Ds. C.G. Vreugdenhil - Efeze 2

2. Geloof en ongeloof (1,3b-5)

Efeze 2
De roeping door het Evangelie tot geloof
De reacties op het Evangelie namelijk geloof en ongeloof
De achtergrond van die reacties eigen en wel schuld of gave Gods
Deze prekenserie is eerder uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente Rotterdam-Zuidwijk.

Efeze 2 :

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 3: 2
Zingen : Psalm 19: 5
Lezen : Efeze 2: 1 - 10
Lezen : Johannes 3: 14 - 18
Zingen : Psalm 119: 32, 53 en 65
Zingen : Psalm 35: 9 en 13
Zingen : Psalm 81: 12

De Dordtse Leerregels, Hoofdstuk 1, art. 3b-5:

 

En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil;

1-3b door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, den Gekruisigde. Want hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? (Rom. 10:14, 15).

1-4 Die dit Evangelie niet geloven, op die blijft de toorn Gods. Maar die het aannemen en den Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen, die worden door Hem van den toorn Gods en van het verderf verlost, en met het eeuwige leven begiftigd (Joh. 3:36, Mark. 16:16).

1-5 De oorzaak of schuld van dat ongeloof, gelijk ook van alle andere zonden, is geenszins in God, maar in den mens. Maar het geloof in Jezus Christus en de zaligheid door Hem, is een genadige gave Gods; gelijk geschreven is: ‘Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave.’ (Ef.2:8). Insgelijks: ‘Het is u gegeven in Christus te geloven’ (Filip. 1:29).

 

Gemeente, het gaat hierin dus over:

 

Geloof en ongeloof

 

We staan we stil bij drie gedachten:

 

1. De roeping door het Evangelie tot het geloof.

2. De reacties op het Evangelie namelijk geloof en ongeloof.

3. De achtergrond van die reacties en wel eigen schuld of gave Gods.

 

Voordat we deze drie punten met elkaar overdenken gaan we eerst de lijn op pakken van de vorige keer.

Het gaat in Dordtse Leerregels in eerste plaats over het geheim van Gods verkie­zing, niet als een filosofisch leerstuk, maar als lofzang op de eeuwige liefde van de verkiezende God. Het gaat niet over een noodlot; het is ook niet bedoeld als struikelblok, maar als pastoraal geschrift dat leidt tot verwon­de­ring in het geloof. Misschien hebt u wel uw twijfels over dat pastora­le karakter. Zijn veel mensen niet juist met de uitverkie­zing pastoraal gezien in problemen gekomen?

De verkiezing moge dan voor gelovigen een bergtop zijn in het land van het geloof, maar hoevelen zijn er niet op weg naar die bergtop in diepe ravijnen terecht gekomen. Het ravijn van het noodlotsgeloof, waarin alles van tevoren beslist is, zodat een mens er toch niets meer aan kan doen. Of het ravijn van de vertwijfe­ling, waarin men op de wanhopige gedachte is gekomen: als ik niet uitverko­ren ben, kan ik bidden wat ik wil, maar dan ben ik toch verloren. Is het niet zo dat in kerken en groeperingen, waar de uitverkiezing heel erg centraal staat, vaak dodelijke lijdelijkheid en grote onzeker­heid met betrekking tot het geloof het gevolg zijn?

Wat denkt …  zou dat Gods bedoeling zijn als Hij iets van Zijn eeuwige verkiezende liefde openbaart in de Bijbel?

 

Wat zou de oorzaak zijn van deze ontsporingen? De grootste oorzaak is een verkeerde benadering. Mensen gaan redeneren in plaats van geloven. Redeneren alsof ze de zaak van Gods kant kunnen bekijken. We moeten niet ‘achterstevoren denken’ alsof wij hoogmoedig over de schouder van God in Zijn boekhouding kunnen meekijken. Ze spreken erover alsof het gaat om een statistiek.

Hoe moet het dan? Wel, de Dordtse Leerregels beginnen niet bovenaan bij God, maar onderaan, daar waar wij zitten namelijk ‘in het dal van onze verlorenheid’, om ons van daaruit op te leiden tot de liefdevolle God en Vader. Hij is het die Zijn Zoon gaf om verloren mensen te redden. Par.1 luidt immers: We hebben allen in Adam gezondigd en liggen onder de vloek en de eeuwige dood.

