Ds. C.G. Vreugdenhil - Lukas 2 : 14

Het kerstlied van de engelen

Lukas 2
De achtergrond van het kerstfeest
De lofprijzing op het kerstfeest
De vrucht van het kerstfeest

Lukas 2 : 14

Lukas 2
14
Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 98: 1 en 2
Lezen : Lukas 2: 8 - 20
Zingen : Psalm 102: 10, 11 en 12
Zingen : Avondzang: 1, 4 en 7
Zingen : Psalm 89: 3 en 8
Zingen : Psalm 147: 1

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in vers 14 van onze Schriftlezing uit Lukas 2:

 

Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.

 

Dat is het kerstlied van de engelen.

We gaan letten op de achtergrond van het kerstfeest. Dat wordt genoemd in het laatste stukje van onze tekst: het welbehagen van God in mensen.

Vervolgens luisteren we naar de lofprijzing op het kerstfeest: Ere zij God in de hoogste hemelen.

Tot slot letten we op de vrucht van het kerstfeest: vrede op aarde.

 

Het thema van de preek is dus: het kerstlied van de engelen.

Drie aandachtspunten:

  1. de achtergrond van het kerstfeest;
  2. de lofprijzing op het kerstfeest;
  3. de vrucht van het kerstfeest.

 

  1. De achtergrond van het kerstfeest

Best een drukke tijd zo rond kerst en oud en nieuw, vindt u niet? Niet alleen wat de commercie betreft. U hebt natuurlijk allemaal uw boodschappen gedaan en er worden mooie kerststukjes gemaakt om het wat gezellig te maken in huis. Van harte gegund.

Maar het is ook een drukke tijd in de kerk, in het gemeentelijke leven. Er worden verschillende kerstuitvoeringen gegeven en kerstmiddagen en -avonden gehouden: vocaal, instrumentaal, meditatief.

Je hoort daar weleens kritiek op: Zoveel drukte rondom kerst. En de mensen komen maar in het middelpunt. Het gaat toch om het Kind van Bethlehem?

Dat laatste blijft natuurlijk waar. Het gaat om de Heere Jezus en Zijn geboorte. Maar waarom zou u daar niet over zingen? Waarom zou u daar niet over mediteren? Waarom zou je daar geen mooie muziek bij kunnen maken?

Als Christus maar in het middelpunt staat!

Zeker, maar dat is toch de bedoeling? Waarom zouden Vox Jubilans of Te Deum Laudamus of het Walchers Mannenkoor in het middelpunt willen staan? Dat willen ze toch zelf helemaal niet? Dat is de bedoeling niet.

Laten wij onze zangkunst en onze muzikale gaven maar in dienst stellen van de Heere. We hebben dat ook gezongen uit Psalm 98, dat al die tempelkoren en trompetten er bij te pas kwamen om aan God de eer te geven. Gloria in excelsis Deo!

 

Wat denkt u van de concertruimte boven de velden van Efratha? Wat een machtig gebeuren is dat geweest. Hoe massaal, hoe hemels, zo’n kerstlied midden in de nacht. Een menigte van hemelse heirlegers, en allemaal zingen ze hetzelfde lied. Zo’n groot koor is op aarde nog nooit bijeen geweest. Is het eigenlijk een zangkoor of een spreekkoor?

Wat een schoonheid in dat lied! De woorden kennen we nóg; die vormen onze tekst. De melodie kennen we niet. Zeker, er zijn verschillende melodieën op bedacht. Het zou best interessant zijn als we de oorspronkelijke melodie nog konden achterhalen, maar dat zit er niet in.

Maar het gaat om de woorden! Kerstmuziek, door de hemel ingezet, en wij mogen op aarde de toon overnemen, al is het hier met gebroken klank en soms stamelende woorden.

 

Die verachte herders in de velden van Efratha worden door God als eersten uitgekozen om getuige te zijn van deze heerlijke kerstzang door het engelenkoor, onder leiding van de Heilige Geest; alles ter ere van die grote Koning van Bethlehem, Die geboren is. Ere zij God. Na de preek, de boodschap van die ene engel, klinkt het kerstlied in de velden van Efratha.

Dat zijn altijd twee bekende elementen, ook in de kerkdienst bij ons: het Woord (de prediking) en het lied (het zingen). Zo ging het er ook aan toe in de kerstnacht in de velden van Efratha. Het begon met de prediking van die ene engel: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe. We kennen dat allemaal wel uit ons hoofd.

Ja, maar het is wel de moeite waard om dat telkens opnieuw te overdenken en erover te mediteren.

En toen zogezegd die eerste kerstpreek gehouden was, zette het engelenkoor in met het Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.

In de preek van de engel komt vooral het feit van Jezus’ geboorte naar voren. En in het lied dat al die engelen zingen wordt meer de achtergrond van dat kerstgebeuren verklaard. Het feit van Jezus’ geboorte leent zich er het best voor om te verkondigen. Wat de engel daar zegt, laat niets aan duidelijkheid te wensen over: ‘Voor u is hedennacht de Zaligmaker geboren.’ Maar de achtergrond van dit gebeuren reikt zo hoog en zo diep dat die bijna niet met mensenwoorden vertolkt kan worden; daar kun je blijkbaar beter over zingen.

