Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 6 : 10 - 19

Nehemia opnieuw in de vuurproef

De verleiding van binnenuit
De valse profetie doorzien
De muur van Jeruzalem wordt voltooid
Deze prekenserie over Nehemia is eerder in boekvorm uitgegeven door uitgeverij Boekhout. Nu worden deze preken, met wat kleine correcties, opnieuw gepubliceerd.

Nehemia 6 : 10 - 19

Nehemia 6
10
Als ik nu kwam in het huis van Semaja, den zoon van Delaja, den zoon van Mehetabeel (hij nu was besloten), zo zeide hij: Laat ons samenkomen in het huis Gods, in het midden des tempels, en laat ons de deuren des tempels toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden.
11
Maar ik zeide: Zou een man, als ik, vlieden? En wie is er, zijnde als ik, die in den tempel zou gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet ingaan.
12
Want ik merkte, en ziet, God had hem niet gezonden; maar hij sprak deze profetie tegen mij, omdat Tobia en Sanballat hem gehuurd hadden.
13
Daarom was hij gehuurd, opdat ik zou vrezen, en alzo doen, en zondigen; opdat zij iets zouden hebben tot een kwaden naam, opdat zij mij zouden honen.
14
Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noadja, en aan de andere profeten, die mij gezocht hebben vreesachtig te maken.
15
De muur nu werd volbracht, op den vijf en twintigsten van Elul, in twee en vijftig dagen.
16
En het geschiedde, als al onze vijanden dit hoorden, zo vreesden al de heidenen, die rondom ons waren, en zij vervielen zeer in hun ogen; want zij merkten, dat dit werk van onzen God gedaan was.
17
Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobia gingen; en die van Tobia kwamen tot hen.
18
Want velen in Juda hadden hem gezworen, omdat hij was een schoonzoon van Sechanja, den zoon van Arah; en zijn zoon Johanan had genomen de dochter van Mesullam, den zoon van Berechja.
19
Ook verhaalden zij zijn goeddadigheden voor mijn aangezicht, en mijn woorden brachten zij uit tot hem. Tobia dan zond brieven, om mij vreesachtig te maken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 123: 1 en 2
Lezen : Nehemia 6: 10 - 19
Zingen : Psalm 147: 1, 2 en 6
Zingen : Psalm 74: 2, 19 en 21
Zingen : Psalm 126: 1

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in Nehemia 6, de verzen 10 tot en met 19. We lezen daarvan nu alleen de verzen 15 en 16:

 

15. De muur nu werd volbracht, op den vijf en twintigsten van Elul, in twee en vijftig dagen. 16. En het geschiedde, als al onze vijanden dit hoorden, zo vreesden al de heidenen, die rondom ons waren, en zij vervielen zeer in hun ogen; want zij merkten, dat dit werk van onzen God gedaan was.

 

We zullen in de prediking gaan zien hoe Nehemia opnieuw in de vuurproef komt.

Daarbij letten we op drie aandachtspunten:

  1. de verleiding van binnenuit (vers 10);
  2. de valse profetie doorzien (de verzen 11 tot en met 13);
  3. de muur van Jeruzalem wordt voltooid (de verzen 14 tot en met 19).

 

  1. De verleiding van binnenuit

Jongens en meisjes, zouden jullie niet bang zijn van een leeuw? Niet in de dierentuin achter veilige tralies, maar zomaar los rondlopend? En als hij dan z’n grote bek opendoet en recht op je afkomt? Je moet er toch niet aan denken: een leeuw, met zijn bek al open en jij daar zomaar vlakbij ... Wat zou je doen?

Hard weglopen!

Goed. Maar je kunt nog iets doen: bidden onder het lopen.

Moet je horen. Die twee dingen doet Nehemia als de duivel als een gemene leeuw op hem afkomt om hem aan te vallen: hij blijft uit zijn buurt en hij bidt tot God.

 

Gemeente, de duivel gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden. Als Paulus in Efeze 6 over de geestelijke wapenrusting schrijft, waarschuwt hij tegen de ‘listige omleidingen van de duivel’. Die probeert altijd het werk van God stuk te breken, de ene keer met grof geschut en door intimidatie, de andere keer door een stuk verleiding, hetzij van buitenaf, hetzij van binnenuit.

Het meest richt hij zijn aanvallen op Gods dienaren, mensen die een belangrijke positie hebben in de kerk en in de gemeente. Als hij díe kan uitschakelen, kan hij het Koninkrijk van God de meeste schade berokkenen.