 

Laten we ons inspannen om zo over de uitverkiezing te spre­ken, dat deze weer zichtbaar wordt als een bergtop van ongekende hoogte, van waaruit schone vergezichten geboden worden. Maar die tocht naar de top begint in het dal zoals par.1 zegt. Die reis begint bij het kardinale punt dat wij allemaal in Adam gezondigd hebben en dat God niemand onrecht zou doen, wanneer Hij alle mensen, heel het mense­lijk geslacht, in het verderf gelaten zou hebben. Niemand kan enig recht laten gelden op de zaligheid. Het gaat in de Dordtse Leerregels over de waarachtigheid van de genade. Om de vraag of de mens kiest voor God of net andersom, dat God kiest voor de mens.

 

Wij hebben nergens recht op dan alleen op het oordeel. Als wij het dan gaan hebben over het won­der dat er toch een scha­re die niemand tellen kan behouden wordt, dan is er maar één startpunt en dat is de eeuwige liefde Gods. God heeft Zijn lief­de geopenbaard en Zijn eniggeboren Zoon gezonden. Christus heeft de toorn Gods gedragen te­gen de zonde van het hele men­selijke ge­slacht en zo heeft Christus weggenomen dat wat het onmoge­lijk maakte om ooit zalig te worden. Aan dat werk van Chris­tus moeten wij persoonlijk deel krijgen.

 

God werpt niet zomaar mensen in de eeuwige verdoemenis. Nee, Hij gaf Zijn eigen Zoon in deze wereld tot verzoening, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Daar komt het op aan. Niemand wordt gered door de wetenschap van de verkiezing, maar alleen door het geloof in de Heere Jezus Christus. Hoe kom je aan dat geloof? Par.3 zegt: En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wien Hij wil, en wanneer Hij wil.

 

Wat een opmerkelijk antwoord! Als antwoord op de vraag hoe je tot geloof komt, wordt namelijk niet in eerste plaats verwezen naar de Heilige Geest, maar naar de prediking. God realiseert Zijn verkiezing door middel van de verkondiging. Daar hebt u gelijk de menselijke verantwoordelijkheid, zowel voor de prediker als voor de hoorder. God zegt niet: ‘Ik heb je uitverkoren en daarom roep ik je tot geloof in Christus’, maar: ‘Geloof in de Heere Jezus Christus en zo ben je gered.’ God wil verloren zondaren brengen tot geloof. Calvijn zegt: als de predi­king tot ons uitgaat is dat een teken van Gods uitverkiezing. Wilt u tot geloof komen? Kom dan onder het gepredikte Woord. Dit is geen uitvinding van mensen, maar God staat erachter en roept: Ik heb geen lust in uw dood.

 

Het gaat allemaal van de Heere uit. Hij neemt mensen in Zijn dienst en Hij zendt hen waarheen Hij wil. Dat is alleen genade. Waarom is er bijvoorbeeld in Klein-Azië en Noord-Afrika geen chris­te­lijke kerk meer te vinden en waarom in ons land nog wel? Dat kunnen wij niet verklaren. Als het aan ons, Nederlanders, gelegen had dan was de zuivere ver­kondiging van het Woord al lang verdwenen. Nee, dat is alleen genade bij God van­daan. Ook dat u, jij in een christelijk gezin bent geboren en in een kerk gekomen, waar Gods Woord nog zuiver verkondigd wordt. Wat voor verkondigers zendt de Heere? Stuurt Hij hel- en verdoemenispredikers? Nee, zeggen onze vaderen, God zendt goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde bood­schap.

 

Tot zover wa­ren wij gekomen.

Zo hebben we de lijn van de eerste preek weer voor ons. God zoekt ons op waar we zijn: van Hem afgeval­len, onwillig en vijandig. Zulke mensen wil Hij redden. Daartoe zond Hij Zijn Zoon. Die zeer blijde boodschap: dat er redding is voor verloren zondaren, laat Hij verkondigen door geroepen dienstknechten.

Dat is toch allesbehalve gewoon. Een dubbel wonder: God zendt Zijn Zoon en ... God zendt predikers omdat Hij niet wil dat we verloren gaan. Is het voor u ook een wonder, dat u onder deze predi­king mag verke­ren?

 

Over die predikers staat verder in par.3:

Door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, den gekrui­sigde.

 

1. De roeping door het Evangelie

 

De ware prediking zegt niet: mensen, Christus is voor u gestorven, u bent gered en gelooft dat nu maar, u bent met God verzoend. De ware pre­diking is iets anders dan het aanraden om nu maar te vertrouwen ‘dat het goed zit’. Nee, het gaat erom dat we persoonlijk deel krijgen aan het verworven heil door het geloof; dat is heilsnoodzakelijk.

