doen komen in het hart en het leven van zondaren.

 

Uit Zijn volheid kan alleen maar worden ontvangen. Ontvangen, ondanks onze zonden en schuld. Ontvangen, zonder enige verdienste. Ontvangen, hoewel we het totaal onwaardig zijn. Ontvangen, geheel om niet. Enkel uit genade. Ontvangen, ook genade voor genade.

 

Deze woorden ‘genade voor genade’ duiden niet alleen, nogmaals, de overvloed van de genade aan, maar die woorden wijzen ons ook nadrukkelijk op de heilige orde waarin de Heere deze genade uitdeelt en waarin Hij die genade toepast. Dat doet Hij wanneer we, ontdaan van al het onze, door Gods Geest tot de kribbe van Bethlehem, tot de volheid van genade in Christus worden geleid. Dan is het niet zo dat we, om zo te zeggen, een kapitaal van genade meekrijgen van de Heere. Een kapitaal, waarop we verder ons leven lang zouden kunnen teren. Nee, zo werkt de Heere niet. We ontvangen niet alle weldaden ineens. En waarom niet? In de eerste plaats: vanwege de geweldige overvloed zouden we dat ook niet kunnen verdragen. En in de tweede plaats: er zou nog wel het één en ander van die zegeningen door ons vermorst kunnen worden.

 

Tijdens de woestijnreis van de Israëlieten konden ze niet langer dan één dag van het manna leven. Iedere dag weer liet God dat vallen. Maar als ze er langer mee wilden doen en méér opraapten dan nodig was voor één dag, dan was het niet meer bruikbaar. Het hemelbrood viel elke dag opnieuw. En het moest iedere dag opnieuw geraapt worden. Elke dag moesten de Israëlieten er met hun lege emmertje opnieuw op uit.

 

Zo moeten ook wij, telkens weer opnieuw, met lege handen, met lege harten komen tot de genadevolheid van Hem, Die God als het Brood des Levens uit de hemel deed neerdalen. Dan is er bij Hem nooit enig tekort. Wie van ons is ooit tevergeefs gekomen tot deze volheid? Wie van ons heeft deze Bron ooit leeg gevonden? In plaats van het vroeger gebruikte is er steeds weer het nieuwe.

 

Nogmaals, dat is niet omdat we dat ooit zouden verdienen. We verdienen het niet in het begin, we verdienen het niet in het laatst, we verdienen het nooit. Uit Christus mag je steeds nieuwe genade ontvangen. Nee, ook niet in plaats van je geloof. Niet in plaats van je bekering. Of in plaats van wat wij misschien uit liefde tot de Heere gedaan hebben. Maar het is genade alleen, genade voor genade!

 

Genade voor genade. Dat wil ook zeggen: de ene genade  brengt de andere genade voort. De uit Christus ontvangen genade is de grond, de waarborg voor het ontvangen van nieuwe en meerdere genade. Het ís genade, het blíjft genade, en het zal eeuwig genade zijn. En dat uit Zíjn volheid.

 

O, als u persoonlijk die genade kennen mag en u ziet terug op de leiding van God in uw leven, moet u dan niet erkennen dat het inderdaad zo is, zoals Johannes het hier, geleid door de Heilige Geest, vanuit de overvloed van zijn hart getuigt? En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen ook genade voor genade.

 

Is het immers niet genade dat de Heere u ontdekte aan uw zonden en schuld? Is het niet genade dat u als een zondaar, als een zondares, voor de Heere leerde buigen? Is het niet genade dat u om genade leerde roepen? Is het niet genade dat u tot de Heere Jezus leerde vluchten? Is het niet genade dat u van Hem vergeving mocht ontvangen? Dat u rust en vrede vond in al uw onrust, in al uw onvrede?

 

U die de Heere vrezen mag, is het niet allemaal genade, als u terugdenkt aan de vele keren dat u de Heere uit het oog verloor en dat u buiten Hem in het donker rondzwierf? Is het niet genade dat Hij voor u weer het licht deed opgaan?

 

Als u zichzelf te binnen brengt al de moeite en al de zorg die er misschien in uw leven geweest zijn, de tijd van tegenslag en van strijd, dagen van verdriet en van rouw – is het dan niet Gods genade dat Hij kracht gaf? Ach, ziende op deze onuitsprekelijke genade van God heeft Paulus eenmaal uitgeroepen, en moeten en mogen ook wij het hem nazeggen: Door de genade Gods ben ik wat ik ben (1 Kor. 15:10). Aan onze kant is er niet anders dan ontrouw en schuld. Maar aan Gods kant is het: genade voor genade.