Hoe meer invloed een bepaalde leidersfiguur heeft in de kerk, des te meer zal hij blootstaan aan het gevaar van de verleiding. Satan richt zijn pijlen juist op zo iemand, om eerverlies of verwarring teweeg te brengen. Zo wordt hij ontmoedigd. Als het satan gelukt om een voorganger of ambtsdrager in de kerk naar zijpaden of doodlopende wegen te lokken, zullen heel wat gemeenteleden daarin worden meegesleept.

Leidersfiguren, zoals Nehemia, leven als het ware in een goudvissenkom, in een glazen huis. Als hun leiderschap wordt bedreigd door schandalen, zal dat grote schade en ontmoediging tot gevolg hebben. Paulus waarschuwt de voorgangers niet voor niets om heel beducht te zijn voor ‘de strik van de duivel’.

 

We kijken opnieuw naar Nehemia. Nehemia bouwt met de Joden aan de muur van Jeruzalem. Nog even en de muur is klaar. En als dan de poorten erin gehangen worden, zal Jeruzalem een gesloten en verdedigbare stad zijn.

Dat is voor de vijand van Juda echter een doorn in het oog. De omringende landvoogden, Sanballat, Tobía en Gesem hebben al op verschillende manieren geprobeerd om Nehemia uit de weg te ruimen, maar het is telkens mislukt.

Ze hebben goed in de gaten dat Nehemia de spil is in alles. In de eerste negen verzen van hoofdstuk 6 lezen we hoe uiterst vriendelijk ze tegen Nehemia doen. Als de vijand vriendelijk wordt, moet je echter oppassen. Ze nodigen Nehemia uit voor een vredesconferentie in het dal van Ono, tussen Jeruzalem en Samaria. En zo proberen ze Nehemia achter de veilige muur vandaan te lokken om hem ergens onderweg door een moordaanslag uit de weg te ruimen. Ze proberen Nehemia te verleiden onder de schijn van vriendschap. De duivel komt als een ‘engel des lichts’.

Maar Nehemia is op zijn hoede. Vastberaden weigert hij om op hun verzoek in te gaan en zijn argument is ijzersterk. Hij heeft een groot werk te doen; hij heeft nu geen tijd. De voltooiing van de muur gaat voor.

Nehemia blijft standvastig, ook als de vijand tot vier keer toe met dezelfde vraag komt.

 

Als ze begrijpen dat Nehemia niet van plan is om Jeruzalem en het werk aan de muur te verlaten, proberen ze een andere tactiek om hem buiten de muur te krijgen. Ze sturen een open brief rond met allerlei lasterlijke argumenten als zou Nehemia tegen de koning opstaan. En als de koning dat zal horen, zal Nehemia’s positie daarmee verzwakt worden.

Een open brief met beschuldigingen aan het adres van Nehemia – die brief wordt overal in het openbaar voorgelezen. Zo wordt met deze bezwarende laster de geadresseerde sterk onder druk gezet.

Nehemia laat zich ook daardoor niet van de wijs brengen. Hij vertrouwt op God en ontkent alle beschuldigingen. Het zijn allemaal kletspraatjes, zegt hij, uit de duim gezogen. Ik kom niet naar jullie conferentie toe. Ik blijf aan het werk voor Jeruzalem.

Jakobus zegt: ‘Wedersta de duivel en hij zal van u vlieden.’ Dat brengt Nehemia in praktijk. Maar hij doet nog iets: hij bidt. Midden in de beproeving bidt hij om sterkte en kracht: Nu dan, Heere, sterk mijn handen (slot van vers 9). Zo alleen kan hij de laster negeren en in het werk volharden.

Wat heerlijk als je zo je kracht bij de Heere zoekt, midden in je eigen krachteloosheid. Gevouwen handen, alles aan de Heere overgeven; en je niet van je werk laten afhouden.

 

Nog is de tegenstand niet beëindigd. De ene aanval is nog maar nauwelijks afgeslagen of de andere is er alweer, nu nog veel gemener en veel bedrieglijker. Hij komt van binnenuit en heeft een godsdienstige schijn aangenomen. Niet alleen buiten, maar ook binnen de muur zijn de verleiders, de handlangers van de vijand. De vijand komt met een derde krijgslist, een verleiding binnen eigen gelederen. En daarover gaat ons tekstgedeelte.