 

Ieder kerstfeest brengt ons weer in verlegenheid als we ertoe geroepen worden om het wonder van Jezus’ geboorte te vertolken. Als het gaat over het ondoorgrondelijke en het heerlijke van dit geheim, dan komen we niet verder dan het stamelen van woorden. Dat Jezus is geboren, dat is zo rijk; het is zo heerlijk dat Hij dat wilde. En dat de Vader Hem zond in deze wereld en dat Hij geboren werd uit een maagd, dat is echt een wonder. Maar probeer nu eens onder woorden te brengen waaróm dat is gebeurd. Probeer nu eens onder woorden te brengen waaróm Jezus is geboren. Wat is daarvoor de diepste beweegreden van God geweest?

Engelen vertolken al zingend het antwoord op deze vraag. Ze zingen: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Dat is een groot wonder. Om dat echt te kunnen beseffen, moeten we letten op dat laatste stukje van wat wij wel ‘de engelenzang’ noemen.

 

Wat is de achtergrond? Waarom gebeurt dit? Waarom is Jezus geboren?

Omdat God een welbehagen heeft in mensen, in u, mij, jou! In mensen!

Probeer maar eens mee te denken; het klinkt heel ongelooflijk eigenlijk. Je vraagt je verwonderd af: Wat valt er nu in mensen te vinden dat Gods welbehagen oproept? Is dat omdat wij zo goed zijn dat wij God behagen, of omdat wij het met elkaar zo goed bedoelen?

Als we om ons heen kijken in deze wereld, zien we alleen maar harde bewijzen voor het tegendeel. Wat een ellende in de wereld. Iedere dag staan de kranten er vol van: ellende, in het groot en in het klein. En je kunt niet zeggen: het wordt ons niet door mensen aangedaan. Het ontzettende is juist dat dat wél zo is, dat mensen het elkaar aandoen.

En nu zingen de engelen: in de mensen een welbehagen. Hoe is dat nu in de wereld mogelijk? Wie is er op dat idee gekomen? Wie is er zo idealistisch en zo optimistisch? Wie is er zo dwaas om kennelijk nog in de mens te geloven? Waarom zingen de engelen dat: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen?

De engelen zingen over God. Gód heeft in mensen een welbehagen.

 

Weet God dan niet beter?

Gemeente, wie zou beter weten wie de mens is dan God? Alles wat wij mensen aan egoïsme laten zien, is ten diepste toch tegen God gericht? Bovendien ziet Hij ook nog ons hart en dat maakt het er alleen maar erger op.

En toch blijven de engelen zingen. Ze zingen in de velden van Efratha over die God Die in mensen een welbehagen heeft. Wat zouden deze woorden dan betekenen?

Dat is een ondoorgrondelijk geheim, en tegelijk eigenlijk ook eenvoudig. Zal ik eens zeggen wat de kanttekeningen daarvan zeggen? Die leggen het uit en dan denk je: ja, dat is het! De kanttekeningen zeggen over in de mensen een welbehagen: ‘Dat is: het welbehagen Gods worde door Hem aan de mensen vervuld.’ Dat is het, ja. Dat God in de mensen een welbehagen heeft, betekent dat God voor ons gekozen heeft; dat betekent dat God de God wil zijn van mensen. God zegt in de kerstnacht: Ik wil jullie. Ik kies voor jullie!

Dat is het. God heeft op ons, mensen, Zijn keus laten vallen.

 

Dat heeft Hij trouwens al gedaan toen Hij de wereld schiep, toen Hij de mens schiep. Eerst schiep Hij hemel en aarde, met alles erop en eraan. Ten slotte ontbrak alleen nog de mens. Dat wilde God niet, want Hij heeft de schepping juist gemaakt voor de mens en tot eer van Zijn Naam. Daarom is Zijn laatste scheppingsdaad de schepping van de mens, die Hij als een kroon op Zijn schepping zet. Het mooiste schepsel dat God heeft gemaakt, is de mens.

En toen pas was God tevreden. Toen pas kon de Heere God zeggen: Mijn schepping is goed, zeer goed, gaaf, geslaagd, helemaal af. Omdat de mens er nu ook bij was. Dat behaagde God. Want van alles wat er leefde, was de mens het enige schepsel dat op Hem leek. Aan de mens kon God Zijn woorden kwijt, Zijn gedachten, Zijn hart. Alleen van de mens kreeg God antwoord.

Hoe bijzonder is de mens, schepsel van God, van Zijn welbehagen.

 

Maar we weten allemaal hoe het verder is gegaan. Het is helemaal misgelopen. Dat ideaal werd een desillusie. Het onmogelijke werd werkelijkheid: hoewel God voor de mens koos, koos de mens niet voor God, koos de mens voor de duivel, eigenlijk voor zichzelf.

Wat moet dat God teleurstellen! Weet je wat er in het begin van de Bijbel staat? Dat het God berouwde dat Hij de mens gemaakt had: Toen berouwde het den Heere, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart (Gen.6:6).