 

Het Evangelie, de zeer blijde boodschap, heeft twee kanten. Enerzijds: u bent verloren van nature. Anderzijds: u kunt gered worden door het geloof in Christus de Gekruisigde. ‘De dood in Adam’ en ‘het leven in Christus’. Hoor maar: Laat u met God verzoenen, want Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. (2 Kor. 5:20, 21).

 

God is liefde en daarom zendt Hij Zijn Zoon de Heere Jezus Christus in deze wereld om zondaren te redden. Deze liefde roept om een antwoord. Welk ant­woord? Het antwoord van bekering en geloof.

 

Niet dat van alleen het ge­loof. Sommigen prediken alleen het geloof. Zij hanteren alleen de tegen­stelling met Rome: het geloof of de wer­ken. Het geloof preken zonder bekering is een grote ver­gis­sing. Het is niet zonder reden dat de belijdenis de bekering vooropzet. Christus zegt: Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering (Mark. 2: 17). Zo vat Markus de prediking van Christus ook sa­men, hoor maar: En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predi­ken­de het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en zeg­gende: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen; bekeert u en gelooft het Evange­lie. (Mark. 1:14,15)

Ook op de Pinksterdag antwoordde Petrus op de vraag: Wat zullen wij doen mannen broeders? Bekeert u (Hand. 2: 37 en 38). Breken met het oude denken en breken met het oude leven van zelfhandhaving. Buk­ken voor God en schuld belijden om zo Christus te omhelzen als de Zaligmaker. Er moet met ons vanbinnen iets gebeuren. Die bekering omvat allereerst de omkering van het hart. Wat is dat? Het is een zich keren tot de liefde  Gods en Zijn dienst en een zich afkeren en haten van de zonde. Er moet een waarachtige bekering van het hart komen in ver­brokenheid en schuld­er­ken­tenis en daar­mee verbonden de bekering van ons leven.

 

Tegelijk is die oproep echter een oproep tot het geloof, die met deze waar­ach­tige bekering verbonden is. Ze komen uit één wortel, namelijk uit die van de vereni­ging met Christus. Wij gaan het Woord van God geloven in zijn veroordeling, ‘ik ben schuldig’, en tegelijk in de waar­achtigheid van het getuigenis van Gods liefde, die in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven (Joh. 3: 36).

 

Hoe brengt de Heere tot deze bekering en tot dit geloof? Door de prediking, dat is Gods genademiddel.

O, dat moeten wij inzien en dat moeten wij vasthouden. Heel wat kerken vandaag nemen de toe­vlucht tot allerlei andere middelen zoals de discussie over dans en spel. Er wordt vaak ook veel nadruk gelegd op de liturgie, op het vieren.

De oecumenische beweging is van mening dat door de prediking en verkondi­ging er juist verdeeld­heid komt en dat een uitgebreide liturgie de eenheid van de kerk bevordert. Is dat nu een goede, Bijbelse basis?

 

De prediking is het genademiddel bij uitstek. Waar­om? Zij komt vanuit het welbeha­gen Gods. Daar heeft God voor gekozen en wie het beter wil weten dan God die doet net zo dom als Adam en Eva in het paradijs, die zo wijs als God wilden zijn. Daarom moeten we getrouw zijn in de prediking van het Woord. De Dordtse Leerregels wijzen op Christus de Gekruisigde. Hij is de Inhoud van de prediking. Hij moet voor ogen geschilderd worden als onder ons gekruist zijnde. (Gal.3) Een andere weg om tot het geloof te komen is er niet en een ander geloof dan dat zich overgeeft aan Christus de Gekruisigde is er niet. Hij is de enige weg tot God. De prediking van het Evangelie roept gevallen en verloren zonda­ren op om zich onvoorwaardelijk over te geven aan Hem. Wie dat door genade mag doen is niet alleen gered, maar mag ook in deze gekruiste Zaligmaker de weg tot de Vader zien en hoe God hem al van eeuwigheid heeft liefgehad.

 

Tot geloof komen heeft dus alles te maken met de prediking. Dat heeft de apostel al onder­streept in Rom. 10. Die tekst wordt dan ook in deze paragraaf geciteerd:

Want hoe zullen zij in Hem geloven, van welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun pre­dikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden wor­den (Rom. 10: 14).

