Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 5 : 12 - 19

De voorbeeldfunctie van Nehemia

De reactie van het volk
Het voorbeeld van Nehemia
Het gebed van Nehemia

Nehemia 5 : 12 - 19

Nehemia 5
12
Toen zeiden zij: Wij zullen het wedergeven, en van hen niets zoeken; wij zullen alzo doen, als gij zegt. En ik riep de priesteren, en deed hen zweren, dat zij doen zouden naar dit woord.
13
Ook schudde ik mijn boezem uit, en zeide: Alzo schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijn arbeid, en hij zij alzo uitgeschud en ledig. En de ganse gemeente zeide: Amen! En zij prezen de HEERE. En het volk deed naar dit woord.
14
Ook van dien dag af, dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste jaar van den koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijn broederen, het des landvoogds niet gegeten.
15
En de vorige landvoogden, die voor mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren sikkelen; ook heersten hun jongens over het volk; maar ik heb alzo niet gedaan, om der vreze Gods wil.
16
Daartoe heb ik ook aan het werk dezes muurs verbeterd, en wij hebben geen land gekocht; en al mijn jongens zijn aldaar verzameld geweest tot het werk.
17
Ook zijn van de Joden en van de overheden honderd en vijftig man, en die van de heidenen, die rondom ons zijn, tot ons kwamen, aan mijn tafel geweest.
18
En wat voor een dag bereid werd, was een os en zes uitgelezen schapen; ook werden mij vogelen bereid, en binnen tien dagen van allen wijn zeer veel; nog heb ik bij dezen het brood des landvoogds niet gezocht, omdat de dienstbaarheid zwaar was over dit volk.
19
Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 20: 1 en 5
Lezen : Nehemia 5: 9 - 19
Zingen : Psalm 146: 1, 3, 5 en 8
Zingen : Psalm 25: 6 en 10
Zingen : Psalm 27: 7

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in de verzen 12 tot en met 19 van Nehemia 5. We lezen daarvan nu alleen de verzen 12 en 13:

 

12. Toen zeiden zij: Wij zullen het wedergeven, en van hen niets zoeken; wij zullen alzo doen, als gij zegt. En ik riep de priesteren, en deed hen zweren, dat zij doen zouden naar dit woord.

13. Ook schudde ik mijn boezem uit, en zeide: Alzo schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijn arbeid, en hij zij alzo uitgeschud en ledig. En de ganse gemeente zeide: Amen! En zij prezen den Heere. En het volk deed naar dit woord.

 

Als thema voor de prediking noemen we: de voorbeeldfunctie van Nehemia.

We letten op drie aandachtspunten:

  1. de reactie van het volk (de verzen 12 en 13);
  2. het voorbeeld van Nehemia (de verzen 14 tot en met 18);
  3. het gebed van Nehemia (vers 19).

 

  1. De reactie van het volk

Gemeente, in dit gedeelte van Nehemia 5 horen we hoe het afloopt daar in Jeruzalem. Nehemia heeft een nogal ingrijpend voorstel gedaan.

 

In de eerste verzen van het hoofdstuk lezen we de vlammende protesten van de armen tegen de uitbuiting door de rijken. Het geroep van het volk was groot. De nijpende honger, het verlies van landerijen en wijngaarden, de niet op te brengen rente en het feit dat sommigen van hun kinderen als slaven verkocht moesten worden, heeft de interne spanningen hoog laten oplopen. Israël klaagt over het harteloos gedrag van de rijken.

En Nehemia is daardoor diep geschokt. Toch barst hij niet los in impulsieve toorn, maar hij zet alles op een rijtje, past hoor en wederhoor toe. En wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen: hij voelt zich niet persoonlijk gekrenkt, maar de wet van God is overtreden en daarom is zijn toorn billijk ontstoken.

 

Hoewel Nehemia vast wel eerst de muur had willen voltooien, gaat hij toch niet met een grote boog om de nood van al die mensen heen. Hij wijst de rijken erop dat hun handelswijze zich niet verdraagt met de vreze des Heeren. Ze hebben God tekortgedaan en oorzaak gegeven dat Gods Naam door de heidenen gelasterd wordt.

Nehemia belegt een massale vergadering en doet een zeer ingrijpend voorstel. We lezen dat in vers 11: Geeft hun toch als heden weder hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen; en het honderdste deel van het geld, en van het koren, den most en de olie, die gij hun hebt afgevorderd.

Nehemia neemt geen blad voor de mond en spaart niemand. En hoewel hij de Joden direct aanvalt, doet hij vooral een beroep op hun hart.