Denk je eens in dat je huwelijk buiten je eigen schuld om mislukt. Dan huil je van verdriet. Gemeente, zo heeft God gehuild bij de mislukking van Zijn relatie met de bruid van Zijn keus: de mens. Zijn liefste schepsel is de mens.

 

Hoe moet het dan verder? Want nu is die relatie toch voorgoed verbroken? Wat kun je dan nog?

Maar bij de Heere zijn alle dingen mogelijk. Hij is genadig en barmhartig. Het onmogelijke gebeurt: God blijft rechtvaardig en de zonde wordt gestraft, maar God blijft ook de mens die met Hem gebroken had, liefhebben. Direct belooft Hij Zijn Zoon te zenden naar deze wereld: Genesis 3 vers 15, de moederbelofte. En Johannes schrijft in Johannes 3 vers 16: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Alzo lief heeft God de mensen gehad. Hoe maakte God dat waar?

Wel, als de mens niet meer tot God wil komen, dan komt God tot de mens. En dat gebeurde in de kerstnacht in de kribbe van Bethlehem. Maar er gebeurt nog meer. God komt niet alleen bij mensen, maar Hij wordt een Mens. En zo, in en door Zichzelf, herstelt God de breuk die de mens in het paradijs geslagen heeft. Dat noemen we nu ‘Gods welbehagen’, geopenbaard in de Zoon van Zijn welbehagen: het Kind in de kribbe, echt God en echt Mens.

 

Om er dus achter te komen waar de diepste grond ligt van Gods welbehagen, moeten wij niet bij de schepping blijven staan. Al zoekend komen we uit bij God Zelf, bij de Zoon van Gods welbehagen. En zo krijgt deze engelenzang meer diepgang. Want in deze Zoon van het welbehagen blijkt dat God al in de eeuwigheid voor de mens heeft gekozen. Daarom heeft Hij de mens geschapen en daarom heeft Hij de mens vastgehouden toen deze zich losrukte uit Zijn hand. Daarom heeft God Zijn Zoon gezonden naar deze wereld, de Zoon van Zijn welbehagen, om gevallen mensen weer terug te brengen tot God.

Alleen zo kunnen wij iets begrijpen van wat de engelen gezongen hebben in de velden van Efratha: Ere zij God in de hoogste hemelen! Niet wij hebben gekozen voor God, maar God heeft gekozen voor ons, in de Zoon van Zijn liefde, van Zijn welbehagen.

Dat is de achtergrond van het kerstfeest: in de mensen een welbehagen.

 

Nu denkt u: Ja, dat klinkt zo algemeen. Worden daar dan alle mensen mee bedoeld?

Zou u zich daar wel zo druk om moeten maken? Laten we maar niet te klein en te eng denken van God en van Zijn welbehagen. Want de engel heeft de boodschap van die geboren Koning, ‘u is heden geboren’, verkondigd voor al den volke, voor heel het volk, heel Israël, niet één uitgezonderd.

De engelen zongen niet: ‘in de mensen, voor zover God in hen een welbehagen heeft’. Dan zou hier een bepaald soort mensen bedoeld worden, vrome of verootmoedigde mensen, of goede mensen, of bekeerde mensen. Maar dat staat er niet. Er staat: in de mensen, net zoals in Johannes 3 vers 16 staat: alzo lief heeft God de wereld gehad. Met als doel: opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve (niet verloren zal gaan), maar het eeuwige leven hebbe.

 

En mocht u toch nieuwsgierig zijn naar hoe die keus van God uitvalt, lees dan uw Bijbel maar en zie dan maar wie er tot Hem komen: herders (verachte mensen), Simeon, Anna, vissers, tollenaars, zondaars. Niet de gezonde mensen, maar de zieken; niet de rechtvaardigen, maar de zondaars, de zwakken en de armen, en hetgeen niets is, zegt Paulus (1Kor.1:28). Dat zijn blijkbaar de mensen van Gods welbehagen.

Kennelijk kun je voor de Zoon van Gods welbehagen wel te goed, maar nooit te slecht zijn. En zo is het alleen Gods welbehagen waaraan mensen hun behoud te danken hebben.

 

Nou, gemeente, wat vindt u daarvan? Bent u daar blij mee?

Ik wel, want nu is het voor een ieder van ons mogelijk om voor eeuwig gelukkig te zijn met God, door het Offer van Christus.

Dat was het eerste: de achtergrond. En voor wij naar ons tweede punt gaan, zingen we uit de Avondzang de verzen 1, 4 en 7:

 

O grote Christus, eeuwig Licht,

niets is bedekt voor Uw gezicht;

Die ons bestraalt, waar wij ook gaan,

al schijnt geen zon, al licht geen maan.

 

Houd ons gemoed voor U bereid,

opdat het blij Uw komst verbeid’;

daar ’t in een stil vertrouwen leeft,

dat Gij ons onze schuld vergeeft.