Eigenlijk staat er in het Grieks: En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt (Rom. 10: 14).

Het gaat er in de prediking niet om dat wij iets over Jezus horen. Dat ook. De za­ken aangaande Christus moeten ons verkondigd worden. Maar tegelijk gaat het erom dat wij in de prediking Jezus Zelf gaan horen en ontmoeten.

Waar het Woord opengaat door de Heilige Geest, staat Jezus in werkelijk­heid voor ons in Zijn priesterlijke bewogenheid en lokkende liefde. Daar gaan zondaren voor Hem buigen.

Weet u daar ook van in uw eigen leven? Dat Hij u aanraakte en uw hart brak onder de betoning van Zijn liefde. Dat Zijn nodiging u aanspoorde om het van Hem alleen te verwachten en Hem te omhelzen zoals par.4 zegt? Vond u al uw zaligheid in Hem; ontving u vergeving van zonden en eeuwig leven. Ervoer u vrede met God en bereidheid om voor Hem te leven. Zei u het met Ruth toen zij sprak tot Boaz: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben (Ruth 2: 10).

 

Zo roept God door de prediking mensen tot geloof in Christus, de Gekruisigde. Dat is ook de norm voor de prediking. Wij hebben niet eigen menin­gen te prediken, maar Gods Woord te prediken. Niet te preken dat wat mensen graag horen, maar Gods eigen Woord. Er is ook in de Ge­re­for­meerde Gezindte zo­veel prediking die daarvan verschilt. U moet zich altijd maar afvragen: ‘Heeft Christus ook zo gepreekt? Heeft Paulus zo gepreekt?’ Chris­tus heeft op het Loof­huttenfeest een hoge plaats op­ge­zocht waar iedereen Hem kon horen en zien en heeft allen harte­lijk genodigd tot Hem te ko­men. Hoor maar: Zo iemand dorst die kome tot Mij en drinke (Joh. 7: 37). Als u zo, als het ware bij Hem, in de kerk mag zitten, weet u wat er dan gebeurt? Door Gods genade gaan wij dan onder de prediking Christus Zelf horen. Wij gaan de prediking horen als Gods eigen Woord. De dominee valt weg. We geloven de prediking niet als de mening van die voorganger maar als Gods eigen Woord. Er vindt een ontmoeting plaats. Zo heeft Christus dat ook gezegd: Wie u hoort, die hoort Mij (Luk. 10: 16).

 

Op deze roeping door het Evangelie komen twee reacties: de één gelooft het en de ander gelooft niet.

 

 

 

 

2. De reacties op het Evangelie

 

In par.4 lezen we:

Die dit Evangelie niet geloven, op die blijft de toorn Gods. Maar die het aannemen en den Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen, die worden door Hem van den toorn Gods en van het verderf verlost, en met het eeuwige leven begiftigd (Joh. 3:36, Mark. 16:16).

 

Komt iedereen, die onder de verkondiging van Christus de Gekruisigde zit, ook werkelijk tot bekering? Nee, daar valt een schei­ding. Die valt overal waar het Evangelie verkondigd wordt. Die valt ook in ons midden.

De prediking heeft altijd twee soorten uitwerking. Of wij laten de dingen die wij horen langs ons heengaan en de bood­schap verandert ons niet of wij komen tot het aanne­men van het verkondig­de. Dat is de ernst van de prediking. Er gebeurt wat. Er vallen beslissin­gen van eeuwige betekenis. Er gaan deuren open en er vallen deuren in het slot. Er ge­beurt iets met een eeuwigheiddimensie.

 

Gemeente, het Woord is een reuke des levens ten leven of een reuke des doods ten dode (2 Kor. 2: 16). Een levenwekkende levensgeur of een dodelijke dood­slucht. Dat laatste is echter niet het doel van verkondiging, maar het gevolg van het verwerpen van de Gekruisigde Christus. In Joh. 3 spreekt de Heere Jezus over de koperen Slang in woestijn. Zo wordt nu ook de Zoon des mensen verhoogd in prediking. Wie gelovig op Hem ziet, zal leven. Zo niet, wie aan Hem voorbijgaat, zal eeuwig sterven. In datzelfde hoofdstuk zegt de Heere Jezus dat Hij niet gekomen is om mensen te verderven, maar te behouden.

Wie niet gelooft, op die blijft de toorn van God. Christus is gezet tot een val en opstan­ding.

Hij is Rots van behoud of steen des aanstoots.

