Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 6 : 1 - 9

De samenzweringen tegen Nehemia

Een huichelachtige uitnodiging
Een open brief
Een gebed tot God

Nehemia 6 : 1 - 9

Nehemia 6
1
Voorts is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem, den Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik den muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot dezen tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten;
2
Zo zond Sanballat, en Gesem, tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons te zamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono. Maar zij dachten mij kwaad te doen.
3
En ik zond boden tot hen, om te zeggen: Ik doe een groot werk, zodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zou dit werk ophouden, terwijl ik het zou nalaten, en tot ulieden afkomen?
4
Zij zonden nu wel viermaal tot mij, op dezelfde wijze. En ik antwoordde hun op dezelfde wijze.
5
Toen zond Sanballat tot mij op dezelfde wijze, ten vijfden male, zijn jongen, met een open brief in zijn hand.
6
Daarin was geschreven: Het is onder de volken gehoord, en Gasmu zegt: Gij en de Joden denkt te rebelleren, daarom bouwt gij den muur, en gij zult hun ten koning zijn; naar dat deze zaken zijn.
7
Dat gij ook profeten hebt besteld, om van u te Jeruzalem uit te roepen, zeggende: Hij is koning in Juda. Nu zal het van den koning gehoord worden, naar dat deze zaken zijn; kom dan nu, en laat ons te zamen raadslaan.
8
Doch ik zond tot hem, om te zeggen: Er is van al zulke zaken, als gij zegt, niets geschied; maar gij versiert ze uit uw hart.
9
Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 115: 1 en 5
Lezen : Nehemia 6
Zingen : Psalm 120: 1, 3 en 4
Zingen : Psalm 142: 3, 5 en 7
Zingen : Pslam 138: 4

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in de verzen 1 tot en met 9 van Nehemia 6. We lezen daarvan nu alleen de verzen 8 en 9:

 

8. Doch ik zond tot hem, om te zeggen: Er is van alzulke zaken, als gij zegt, niets geschied; maar gij versiert ze uit uw hart.

9. Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen!

 

Het thema voor de prediking is: de samenzweringen tegen Nehemia.

We letten op drie aandachtspunten:

  1. een huichelachtige uitnodiging;
  2. een open brief;
  3. een gebed tot God.

 

  1. Een huichelachtige uitnodiging

Gemeente, hoe gaat u om met kritiek?

Je hebt een verschil van mening met bepaalde mensen, of zelfs met je eigen familie. Er wordt over je gelogen en gelasterd. Iemand probeert heel bewust om je onderuit te halen. Mensen bejegenen je vals en gemeen. Je goede naam wordt door het slijk gehaald en je goede reputatie verdacht gemaakt. Je bedoelt iets goed en oprecht, maar het wordt verkeerd en negatief uitgelegd. Met duivelse listen wordt geprobeerd je te vangen en uit te schakelen.

Een negatief gerucht, een roddel, een verdraaiing van je woorden, of misschien wel keiharde openlijke vijandschap – wat doe je daartegen? Ga je in de verdediging? Ga je terug schelden of wraak nemen? Word je boos en zeg je: ik zál die vent...!? Dan handel je vleselijk. Dat moet je niet doen. Je kunt beter voor zo iemand bidden en vurige kolen op z’n hoofd hopen. En alles overgeven in de handen van de Heere.

Uit onze reactie in zulke omstandigheden zal blijken of we vleselijk of geestelijk zijn. En ook hoever we gevorderd zijn in de genade en in de navolging van Christus. Laten we iets leren van het optreden van Nehemia als hij te maken krijgt met laster en vijandschap. Daarover gaat het in Nehemia 6.

 

Ondanks alle aanvallen van de vijand is het werk aan de muur van Jeruzalem klaargekomen. Alle scheuren zijn gedicht. Het enige wat ze nog moeten doen, is de deuren in de poorten aanbrengen. Overigens is dat nog een heel karwei. Steigerconstructies zijn daarvoor nodig, hefmaterialen moeten worden aangebracht en de deuren zelf moeten nog gefabriceerd worden. Maar ... het werk nadert zijn voltooiing. Nog even en Jeruzalem zal een gesloten en verdedigbare stad zijn.

Voor de vijand van Juda is dat alles echter een doorn in het oog. Het meest agressief zijn de omringende landvoogden geweest: Sanballat, Tobía en Gesem. Hun drie eerdere pogingen om het werk tegen te houden, zijn al mislukt. Het wapen van de spot heeft niet geholpen, hun boosheid evenmin. En hun samenzwering om Jeruzalem onverwachts van alle kanten aan te vallen, was uitgelekt.

