Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 35

De rechte verering van God

is onmogelijk door middel van de beeldendienst
wordt alleen maar beoefend in gemeenschap met Christus
wordt onderwezen door de levende verkondiging van Zijn Woord
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 96: 1
Lezen : Deuternonomium 4: 15 - 31
Zingen : Psalm 115: 2, 3 en 5
Zingen : Psalm 97: 4 en 6
Zingen : Tien Geboden: 3

Aan de beurt is Zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 96: Wat eist God in het tweede gebod?

Antwoord: Dat wij God in generlei wijze afbeelden, en op geen andere wijze vereren, dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft.

Vraag 97: Mag men dan ganselijk geen beelden maken?

Antwoord: God kan noch mag in generlei wijze afgebeeld worden. Maar de schepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld worden, zo verbiedt toch God hun beeltenis te maken en te hebben om die te vereren, of God daardoor te dienen.

Vraag 98: Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der leken niet mogen dulden?

Antwoord: Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, Dewelke Zijn Christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben.

 

Gemeente, in deze Zondag gaat het over:

De rechte verering van God

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. De rechte verering van God is onmogelijk door middel van de beeldendienst

2. De rechte verering van God wordt alleen maar beoefend in gemeenschap met

    Christus

3. De rechte verering van God wordt onderwezen door de levende verkondiging

     van Zijn Woord

 

1. De rechte verering van God is onmogelijk door middel van de beeldendienst

 

Jongens en meisjes, jullie hebben vast wel eens in een krant of tijdschrift één of andere spotprent gezien, een cartoon. Bijvoorbeeld een veel te groot hoofd met een heel klein dun nekje daaronder. Een enorme mond en veel te kleine handjes, korte beentjes en lange voeten. Als je dat ziet moet je lachen. Het is niet echt; het is een karikatuur.

Waarom moet je dan lachen? Omdat de harmonie van de verschillende lichaamsdelen helemaal zoek is. Het is geen gezicht! Hieraan moest ik denken bij de behandeling van Zondag 35, die gaat over het afbeelden van God.

 

Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken van hetgeen dat boven in de hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is.

Dat is het antieke wereldbeeld dat de hemel boven is en de aarde als een platte plak drijvend op het water en wat onder de aarde is.

Wij weten door de natuurwetenschap dat het zo niet is, maar het is een voorstelling in de antieke wereld. Dat doet van de waarheid van de schepping Gods niets af. Het tweede gebod zegt dat u van al die dingen geen beeld mag maken om God daardoor te dienen en Hem daardoor te vereren.

U moet niet denken dat dit hier alleen maar staat tegen de heidenen, die voor gesneden beelden buigen, maar het komt vandaag ook rechtstreeks op ons af.

Het gaat erom dat wij God op geen enkele manier afbeelden, uitbeelden. Wij kunnen God niet afbeelden. Waarom niet? Dat kan Hij alleen.

In de Bijbel heeft Hij een beeld van Zichzelf gegeven, ontworpen, getekend en onderwezen. Trek voor trek heeft Hij Zich daarin uitgebeeld, geopenbaard als de verheven God, Die neerbuigend goed is voor verloren zondaren. Zijn liefde laat Hij uitgaan. Hij is rechtvaardig en barmhartig.

 

De openbaring van God in de Bijbel loopt uit op de Heere Jezus Christus, Die in de Bijbel wordt genoemd: het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid.

Wat is ‘het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid’? U zou kunnen zeggen ‘de uitdrukking van Zijn wezen’. In Christus kunt u zien Wie God is. Hij vertoont zo duidelijk de trekken van Zijn Vader, dat Hij zeggen kan: ‘Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.’

Maar nu kom ik terug op die spotprent. Als wij naar eigen fantasie een beeld van God maken ─ dan gaat het niet om een gesneden beeld van hout of een gegoten beeld van ijzer, maar om verkeerde Godsbeelden ─ dan wordt het altijd een spotprent, een karikatuur. Dan zijn de verhoudingen zoek. Dat is een belediging voor God.

 

In zo’n karikatuur zijn de verhoudingen zoek. Gods barmhartigheid is bijvoorbeeld veel te groot getekend en Zijn gerechtigheid ontbreekt of het is heel klein getekend. Gods liefde wordt overbelicht of Gods toorn wordt overbelicht.

We hebben zo vaak een eigengemaakt Godsbeeld. Dat komt omdat wij de rechte kennis van God zijn kwijtgeraakt door de zondeval. Toen zijn we het beeld van God kwijtgeraakt. De geloofsbelijdenis zegt het zo: We hebben er een paar zwakke afschaduwingen van overgehouden.