 

Die dit Evangelie niet geloven, op die blijft de toorn Gods, luidt de eerste zin van par.4.

Bij dit niet-geloven kunnen wij denken aan degenen die heiden blijven en wei­geren het Evangelie te aanvaarden.

Bij dit niet-geloven kunnen wij denken aan jongeren die mee moeten naar de kerk en ondertussen den­ken: Ik geef geen cent voor al die onzin.

Maar het kan nog veel erger. Niet-geloven kan ook betekenen dat wij vechten voor de waar­heid en ondertussen met ons hart niet verbroken zijn onder het Evangelie van de gekruisigde Christus.

Niet geloven kan ook inhou­den dat wij menen wel te geloven maar op onze eigen manier.

Het gaat om de com­binatie van bekering en geloof. Een verslagen hart waar­voor het Evangelie de blijde boodschap is. Het gaat om een ver­an­derd en vernieuwd worden van je hele leven, je levensstijl, door de boodschap van het Evangelie.

 

Maar wat gebeurt er nu als wij niet met en in het ware geloof amen zeg­gen op de prediking? Er staat: Die dit Evangelie niet geloven, op die blijft de toorn Gods. Dat is wat. Is dat bij u zo? Bij jou? Van nature zijn wij, zoals ook het doopfor­mu­lier zegt, Kinderen des toorns. Alleen door het geloof in Christus worden wij gered van de toorn Gods. Niet tot bekering ko­men, niet tot geloof komen betekent dat wij blijven onder deze toorn. Johannes de Doper heeft van de Heere Jezus getuigd: Die de Zoon onge­hoor­zaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh.3:36).

Wat is dat ernstig! Gods toorn. Wie moet daar niet voor beven. Dan wordt het werkelijkheid dat onze God een verterend vuur is bij wie niemand wonen kan. Dan klinkt de ernstige oproep: Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen (Hebr. 2: 3).  Waar zullen wij dan naar toe vluchten? Dachten wij het verderf te kunnen ontlopen en zo te ontkomen? Geenszins! Wij zullen dan terecht komen op de plaats waar eeuwig de toorn van God brandt. Dat gebeurt als wij ons hart verharden onder de boodschap van het Evangelie.

 

Maar hoe zit het dan als wij door genade het Woord mogen aanne­men? Daar gaat de rest van par.4 over, lees maar mee:

Maar die het aannemen, en den Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen, die worden door Hem van den toorn Gods en van het verderf verlost en met het eeuwige leven begiftigd.

Er is door Gods genade onder de prediking ook sprake van een aannemen van het Evangelie. Dan gaan wij met de Samari­taanse vrouw bui­gen onder Christus' oordeel. Wij gaan met haar geloven dat Christus' aan­bod van ‘het levende Water’ waarachtig is. We gaan drinken. We gaan de Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen.

 

Het is wel belangrijk dat de Dordtse Leerregels dit zinnetje in één adem noemen met het aannemen van het Evangelie. Anders zou er een misverstand kunnen ontstaan over dat aannemen. Dan zou je het oppervlakkig en activis­tisch kunnen opvatten, alsof het gaat zoals bij ‘het aanpakken van postpak­ketje’. Zo wordt er ook wel gesproken over het aannemen van de Heere Jezus. Dat is veel te zakelijk en doet onrecht aan de werkelijkheid.

 

Nee, zeggen de Dordtse Leerregels, en ze leggen dat aannemen direct uit als een omhelzen van de Zaligmaker met een waarachtig en levend geloof. Een door de Heilige Geest gewerkt geloof, waarvan Dordtse Leerregels in par.4 duidelijk zegt dat het een gave van God is. Niet een oppervlakkig aanne­men, maar vooral een toevlucht nemen als een arme zondaar, die ziet dat hij buiten Jezus verloren is. Waarom zou je Hem anders nodig hebben?

 

We gaan Jezus omhelzen met armen van het geloof. Jezus, in welke hoeda­nig­heid? Als de Zaligmaker. Als de Redder en Verlosser van God geschonken. We gaan onszelf niet redden. We gaan onszelf niet voor ge­red houden. Nee, Jezus wordt de Zaligmaker voor ons en zo om­helzen wij Hem met een waarachtig en levend geloof. Wij omhel­zen Hem met krediet voor Hem als Verlosser, zoals de bloedvloeien­de vrouw ver­wachting van Hem had. Dan vlucht je tot Hem en vertrouw je op Hem.