Nu is de muur klaar, maar ze laten het er niet bij zitten. Ze doen nog een laatste poging om het doel van Nehemia te dwarsbomen. Ze hebben goed in de gaten dat Nehemia de spil is in alles. Als ze hem kunnen uitschakelen, of in elk geval het vertrouwen van het volk in hem kunnen beschadigen, kunnen ze hun doel misschien nog bereiken. En daarom proberen ze Nehemia uit de weg te ruimen. Daarover gaat het in Nehemia 6.

 

Verschillende aanvallen worden op Nehemia gericht, telkens weer anders, maar met hetzelfde doel: hij moet worden uitgeschakeld.

De eerste aanval is de subtielste. Hun vijandschap heeft niets geholpen, daarom zijn ze nu uiterst vriendelijk tegen Nehemia. Ze nodigen hem vriendelijk uit om eens te komen praten; niet in Jeruzalem, maar buiten de stad in het dal van Ono, op neutraal terrein, halverwege Jeruzalem en Samaria. Lees maar mee in vers 2: Zo zond Sanballat, en Gesem, tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons te zamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono. Maar zij dachten mij kwaad te doen.

Het lijkt alles op een soort vredesconferentie die ze met Nehemia willen beleggen. Hun verzet heeft niet geholpen en nu erkennen ze het werk van Nehemia. Ze vleien hem. Uiterst vriendelijk wordt hij verzocht op hun uitnodiging in te gaan. Laten we de hoofden eens bij elkaar steken en een eind maken aan de koude oorlog die er is tussen ons. Zeg maar waar je ons ontmoeten wilt.

Hun voorstel om toch een vredige manier van samenleven te vinden, klinkt best aanlokkelijk. Ze proberen Nehemia door hun vleiende tegemoetkomendheid over te halen.

 

Zo gaat dat vaak ook in het zakenleven of in de politiek. Gemeente, wat heeft de grote vijand van Gods kerk, de duivel, toch veel methoden om haar te bestrijden. Als je voor een openlijke aanval onvatbaar bent – zoals bleek bij Nehemia – dan zal hij wel proberen om te verleiden onder de schijn van vriendschap en welwillendheid. De satan kan zich ook vertonen als een ‘engel des lichts’. Wees maar op uw hoede. Het is een bekende methode om de tegenstander te erkennen en een zeker respect voor hem te tonen. Dan voel je je gevleid. Altijd ruzie is toch ook niks; laat ik maar op zijn voorstel ingaan. Heel wat zogenaamde christenen gaan door de vriendelijkheid van ongelovigen overstag, met als gevolg dat ze de kerk vaarwel zeggen of de betekenis van de Bijbel zo relativeren dat er geen enkele kracht meer van uitgaat.

Wees toch op uw hoede. Paulus zegt dat de listen van satan hem niet onbekend zijn. Eerst probeert hij je weg te lokken van achter de beschermende muur van Gods geboden en inzettingen en dan opent hij een frontale aanval op je. Hij is een aartsleugenaar. Hij zwakt het kwaad af en raadt aan om ook een beetje de vriend van de wereld te zijn. Dat zal zeker voordeel brengen. Vooruit, niet van dat benauwde. Doe nu maar eens een keer mee. Je valt al zo vaak uit de toon.

Ja ... en hebt u al aan God gevraagd of Hij het goed vindt?

Een gewaarschuwd mens telt voor twee. De Bijbel zegt: je kunt niet tegelijkertijd een vriend van de wereld zijn en een vriend van God. De duivel heeft nooit het goede met ons voor. Laat u niet overhalen tot compromissen waar uw geestelijk leven door wordt uitgehold. Vriendschap met de wereld is vijandschap tegen God. En de vijandschap met God brengt ons het eeuwig verderf.

Daarom, gemeente, jongelui, laat je niet overhalen door wereldse vrienden. Niet meedoen. Niet meegaan. Niet weggaan van achter de veilige muur van Gods geboden, Zijn inzettingen en Zijn bescherming, niet weg van datgene wat de kerk en de wereld scheidt, namelijk het leven uit en naar Gods Woord.

 

Nehemia gaat niet op hun voorstel in. Hij blijft op zijn hoede. En terecht, al kan hij niet hun motieven openlijk in twijfel trekken en bewijzen dat ze vals spel spelen. Dat zou hun woede slechts vergroten en zo zou hij zichzelf in een kwaad daglicht stellen, vooral bij de Joden die met Tobía sympathiseren. Voor hem persoonlijk is wel duidelijk dat ze hem kwaad willen berokkenen. We lezen in het slot van vers 2: Maar zij dachten mij kwaad te doen.