Zullen de rijken dit nemen? Wat is hun reactie op Nehemia’s voorstel van algehele kwijtschelding? We lezen dat in vers 12: Toen zeiden zij: Wij zullen het wedergeven, en van hen niets zoeken; wij zullen alzo doen, als gij zegt.

Het wonder gebeurt. Ze komen tot inkeer en beloven beterschap. En daaruit blijkt dat de Heilige Geest op een krachtige wijze aan het werk is. Het is genade dat de rijken vallen voor het woord van Nehemia. Het was begrijpelijk geweest als ze zich verzet hadden. Denk u maar eens concreet in wat dit voor hen betekent: aanzienlijke tegoeden zullen ze niet ontvangen, landerijen moeten ze teruggeven, evenals hun slaven en slavinnen. Maar hun antwoord luidt: Wij zullen alzo doen, als gij zegt!

 

Dat is mooi. Wij mensen laten ons immers niet zo gauw vermanen. En als het erom gaat iets van onze rijkdom af te staan, zijn we vaak niet thuis.

De rijken vallen voor het woord van Nehemia en beloven beterschap.

Gemeente, zoiets geeft altijd strijd. Voor echte bekering komt altijd heel wat kijken. En dat geldt nog veel sterker wanneer je rijk bent. Iedere bekering is een wonder, maar de bekering van een rijke is een dubbel wonder. Bezit en welvaart vormen een enorme macht. Wie eenmaal in de strikken van de Mammon vastzit, komt er zomaar niet meer uit los. Door de hebzucht is rijkdom net een bloedzuiger; en die zegt nooit: het is genoeg. Denk aan de waarschuwing van Heere Jezus: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods (Matth.19:24).

 

In Jeruzalem gebeurt het; men buigt voor het woord van Nehemia. Een prachtig moment op de volksvergadering. Het gaat er ‘geestelijk’ aan toe. Ze buigen onder het Woord ten koste van hun eigenbelang.

Je ziet de vreugdeglans over Nehemia’s gezicht trekken. Wij zullen het wedergeven. Op deze dag komt door Gods genade de gehoorzaamheid aan het Woord en de onderlinge broederschap onder de Joden in de vorm van hulp van de rijken aan de armen, in de plaats van de heersende genadeloze ethiek van mensen die zeggen: zaken zijn zaken.

Toch is Nehemia ook heel realistisch. Onder de druk van het moment kun je weleens iets in een opwelling beloven waarvan je later zegt: maar zo heb ik het niet bedoeld en het gaat niet door. Natuurlijk is hij blij geweest met hun belofte. Maar helemaal gerust is hij er nog niet op. Nehemia kent z’n pappenheimers. Hij weet hoe arglistig een mensenhart is. Hoe spoedig zijn wij soms onze goede voornemens vergeten. Of hebt u daar nooit last van?

Nehemia doet nog twee dingen. Het eerste lezen we in vers 12: En ik riep de priesteren, en deed hen zweren, dat zij doen zouden naar dit woord. Ten overstaan van de priesters laat hij de edelen een eed afleggen. Ze moeten zweren om hun belofte waar te maken. Op deze manier stelt hij hen met hun belofte voor Gods aangezicht.

Dat getuigt van inzicht in het menselijk hart.

 

Wij beloven soms zo gemakkelijk. Onder de indruk van een preek zeggen we: ik zal het nu toch anders gaan doen. We hebben iets ernstigs meegemaakt en beloven beterschap. Maar wat komt ervan terecht?

Daarom stelt Nehemia ze voor Gods aangezicht. De Heere is Getuige. Ze moeten wel weten wat ze doen als ze hun woord niet nakomen.

Gemeente, hoeveel beloften van u liggen nog ergens te wachten op inlossing?

Toen u zo ernstig ziek was, beloofde u om de Heere te gaan dienen als u beter mocht worden. Wat kwam ervan terecht?

Zijn wij niet onder ede gesteld toen we ons kind lieten dopen? Voedt u ze ook echt op in de lering en vermaning des Heeren?

Toen je belijdenis deed, beloofde je: ik zal mijn leven met goede werken versieren en onberispelijk leven. Wat is er tot nog toe van deze belofte terechtgekomen?

Op uw huwelijksdag beloofde u elkaar te helpen en bij te staan in alle dingen die tot het tijdelijke en het eeuwige leven behoren, als een godvrezend man en een vrome vrouw.

Al die beloften onder ede gedaan, liggen voor Gods aangezicht. En wat is ervan terechtgekomen? Gaat u achteloos om met deze beloften onder ede?

Als de Heere daar eens naar deed?! Dan zou vanwege onze ontrouw Zijn oordeel ons moeten treffen. Wat een wonder dat er bij Hem genade is en dat Hij de eed van Zijn genadeverbond niet verbreekt.