 

O Vader, dat Uw liefd’ ons blijk’;

o Zoon, maak ons Uw beeld gelijk;

o Geest, zend Uwen troost ons neer;

drie-enig God, U zij al d’ eer!

 

  1. De lofprijzing op het kerstfeest

‘Het kerstlied van de engelen’. We hebben gelet op de achtergrond. Nu ons tweede aandachtspunt: de lofprijzing op het kerstfeest.

We lezen vers 13 en het eerste gedeelte van vers 14: En van stonde aan was er met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God en zeggende: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde.

 

Een van de kerstliederen die vaak gezongen wordt, is het lied over de nacht: ‘’t Was nacht in Bethl’ems dreven, een schone, stille nacht, en trouwe herders bleven bij hunne kudd’ op wacht.’

Als de engelen hun kerstlied zingen in de nacht, dan is dat woordje ‘nacht’ niet alleen maar een tijdsaanduiding; het is ook een kwaliteitsaanduiding. Natuurlijk, het is letterlijk nacht als Christus geboren wordt. Het is donker als de engel uit de hemel het grote nieuws van de geboren Zaligmaker bekend komt maken aan de herders. Iedereen slaapt, behalve de herders in het veld van Efratha, omdat zij in de nacht de wacht houden over de kudde.

Het is nacht in Israël. Maar niet alleen letterlijk; ook in figuurlijke zin is het donker geworden. De Romeinen spelen de baas en dat vinden de Israëlieten heel erg. Ze zijn hun onafhankelijkheid kwijt. Politiek worden ze onderdrukt. En het is ook nacht in geestelijk opzicht. Het geloof is in Israël nog een klein, flauw flikkerend kaarslichtje. Levend adventsgeloof en hoop op de komende Messias, waar vind je dat nog? Dat is een uitzondering. De godsdienst in Israël is een kille, koude, wettische, vrome vormendienst van een stelletje farizeeën geworden. Wie vreest er nog echt de Heere met een warm kloppend, liefdevol hart?

Ja, die zijn er nog. We lezen over Zacharias en Elisabet, twee mensen die rechtvaardig en godvrezend leven. Straks duiken ook de namen op van Simeon en Anna. Maar daar is dan wel zo ongeveer alles mee gezegd.

Nacht over Israël.

 

Nacht in velerlei opzichten: nacht in de wereld zonder God, nacht in uw en in mijn leven zonder Jezus. Een duistere nacht maakt duidelijk hoe het met ons, mensen, gesteld is. Dat zegt de Bijbel ook: wij hebben van de dag een nacht gemaakt. Er staat: En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos (Joh.3:19). God heeft Zich niet in duisternis gehuld voor ons, maar wij hebben onszelf voor God afgeschermd. Wij hebben de duisternis gekozen boven het Licht.

Over zulke mensen gaat hier het kerstlied van de engelen, als er gezongen wordt: in de mensen een welbehagen. We hebben dat net gezien. En daarom is het zo veelbetekenend dat God alles, uitgerekend met kerst, laat plaatsvinden in de nacht, alsof Hij daarmee extra duidelijk wil maken dat Hij bij machte is om in te grijpen in onze menselijke, nachtelijke duisternis.

In die diepe duisternis kwam God. Hij daalde neer en kwam van boven naar beneden in het zenden van Zijn Zoon. God begon. God nam het initiatief. Christus Jezus is in de wereld gekomen om de zondaren zalig te maken. Dat was Zijn liefde; daar hadden wij niet om gevraagd.

 

En God stuurt Zijn engelen in die donkere nacht naar de velden van Efratha, om te verkondigen dat het Licht der wereld geboren is. In vers 9 staat dat: En ziet, een engel des Heeren stond bij hen (bij die herders), en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen.

‘Omschijnen’: er was nergens schaduw; alles was licht. Waar Hij komt, verdrijft Hij de duisternis.

Heerlijk evangelie, ook vandaag. God zoekt mensen op die in het duister leven. God zoekt ook jou op, en u, en mij. Hij steekt Zijn hand uit en zegt: waar ben je nu toch mee bezig?

Misschien bent u wel als een blinde langs de wand aan het tasten.

‘Kom tot Mij!’

Bent u zo naar de kerk gekomen: verlangend naar het Licht? O God, ik weet dat ik zo niet gelukkig ben. Zo kan ik U niet ontmoeten. Ik kan U zo niet dienen. Ik kan zo naar mijn naaste toe niet zijn wie ik moet zijn. Heere, laat het toch licht worden in mijn hart!

Wat een diep verlangen kan je hart toch vervullen naar dat Licht, naar de Heere Jezus, naar de kennis van Hem, naar de liefde van God, opdat het weer vrede wordt in je hart.

 

Maar God komt ook tot mensen die op de vlucht zijn voor Hem, mensen die bang zijn dat alles aan het licht komt als ze zelf in het Licht komen. In de kerstnacht heeft God duidelijk gemaakt dat Hij niet naar mensen op zoek is om hen te verteren met Zijn heilige gloed. Hij zegt: Vreest niet!