De reis van Jeruzalem naar het dal van Ono zou een volle dag vergen en het dal ligt vlak bij de vijandelijke gebieden van Samaria en Asdod. Het zou maar al te gemakkelijk zijn om in een van die kleine dorpen gewelddadigheden te arrangeren. Nehemia houdt heel duidelijk rekening met een moordaanslag. Wie weet hebben ze al een ‘persbericht’ in hun hoofd: ‘Bedroefd en zeer tot onze spijt moeten wij u meedelen dat Nehemia door een tragisch ongeluk is overleden.’ Zulke dingen komen zo vaak voor!

Nehemia wijst de uitnodiging met beslistheid van de hand.

 

Hij vertrouwt ze op geen enkele manier, maar dat laat hij in zijn antwoord niet blijken. Lees maar mee in vers 3: En ik zond boden tot hen, om te zeggen: Ik doe een groot werk, zodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zou dit werk ophouden, terwijl ik het zou nalaten, en tot ulieden afkomen?

Hij spreekt niet over zijn wantrouwen met betrekking tot hun geloofwaardigheid. Hij houdt geen vlammend en beschuldigend betoog. Heel zakelijk klinkt het: ‘Ik heb een groot werk te doen; ik heb nu geen tijd. Waarom zou ik het werk stilleggen om naar jullie toe te komen? De muur gaat nu voor.’

Wat is dat wijs. Hij zegt gewoon ‘nee’, maar hij doet het zó dat het alleszins acceptabel is. Hij houdt zich aan de door God gegeven prioriteit. Hij houdt steeds het grote doel van zijn werk voor ogen. En die vastberadenheid en weigering om zijn aandacht voor het werk te laten verslappen, is al die jaren zijn diepe geheim, de krachtbron voor zijn werk. Ik doe een groot werk, zodat ik niet zal kunnen afkomen.

 

Zo zal uiteindelijk wel blijken of zijn vijanden te vertrouwen zijn of niet. Hij trekt hun motieven niet openlijk in twijfel en zijn antwoord is logisch en redelijk. Oprechte mensen moeten begrip hebben voor zijn situatie. Zo geeft hij hen de kans om te bewijzen dat ze te goeder trouw zijn. Per slot van rekening was het voor hen wel zo gemakkelijk om naar hém toe te komen.

En dan valt de vijand door de mand. In plaats van aan te bieden om naar Jeruzalem te komen, sturen Sanballat en Gesem Nehemia tot vier keer toe dezelfde boodschap. En Nehemia weigert vier keer. Vier keer stelt hij ze in de gelegenheid om de oprechtheid van hun motieven te bewijzen. Hij laat zich niet overhalen. Hij is standvastig. Zijn ‘nee’ blijft ‘nee’, alle mooie woorden van de vijand ten spijt – overigens wel een hardnekkige vijand.

Zo is het nu met de duivel, want die zit hier natuurlijk achter al dat verzet tegen het bouwen van Jeruzalem. De psalmdichter zegt: De Heere bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israëls verdrevenen (Ps.147:2). God bouwt Zijn Kerk. En daar komt de duivel altijd tegenop.

 

Gemeente, laten we de toepassing eens maken voor onszelf.

Ik doe een groot werk, zodat ik niet zal kunnen afkomen. Met welk groot werk bent u bezig? U moet niet alleen maar denken aan het werk van een ambtsdrager. Kijk maar naar Nehemia: uiteindelijk was hij gewoon een regeringsambtenaar. Maar wel een gelovige ambtenaar. Wat is ons grote werk? Bouwen aan onze carrière? Klimmen op de ladder van de maatschappij? Veel geld verdienen, of beroemd worden? Hebben uw werk en alle krachten die u besteedt geen enkele verbinding met het Koninkrijk Gods? Dan is het eigenlijk geen groot werk, alleen maar voor uzelf.

We zagen eerder al hoe belangeloos Nehemia zich inzette voor Jeruzalem. Wat een zegen als je iets mag betekenen in Gods Koninkrijk, via de opvoeding in het gezin, via je studie, je beroepskeuze, je plaats in de maatschappij, in de kerk en op school – als er maar een lijn is naar de komst van Gods Koninkrijk.

Voor wie ben je toch zo druk bezig?

Voor God!

Kunt u dat zeggen? Wat een zegen. Dat geeft ook veel blijdschap. De dienst van God is een liefdedienst.

Ik doe een groot werk en daarom heb ik geen tijd voor andere dingen; die leiden me af van het ene grote doel. Zeg duidelijk ‘nee’ tegen alle verleidelijke voorstellen waardoor u God niet kunt dienen of geen tijd meer hebt voor de dingen van Gods Koninkrijk. Gemeente, dat raakt onze zaligheid. Verspeel uw tijd ook niet door allerlei dialogen aan te gaan met aanhangers van onvruchtbare of onchristelijke ideeën. Leer van de wijsheid van Nehemia en maak geen tijd vrij voor gesprekken met Gesem en Sanballat.