Op zichzelf is het niet verkeerd om beloften te doen. In Psalm 76 staat: Doet geloften en betaalt ze den Heere (Ps.76:12).

 

Belofte maakt schuld. Dat maakt Nehemia zijn volksgenoten wel heel duidelijk in het aanschouwelijk onderwijs dat hij geeft. Lees maar eens mee in vers 13: Ook schudde ik mijn boezem uit, en zeide: Alzo schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijn arbeid, en hij zij alzo uitgeschud en ledig.

Dat is het tweede: hij laat ze in de eerste plaats zweren, maar hij gebruikt ook een zinnebeeldige handeling om de bedreiging kracht bij te zetten, voor het geval de Joden hun eed niet zullen nakomen.

In het oude Oosten droegen de mannen in die tijd een kleed en boven de gordel hadden ze een soort ‘zak’ genaaid, een buidel. De vertaling van vers 13 spreekt over een ‘boezem’, een soort grote plooi in het gewaad, waarin ze van alles en nog wat bewaarden, net zoals wij in onze broekzak of vestzak bijvoorbeeld een portefeuille bewaren. En wat doet Nehemia nu? Voor de ogen van allen die hun eed hebben gezworen, schudt hij die ‘boezem’ helemaal leeg. Je ziet bij wijze van spreken zijn portefeuille op de grond vallen en de briefjes van 500 euro naar beneden fladderen. En Nehemia voegt eraan toe: ‘Zo zal God jullie uitschudden als je je belofte niet nakomt.’

Het is duidelijk dat Nehemia niet van halve maatregelen houdt. Hij wil duidelijke, concrete en betrouwbare afspraken. Wat nu gebeurd is, mag nooit meer voorkomen. Dat moet eens en voorgoed afgelopen zijn, omdat het in strijd is met Gods wet, omdat het de gemeenschap verbreekt en de vijand stof tot laster geeft.

Daar staat Nehemia. ‘Ziet u het, mannenbroeders? Zoals ik mijn boezem leegschud, zo zult u uitgeschud en beroofd worden van alles wat u nog hebt als u uw eed breekt en weer overgaat tot die sociale wantoestanden, die smaad en schande over ons brengen.’

 

En dan antwoordt het volk opnieuw. We lezen hun antwoord in het laatste deel van vers 13: En de ganse gemeente zeide: Amen! En zij prezen den Heere. En het volk deed naar dit woord. Drie dingen dus: ze zeggen ‘amen’ (ze zijn het ermee eens), ze prijzen God, en ze dóen het ook echt. Dat is mooi.

‘Amen’ betekent: het zal waar en zeker zijn. ‘Amen’ betekent niet het eind van de preek of van de vergadering. Het ‘amen’ wordt hier niet uitgesproken door de voorganger, door Nehemia, maar door het volk. Hun ‘amen’ wil zeggen: We zijn het er volkomen mee eens. U hoeft er niet aan te twijfelen; u kunt ervan op aan.

Ziet u de lijn? Eerst hebben ze mondeling ingestemd, daarna een eed gezworen en ten slotte betuigen ze door hun ‘amen’ dat ze Nehemia’s voorbeeld hebben begrepen.

En zij prezen den Heere. Dat is een teken van een geestelijke instelling. Het is dus niet maar een gedwongen gehoorzaamheid. Nee, het gaat nu vrijwillig. Anders kun je nooit God prijzen als je financiële aderlatingen moet doen. Blijkbaar is het voor hen een bevrijding. Wie Gods wet niet gehoorzaamt, kan immers geen vrede hebben. Nu prijzen ze God. Het volk ziet in dit alles de leiding van de Heere. Hij werkt met Zijn Geest. Hij heeft Nehemia gegeven aan het volk. Hij heeft Zijn Woord ingang doen vinden.

Het is goed om samen te buigen voor God en te wandelen in Zijn wegen. God wordt geprezen. Dat doen we eigenlijk veel te weinig. Laten we maar voortdurend bidden: ‘Heere, open Gij mijn lippen, dan zal mijn mond Uw lof verkondigen.’

En dan volgt de uitvoering van wat ze beloofd hebben: En het volk deed naar dit woord. De interne spanningen worden opgelost. De donkere schaduw van deze crisis verdwijnt. Er kan weer gewerkt worden aan de bouw van de muur. Ze zéggen niet alleen ‘amen’, maar ze dóen ook ‘amen’. Het ‘amen’ van de gemeente is het ‘amen’ op hun schuld en het ‘amen’ op Gods Woord en wet. Het is een belijdenis.