O ja, we zouden het wel verdiend hebben om verteerd te worden door de gloed van Gods heiligheid, vanwege onze zonden. Vindt u dat ook? Maar God zegt: Vreest niet.

Het genadelicht van God is wel ontdekkend en het plaatst ons midden in onze schuld en onze verlorenheid. Dat is juist nodig om ons zalig te maken, om ons uit te drijven naar de Heere Jezus. Zo gaat Hij waarde voor ons krijgen; zo gaat die Ster schitteren aan onze nachtelijke, donkere hemel. De ontdekking gaat altijd vóór de vertroosting.

Maar Gods omschijnende licht beschermt en behoudt. Al vrezen die herders met grote vreze, al denkt u: hoe zal ik zo God kunnen ontmoeten, de Heere roept u om te komen tot Hem.

 

En die herders horen die heerlijke boodschap: ‘Vrees niet! Blijdschap voor heel het volk: de Zaligmaker is geboren in de stad van David.’ Een hemels koor valt die engel meteen bij en zet de slotzang in op de hemelpreek, zo lezen we in vers 13: En van stonde aan was er met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God. Daar beginnen ze met die slotzang. Na de eerste kerstboodschap, verkondigd door de engel, komt het eerste kerstlied. Massaal zingen die duizenden engelen met zuivere stemmen de eer van God.

Wat een heerlijke reactie is dat, als een onderstreping van de boodschap. Daarom zingen wij toch ook onze liederen? Zo wordt de slotzang ook altijd bedoeld.

Er valt geen stilte na de preek voor de herders, voordat zij vol vreugde en verlangen op weg gaan naar Bethlehem – met haast. Daar is haast bij. Als je Jezus zoekt, dan heb je haast. Voor ze op weg gaan, worden ze door het horen van het kerstlied van de engelen vervuld met diepe eerbied voor de majesteit en de heerlijkheid van God.

 

Het engelenkoor prijst God alsof Christus voor hén geboren is. Maar dat is niet waar; dat is niet het geval. Christus is gekomen om te zoeken en zalig te maken die verloren zijn: mensen, verloren mensen. Maar als de engelen nu al zo vol zijn van de komst van Christus, hoewel Hij niet voor hen kwam, hoeveel te meer moeten wij dan vervuld zijn met blijdschap en eerbied en verwondering.

Hoe is dat bij u? Hoe is dat in jouw leven? Mag je geloven dat Hij voor jou gestorven is? Mag u geloven dat Hij voor u kwam? Heden is u geboren. God bedoelt mensen zoals ze zijn. Hij verandert ze. Hij vernieuwt ze. Hij maakt er mensen van die hun voeten gaan zetten op de weg van de vrede.

Hebt u Hem nodig, gemeente? Heb je Hem nodig, jongelui, voor dat waarvoor Hij gekomen is? Namelijk eerst voor de verzoening met God, en dan voor het leven met God – vergeving en vernieuwing. Kent u deze Koning van Bethlehem als uw Kruiskoning?

Want dat is een lijn, hoor. Je kunt met kerst nooit alleen maar stil blijven staan bij het Kindje in de kribbe, want dat is er natuurlijk niet meer. Hij is nu in de hemel, aan de rechterhand Gods. Maar Hij heft Zijn doorboorde handen op tot God. Het kruis is er geweest, maar Hij is opgestaan uit de dood. Wij staan achter die heilsfeiten.

Weet u dat de engelen in de hemel nog zitten te wachten tot ze opnieuw kunnen uitbreken in vreugdegezang? Want er staat dat er blijdschap is voor de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert (Luk.15:10). Wat denkt u, hebben ze al gezongen over u?

 

Wat zingen ze dan?

Ere zij God in de hoogste hemelen – daar begint het mee: een lofprijzing op de geboorte van Christus – en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Twee coupletten zijn het eigenlijk. Als je de grondtaal in het Griekse Bijbeltje voor je neemt, dan staat er letterlijk: ‘Heerlijkheid in de hoge aan God.’ En bij het tweede couplet staat: ‘En op aarde, vrede in mensen, welbehagen.’

We zijn nogal gewend natuurlijk aan dat Ere zij God, en ik zeg er geen kwaad woord van. Maar het klinkt als een wens en dat is het niet! Het Grieks heeft helemaal geen werkwoord; dat is er gewoon bijgevoegd om de vertaling wat goed te laten verlopen. De bedoeling is: de heerlijkheid van God is nu openbaar gekomen in de hemel, want Hij heeft Zijn Zoon, de Messias, gezonden naar de aarde.

Jezus kwam om God de eer te geven en dat mislukt nooit. Dat hoeft niet in de wensende zin. Hij zal ervoor zorgen dat er een volk is dat Zijn lof verkondigt. Christus is gekomen om alles weer in orde te maken wat met de eer van God te maken heeft. God heeft er Zijn eer aan verbonden om zondaars te redden, gelukkig te maken.