Al die mensen, die tot Jezus komen, waarvan we in de evangeliën lezen, komen met de nood van hun leven. Tollenaars en zondaars. Ze discussiëren niet of ze Jezus wel of niet mogen aannemen, maar ze vallen Hem te voet. Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner (Mark. 10: 47). Ze vonden nergens anders hulp of uitkomst.

Wie Jezus omhelst, verliest alles wat Jezus niet goed vindt, namelijk: zonde, eigengerechtigheid, eigenwillig­heid en hoogmoed. Ja, die verliest zijn eigen leven om het in Hem te vinden. Daar trilt alles van leven. U ziet, geen verstande­lijk aannemen, geen aanvaarden als van een postpakketje, maar heel diep bevindelijk aannemen met levend geloof. Met verlies van jezelf. Wie Christus omhelst kan de wereld niet meer liefhebben en de zonde niet meer dienen. Dan is er zondenood en het gevoel van Gods toorn. M'Cheyne zingt dan: Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt, toen vluchtte ik tot Jezus.

Dat is Jezus aannemen.

 

Er zijn mensen, die houden niet zo van het woordje aannemen. Het klinkt hun verdacht. Ze schrappen het liever. Een predikant die dat woord gebruikt wordt al gauw ingedeeld in de linkerflank van de kerk en geplaatst in hokje van 'algemene verzoening' of remonstrantisme. Zelf zitten ze meer in de lijdelijke hoek. Als dominee zegt dat je 'Jezus moet aannemen', zeggen ze: ‘Zie je wel, hier wordt geleerd dat een mens zelf nog iets kan.’

De Dordtse Leerregels schuwen dit woord niet. Want aannemen is een Bijbels woord. Hoezeer het ook waar is dat mensen vanuit zichzelf niet bereid zijn om Jezus aan te nemen. In Gods Woord staan: Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangeno­men (Joh. 1: 11). En toch gebeurt het, door genade. Want op die tekst volgt: Maar zovelen Hem aangenomen hebben die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven (Joh. 1: 12). Daar heb je het weer: het levende geloof dat Christus omhelst.

 

Het is alles genade. Dat blijkt ook uit grondbetekenis van woordje aannemen. Het betekent ook ontvangen. Wat God geeft, mogen we ontvangen. De nadruk valt niet op de mens en zijn activiteit, maar op God en Zijn genade. Hoe meer een christen geoefend wordt in het geloof, des te meer zal hij spreken over het wonder van Gods eenzijdige genade en des te minder over zijn eigen geloven en aannemen. Het blijft een groot wonder.

 

Dat laatste dreigde in de tijd van het opstellen van de Dordtse Leerregels weer helemaal vergeten te worden. De gelovige mens, die moest willen en kiezen en beslissen, kreeg een sterk accent. De leer van de vrome mens, die via het afscheid van de roomse leer de voordeur was uitgewerkt, dreigde via de remonstranten de achterdeur weer binnen te komen. Het is een les voor ons om de mens niet in het middelpunt te plaatsen en het Evangelie niet in te ruilen voor de nieuwe wet van het moeten. Nee, de nood drijft ons en alles is onver­dien­de genadegave van God.

 

Wat gebeurt er nu als we het Evangelie aannemen en Christus door het levend geloof omhelzen? De Dordtse Leerregels zeggen dan: die worden door Hem van den toorn Gods en van het verderf verlost en met het eeuwige leven begiftigd. Wie hangt aan de hals van Jezus is begenadigd in de Geliefde en wordt niet veroor­deeld. Enkel door het omhelzen van Christus worden wij ver­lost van de toorn van God en van het verderf. Je kan het ook negatief ­zeggen namelijk: de toorn Gods rust niet meer op ons. Aan het verderf zijn wij ontrukt. Dat is wat! Positief bete­kent dit dat Christus ons begiftigt met het eeuwige leven. Wat een rijkdom!

 

Gemeente, wat een onderscheid. De één blijft hier onder de toorn Gods en de ander ontvangt het eeuwige leven. Dat in één en dezelfde kerk, dat onder één en dezelfde prediking. Aangrijpend! Twee mensen die naast elkaar zitten en dezelfde psalmen gezongen hebben, dezelfde preken gehoord hebben; de één gaat voor eeuwig onder in de toorn van God en de ander gaat in in het eeuwige leven. De Heere Jezus heeft daar heel aangrijpende beelden voor gebruikt:

Twee op een akker, de één aangenomen en de ander verlaten;

Twee in een mo­len aan het werk, de één aangenomen en de ander verlaten;

Twee op één bed, de één aangenomen en de ander verlaten (Luk. 17: 34). Kan het intiemer? Zo dicht bij elkaar en dan voor eeuwig gescheiden.