 

God zal hun hoop niet beschamen. Ook uw hoop niet, gemeente, als u die vestigt op God en Zijn Woord. Kom, schuldige zondaar, zie op het Lam. Zijn bloed reinigt van alle zonde. Die tot Mij komt, zegt Christus, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37). Zeg maar ‘amen’ op het volbrachte werk van Christus. Dan legt God Zelf de lofprijzing op uw lippen en u handelt naar Zijn Woord.

Tot zover ons eerste aandachtspunt: de reactie van het volk.

 

  1. Het voorbeeld van Nehemia

Als je leest wat Nehemia van zichzelf zegt, zou het kunnen overkomen alsof hij zichzelf op de borst wil slaan. Wat krijgen we nu? Ontpopt zich hier een farizeeër, die denkt dat hij het allemaal beter gedaan heeft dan de anderen? Lees eens mee in de volgende verzen.

Eerst vers 10: Ik, mijn broederen, en mijn jongens, vorderen wij ook geld en koren van hen? Laat ons toch dezen last nalaten.

Nu lezen we het slot van vers 14 en vers 15: (…) twaalf jaren, heb ik, met mijn broederen, het brood des landvoogds niet gegeten. En de vorige landvoogden, die vóór mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren sikkelen; ook heersten hun jongens over het volk; maar ik heb alzo niet gedaan, om der vreze Gods wil.

Ten slotte lezen we de verzen 16 en 17: Daartoe heb ik ook aan het werk dezes muurs verbeterd, en wij hebben geen land gekocht; en al mijn jongens zijn aldaar verzameld geweest tot het werk. Ook zijn van de Joden en van de overheden honderd en vijftig man, en die van de heidenen, die rondom ons zijn, tot ons kwamen, aan mijn tafel geweest.

Nehemia en zijn jongens hebben nooit geld gevorderd van de arme Joden, ze hebben het brood van de landvoogd niet gegeten zoals anderen dat deden, ze hebben zich niet verrijkt door land te kopen, en dagelijks had Nehemia 150 man aan zijn tafel om mee te eten.

 

Dat is nogal wat. Nehemia noemt een stuk zelfopoffering waar je ‘u’ tegen zegt. Terwijl alle vroegere landvoogden het volk bezwaard hebben met belastingen, heeft hij geen cent gevraagd. Dat had hij wel kunnen doen. Zo’n voedseltoelage voor de landvoogd en zijn medewerkers was een behoorlijke last voor het volk. Nehemia maakt geen gebruik van die voorrechten die hij als landvoogd heeft. Hij had een officiële aanstelling van koning Arthahsasta om stadhouder te zijn over Juda. Normaal belastte dat het volk zwaar. De stadhouderlijke soldaten waren vaak erg inhalig. Vers 15 zegt dat ze zich vaak gedroegen als ‘heer en meester’ over het volk. Maar Nehemia heeft zich aan deze praktijken niet schuldig gemaakt. Hij heeft geen cent van hen gevraagd. Van die rechten heeft Nehemia vrijwillig afstand gedaan.

Eigenhandig heeft hij meegeholpen met de bouw van de muur. Hij heeft zelfs niet geaarzeld in de uitvoering van zijn ambt er het nodige op toe te leggen. Hij droeg bij aan de kosten van de muur. Hij heeft geen land opgekocht. In die tijd was dat in zijn positie een aantrekkelijke vorm van geldbelegging. Elke dag hield hij ‘open tafel’ voor niet minder dan 150 mensen uit z’n eigen volk en ook anderen konden op zijn gastvrijheid rekenen: alle staffunctionarissen, en volgens vers 17 ook nog allerlei hoogwaardigheidsbekleders van de hen omringende volken. Hij betaalde alles uit eigen zak.

Wat hem dat kostte? Volgens vers 18 elke dag een os, 6 uitgelezen schapen, gevogelte, wijn enzovoort. Belangeloos gaf Nehemia dat uit. In die ene maand al 30 ossen, 180 schapen, een halve kippenfarm, vaten met landwijn en de rest.

 

Ziet u het voor u? Vindt u dat niet indrukwekkend? Nehemia is landvoogd. Hij heeft het recht op bepaalde voorrechten, maar maakt er bewust geen gebruik van en zeker geen misbruik, zoals zo vaak gebeurde en gebeurt in hogere kringen.