Wat een schrijnende ernst, gemeente: zelfs binnen de kerk zijn we niet veilig. Ook daar heeft satan zijn spionnen uitgezet. Mensen die zich voordoen als geestelijke leiders kunnen in werkelijkheid verleiders zijn. Zelfs daar waar we geborgenheid en veiligheid denken te vinden, worden we geroepen tot waakzaamheid. Het is niet alles Israël wat Israël heet.

Een duidelijk voorbeeld daarvan is de beroepsprofeet Semája, die bereid is om tegen een bepaald bedrag Nehemia in de val te lokken. Als Nehemia niet buiten de poort wil komen, zullen de vijanden hem wel binnen de poorten proberen te strikken. Naar de stemmen van de openlijke vijanden weigert Nehemia te luisteren, maar als er nu eens een stem tot hem zou komen van een geloofsgenoot, een profeet nog wel, een stem uit de kerk, dan zal hij toch wel luisteren?

 

In Jeruzalem woont een profeet; hij heet Semája. Zelfs de namen van zijn vader en zijn grootvader worden genoemd. Lees maar mee in vers 10: Als ik nu kwam in het huis van Semája, den zoon van Delája, den zoon van Mehetábeël (hij nu was besloten), zo zeide hij: Laat ons samenkomen in het huis Gods, in het midden des tempels, en laat ons de deuren des tempels toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden.

Er staat dat hij ‘besloten’ is. Dat betekent dat hij zich heeft afgezonderd om een des te sterkere schijn van heiligheid te wekken. Nehemia moet vooral geloven dat hetgeen hij zegt echt het woord van de Heere is.

Nehemia heeft grote eerbied voor zo’n ‘man van God’ en hij bezoekt hem: Als ik nu kwam in het huis van Semája (…). Dat is precies Semája’s bedoeling. Misschien heeft hij wel aan Nehemia laten weten dat hij een speciale boodschap van God voor hem ontvangen heeft. In ieder geval gaat Nehemia naar Semája toe.

De profeet laat Nehemia weten dat er een moordaanslag op hem is beraamd. Dat heeft God hem geopenbaard. En dan stelt Semája voor om samen naar de tempel te gaan en zich daar te verstoppen – alsof het ook tegen hem gaat. Een soort kerkasiel: als we de deuren van de tempel sluiten, zullen we vannacht veilig zijn. Waar ben je veiliger dan in de tempel, waar de Heere zelf woont? Veilig bij Gods altaren, waar zelfs de mus een huis vindt en de zwaluw een nest bouwt. Nehemia, laten we daar samen schuilen voor de moordenaars, die niet zullen rusten voor ze hun prooi gevonden hebben.

 

Wat een verzoeking voor Nehemia. Nu gaat het niet meer om een buitenstaander die hem uitnodigt, maar om een insider, een profeet van God die, met geestelijk gezag bekleed, hem in Gods naam een veilige plaats aanwijst. Vlucht naar de tempel en je zult behouden blijven.

Wat een verleidelijk voorstel. En die Semája doet zich zo goed voor. Nehemia heeft toch ook zijn verantwoordelijkheid. Als hij vermoord wordt, kan hij niets meer doen voor Jeruzalem.

Voelt u de kracht van de verleiding? Wie zou in zo’n situatie niet overstag gaan?

Wat doet Nehemia? Zegt hij: Goed, bedankt voor de tip. Ik ga vast mijn tas inpakken, mijn pyjama en mijn tandenborstel?

Luister maar mee naar ons tweede aandachtspunt:

 

  1. De valse profetie doorzien

We lezen de verzen 11 en 12: Maar ik zeide: Zou een man, als ik, vlieden? En wie is er, zijnde als ik, die in den tempel zou gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet ingaan. Want ik merkte, en ziet, God had hem niet gezonden; maar hij sprak deze profetie tegen mij, omdat Tobía en Sanballat hem gehuurd hadden.

Nehemia weigert. Hij doorziet onmiddellijk de list van Semája en hij realiseert zich dat God hem niet gezonden heeft. God spreekt Zichzelf niet tegen. Het is niet naar het Woord. Hij is omgekocht door Sanballat en Tobía. Hij weigert op grond van twee argumenten.