Maar hoe komt dat? Hoe moet dat verklaard worden? Dat zien we in onze derde gedachte,

 

Maar eerst zingen we Psalm 35:9,13

 

Ik zal, in tegenwoordigheid

Van ’t grote volk, Uw Majesteit

D’ erkent’nis van mijn hart bewijzen;

’k Zal U voor aller ogen prijzen.

Dat zij dan, die mij zonder reên

Vervolgen, om mijn tegenheên

Niet juichen, noch, in hunnen waan,

Op mij hun schimpend’ ogen slaan.

 

Laat vromen, juichend t’ allen tijd,

Om mijn gerechtigheid verblijd,

Dien lust, dien ijver nooit bedwingen;

Maar zeggen, onder ’t vrolijk zingen:

“Verheerlijkt zij de hoogste God;

Hij schenkt Zijn knecht een vreedzaam lot.”

Dan meldt mijn tong, met diep ontzag,

Uw recht, Uw lof den gansen dag.

 

3. De achtergrond van die reacties

 

De Dordtse Leerregels spreken over twee reacties op het horen van het Evangelie: geloof en ongeloof. Wat zit daar nu achter? Hoe komt dat? De remonstrant verklaart het puur menselijk. Kijk, de een heeft zijn hart voor het Evangelie opengesteld, maar de ander is ongehoorzaam gebleven. Geloven moet een mens zelf doen. Dat laatste stapje moet je zelf zetten.

 

De hyper-calvinist of ultra-gereformeerde zegt: ‘Ach, het ligt alle­maal in Gods hand. De één geeft Hij het geloof wel en de ander niet. Je moet maar afwachten want je loopt altijd nog de kans dat God je hart opent. Maar verder kun je er niets aan doen. Als we niet geloven, dan ligt dat uiteindelijk aan God. Hij heeft ons immers het geloof onthouden’. Dat lijkt heel consequent geredeneerd, lijkt ijzersterk, maar het is in feite alleen maar keihard. Want eigenlijk zeggen we daar­mee: O God, U bent een harde Meester, want U eist van ons, wat wij niet kunnen en wat U niet wilt geven.

 

Dat verweten in feite de Remonstranten aan de Gereformeerden, namelijk dat ze God maakten tot de auteur of bewerker van het ongeloof en dus van de zonde. Die beschuldiging wordt in de Dordtse Leerregels met veront­waardi­ging van de hand gewezen.

Dat lezen we in de eerste zin van Dordtse Leerregels par.5:

De oorzaak of schuld van dat ongeloof, gelijk ook van alle andere zonden, is geenszins in God, maar in den mens.

Het ongeloof is eigen schuld en het geloof is gave van God. Allebei voor honderd procent. God hand­haaft onze verantwoordelijkheid. Bij de remonstranten was het geloof een werk van de mens en zelfs een voorwaarde om door God, via zijn voorkennis daarvan, van eeuwigheid verkoren te zijn. Daartegen­over zeggen de Dordtse Leerregels: Nee, het geloof is gave van God. Niemand heeft daar recht op. Het vindt Zijn oorsprong in God. Wij hebben van onszelf geen vermogen meer om het aangeboden ‘heil in Christus’ met beide handen aan te grijpen. Het is een wonder, Gods gave, als dat gebeurt.

 

Maar het ongeloof is eigen schuld. De oorzaak of schuld ligt niet bij God. Nee, Hij is getrouw, liefdevol en geduldig. Hij zorgt en roept, nodigt en lokt. Luister: De oorzaak of schuld van dat ongeloof, gelijk ook van alle andere zonden, is geenszins in God, maar in den mens. Onze vaderen zeggen niet botweg dat het een kwestie van verkiezing en van verwerping is. Die mensen die dat wel zeggen, zouden het eigenlijk wel willen; omdat zij door God verworpen worden, zijn zij tragische slachtoffers. Nee, de oorzaak of schuld van dat ongeloof, ligt geenszins in God, maar in de mens.