 

‘Ik heb geen tijd.’ Hoe vaak horen we dat mensen zeggen. Verdrietig genoeg gaat het dan juist vaak over de dingen van Gods Koninkrijk. Geen tijd om de Heere te dienen. Er zijn nog zoveel andere prioriteiten. God moet nog maar even wachten.

Hier is het zo anders. Nehemia heeft geen tijd voor de vijanden, zo druk is hij met de dienst van God. Wat rijk als je zo de duivel en de wereld tegemoet kunt treden. Ik heb geen tijd. Het werk van de Heere vraagt al mijn aandacht en al mijn liefde. Geen tijd om rond te hangen op plaatsen van werelds vermaak. Geen tijd voor lege gesprekken waarin anderen naar beneden worden gehaald. Geen tijd, omdat al mijn tijd wordt opgeëist voor de Heere.

Gemeente, moeten we ons niet schamen en belijden dat we nog zoveel tijd gunnen aan wat niet bij God hoort? Moet het ons niet tot schuld worden? Wat groot dat er een plaats is om te schuilen met al deze schuld – niet bij Nehemia, maar bij de Heere Jezus.

 

Was er iemand meer vervuld van het werk van de Vader dan Hij? En wat heeft de boze op Zijn tijd beslag willen leggen. Wat heeft de duivel er alles aan gedaan om Jezus van Zijn werk af te houden.

Wat is Hij verzocht door de satan: ‘Spring maar van de tempel af. God moet U bewaren.’ ‘Zeg tot deze stenen dat ze brood worden.’ Hij weerstond de duivel met het Woord. En wat denkt u van Gethsémané? Daar bad de Heere Jezus: ‘Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Uw toorn aan Mij voorbijgaan.’ Maar Hij viel de Heere toe: ‘Uw wil geschiede.’ Op Golgotha werd Hij door middel van mensen verzocht: ‘Indien Gij de Zoon van God zijt, kom af van het kruis. Verlos Uzelf en ons.’

Maar Hij bleef getrouw aan Zijn roeping. Christus wijdde Zijn tijd aan Gods werk. Ik doe een groot werk, het werk van de verlossing. Om verloren zondaren met God te verzoenen. Om de straf te dragen en de schuld te betalen.

 

Ook uw schuld? Dan hebt u Hem zeker wel lief? Dan gebruikt u zeker wel al uw krachten voor Hem? Hij is het zo waard. Als je mag zien wat Hij voor je deed. Hij werkte voor de eer van Zijn Vader en de zaligheid van Zijn volk. Hij bouwde het Jeruzalem van het Nieuwe Verbond met het offer van Zijn leven. En Hij is getrouw geweest over Zijn huis.

Gemeente, laten we toch met de schuld van al onze vermorste en verzondigde tijd tot Hem gaan om vergeving, maar ook om kracht om Hem te dienen.

Tot zover ons eerste aandachtspunt: een huichelachtige uitnodiging.

 

  1. Een open brief

Nehemia is een lichtend voorbeeld in de dienst van God.

Als de vijanden begrijpen dat hij niet van plan is om Jeruzalem te verlaten om hen voor die zogenaamde vredesconferentie te ontmoeten, proberen ze een andere tactiek. En daarmee verraden ze eigenlijk zichzelf. Ze oefenen druk op Nehemia uit om hem zo tot een ontmoeting te dwingen. Voor de vijfde keer verschijnt de knecht van Sanballat, maar nu met een geopende brief voor Nehemia. We lezen de verzen 5 tot en met 7: Toen zond Sanballat tot mij op dezelfde wijze, ten vijfden male, zijn jongen, met een open brief in zijn hand. Daarin was geschreven: Het is onder de volken gehoord, en Gasmu zegt: Gij en de Joden denkt te rebelleren, daarom bouwt gij den muur, en gij zult hun ten koning zijn; naar dat deze zaken zijn. Dat gij ook profeten hebt besteld, om van u te Jeruzalem uit te roepen, zeggende: Hij is koning in Juda. Nu zal het van den koning gehoord worden, naar dat deze zaken zijn; kom dan nu, en laat ons te zamen raadslaan.