Maar ... ik zeide. In de eerste plaats: zou een man als ik, die al tegen zoveel vijanden door God is bewaard, nu op de vlucht slaan en zijn post verlaten? Als dan de moordenaars komen, is God er ook nog om mij te beschermen. Nehemia kent de kracht van het gebed. Hij vlucht liever tot God dan dat hij wegvlucht voor een moordenaar. Het tweede argument dat hij noemt, is heel belangrijk. De tempel was voor een man als Nehemia eigenlijk verboden terrein. Hij is geen priester, dus hij mag helemaal niet in het binnenste van de tempel komen. Zo heeft God het bepaald en die regel geldt nog altijd. Het zou tempelschennis zijn en zo zou hij zich verachtelijk maken bij de mensen en strafwaardig voor God.

 

Wat een waakzaamheid en moed van Nehemia. Zullen we hem daarvoor prijzen?

Ik denk dat we beter Iemand Anders kunnen prijzen. Het is de Geest van God die Nehemia dit inzicht geeft en deze oplettendheid, en ook de moed om onverschrokken ‘nee’ te zeggen tegen de profeet.

Stelt u zich toch eens voor dat hij op dat voorstel was ingegaan. Dan was hij in de val gelopen. Hij zou zich helemaal in diskrediet gebracht hebben bij het volk. Vriend en vijand zouden hem uitgelachen hebben. Waar is nu de grote held? Het is een held op sokken: bang voor z’n hachje. Hij is een tempelschender. Zijn waardigheid als landvoogd van Israël zou teloorgegaan zijn. Nehemia zou met dat kerkasiel tegen God gezondigd hebben. Hij zou niet meer op God vertrouwd hebben zoals hij vanaf het begin steeds heeft gedaan. Samengevat: het zou met zijn leiderschap en met de tempelbouw gedaan zijn. Maar God bewaart Nehemia.

Gemeente, wie dicht bij de Heere leeft, biddend en dienend, wordt bewaard voor zoveel dwaasheid en vallen in de zonde. De Heere bewaarde Nehemia voor paniek en Hij gaf hem vastbeslotenheid om te weigeren zich te laten verleiden. ‘Zou een man als ik vluchten?’ God heeft zijn gebeden verhoord, zijn handen gesterkt en zijn hart tot rust gebracht.

Wat zou jij doen als je zou horen van een moordaanslag en iemand zou je voorstellen om eraan te ontsnappen op een manier die tegen Gods Woord is? Moeilijk, hè?! Ons leven is ons lief. En als God je niet zou bewaren, zou je voor de verleiding bezwijken.

 

In de vroege kerk waren wel christenen die met het zicht op de marteldood bezweken voor de verleiding om Christus te verloochenen. Maar velen bleven staande en gaven hun leven om het getuigenis van Jezus Christus. Die ontvingen de kroon. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens (Openb.2:10). Het bloed van de martelaren werd een zaad voor de kerk. Zo is het nu nog in veel landen.

Maar ... hoe vaak laten we ons niet verleiden om iets te doen wat God verbiedt, zelfs al gaat het niet om ons leven? Je laat je meenemen in een bepaalde zonde, naar een plaats waar je niet mag komen. Je valt in de strikken van de boze. Hoe komt dat?

Dan missen we de bewarende nabijheid van de Heere en het vaste geloof in Zijn goedheid. O, wat is het leven van het geloof toch een strijd: een strijd tegen de zonde, de wereld, de verleiding en tegen het eigen vlees, een strijd tegen ongeloof en twijfelzucht. Eén ding helpt slechts: het zicht op Jezus, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Alleen dat kan ons bewaren in de gemene aanvallen van satan.

Hoe is de duivel op de Heere Jezus afgekomen in de woestijn, zelfs met het Woord van God, als een engel des lichts. Toen deed hij zich ook voor onder vrome schijn. Als Jezus hem maar gehoorzaam zou zijn. Maar Christus heeft de goede weg vastgehouden, omdat Hij Zich aan het Woord van Zijn Vader hield. In die weg verdiende Hij het voor Zijn Kerk om hun hoogste Profeet en Leraar te zijn en om hen door Zijn Geest te leiden in alle waarheid.

 

Gemeente, jongeren en ouderen, als we zien op alle verleidingen om ons heen, op de listigheid van satan, en we zien in ons eigen hart, waar moeten we dan de kracht vandaan halen om staande te blijven in de verzoeking?