Zonder een beeld van God kan een mens Hem niet vereren. Zonder een beeld van God, zonder een recht Godsbeeld, is ons leven ten diepste zinloos en heeft het geen doel. De zin van ons leven is immers het kennen, liefhebben en het vereren van God?

Door de zondeval zijn al de trekken en lijnen die God van Zichzelf in de mens heeft gelegd, uitgewist. Daar ligt ten diepste de oorzaak van alle beeldendienst. We zijn het beeld van God kwijtgeraakt.

Maar we hebben wel een religieus gevoel overgehouden en dat vraagt om bevrediging. Dat verloren Godsbeeld zoeken we. Ieder mens heeft een gevoel van leegte en gemis en heimwee naar God en naar het verloren paradijs, naar het kwijtgeraakte beeld van God.

We hebben nog wel een vaag vermoeden hoe God gekend en gediend moet worden, maar we weten niet meer hoe. We noemen dat de ingeschapen Godskennis.

Om die leegte op te vullen maakt ieder mens een eigen voorstelling van God. Zo zijn de zaken omgekeerd. God heeft ons geschapen naar Zijn beeld en na de zondeval schept de mens zich een God naar zijn beeld.

 

Daarom maken de heidenen, die het Woord van God niet hebben, beelden van God. Zij buigen zich voor wat in de hemelen is, de zon en de maan en de sterren. Maar zij buigen ook voor datgene wat op de aarde is, de planten en de dieren en de mensen en voor wat in de wateren onder de aarde is, de vissen bijvoorbeeld.

De apostel zegt dat ook tegen de gemeente die vroeger tot het heidendom heeft behoord: ‘Vroeger waart gij tot de stomme afgoden heengetrokken.’

God is een Geest en Hij wil op een geestelijke manier gediend worden. Wij zijn vlees en wij willen God op een vleselijke manier dienen. Tegen die zonde waarschuwt het tweede gebod.

 

Dat proberen niet alleen de heidenen. Ook Israël heeft zich daar nogal eens aan schuldig gemaakt. Telkens kunnen ze de verleiding niet weerstaan om afgodsbeelden te maken en zich daarvoor te buigen. Het gebeurt al zo kort nadat de Heere Zijn volk uit Egypte heeft uitgeleid, als ze in de woestijn gekomen zijn aan de voet van de Sinaï. De zonde met het gouden kalf, de Egyptische stier die de oerkracht voorstelt; een afgod die ze in Egypte hebben leren kennen. Mozes bleef lang weg op de berg en daarom hebben ze maar liever een symbool van de tegenwoordigheid van God in hun midden. Ze willen een  zichtbare voorstelling van de Heere God. Aäron zegt, als het kalf klaar is: ‘Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypte opgevoerd hebben.’ Daar zal zeker wel een stuk spot in meegeklonken hebben. Denkt u zich eens in: de heilige God, de hoge en verheven God onder het beeld van een kalf! Maar ondertussen had Aäron die stier wel gemaakt. De bedoeling was niet dat God een stier was, maar die stier symboliseert de kracht van God. Daar ging het om. Maar het was bespottelijk en krenkend voor de Heere.

 

Telkens zijn er in de geschiedenis van Israël weer momenten geweest waarop de beelden werden gediend. Denk aan de tijd van Micha en zijn afgodsbeeld. Later heeft Jerobeam de kalverendienst ingesteld in Dan en in Bethel, vooral om politieke redenen.

Die kalverendienst is later uitgelopen op de Baäldienst. Denk aan koning Achab. Zijn vrouw Izébel heeft die vruchtbaarheidsgoden meegenomen vanuit haar geboorteplaats. Baäl werd ook gediend door middel van allerlei beeldjes. Zo’n beeld brengt als het ware de godheid wat dichterbij.

Zeker, ze wisten ook wel dat dat stukje hout dat ze in hun handen hadden, hun god niet was. Hun goden waren in de hemel, maar die beelden overbrugden een stukje van de afstand. Zij transformeerden hun goden tot krachten waarmee je kunt leven.

Niet alleen de heidenen, niet alleen Israël heeft geprobeerd de Heere God te vereren door middel van beelden, maar ook de roomse kerk. Daar slaan natuurlijk vraag 97 en 98 op.

 

Mag men dan helemaal geen beelden maken?

Dan antwoordt de onderwijzer met een antwoord waarin hij het onderwerp afgrenst naar twee kanten. Enerzijds naar de kant van God, de Schepper, en anderzijds naar de kant van de schepselen, de mens. God kan en mag niet afgebeeld worden; dat is duidelijk. Daar is God veel te groot voor.