De engelen zingen: ‘De hulde is aan Hem Die het heelal geschapen heeft en Die heel de schepping doorstraalt met Zijn heerlijkheid.’ Het woord ‘hemelen’ staat er ook niet. Het staat wel in de vertaling. Dat geeft niet; het is bedoeld zoals wij met de ‘hemelen’ het uitspansel bedoelen. Maar de heerlijkheid van God straalt helemaal door in Christus, in de eniggeboren Zoon van de Vader. Want de Heere Jezus lijkt op de Vader. Hij is het Beeld van de Vader, het uitgedrukte Beeld van God. Op aarde verborg Hij Zijn heerlijkheid in de menselijke natuur die Christus aannam en die onderworpen was aan de gevolgen van de zonde.

 

Dat is de achtergrond van die vrede op aarde, die Christus verdiend heeft door Zijn verzoenend lijden en sterven. Zo blijkt ook dat God er Zijn eer aan verbonden heeft om zondaars te redden. Dat is Gods liefde. Dat is Gods barmhartigheid. Daar wordt de deugd van de genade in verheerlijkt, en van het recht – in Bethlehem, op Golgotha.

Ere zij God in de hoogste hemelen. God had na Adam geen beelddrager meer op aarde die God verheerlijkte. En daarom zorgde Hij voor de tweede Adam, Christus Jezus, in Wie Hij opnieuw Zijn heerlijke deugden uitstraalde en verheerlijkt werd, en door Wie Zijn Beeld in de mens hersteld kon worden: in u en in mij. Het is Gods bedoeling dat wij weer gaan lijken op God. Jongelui, dat is het doel van jouw leven.

En daarom zingen de engelen: Ere zij God in de hoogste hemelen. Nu Hij Zijn Zoon naar de wereld gezonden heeft, komt het met de eer van God weer goed, want Hij zal daar Zelf voor zorgen. Maar jij en ik en u zijn wel verantwoordelijk voor hoe wij met die opdracht van de Heere omgaan. Want wij zijn van nature eerrovers van God, zegt de Bijbel. Maar door de genade van de Heere Jezus wil God ons leven zo veranderen, vernieuwen, dat we weer Gods eer gaan bedoelen.

Dat is een complete verandering in je leven; dat merk je wel. Als de eer van God op de bodem van je hart leeft, is dat heel anders dan dat je alleen maar aan jezelf denkt, aan roem of eer of pleziertjes in je leven. De eer van God is dan je hartstocht geworden.

 

Gemeente, de toepassing is niet zo moeilijk, toch? Is God in uw leven al aan Zijn eer gekomen? Dat is gewoon de vraag. Die boodschap van de engel is prachtig, maar tegelijkertijd diep ontdekkend.

Wees eens eerlijk: bent u weleens diep bedroefd geweest omdat u ontdekte dat God in uw leven zo tekortgekomen is? Moet u met schrik ontdekken: Heere God, ik heb U niet verheerlijkt. Ik heb niet tot eer van U geleefd. Ik heb Uw eer niet bedoeld en ik zie dat U mij daarvoor geschapen hebt. Dat is het doel van mijn leven en daarvoor is de Heere Jezus naar deze wereld gekomen. Ik heb U niet verheerlijkt.

Dan zie je pas wat er ontbreekt in je leven. Dan zie je pas echt hoeveel pijn je God daarmee doet. En dan wordt het je echt te doen om Gods eer. Dan zeg je niet alleen: Heere, ik heb tegen U gezondigd; vergeef me alstublieft. Maar dan gaat het nog veel dieper in je beleving. Want dan zeg je: Heere God, eigenlijk is wat ik gedáán heb niet het ergste, maar wat ik níet gedaan heb. Ik heb U niet verheerlijkt, terwijl U het zo waard bent en U het zo verdiend hebt. U bent zo goed en zo groot en zo trouw.

 

Gemeente, de grote blijdschap van het kerstgebeuren kan eigenlijk het beste schitteren tegen die donkere achtergrond van onze verlorenheid, van onze schuld. Dan is die blijdschap ook zo in tegenstelling met de droefheid over je zonde, als je horen mag van de Zaligmaker Die het voor Gods eer heeft opgenomen en Die door Zijn volbrachte werk heeft hersteld wat wij bedorven hebben. O, dat U dat wilde doen, Heere Christus!

En als je Hem zo persoonlijk mag ontmoeten in het heerlijke, heilige Evangelie, en je hart aangeraakt en je ziel doorstroomd en doortinteld wordt vanwege de grootheid van de Heere en de liefde van Christus, dan wordt het kerstfeest in je hart: Christusfeest. En dan gaat het vanzelf: Ere zij God! Heere, U bent zo goed en zo groot. Wij aanbidden Uw Naam. Soli Deo gloria – God alleen de eer.

 

Laten we dat samen doen als we zingen uit Psalm 89, voordat we naar het laatste gedeelte gaan kijken. We zingen de verzen 3 en 8:

 

De hemel looft, o Heer’, Uw wond’ren, dag en nacht;

Uw waarheid wordt op aard’ de glorie toegebracht,

Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;

Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?

En welke vorsten ooit het aardrijk moog’ bevatten,

Wie hunner is, o Heer’, met U gelijk te schatten?