Ik wijs u de weg: bij Jezus, de overste Leidsman. Door alle struikelingen heen brengt Hij Zijn Kerk in de veilige haven van de eeuwige heerlijkheid. Alleen in geloofsverbondenheid met Hem kunnen we staande blijven en vruchten dragen. Vormendienst helpt niet, uitwendige godsdienst helpt niet – alleen de levende Christus. En in het zien op Hem kunnen we het zeggen en zingen: ‘Beef, satan! Hij, Die ons geleidt, zal u de vaan doen strijken!’

 

Nehemia ontmaskert de valse profetie van Semája als een middel in de handen van de duivel. Semája, nota bene ingehuurd om Nehemia in een hinderlaag te lokken. Semája is dus een van de valse profeten die we in het Oude Testament zo vaak tegenkomen. Hij profeteert om loon. Telkens weer lezen we in de Bijbel hoe de Heere Zijn volk waarschuwt voor deze lieden. Ze profeteren uit hun eigen hart en naar andermans portemonnee. Ze zeggen: zo spreekt de Heere, terwijl de Heere in het geheel niet gesproken heeft. In het Nieuwe Testament worden ze dwaalleraars genoemd, waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden, of wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende (Jud.1:12‑13). Daarom geldt nog steeds het apostolisch vermaan: Beproeft de geesten, of zij uit God zijn (1Joh.4:1). En wat is dat soms moeilijk, vooral door die geweldige vrome schijn die ze soms kunnen vertonen, als satan zich voordoet als een engel des lichts.

 

Nehemia beproeft Semája en komt tot de conclusie dat hij niet uit God is. God heeft hem niet gezonden. Nehemia doorziet hem. Wat Semája hem vraagt, strookt op geen enkele manier met Gods inzettingen. God handelt niet in strijd met Zichzelf. Het is onmogelijk dat dezelfde God Die hem heeft opgedragen om de muur te bouwen, nu opeens zou zeggen: vlucht maar weg.

Semája wordt ontmaskerd als een valse profeet. Hij is een verrader. Hij wil Nehemia ten val brengen, bang maken, tot zonde verleiden en tot een voorwerp maken van bespotting. Lees eens mee in vers 13: Daarom was hij gehuurd, opdat ik zou vrezen, en alzo doen, en zondigen; opdat zij iets zouden hebben tot een kwaden naam, opdat zij mij zouden honen.

Daaraan is de valse profetie te herkennen: zij is strijdig met Gods Woord en Zijn inzettingen.

 

Hoe nodig is het, gemeente, dat wij de geesten beproeven of ze uit God zijn. We mogen wel voortdurend vragen: ‘Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast, opdat ik mij niet van Uw paân moog’ keren!’ In die ootmoedige, afhankelijke houding mogen we het van de Heere horen: Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (Ps.32:8).

Valse profetie is de eeuwen door een grote verleiding geweest voor de kerk. En naarmate de tijd voortgaat en de eindstreep in zicht komt, wordt de valse profetie sterker. Het aantal valse profeten dat van zich laat horen, neemt toe. Ze verkondigen allemaal dat ze de waarheid hebben: Jomanda en andere kwakzalvers, moderne theologen die de Bijbel degraderen tot een menselijk boek en de meest wezenlijke dingen van het christelijk geloof ontkennen, zoals de maagdelijke geboorte, de verzoening door voldoening, de opstanding der doden en de eeuwige heerlijkheid. U kunt ook denken aan de newagebeweging en mensen die in de islam en het boeddhisme ook wel mooie dingen zien.

 

Maar als het gaat over godsdienst en valse profetie kunnen we nog wel dichter bij huis blijven. Ook in rechtzinnige kerken is er een theologie opgekomen die de Schrift niet laat uitspreken en de gereformeerde belijdenis weerspreekt. Valse profetie. Wat denkt u van de mening dat je met een bepaalde vormendienst toch beter bent dan de wereld en dichter bij God dan iemand die zich niet aan die regels houdt? Zo krijg je bij de natuurlijke mens toch een soort ‘opstapje’ vanuit de mens naar God in plaats van wat Romeinen 3 zegt: ‘Er is niemand rechtvaardig, allen zijn ze afgeweken.’ Met een onvernieuwd hart kijk je dan neer op een werelds mens en je denkt dat je uiteindelijk toch beter bent. Die godsdienst is ijdel, het resultaat van valse profetie.