Maar nu eerst deze vraag: is dit grootspraak of pronken met eigen veren? Dat doen wij immers zo graag. En zelfs als je door genade iets goeds mag doen, ben je er soms zo gauw trots op. Of hebt u daar geen last van? Je wordt er zo gauw groot mee. We zetten als een pauw onze veren uit. En opeens schrik je van jezelf en je krijgt er een afschuw van. Of hebt u dat niet? Loopt u nog te pronken met uw deugden en uw goedheid voor anderen? Je kunt zelfs pronken met wat de Heere gaf. Dat is diep verdrietig. Een ander moet je daar soms van bewust maken.

 

Is dat nu het geval bij Nehemia? Is hij een zelfvoldane, pochende man?

Nee, het tegendeel is waar. Dat staat ook in ons tekstgedeelte. Kijk eens naar het slot van vers 15: maar ik heb alzo niet gedaan, om der vreze Gods wil. Dat argument gebruikte Nehemia ook toen hij een goede houding van de rijken eiste. Lees maar in vers 9: Voorts zeide ik: De zaak is niet goed, die gijlieden doet; zoudt gij niet wandelen in de vreze onzes Gods, om de versmading der heidenen, onze vijanden?

In de tweede plaats noemt Nehemia als argument dat hij het volk, dat het toch al zo zwaar heeft, niet verder wil belasten. Dat staat in het slot van vers 18: nog heb ik bij dezen het brood des landvoogds niet gezocht, omdat de dienstbaarheid zwaar was over dit volk.

En het derde argument om Nehemia niet van hoogmoed te beschuldigen, is zijn gebed dat we lezen in vers 19: Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb. Wie zo bidt, staat niet hoog met zichzelf, maar weet zich aangewezen op de gunst van God.

Daar hebt u zijn motivatie: de vreze Gods, oog voor de nood van het volk en diepe afhankelijkheid van God.

 

Waarom dan toch al die ophef over eigen onbaatzuchtigheid?

Daar is maar één antwoord op: om alle misverstanden te voorkomen. De Israëlieten mogen niet denken dat Nehemia dingen van hen vraagt waar hij zichzelf niet aan houdt.

En daaruit blijkt opnieuw hoe wijs en godvrezend Nehemia is. Niets is immers zo funest als een voorganger die het mooi weet te brengen, maar in zijn eigen leven er met de pet naar gooit. ‘Doe wel naar zijn woorden, maar niet naar zijn werken.’ Als dat van ons gezegd moet worden, is het niet best.

Het gaat hier echt over de voorbeeldfunctie van Nehemia. Die kun je wel onderschatten, maar nooit overschatten. Nehemia wil door het voorbeeld van zijn leven anderen aansporen.

 

Ons leven, gemeente, moet een leesbare brief zijn van Christus. Anderen moeten in ons leven kunnen zien wie Christus is. Het gaat niet om onszelf, maar om de eer van God. Nehemia was niet begerig naar geld, seks en macht, zoals sommige topfiguren dat zijn, maar het gaat hem om de eer van God en de glorie van Jeruzalem, de stad van God.

En zo is Nehemia een indrukwekkend voorbeeld van zelfopoffering en broederliefde. Daarom was Nehemia zo’n goede leider. Zijn leven was een vlammend voorbeeld. Daarom had hij zo’n gezag.

Ouders, gezag heb je niet door heel kwaad te worden en je kinderen af te ranselen, maar door een leven in diepe Godsvreze. Gezag hangt samen met ontzag. Nehemia gaf het goede voorbeeld. Als hij oproept om de muur te herbouwen, werkt hij zelf mee. Als hij oproept tot gebed, gaat hij daarin zelf voor. Toen hij zei dat ze hun vertrouwen op God moesten stellen, vertrouwde hij zelf ook op God. Toen hij hun vroeg 24 uur per etmaal in touw te zijn, deed hij dat zelf ook. Toen hij hen opdroeg de armen te helpen, kon hij in dit opzicht ook op zijn eigen voorbeeld wijzen.

Gemeente, dit principe van het goede voorbeeld geven is heel belangrijk voor een christen. Hoe kunnen we iets van een ander vragen wat we zelf niet in praktijk brengen? Wie oproept tot een heilig leven, moet zelf ook heilig leven. Wie vraagt om over het geloof te spreken met onkerkelijke mensen, moet dat zelf ook doen. Wie oproept om voor anderen te bidden, moet dat zelf ook doen. Wie vraagt om goede rentmeesters te zijn van Gods gaven en talenten, moet het zelf ook zijn. Wie om een offer vraagt voor een speciaal doel, moet zelf ook bereid zijn dit offer te brengen.

Ziet u hoe belangrijk onze voorbeeldfunctie is?! Dat haalt ons uit de ivoren toren en brengt ons in de werkplaats van het gewone dagelijks leven. Die voorbeeldfunctie is onmisbaar voor iedere voorganger, iedere ouder, ambtsdrager of onderwijzer.