 

Dat betekent natuurlijk niet dat je het met je levenswandel niet zo nauw hoeft te nemen. Deze woorden geven je bepaald geen vrijbrief om te zondigen, omdat er toch wel genade tegenover staat. Wanneer we op die manier deze woorden ‘genade voor genade’ zouden opvatten, blijkt wel heel duidelijk dat we van die genade helemaal niets verstaan. Het werkelijke ontvangen uit de genadevolheid van Christus doet je in verbondenheid aan Hem en in dankbaarheid voor Hem leven.

 

Gemeente, genade voor genade maakt je aan de ene kant al minder en armer, en het maakt je aan de andere kant al meer en rijker. Je wordt hierdoor steeds meer ontledigd aan wat van jezelf is, en het doet je steeds meer van Hem vervuld zijn.

 

En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.

 

Is deze lofzang op de genadevolheid van Christus ook uw levenslied geworden? Door het Woord van God is die volheid van Christus’ genade verkondigd. De prediking daarvan is voor u een roepstem, een dringende nodiging om tot de Heere te komen.

 

Toen Alexander de Grote eens voor een opstandige stad lag om die te veroveren, liet hij in zijn legerkamp de witte vlag hijsen. Door middel van gezanten liet hij de inwoners van die stad weten, dat zolang de witte vlag wapperde zij zich vrijwillig konden overgeven. Wie dat deden, mochten rekenen op de gratie van de wereldveroveraar. Maar deed men dat niet en de vlag was neergehaald, dan was het te laat. Dan zou zijn wraak hen treffen.

 

En zo komt God tot u, gemeente. Zo komt de Heere tot jou in de prediking van het Evangelie, met de witte vlag van Zijn genade u tegemoet. Nog mag u, nog mag jij je vrijwillig overgeven. Je mag toevlucht nemen tot de genadevolheid van Christus. En morgen al, vandaag zelfs, kan het voor altijd te laat zijn. En dan…? Verloren. Verloren, ondanks de genadevolheid ons in het Evangelie bekend gemaakt.

 

Tegenover het verhoogd worden van de nederigen, zullen dan, zoals Maria in haar Lofzang zong, machtigen van de tronen worden afgetrokken. Tegenover het met goederen vervuld worden van de hongerigen, zullen dan de rijken voor altijd leeg worden heengezonden.

 

Ach, wanneer u nu nog als zo’n machtige op uw eigengemaakte troon zit zonder dat u als zondaar hebt gebogen, wanneer u nog zo rijk bent in uzelf zonder de rijkdom van Koning Jezus te kennen – laat het Woord van God u dan toch nú afstoten van al uw eigen gerechtigheid. Laat het Woord van de Heere u uw ingebeelde rijkdom ontnemen, opdat u behoren mag tot de nederigen, tot de verbrijzelden van geest, die hongeren en dorsten naar de genade van God, naar de volheid van Jezus.

 

Voor genade is geen plaats, of u moet een zondaar, een zondares zijn. Genade veronderstelt zonde en schuld. En op genade pleiten wil zeggen: erkennen dat God rechtvaardig is en dat je daarom je eigen oordeel ondertekent. Gelukkig zorgt de Heere ook dáárvoor. Wie zou anders ooit komen tot de genade van Christus? Zijn Geest overtuigt van zonde, van gerechtigheid en oordeel. Zijn Geest doet je de volslagen machteloosheid inleven om jezelf te verlossen. Maar deze zelfde Geest maakt in die weg ook plaats voor de volheid van Christus. Ja, zo wil en zal de Heere ook werkelijk uit die volheid doen ontvangen ook genade voor genade.

 

Hoor dat, u die het vonnis van de dood onderschrijft, u die uitgewerkt bent! U zult de lof van vrije genade bezingen, en uitroepen met Johannes: En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.

 

Wie van genade leeft, vindt niets in zichzelf, maar alles in Jezus. Zo doet God Zich overblijven een volk van arme en ellendige zondaren, die hun leven vinden in Christus en roemen in genade voor genade. Genade die altijd vloeit uit de volheid van Hem.

 

Houd dan in gedachtenis dat u uit genade zijt zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. Want uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Want de wet is door Mozes gegeven en de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus geworden.

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 116 vers 7 en 10:

Wat zal ik, met Gods gunsten overlaân,

Dien trouwen Heer’ voor Zijn genâ vergelden?

‘k Zal bij den kelk des heils Zijn Naam vermelden,

En roepen Hem met blijd’ erkent’nis aan.

 

Ik zal Uw Naam met dankerkentenis

Verheffen, U al mijn geloften brengen;

‘k Zal liefd’ en lof voor U ten offer mengen,

In ’t heiligdom, waar ’t volk vergaderd is.