Nog een voorbeeld. Veel mensen achten de kans groot dat ze wedergeboren zijn zonder de geloofskennis van de Heere Jezus, de overgave aan Hem en het geborgen zijn in Hem. Dat is valse profetie. Geloof het niet. Wie niet in de Ark is, komt in de zondvloed van Gods toorn om. Buiten Jezus is geen leven. Alleen wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; die de Zoon ongehoorzaam is, op die blijft de toorn van God. Alleen wie gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren (1Joh.5:1). De evangelist Johannes schrijft: Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven (Joh.1:12).

Weet u wat ook valse profetie is? Als je gelooft en leert dat de vergeving van zonden maar voor een enkeling onder Gods kinderen is weggelegd. Zo’n geloof strijdt met Gods Woord en de gereformeerde belijdenis. Iedere gelovige kent daar iets van, naar de mate van het geloof. En ... als je zonden niet vergeven zijn, ga je verloren.

Er zijn ook andere gevaren: oppervlakkigheid bijvoorbeeld, verbondsautomatisme, verstandsgeloof en gevoelschristendom en de dualistische opvatting van hen die ‘zwaar’ zijn in de leer, maar ‘licht’ in hun leven.

U ziet, gemeente, de valse profetie komt heel dichtbij.

 

Ziet u hoe nodig het is om te onderscheiden en te weten waar het op aankomt, wat waar is en wat vals is? Beproef de geesten of ze uit God zijn. Als de leer niet overeenkomt met de Bijbel is het valse profetie. Wie dan zegt: zo zegt de Heere, die liegt, net als Semája.

Weet u wat ook belangrijk is? Of datgene wat gezegd wordt Gods eer bedoelt of alleen in het eigen belang is. Het evangelie is niet naar de mens en we mogen het ook niet op maat snijden voor de natuurlijke mens. Dan blijft je hart ongebroken en je leven onvernieuwd. Laten we toch bidden: Heere, geef ons verstand, met Goddelijk licht bestraald. Onderwijs ons, o hoogste Profeet en Leraar der gerechtigheid.

 

Tot zover ons tweede aandachtspunt: de valse profetie doorzien. Voor we naar ons derde aandachtspunt gaan, zingen we eerst uit Psalm 74 de verzen 2, 19 en 21:

 

Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond;

denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen;

denk aan Uw erf, het voorwerp van Uw zegen;

aan Sions berg waar G’ eertijds hebt gewoond.

 

Beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond;

laat dat Uw hart tot ons in liefd’ ontvonken;

het land is vol van duist’re moordspelonken,

vanwaar ‘t geweld ons grieft met wond op wond.

 

Rijs op, o God, rijs op, toon Uw gezag;

betwist Uw zaak, wees onze pleitbeslechter;

‘t is meer dan tijd; gedenk, o hoogste Rechter,

wat smaad de dwaas U aandoet dag op dag.

 

  1. De muur van Jeruzalem wordt voltooid

We lezen eerst vers 14: Gedenk, mijn God, aan Tobía en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noádja, en aan de andere profeten, die mij gezocht hebben vreesachtig te maken.

Nadat Nehemia de verleiding van de valse profetie heeft afgeslagen, gaat hij in gebed. Hij vraagt of God wil denken aan zijn vijanden en de valse profeten. Heel opmerkelijk eigenlijk, dat we dat hier nu lezen. Nehemia hoeft zijn zenuwen niet te verdrijven na alle spanning door nog een sigaretje op te steken of een glaasje te nemen. Hij bidt. Hij laat ons even een blik slaan in zijn binnenkamer.

Zo kennen we hem, als een echte bidder. Veel last heeft hij ondervonden van de valse profeten. Zij brengen Gods Woord niet en daarom zijn ze een gevaar. Ze hebben Nehemia vrees willen aanjagen en dat is het tegendeel van de ware profetie. Die wijst namelijk juist de goede weg aan te midden van angst en gevaar, onder vijandschap en tegenwerking. Nehemia bewandelt nu die weg, die de profeten hem hadden moeten wijzen. ‘Gedenk, Heere, aan Tobía en aan Sanballat en aan de profetes Noádja.’ Wat is de bedoeling van dit gebed?

In de eerste plaats toch wel dat deze aanvallen hem niet van zijn taak zullen aftrekken, maar dat de bouw van de muur mag voortgaan ondanks alle tegenwerking. ‘Laat nooit de boze vijand toe dat hij ons enig’ hinder doe.’ In de tweede plaats zal Nehemia zeker ook bedoeld hebben: Heere, laat die vijanden en die profeten toch niet doorgaan met hun satanische werk. Breng ze tot andere gedachten. Kom U ze tegen.