 

Paulus brengt dit principe binnen de nieuwtestamentische gemeente in zijn eigen leven in praktijk. Keer op keer stelt hij zichzelf ten voorbeeld voor de gemeenten aan wie hij schrijft. Hij roept hen op om hem na te volgen: Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus (1Kor.11:1). En in zijn brief aan de Thessalonicensen prijst hij de gemeenteleden, omdat ze navolgers van hem en de Heere zijn geworden. Hij zegt ook: Gij zijt getuigen, en God, hoe heilig, en rechtvaardig, en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn (1Thess.2:10). Durft u dat te zeggen, broeders, gemeente?

Omdat Paulus de Heere Jezus heeft leren navolgen, kan hij op zijn beurt een goed voorbeeld zijn voor anderen. Permanent heeft hij ervoor gewaakt dat zijn gedrag een belemmering voor de zaak van God zou zijn.

Een slordige levenswandel van geestelijke leiders doet geweldige afbreuk aan hun boodschap. Daar zouden alle ambtsdragers en leraren, alle vaders en moeders veel meer van doordrongen moeten zijn. Hoe kan een leerkracht verwachten van zijn leerlingen dat ze een positieve instelling tonen als hij er zelf niets van uitstraalt? Zijn wij een identificatiefiguur voor onze kinderen of leerlingen? Hoe kunnen ouders hun kinderen aansporen tot een heilige levenswandel als ze zelf niet het goede voorbeeld geven? En dat geldt toch voor alle christenen. Iedere gelovige die niet leeft en handelt vanuit het Woord, bouwt niet op, maar breekt af.

 

Wat een zegen van God dat Nehemia in die dagen benoemd is tot landvoogd van Juda. Wat heeft hij in zijn positie veel goed kunnen doen voor het volk en de stad. En van zijn positie heeft hij nooit misbruik gemaakt. Die verleiding is er voor iedere hooggeplaatste leider. Vaak bezweek men voor de verleiding om de positie te misbruiken voor eigen voordeel.

Nehemia zag zelfs af van zijn rechten, om het grote doel des te beter te kunnen bereiken. En dat kwam door zijn eerbied en diep respect voor de Heere. Zijn geloof had heel duidelijk gevolgen voor zijn omgang met materiële goederen en met inkomsten en uitgaven.

Steeds duidelijker wordt voor ons wie Nehemia was: een man die zich eerst aan de Heere en daarna ook aan zijn volk heeft gegeven. Hij zocht niet het geld van zijn volk, maar het goede voor zijn volk. En dat kostte hem zijn eigen geld.

 

Gemeente, dat zijn de consequenties van het geloof. Het geloof heeft alles te maken met financiën en politiek. Alles bij elkaar genomen: met de vreze des Heeren, het respect voor Gods heerlijke Naam.

 

Tot zover ons tweede aandachtspunt: het voorbeeld dat Nehemia gaf. Voor we verder gaan met ons derde aandachtspunt zingen we eerst uit Psalm 25 de verzen 6 en 10:

 

Wie heeft lust den Heer’ te vrezen,

‘t allerhoogst en eeuwig goed?

God zal Zelf zijn Leidsman wezen,

leren hoe hij wand’len moet.

‘t Goed, dat nimmermeer vergaat,

zal hij ongestoord verwerven,

en zijn Godgeheiligd zaad

zal ‘t gezegend aard’rijk erven.

 

Hoed mijn ziel, en red z’ uit noden,

maak mij niet beschaamd, o Heer’,

want ik kom tot U gevloden.

Laat d’ oprechtheid meer en meer

met de vroomheid mij behoên.

‘k Wacht op U in mijn ellenden.

Laat Uw hand in tegenspoên

Israël verlossing zenden.

 

  1. Het gebed van Nehemia

We lezen vers 19: Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb.

De bouwer bidt. De werker vouwt zijn handen. De stadhouder vraagt zijn God. Maar wat hij hier bidt nadat hij verantwoording heeft afgelegd van zijn onbaatzuchtig optreden, kan gemakkelijk misverstaan worden. Hij herinnert immers zijn God aan al het goede dat hij voor zijn volk gedaan heeft. Opnieuw de vraag: is Nehemia dan toch met zichzelf ingenomen? Vraagt hij een beloning voor zijn edelmoedig gedrag?

Dat zou je ervan kunnen maken als je het oppervlakkig leest. Maar dan doen we Nehemia geen recht. En we weten toch dat onze beste werken met zonde besmet zijn. We mogen Nehemia niet vergelijken met de farizeeër die God dankt dat hij niet is zoals de andere mensen ...!