De Joden worden beschuldigd van het beramen van een opstand tegen Perzië en van het voornemen om Nehemia tot koning over Judea uit te roepen. ‘Daarom bouwen jullie de muur van Jeruzalem. U hebt zelfs profeten aangesteld om u tot koning te laten uitroepen.’ En dan de bedreiging: ‘Wat moet u doen als deze dingen koning Arthahsasta ter ore komen? Dit is een poging tot opstand. Welnu’, zo vervolgt hij, ‘laten wij toch samen beraadslagen.’ U zult onze steun dubbelhard nodig hebben. Kom met ons praten; het is echt in uw eigen belang.

 

Ja, inderdaad, zo op het eerste gezicht lijkt het allemaal te gaan om Nehemia’s welzijn. Het lijkt wel of ze duidelijk willen maken dat zíj wel weten dat al die geruchten onjuist zijn, maar dat de koning ze zeker zal geloven.

Zo proberen ze Nehemia bang te maken. Ze weten dat Arthahsasta Nehemia vertrouwde toen hij hem toestemming gaf om naar Jeruzalem te gaan. Als ze dat vertrouwen kunnen ondermijnen, wordt de positie van Nehemia opeens verzwakt. Als de koning die geruchten verneemt, zal hij weleens bevel kunnen geven om de werkzaamheden in Jeruzalem te laten stoppen. Dat is al een keer eerder gebeurd. Hij zal dan ook zeker harder tegen de Joden optreden en dat kan zelfs de dood betekenen voor Nehemia.

Daarbij komt nog dat er vermoedelijk wel enige waarheid schuilt in de woorden van Nehemia’s vijanden. Dat is vaak de meest subtiele tactiek. Het is namelijk zo dat sommige goedbedoelende religieuze leiders in Juda Nehemia’s aanwezigheid en werk in Jeruzalem als een vervulling zien van bepaalde oudtestamentische profetieën over de Koning en Messias Die volgens Zacharia 9 komen zal. Dat gerucht van die profeten kan dus gemakkelijk geloofd worden.

Ziet u hoe moeilijk dit alles is voor Nehemia? Wat is de vijand toch listig. Voelt u in welk moeilijk parket Nehemia terechtkomt?

 

En alsof dat alles nog niet genoeg is, wordt Nehemia door de vijanden gedwongen tot een reactie, want ze sturen nu een open brief.

Een ‘open brief’ is eigenlijk in zichzelf tegenstrijdig. Een brief is persoonlijk en niet bestemd voor anderen. Een ‘open’ brief is bedoeld om verschillende keren te worden voorgelezen, in dit geval op de reis van Samaria naar Jeruzalem. En zo zal de ongegronde, maar wel bijzonder bezwarende laster overal bekend worden. Zo is die open brief eigenlijk een aanval, een poging van de afzender om de geadresseerde onder druk te zetten.

Hoe moet je daar nu mee omgaan?

Er zit een stuk verleiding in: de verzoeking om onder deze druk overstag te gaan, vooral als je – zoals Nehemia – de schijn tegen je hebt. Toch moet de liefde tot God en Zijn Koninkrijk ons in alles leiden. De eer van God moet ons ook zwaarder wegen dan ons eigen belang. Laat ons eerste antwoord op allerlei verdachtmakingen en laster maar zijn dat we zelf een open brief, een levende brief van Christus zijn, geschreven door de Heilige Geest (2Kor.3:2‑3). Zo’n leven van zelfopoffering en dienstbaarheid als van Nehemia, zo’n ‘brief’ is geen aanval, maar wel een duidelijke aanbeveling dat de dienst van de Heere de moeite waard is.

 

En wat is nu Nehemia’s antwoord als hij door de vijand geprest wordt tot een reactie?

Wel, inmiddels hebben ze zichzelf duidelijk verraden. Dit is echt geen bezorgdheid over Nehemia. Het zijn duivelse listen om hem te vangen en uit te schakelen. Nehemia doorziet hun listen. Hij laat zich niet door al die loze geruchten in de war brengen of van het grote werk afhouden. Hij laat zich niet verlammen door angst. Nu is de maat vol. Zeer beslist en radicaal antwoordt hij dat hij al hun methoden doorziet. We lezen dat in de verzen 8 en 9: Doch ik zond tot hem, om te zeggen: Er is van alzulke zaken, als gij zegt, niets geschied; maar gij versiert ze uit uw hart. Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen!

Nehemia vertrouwt op God en hij ontkent alle beschuldigingen. Ze beramen geen opstand, dat is niet waarom ze aan de muur bouwen. Hij is niet van plan om koning te worden en hij heeft ook geen profeten aangesteld om hem tot koning uit te roepen. Het zijn allemaal kletspraatjes, leugentaal. Gij versiert ze uit uw hart. Er is geen woord van waar. Ze zuigen het allemaal uit hun duim, verzinnen alles zelf.