Er staat namelijk: ‘gedenk hen naar deze zijn werken’. Bewerk in hun harten dat ze het verkeerde van hun acties inzien en ook dat het tevergeefs is om het werk te dwarsbomen. Breng ze tot inkeer, tot bekering.

Nehemia bidt hier niet om wraak over deze mensen, die hem zoveel kwaad berokkend hebben. Er klinkt eerder medelijden in zijn gebed. Wat zijn ze toch dwaas om dit te doen. Hun opstelling is tot mislukken gedoemd. U staat aan mijn kant; erbarm U over hen, Heere!

En nu de toepassing. Kunt u ook zo bidden voor uw vijanden, voor mensen die u bewust kwaad berokkenen? Als u een echte christen bent, kunt u dat. Dan is het een bewijs dat de liefde van Christus uw hart vervult.

Kort samengevat is de bedoeling van dit gebed: Heere, verstoor de werken van de duivel, zowel buiten als binnen de poort van Jeruzalem, opdat Uw werk z’n voortgang vinden mag. ‘Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond.’ ‘Uw koninkrijk koom’ toch, o Heer’; ai, werp den troon des satans neer.’

 

Het is wel heel opmerkelijk dat we direct na dit gebed lezen over de voltooiing van de muur. Lees maar mee in vers 15: De muur nu werd volbracht, op den vijf en twintigsten van Elul, in twee en vijftig dagen.

Dat is toch wel een wonder: na ruim zeven weken staat daar de brede muur van Jeruzalem. Nog geen twee maanden geleden was alles nog één troosteloze ruïne. En nu omringt een veilige muur opnieuw de oude Godsstad. Iedere voorbijganger en inwoner wordt met verwondering vervuld. Vlak voor de grote feestmaand is het werk aan de muur voltooid. Hoe is het mogelijk dat dit kon gebeuren: zo’n groot werk in zo’n korte tijd en onder zulke moeilijke omstandigheden. Het is ongelooflijk. ‘Dit werk is door Gods alvermogen, door ‘s Heeren hand alleen geschied; het is een wonder in onz’ ogen; wij zien het, maar doorgronden ‘t niet.’

Zelfs de vijanden zijn diep onder de indruk van dit grootse werk, dat ze op allerlei manieren hebben geprobeerd te verhinderen. Het is ze niet gelukt; dat moeten ze knarsetandend erkennen.

 

De omwonende volken zijn bevreesd. Hier hadden ze niet op gerekend. Dat dit mogelijk was ... Ze hadden Jeruzalem en Juda allang afgeschreven. Maar ze moeten toegeven dat het Israëls God is Die dit heeft gedaan. In vers 16 lezen we: (…) zij merkten dat dit werk van onzen God gedaan was. Die God, Die een pad maakte in de Rode Zee om Zijn volk te bevrijden, Die de muren van Jericho deed vallen, Die David sterkte om Jebus in te nemen, die God heeft dit werk mogelijk gemaakt. Daar zit Gods hulp en kracht achter.

Zeker, er is hard gewerkt en Nehemia was een energieke bouwer en een bekwaam leider, maar doorslaggevend was toch de zegen van de Heere. Hij gaf die lust en kracht, die onverschrokkenheid en dat doorzettingsvermogen. Zelfs de heidenen hieven aan: ‘De Heer’ heeft hun wat groots gedaan.’ Dat vervult met eerbied en ontzag.

Je kunt God nooit narekenen. Je staat altijd weer verbaasd. Eerst hadden de vijanden geprobeerd om het volk schrik aan te jagen en nu zijn ze zelf bevreesd. Ze komen onder het beslag van Gods majesteit, die in dit alles openbaar komt. Uiteindelijk moeten ze God de eer geven.

Dat kan gebeuren, gemeente, dat zelfs de wereld moet erkennen dat God met Zijn volk is. Het maakt natuurlijk wel een groot verschil hóe ze dat erkennen. Rachab erkende het ook en zij viel de God van Israël toe. Dat werd haar behoud.