 

We moeten goed lezen. Nehemia dankt niet, maar hij bidt. Hij bidt uit de nood en hij vraagt aan zijn God of Hij hem wil gedenken. Alleen kan hij het niet aan. Daarvoor is de opdracht te zwaar. Het is tot dusver alleen maar goed gegaan dankzij Gods hulp. Maar het is hem ook duidelijk geworden welke bedreigende machten er leven onder het volk. Hij heeft opnieuw de interne spanningen bevredigend mogen oplossen, maar hij beseft dat dat niet genoeg is. Zijn God moet hem zegenen en de rust onder het volk consolideren.

Het zal best kunnen gebeuren dat de mensen Nehemia’s goede voorbeeld in een kwaad daglicht gaan stellen. Hij weet hoe de volksgunst opeens kan omslaan. Mensen kunnen alles verkeerd uitleggen. Daarom zegt hij: Heere, wat ik gedaan heb voor dit volk, was ten diepste Uw werk in mij. Ik kon en mocht het doen omdat ik U vrees en dien. Heere, wil mij dan ten goede gedenken. Laat wat ik mocht doe door U niet vergeten worden. Laat dat werk Uw volk ten goede komen. Wilt U het zo leiden dat het goede voorbeeld dat ik mocht geven, navolging krijgt. Heere, geef Uw zegen over het werk dat ik bezig ben te doen. Ik doe het niet voor mezelf, maar in Uw opdracht en dienst en tot Uw eer.

Gedenk mijner, mijn God, ten goede. Dat is geen hoogmoed, gemeente, maar ootmoed. Nehemia kent de verborgen omgang met zijn God. In die verborgen omgang mag je alles eerlijk met de Heere bespreken. Dan raak je zo vertrouwd met de Heere dat je woorden verkeerd uitgelegd en niet begrepen kunnen worden als ze uit het verband van die verborgen omgang gerukt worden.

Maar de Heere kent de verborgen motieven. En dat motief heeft Nehemia genoemd in vers 15: om der vreze Gods wil, een woord dat Nehemia ook al gebruikte in vers 9: Zoudt gij niet wandelen in de vreze onzes Gods?

 

Gemeente, ik wil daar toch nog even op ingaan, op die uitdrukking ‘de vreze des Heeren’ – een overbekende uitdrukking in de Bijbel. Dat betekent niet dat je bang bent voor God, maar juist dat je bang bent God tekort te doen. God vrezen betekent Hem liefhebben en vertrouwen zoals een kind zijn vader liefheeft en vertrouwt, eerbied hebben voor God, Hem respecteren en gehoorzamen. Het is niet alleen maar een zaak van de binnenkamer. Het gaat ook om de vroomheid in de praktijk van het dagelijks leven; dat heeft Nehemia in dit hoofdstuk wel duidelijk gemaakt: je handel en je wandel en hoe je omgaat met je naaste, vergeving en vernieuwing en dus ook vergevingsgezindheid.

Genade is wel gratis, maar niet goedkoop. Het geloof zonder de werken is dood. Zegt de Heere Jezus Zelf niet: ‘Tenzij uw gerechtigheid overvloediger is dan van de Schriftgeleerden en de Farizeeën, gij zult het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’? Dat hoort er ook bij. God liefhebben boven alles, maar ook je naaste als jezelf; leven in de verborgen omgang met God en tegelijk oog hebben voor de nood om ons heen. Dat betekent ook dat je je naaste niet laat verkommeren, dat je tijd en aandacht voor hem hebt en bewogenheid met zijn geestelijk heil. Zou u iemand kunnen aanwijzen waarvan u mag zeggen: die heb ik tot Christus mogen brengen? Wie God vreest, zal daar verlangend naar uitzien.

Wat is het geheim van uw leven? Toch niet uzelf verheerlijken, hoop ik. We maken ons soms zo druk met onze edelmoedigheid of grootmoedigheid. Maar in de vreze des Heeren hebben we God lief en Zijn heilzame geboden.

 

Het is Nehemia om de Heere te doen, allereerst en allermeest. En zo stelt hij zich aan het eind van dit hoofdstuk in de handen van God: Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb. Hij verwacht niets terug van de mensen, maar wel wacht hij de zegen van de Heere in. Niet dat hij die verdiend heeft; dat weet hij maar al te goed. In hoofdstuk 1 bad hij: Ook ik en mijns Vaders huis, wij hebben gezondigd. Maar de Heere heeft toch Zelf gezegd dat Hij wil zegenen wie aan zijn volk weldoet. God heeft aan Abram beloofd: Ik zal zegenen, die u zegenen!