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen,

Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

 

  1. De vrucht van het kerstfeest

Het kerstlied van de engelen. De achtergrond was Gods welbehagen. De lofprijzing klonk in het Ere zij God. Tot slot spreken we over de vrucht: vrede op aarde.

Dat is de vrucht: vrede in de mensen. Er staat niet: vrede in Irak, of vrede in Libië, of in Israël, maar: in de mensen.

 

Wat wordt er met die vrede bedoeld? In de allereerste plaats zou je zelfs kunnen vragen: wíe wordt er met die vrede bedoeld? Want de engelen zingen over de Vredevorst, Die lichamelijk op aarde is neergedaald. En zo heeft Jesaja het ook geprofeteerd: een Kind is ons geboren (…), en men noemt Zijn Naam: (…) Vredevorst (Jes.9:5). En Paulus zegt in Efeze 2: Hij is onze vrede (Ef.2:14).

De engelenzang wordt in zekere zin door de discipelen herhaald. Als de Heere Jezus aan het eind van Zijn aardse pelgrimstocht naar Jeruzalem gaat en ze bij de helling van de Olijfberg zijn aangekomen, dan beginnen al de discipelen – niet alleen de twaalf, maar al Zijn volgelingen – opeens met grote stem God te loven. Dat is het Ere zij God. En dan zeggen ze: Gezegend is de Koning, Die daar komt in den Naam des Heeren! Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen! (Luk.19:38).

In plaats van ‘vrede op aarde’ klinkt het: ‘vrede in de hoogste plaatsen’. Dat is de vrede die God bewaart voor Zijn volk. Maar in de Vredevorst is die vrede al op aarde gekomen. En wie met Christus leeft, wie met Hem gemeenschap heeft door de verbondenheid van het geloof, die heeft ook vrede.

 

De vrede waarover de engelen zingen, gaat gepaard met de komst van de Messias, de volledige Messiaanse vrede; en dan mag je daar best het oudtestamentische ‘sjalom’ achter denken. Die vrede waarover gezongen wordt, is nu al ten dele zichtbaar in de mensen die God liefhebben. Heb je dat? Dan heb je ook iets van die vrede in je hart.

De discipelen hebben Hem toegejuicht: ‘Vrede in de hoogste plaatsen.’

Christus, Die onze Vrede is, kwam ook voor de vrede met de naaste. Die vrede heeft Hij verworven door Zijn bitter lijden en sterven, de vrede met God en met de naaste. De engelen zingen over het doel van Zijn komst: vrede aanbrengen, verzoening aanbrengen tussen God en mensen, tussen de heilige God en de schuldige mens.

Door heel veel mensen wordt veel te aards gedacht over die vrede. Dat is ook voor ons de verleiding. In de volheid des tijds dacht Israël dat ook. Israël verwachtte een aards koninkrijk met politieke vrede. Straks de Romeinen weg en dan hebben we eindelijk vrede, zo dachten de discipelen.

In onze tijd hunkeren miljoenen mensen naar vrede. Ze gaan er zelfs de straat voor op. Wereldvrede, economische vrede, vrede in een leefbare wereld, in een leefbare maatschappij. Vredesconferenties, vredesbesprekingen, vredesbewegingen. Vrede ... Komt er vrede?

Toch gaat het niet in de eerste plaats om díe vrede; die kan er wel een gevolg van zijn. Het gaat niet om vrede zonder meer. De engelen zingen van vrede op aarde in de mensen. Dat mogen we er niet van losmaken; dat hoort bij elkaar.

Het gebrek aan vrede op aarde is dus altijd een gebrek aan vrede in mensen, en dan ook gebrek aan vrede met God; dat is het eerste. Al die ellende en al die oorlogen zijn gevolg van het feit dat wij God de oorlog hebben verklaard. En wie er niet op terugkomt, heeft geen vrede. We zijn een vijand van God geworden en we krijgen pas vrede als we ons overgeven aan Hem. Daar roept Hij toe op. Hij heft de kruisbanier over ons op. ‘Ik zal je vrede geven.’ Vijanden worden met God verzoend en goddelozen worden gerechtvaardigd.

 

En hoe doet God dat? Door ons uit te schakelen?

Nee, door ons in te winnen, ons hart te breken in Zijn liefde, door Zijn vrede aan te bieden. Gods vredesvoorstel voor vijandige mensen ligt in de kribbe van Bethlehem. Hij kwam met de meest gunstige vredesvoorwaarden. Hij gaf Zijn eigen Zoon, Zijn Geliefde. Zo ver is God gegaan. Meer kon Hij niet doen. Meer kon Hij niet geven. Hij gaf alles wat Hij had. Zo zegt God: Ik wil vrede met mensen, met u, met jou.

Die door God gegeven Vredevorst heeft de vrede met God verworven door Zijn dierbaar bloed. Het heeft Hem wat gekost. Als een lam werd Hij ter slachting geleid (Jes.53:7). Het heeft Zijn leven gekost. Hij is verraden en verloochend. En in Hem, zingt de psalmdichter, wordt de vrede met een kus van het recht gegroet. Wat betekent dat? Dat betekent dat de vrede waar God het hier over heeft, waar de engelen van zingen, gegrond is in het recht, de verzoening. Dat betekent dat je het ermee eens gaat worden als God je zou overslaan.