 

Oorzaak of schuld. Ziet u dat staan? Aan de Dordtse Leerregels wordt causaliteits-denken verweten, redeneren in oorzaak en gevolg of wel logisch denken. We zien hier dat dit niet waar is. Oorzaak en schuld zijn verwissel­baar, het zijn synonie­men. Wie in Christus gelooft heeft geen roem, en wie niet in Hem gelooft heeft geen verontschuldi­ging. Onlogischer kan het niet. Maar de Bijbel zegt het. Hier wordt niet geredeneerd, maar beleden, de Bijbel nagesproken. Zegt Jezus niet: Gij wilt tot Mij niet komen opdat gij het leven moogt hebben (Joh. 5: 40). Ongeloof is eigen schuld. Paulus schrijft: Uit genade zijt gij zalig geworden, door geloof, niet uit u, het is Gods gave (Ef. 2: 8).

 

Gemeente, de grootste zonde is die van het ongeloof. Zijn wij daar in ons eigen leven wel eens ach­ter gekomen? De hoogmoed van het onge­loof? De hardnekkigheid van het ongeloof? Het beledigende van het ongeloof? Velen belijden zondig te zijn, maar deze oerzonde wordt buiten schot gelaten. Er wordt niet beleden: O Heere, vergeef mij mijn ongeloof dat U tot een leugenaar maakt. Breek de kracht ervan. Men wil wel zeggen dat men niet geloven kan, maar ze belijden niet dat ze niet gelo­ven willen. Van hen zal Christus zeggen op de jong­ste dag: Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood (Luk. 19: 27).

 

U legt toch niet heimelijk de oorzaak van uw ongeloof in God? Ik wil wel, maar God wil het niet. Wat een verblinding! Wat een beschuldiging aan het adres van de Heere! Gemeente, die vij­andige onwil kan soms on­der de prediking openbaar komen als je je ergert aan dat woord, aan de oproep tot beke­ring of aan de aanbieding van het heil, omdat juist het aanbod van genade onze on­wil zo duidelijk aan de kaak stelt. Van nature is de mens vijandig tegenover de genade. En zo ligt de oorzaak of schuld van het ongeloof in de mens.

 

Maar, zo zeggen Dordtse Leerregels:

Het geloof in Jezus Christus, en de zaligheid door Hem, is een ge­na­dige gave Gods; gelijk geschreven is: Uit genade zijt gij zalig ge­wor­den door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave.

Het gaan geloven, het amen gaan zeggen op het Woord, het gaan zien van de zaligheid in Christus en het ontvangen van de zaligheid door Christus is een ge­na­dige gave Gods. Het ware geloof is niet van menselijke makelij. God ontsteekt door de Heilige Geest in onze harten een waar geloof, dat Christus met al Zijn ver­diensten omhelst, Hem eigen maakt en niets anders meer buiten Hem zoekt. (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 22)

 

Wat bent u? Gelovig of ongelovig? Dat is even scherp. Ligt u onder Gods toorn, of u bent gered?

Of u hebt Jezus aangenomen in de nood van uw leven en u omhelst Hem in diepe liefde en vindt verzoe­ning met God, of u verwerpt Hem en acht Zijn vergoten bloed onrein. Voelt u om welke zaken het hier gaat, op het scherp van de snede: eeuwig zalig of eeuwig verloren.

 

Maar zegt iemand: ‘Ik weet niet of ik uitverkoren ben.’

Be­gin er maar mee het als een wonder te zien dat God u waarachtig en wel­menend nodigt en roept tot de zaligheid.

Deze paragrafen zeggen niet dat wij pas mogen geloven als wij weten uitverkoren te zijn. Dat is de omge­keerde wereld. Nee, de Heere nodigt u waar­achtig en welme­nend tot Zijn heil. Zo werkt God juist Zijn verkiezing uit, dwars door onze verantwoor­delijkheid heen. Ga daar maar mee op de knieën om de zonde van ongeloof en twijfel, om uw onwil en onmacht voor Hem neer te leggen in de wetenschap dat de Heere dat onge­loof verbreken kan en verbre­ken wil.

Het geloof is Gods gave, en wij verkondigen u een God Die wil schen­ken alles wat Hij van u vraagt.

Hij heeft immers gezegd:

Opent uwen mond,

eist van Mij vrijmoedig,

op Mijn trouwver­bond (om Christus die de Middelaar van dat verbond is),

al wat u ontbreekt,

schenk Ik zo gij 't smeekt,

mild en overvloedig.

Amen.

Slotzang: Psalm 81: 12

 

Opent uwen mond,

eist van Mij vrijmoedig,

op Mijn trouwver­bond

al wat u ontbreekt,

schenk Ik zo gij 't smeekt,

mild en overvloedig.