Hoe ligt dat in ons leven? Mogen wij ook daarop pleiten? Hebt u veel goed gedaan aan anderen: aan de kerk, aan Gods kinderen, aan de armen? Leeft u mee in de gebeden met de zieken? Mag u met Nehemia zeggen: Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb?

Ach, zegt u, er is zoveel tekort en schuld in mijn leven.

Dat is waar. Het kan uw verdienste ook niet zijn, maar dat hoeft ook niet. De grote Nehemia, de grote Bouwer van Gods kerk, pleit op Gods eigen werk voor Gods aangezicht. En nog steeds pleit Hij voor de Zijnen: ‘Gedenk hen, Vader, om Mijnentwil.’ Is dat geen troost?

Wat heeft Nehemia grote offers gebracht. Hij toont iets van de gestalte van Hem, Die uit liefde tot Zijn God en Vader het grootste offer heeft gebracht dat maar mogelijk was, het offer van Zijn leven. Dat offer is ons behoud, gemeente. En wie van dat offer leeft, kan nooit inhalig worden en zich verrijken ten koste van anderen.

 

Zo slaan we aan het eind van de preek opnieuw het oog op Christus. Hij is meer dan Nehemia. Als voor iemand geldt dat Hij het volk belangeloos diende, was het wel Christus. Hij vraagt niets van u; Hij wil alleen maar alles aan u geven. Hij heeft Zijn werk volbracht toen wij nog zondaars waren.

Nehemia ontving nog eer en respect. Jezus was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid. Wij waren van Zijn dienst niet gediend, maar toch diende Hij tot in de dood toe. Nehemia gaf zijn geld en zijn krachten. Jezus gaf Zijn leven. Gemeente, meer dan Nehemia is hier. Alzo Hij de Zijnen heeft liefgehad, zo heeft Hij ze liefgehad tot het einde. En dat alles om de vreze des Heeren. Hij had volkomen eerbied voor het recht en de wet van God. Hij vervulde die. Hij heeft Zijn God liefgehad tot op het kruis. Daarom mag Hij loon eisen van de Heere. Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Christus’ werk is volkomen.

 

Wat is het groot om over de gestalte van Nehemia heen het licht van Christus te zien stralen. Is er hoger en heerlijker licht dan het licht van Zijn genade, dan Hijzelf, Die gezegd heeft: Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben (Joh.8:12)? U hoeft alleen maar arm te zijn om door Hem geholpen te worden. Deze Landvoogd vraagt werkelijk niets. U mag met al uw zonden en ellenden naar Hem toegaan. Hij heeft zoveel verdiend en alles gegeven. Hij heeft Zijn volk ontvangen als loon op Zijn arbeid en Hij trekt het naar Zich toe door Zijn Woord en Geest. Is alles wat aan Hem is niet gans begeerlijk? Is Hij het niet waard om uw arme verloren en ongelukkige leven aan Hem toe te vertrouwen in leven en sterven?

 

Het volk klaagde zijn nood aan Nehemia. Hij herstelde het onrecht hen aangedaan.

Gemeente, wij kunnen het allerbest onze nood klagen aan Christus – de nood van onze zonde en schuld, en ook de nood van gebrek aan levensheiliging. Hij kan en wil ons helpen. Daar heeft Hij Zijn leven voor gegeven. En Hij nodigt ons in Zijn Woord.

Hij kan u en mij maken zoals Nehemia. Wat verspreidde deze begenadigde man een licht en troost. Wat was hij eerlijk en rechtdoorzee. Wat was hij onbaatzuchtig en barmhartig. Zo kunt u ook worden.

Spurgeon schrijft: ‘Een christen behoort een trooster te zijn met een vriendelijk woord op zijn lippen en medelijden in zijn hart. Hij moet zonneschijn brengen, waarheen hij ook gaat, en zo geluk om zich heen verspreiden. Als u op Jezus ziet en gewend bent om in het licht van Zijn aangezicht te blijven wandelen, dan zal uw gelaat, uw karakter, ja, uw hele leven gaan stralen zonder dat u dat zelf weet. Als God ons met Zijn tere barmhartigheid heeft bezocht en zoveel meer voor ons heeft gedaan dan ik kan zeggen en u kunt horen, laten wij dan tere barmhartigheid tonen in onze omgang met onze medemensen. Hij, die het middel is om anderen deelgenoot te maken van een geestelijk leven, die leeft het meest en die leeft het best.’

Zo komt God aan Zijn eer en komen zondaren aan de zaligheid.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 27 vers 7

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op den Heer’, godvruchte schaar, houd moed!

Hij is getrouw, de bron van alle goed.

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer.

Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer’!