Hij neemt geen blad meer voor z’n mond. Zijn antwoord is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Ze mogen nu weten dat hij hen door heeft; het is al te doorzichtig. Kort gezegd: nee, ik kom niet!

Dan interpreteert Nehemia de situatie voor hemzelf en de Joden: ‘Ze willen ons alleen maar vrees aanjagen, zodat we met het werk ophouden.’ De Heilige Geest verlicht het verstand van Nehemia om de tactiek van de vijand scherp te doorzien en open en eerlijk voor zijn mening uit te komen voor vriend en vijand.

 

Dat is de geestelijke gave van het onderscheidingsvermogen. Wat hebben we het ook vandaag nodig dat er mensen zijn die helder doorzien wat er achter allerlei visies en stromingen zit en ons dan wijzen op alle consequenties voor degenen die er het oor aan lenen. We hebben behoefte aan duidelijkheid, resoluut en radicaal. Denk aan de wetgeving met betrekking tot abortus en euthanasie. Onze tijd moet profetisch doorlicht worden in het licht van het profetische Woord. Dat alleen geeft bescherming midden in de verzoekingen en verleidingen van onze tijd. Zo alleen kunnen we in praktijk brengen wat de apostel zegt: Wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden (Jak.4:7).

En dat ‘weerstaan’, gemeente, is wat anders dan toch wel even naar hem luisteren en je door zijn gedachten en voorstellingen laten boeien. Als je dat doet, zit je eigenlijk al midden in zijn strik. Daar begint de verleiding tot de zonde al te werken in je leven.

Weet u wat daar een goed wapen tegen is?

Het gebed.

 

Daarop gaan we letten in ons derde aandachtspunt. Maar we gaan we eerst zingen uit Psalm 142 de verzen 2, 3 en 5.

 

Als mij geen hulp of uitkomst bleek,

wanneer mijn geest in mij bezweek,

en overstelpt was door ellend',

hebt Gij, o Heer’, mijn pad gekend.

 

Zij hebben vol arglistigheid

een strik op mijnen weg gespreid.

'k Zag uit, in nood, ter rechterhand,

maar vond noch vriend, noch onderstand.

 

Ik riep tot U, ik zeid': o Heer’,

Gij zijt mijn toevlucht, sterkt' en eer;

Gij zijt, zolang ik leef, mijn deel,

mijn God, Wien ik mij aanbeveel.

 

  1. Een gebed tot God

Misschien zucht u: ja, Nehemia, dat die de duivel weerstond en zich niet van de wijs liet brengen door alle hinderlagen, kan ik me voorstellen, maar ik ... wie ben ik?

Wel, Nehemia heeft dat ook niet van zichzelf. Kijk maar eens wat hij doet. Nehemia doet weer iets waar zijn leven door getekend is: hij bidt. Midden in de beproeving bidt hij om sterkte en kracht, zoals hij dat in elke crisis doet. Het is alsof hij aanvoelt dat er nog meer aanvallen van de vijand zullen komen. Hij vraagt in het slot van vers 9: Nu dan, sterk mijn handen! Hij roept tot God. We kunnen daaruit opmaken dat dit een moeilijk ogenblik voor Nehemia is. Hij heeft in het bijzonder Gods hulp en kracht nodig.

Vindt u het niet moeilijk als u vals beschuldigd wordt, als uw motieven verkeerd worden uitgelegd?

Nehemia bidt om kracht. Hij geeft in dat korte gebed heel die open brief met alle voorstellen en listen en lagen over in Gods hand. De vijand wil dat ze de handen in de schoot leggen. Nehemia bidt in een kort ‘schietgebed’: Nu dan, Heere, sterk mijn handen! Kort en concreet vraagt hij wat hij op dit ogenblik in deze situatie nodig heeft. Alleen kan hij niet verder. Nehemia bidt of God hem in staat wil stellen om alle lasterpraatjes te negeren en te volharden totdat het werk voltooid is. Hij bidt de Heere om extra energie, om die vrees in zijn eigen hart en die van het volk het hoofd te bieden en de bouwers door de laatste fase van het karwei heen te helpen.

Uit dit korte gebed blijkt niet dat Nehemia zich zorgen maakt over zijn eigen reputatie. Nee, het gaat om het grote werk van God: de muur van Jeruzalem.

Een voorbeeld voor allen die dienen in Gods koninkrijk: midden in de problemen die opgeworpen worden door mensen gewoon doorgaan met het werk dat God heeft opgedragen. Breng het maar bij de Heere. Hij laat niet varen het werk van Zijn handen.