 

De heidenen hier in onze tekst blijven zichzelf. We lezen aan het eind van ons hoofdstuk ook dat Tobía niet ophoudt om Nehemia vrees aan te jagen. De brieven van Tobía liegen er niet om. Maar Nehemia is rustig doorgegaan met zijn werk. Die notitie aan het slot tekent echter heel duidelijk de situatie waarin Nehemia heeft moeten werken: in veel strijd en tegenkanting, in verzet en laster. Maar ... hij is er doorheen gekomen. Zonder strijd is er geen overwinning.

Als Nehemia zo achteraf in zijn memoires vertelt over de voltooiing van de muur, blikt hij nog even terug op de ondervonden moeilijkheden en de vijandschap die steeds weer aan de dag kwam. Hij licht maar een tipje van de sluier op. Hij vertelt over de vele relaties die de vijanden buiten de stad hadden met mensen binnen de stad. Die beruchte Tobía was zelfs getrouwd met een Joodse vrouw, en zijn zoon met de dochter van een Joodse priester.

Toch is in 52 dagen de muur voltooid. Dat was Gods trouw. Zijn grote heilsplan kan niet mislukken. De stad en de tempel moesten er zijn om de Heere Jezus Christus als de door God gezonden Messias te ontvangen en … te verwerpen. God gaat door. Hij bouwt Zijn gemeente, opdat eenmaal het nieuwe Jeruzalem van de hemel zal neerdalen. God is getrouw; Zijn plannen falen niet.

 

Nehemia heeft, toen hij de eerste keer in de vuurproef zat, tegen de vijand gezegd: De God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen (Neh.2:20). Dat vertrouwen op God is niet beschaamd.

Gemeente, hoe moeilijk uw situatie ook is, wie op God vertrouwt, wordt niet beschaamd. Wie zich verlaat op het Woord van Zijn genade komt niet bedrogen uit. Er zou van onze kant alle reden voor zijn. Wij zijn immers zo vaak ontrouw, maar het wonder is: Hij blijft getrouw, getrouw aan Zijn Woord. Daar gaf Hij Zijn Zoon voor, Zijn Enige, Die Hij liefhad. Hij werd de poort van Jeruzalem uit geworpen en buiten de muur gekruisigd. Hij werd van God verlaten. En in Hem zijn al Gods beloften ‘ja’ en ‘amen’. Om Zijnentwil wordt onze verwachting van de Heere niet beschaamd.

Wat vindt u van deze Jezus? Hij strekte Zijn armen gewillig uit aan het kruis om het huis van God – Zijn gemeente – te bouwen. Hij liet zich kronen met dorens om voor ons de kroon des leven te verwerven. Hij ging onder in de nacht van Golgotha om voor ons de dag van Gods gunst en genade aan te brengen. Hij is gestorven – om onze zonden.

Wat vindt u van deze Jezus, Die de tempel van Zijn lichaam liet afbreken om midden in onze afbraak en nood dode zondaars met stenen harten tot levende stenen te maken die gevoegd worden in het geestelijk huis van Gods gemeente? En dat gaat door strijd en moeite heen, door aanvechting en aanvallen, waarbij de moed je soms zou ontzinken; we hebben het gezien bij Nehemia. Maar het gebouw verrijst, naar Zijn gemaakt bestek.

Gemeente, in Hem ligt het leven. Jezus leeft. Christus is alles. Is Hij dat ook voor u? Als u in Hem gelooft, hebt u het eeuwige leven. En u die niet geloven kunt, leg u maar neer aan de voeten van deze meerdere Boaz met de vraag: breid Uw vleugelen over mij uit.

Ja, zegt u, maar mijn nood is te groot.

Ga maar op uw knieën. God helpt in nood. God is zo groot. Voor de Heere is niets te wonderlijk. Hij is zo machtig. Leg maar heel concreet uw nood aan de Heere voor. Als Hij zelfs het geroep van de jonge raven hoort, zou Hij dan u niet horen, als u dag en nacht tot Hem roept? Hij heeft gezegd: Roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren (Ps.50:15).

Amen.

 

Slotzang: Psalm 126 vers 1

 

Wanneer de Heer’, uit ‘s vijands macht,

‘t gevangen Sion wederbracht,

en dat verlost’ uit nood en pijn,

scheen ‘t ons een blijde droom te zijn.

Wij lachten, juichten; onze tongen

verhieven ‘s Heeren naam, en zongen.

Toen hieven zelfs de heid’nen aan:

“De Heer’ heeft hun wat groots gedaan.”