Hoe vindt u dat, dat het recht is als God u verloren laat gaan? Hoe vindt u dat? Dan belijd je van harte met de verloren zoon: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u (Luk.15:21), en je bedelt om genade: o God, vergeef toch mijn zonden.

 

Gemeente, vergeving en verzoening horen bij elkaar. De vrede met God vloeit voort uit de verzoening die Christus heeft aangebracht. En waar het bloed van de verzoening drupt, daar worden gebalde vuisten tot gevouwen handen; daar wordt onder het gezang van de engelen gebogen bij de kribbe van Bethlehem: ‘O Vredevorst, Gij kunt gebieden, de vreed’ op aard’ en in mijn ziel.’

Bij Christus vindt een moegestreden hart rust, telkens weer, in die heerlijke geloofsovergave aan de Heere Jezus, Die gezegd heeft: Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u (Joh.14:27).

Dan ben je niet oorlogszuchtig; dan ben je niet vijandig. Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal (Hebr.12:14). Dan word je een vredestichter, zegt Jezus in de Bergrede: Zalig zijn de vreedzamen (de vredestichters); want zij zullen Gods kinderen genaamd worden (Matth.5:9). Dan ben je niet alleen een vreedzaam persoon omdat je niet houdt van ruzie, maar je brengt vrede, je brengt heil bij anderen. En daar kunnen de mensen aan zien dat je een kind van God bent.

 

Wat moet je dan doen om in die vrede te delen?

Je schuld belijden, de wapens neerleggen en alle vijandschap afleggen. En de vrede aanvaarden die alle verstand te boven gaat. Jezelf restloos overgeven aan Christus.

Mag dat wel?

Nou, voor wie geldt dat vredesaanbod?

Ja, maar heeft God míj bedoeld?

Wat hadden we gezien bij de achtergrond van het kerstfeest? In de mensen een welbehagen – mensen. Gods welbehagen is de bron van die vrede, de bron van de zaligheid, van vrije genade. Alles – Zijn ontferming en Zijn liefde tot mensen – vloeit voort uit Gods welbehagen.

Vanwege onze goede kwaliteiten?

Nee, dat hadden we al gezien. Maar omdat dat Hij mensen liefheeft, daarom; vanwege Zijn welbehagen.

 

Dat Griekse woord ‘eudokia’ voor welbehagen, dat wijst op het uiten van die genade, van dat welbehagen. En dat heeft God gedaan. Dat heeft Hij geuit, laten zien, in het zenden van Zijn Zoon. Dat welbehagen staat dus niet los van de geboren Zaligmaker.

Wie zal ooit kunnen vatten dat God Zijn heerlijkheid zo genadig naar buiten heeft willen openbaren, en dat de hemelse liefde van God de Vader voor een verloren wereld zo groot was dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft, van Zijn hart gescheurd heeft? Wie kan bevatten dat de Heere Jezus, de Zoon van God, uit liefde tot verloren mensen gekomen is en Zijn kroon en troon heeft willen verlaten en heeft willen verruilen voor de kribbe van Bethlehem en het kruis van Golgotha?

 

O, wat een liefde; wat een bewogenheid! Wat een genade! Wat heeft Christus Zich niet vernederd! Dat heeft Hij niet voor niets gedaan, maar Hij heeft willen ruilen voor u en voor mij, om met God verzoend te zijn. Bethlehem is het begin van Golgotha.

Vrede op aarde in mensen. Als u die vrede die Hij verwierf door het bloed van de verzoening in uw hart voelt afdalen bij het zien op het Lam aan het kruis, door het geloof, en bij de omhelzing van Christus in de staat van Zijn diepste vernedering, dan komt het welbehagen van God in uw leven tot zijn doel. En dat bedoelen de kanttekeningen. Dan wordt dat welbehagen aan mensen vervuld. Dan proef je iets van de eeuwige liefde van God, waar Christus als het Lam uit voortgekomen is.

En dan gaat u zingen. Dan moeten de zingende engelen zwijgen, als de gekochten met het bloed gaan zingen: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging (Openb.5:12).

Hoe dichter u mag leven bij die Vredevorst van Bethlehem en hoe meer u door het geloof mag zien op die Kruiskoning van Golgotha – en door Hem op het welbehagen van de Vader – des te hartelijker wordt die begeerte om Hem de eer te geven die Hem toekomt. Dat hebben we gezongen: ‘Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen’.

Gloria in excelsis Deo. Ere zij God in de hoogste hemelen.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 147:1

 

Laat 's HEEREN lof ten hemel rijzen;
Hoe goed is 't, onzen God te prijzen!
't Betaamt ons, psalmen aan te heffen,
Die lieflijk zijn, en harten treffen.
De HEER wil ons in gunst aanschouwen;
Hij wil Jeruzalem herbouwen;
Vergâren en in vreê doen leven,
Hen, die uit Isrel zijn verdreven.