 

Gemeente, Nehemia is een biddende bouwer. Telkens lezen we van hem dat hij zomaar tussen de bedrijven door een gebed van enkele woorden opzendt tot de troon van Gods genade. Als koning Arthahsasta hem vraagt wat zijn verzoek is (hoofdstuk 2), bidt hij tot God en spreekt tot de koning. Tijdens de samenzwering van Sanballat en zijn collega’s in hoofdstuk 4 lezen we: Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn. En even later, als de vijand in toorn ontsteekt: Maar wij baden tot onzen God, en zetten wacht tegen hen. En hier in onze tekst, als hij de voorstellen van de vijand als een verleiding en verzoeking ervaart, als een list van satan om hen met het werk te laten ophouden, bidt hij: Nu dan, sterk mijn handen!

Zo blijkt dat Nehemia een biddend leven leidt. Hij bidt niet alleen op vaste tijden – zoals u misschien: als u opstaat en naar bed gaat, en drie keer voor het eten. Nee, Nehemia weet zich gedurig afhankelijk van de Heere. Als er maar iets voorvalt, vlucht hij in gebed tot God. Zijn leven ligt gedurig open naar God, dus naast de regelmaat van de gebedstijden. Hij heeft eigenlijk doorlopend de Heere nodig.

 

Herkent u dat, een biddende levenshouding? Als je in de auto zit, gaan je gedachten naar God. Op de fiets naar je werk, of na een onderhoud met je baas: Heere, geef me wijsheid en kracht. In je gezin, als er spanningen zijn: O God, help me en geef dat mijn kinderen voor rede vatbaar zullen zijn. Geef mij geduld en liefde om met ze om te gaan.

Laten we toch ook voor dit soort zaken bij de Heere schuilen en het van Hem alleen verwachten. ‘Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont. ‘t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden naar Zijn vreêverbond getoond. d’ Ogen houdt mijn stil gemoed opwaarts om op God te letten. Hij, Die trouw is, zal mijn voet voeren uit der bozen netten.’ Dan is je leven één doorlopend gesprek met God. Je kunt Hem niet missen, eigenlijk geen uur. Ach, Heere, help me toch; ik kan het niet alleen.

Toch zijn die zogenaamde ‘schietgebeden’ – onze oudvaders noemden dat ‘uitschietende gebeden’ – niet zomaar een schot in de lucht, zo van: je kunt nooit weten, misschien helpt het wel. Nee, het gaat hier om de houding van het geloof. En al zijn het soms maar een paar woorden, al is het een noodkreet, een SOS dat wordt opgezonden tot de hemel, die woorden komen wel recht uit het hart en ze zijn ook recht op het hart van God gericht. Het gaat niet om mooie woorden of lange gebeden. Iedere zucht die uit uw hart opstijgt tot God, hoort Hij.

Gelooft u dat? Dat is een geweldige troost. De psalmdichter zegt: De Heere is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid (Ps.145:18). Die nabijheid van de Heere zou je toch voor geen goud willen missen, die geopende hemel, die schuilplaats waar je hart steeds toevlucht vindt in smart.

 

Gemeente, het gaat niet alleen maar om gebeden in nood, als je in de piepzak zit en als je voelt dat je het alleen niet aankunt. Dat zou eenzijdig zijn. Het gaat ook om dankzegging. Als u ziet hoe goed God voor u is, soms in bepaalde omstandigheden of in een beslissing die valt, of in een lichtstraal van Gods liefde die over uw leven valt, dan ‘schiet’ het uit uw gemoed omhoog: Dank U, Heere, wat bent U goed. Mijn aanbidding is voor U.

Herkent u dat ook?

Zo leven Gods kinderen in alles voor Gods aangezicht. In kleine en in grote dingen, in dagelijkse en in zondagse dingen, in natuurlijke en in geestelijke zaken heb je dan de Heere nodig. Wat een rijk leven als je hart zo open mag liggen voor God, als je geloven mag dat Hij om Christus’ wil je tot een genadige Vader wil zijn, als je zo uit Vaders hand en voor Vaders oog mag leven. Te midden van al je krachteloosheid ligt dan je kracht in je gevouwen handen en je opgeheven hart tot God.

En je hoeft je geen angst te laten aanjagen. Wat doen we dat vlug. Wie alles aan de Heere overgeeft, mag rustig zijn te midden van de woedende golven.

Helaas ligt dat niet altijd zo vlak en zo ruim in je hart, maar als het geloof gelooft, worden bergen verzet in het hart van de zee. En dan mag je schuilen bij God in Christus en bidden: Heere, vermeerder ons geloof.

 

Zo mag ook Nehemia, uitgedreven in de nood tot de Heere, kracht ontvangen om gewoon door te gaan met het werk, ondanks alle tegenstand. En die tegenstand is nog niet beëindigd. De vijand komt namelijk met een derde krijgslist, een verleiding binnen eigen gelederen, maar dat is voor een andere keer.

Laten we nu nog een paar lessen trekken uit deze geschiedenis voor de manier waarop we moeten omgaan met kritiek, als je reputatie wordt geschaad en je geloofwaardigheid opzettelijk en kwaadwillig wordt beklad. We kunnen in dit opzicht heel wat van Nehemia leren.

 

Ik wil u zes adviezen geven:

  1. Zet niet direct vraagtekens bij de motieven die de ander noemt. Nehemia heeft daar wel zijn eigen gedachten over, maar hij laat hun motieven voor wat ze zijn.
  2. Wacht geduldig tot iemands motieven uit zijn gedrag blijken. Nehemia’s vijanden verrieden op den duur hun motieven door de uitnodiging vier keer te herhalen en eindelijk de vijfde keer te komen met een open brief. Daarmee lieten ze zich in de kaart kijken. Bewaar uw geduld in conflicten; boosaardige motieven komen altijd een keer bovendrijven.
  3. Een derde manier om verstandig om te gaan met kritiek – vooral die van niet‑christenen – vinden we bij Petrus in zijn eerste brief: Houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking (1Petr.2:12). Vurige kolen op iemands hoofd hopen; door goed te doen de mond stoppen van de dwaze mensen (Rom.12:20). God wil dat we ons niet laten overwinnen door het kwade, maar dat we het kwade overwinnen door het goede (Rom.12:21).
  4. Neem nooit wraak. Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: (…) Ik zal het vergelden (Rom.12:19) Je mag wel de valse beschuldigingen ontkennen door een open, rustig en verstandig antwoord. Dat deed Paulus ook, toen hij voortdurend werd belaagd door christenen en niet‑christenen. De heidenen hadden het op zijn leven voorzien en de christenen trokken zijn motieven in twijfel. Paulus gaat daar wel op in, maar hij gaat niet in de verdediging. Het kan ook helpen om je situatie uit te leggen aan je vrienden die kunnen weten wat waar is. Dan krijg je morele steun.
  5. Bid tot God, net als Nehemia. Geef het over in de handen van de Heere. Bid om kracht, zodat je de zorg en spanning die allerlei valse geruchten veroorzaken, kunt dragen. Emotioneel en psychisch kan een valse beschuldiging best moeilijk zijn. Het kan je activiteiten lamslaan. Schuil dan bij de Heere. Nehemia bad: Nu dan, sterk mijn handen! Veel mensen besteden alle tijd en energie aan het beschermen van hun eigen reputatie. En zo worden ze afgeleid van hun werk en verantwoordelijkheid. Nehemia zegt alleen: Sterk mijn handen! Het gaat toch om de voortgang van het werk. En als je dan toch bidt, bid ook juist voor diegenen die u van onjuiste motieven beschuldigen. Bid voor degenen die u kwetsen. Dat is je vijanden liefhebben en bidden voor degenen die je vervolgen.

Dat brengt me op het laatste:

  1. Zie op het voorbeeld van Christus. Zoveel mensen gaan in de verdediging en meppen terug. Dat heeft Jezus nooit gedaan. Als Hij belasterd wordt door de Joodse raad, zwijgt Hij. Waarom? Hij geeft alles over aan God, Die rechtvaardig oordeelt.

En bij Jezus was er nog een andere reden: Hij stond daar niet voor Zichzelf. Hij was Borg.

Stond Hij daar voor u, voor uw zonden? Waar u op duizend beschuldigers niet één antwoord weet en moet zwijgen, daar staat Christus in uw plaats. Daarom zweeg Hij ook toen Hij onschuldig ter dood veroordeeld werd.

 

En aan het kruis gehangen, bad Hij tot God. Onder alle lastertaal en valse beschuldigingen bad Hij voor Zijn beulen: ‘Vader, reken hun deze zonde niet toe.’

Als u nu in deze lijdende en stervende Zaligmaker uw leven hebt gevonden, legt u ook alle wraakgedachten af en wilt u Hem volgen. U geeft alle smaad en laster over in de handen van de alwetende God.

Leest u eens mee in 1 Petrus 2:21‑25: Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen; Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt; Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt. Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 138 vers 4

 

Als ik, omringd door tegenspoed,

bezwijken moet,

schenkt Gij mij leven;

is 't, dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand

zal redding geven.

De Heer’ is zo getrouw, als sterk;

Hij zal Zijn werk

voor mij volen - den,

verlaat niet wat Uw hand begon,

o Levensbron,

wil bijstand zenden.