Als Paulus in Athene loopt en hij ziet al de afgodsbeelden uit de Griekse mythologie en godsdienst, dan zegt hij: ‘Mensen, God is niet te vangen in hout of in steen. God is veel te groot om Hem daarin uit te beelden.’ God kan alleen van Zichzelf een beeld maken en dan vervalt tegelijkertijd de mogelijkheid dat de mens een beeld van Hem zou kunnen maken.

 

Maar van de schepselen dan?, zegt de Catechismus.

Mag u dan geen foto hebben van elkaar?

Natuurlijk mag dat! Beeldende kunst is in de Bijbel toegestaan, zelfs aanbevolen. Als de kunst maar geheiligd wordt in de dienst van God, tot eer van Gods Naam. Denk aan Bezáleël en Ahóliab, die door de Heilige Geest gezalfd zijn om bekwaam te worden in de kunst van het graveren in goud en in zilver.

Denk ook aan de voorstellingen op de ark, aan die twee engelenfiguren, de cherubim, die de Heere op het deksel van de ark laat plaatsen. God heiligt de kunst in Zijn dienst.

Denk aan allerlei andere voorwerpen in de tempel, bijvoorbeeld die beelden van runderen onder de koperen zee.

Denk aan de leeuwen op de troon van Salomo.

De Heere Jezus heeft de beeltenis van de keizer op de munt ook niet afgekeurd.

 

Maar, zegt de Catechismus, er is wel een grens. Al mag u dan van schepselen een beeld maken, u mag zich daarvoor niet buigen. U mag dat niet vereren, niet dienen. Dat is de grens. U mag wel afbeeldingen hebben van planten en dieren en mensen, herinneringen, wandversieringen. Voor mijn part beelden van Luther en Calvijn; ik heb ze ook op mijn kamer hangen. Ik werd er eens op gewezen: ‘Maar jij doet er ook aan mee!’ ‘Nee, ik vereer ze niet. Ze zijn voor mij een herinnering aan de rijkdom van de Reformatie.’

Als het maar geen religie wordt. Dat is de grens bij het afbeelden van schepselen.

 

Mensen mogen we niet vereren. In de wereld gebeurt dat door middel van posters van filmsterren. Dat mag niet. Hooguit mag u een beeltenis hebben als een herinnering.

 

Het is onmogelijk, zegt de Catechismus, dat we een beeld kunnen maken van God.

U weet dat de roomse kerk daarin te ver gaat. Ze maken die beelden niet alleen, maar ze buigen zich er ook voor. Ze vereren die beelden. De kansel wordt verwisseld met het altaar en alle nissen in de kerk zijn gevuld met heiligenbeelden.

Het is natuurlijk niet zo dat de mensen denken dat dat stenen of houten beeld hen hoort. Het gaat om de bemiddelende rol van de afbeelding van de godheid of van de heiligen. Ze vereren die beelden alleen maar zo, dat ze zich beter kunnen concentreren.

 

Wij protestanten kunnen denken dat we vrijuit gaan. Maar ons aller hart zit boordevol met zonden tegen het tweede gebod. Daarom moet er ontdekkend op gewezen worden. Na de zondeval is het onze godsdienst geworden om de Heere te dienen op een manier die ons past, waarbij we onszelf sparen en handhaven en niets behoeven te verliezen.

Ik herhaal antwoord 96 nog een keer:

Dat wij God in generlei wijze afbeelden, en op geen andere wijze vereren, dan Hij ons in Zijn Woord heeft bevolen.

Het gaat in dit antwoord niet over Rome of over heidenen, maar het antwoord komt rechtstreeks op u en op mij af. Geen andere voorstelling maken van God en op geen andere wijze vereren dan dat de Bijbel ons leert.

Wie denkt er nu nog dat hij of zij vrijuit gaat, als het over dit gebod gaat? Wat een verkeerde Godsbeelden zijn er in omloop! Hoe komen wij daaraan?

Wij hebben de Bijbelse openbaring en daarin tekent God uit Wie Hij is. De Bijbel geeft ons het meest zuivere Godsbeeld dat u maar bedenken kunt. Hoe komt het dat wij soms met totaal verkeerde Godsbeelden rondlopen? Gemeente, dat gebeurt als we God niet kennen. Dan maken we er maar wat van.

 

De opvoeding kan daarin een rol meespelen. Ouders, hoe ontzaglijk belangrijk is het welk Godsbeeld u meegeeft aan uw kinderen. Die God, Die uw kinderen leren kennen vanuit uw opvoeding, daar bent u verantwoordelijk voor. Voelt u hoe nodig het is dat u de Schriften kent, dat u God kent? Hoe kunt u een Godsbeeld inslijpen bij uw kinderen als u God niet kent, als u niet een rechte wijze van verering van de Heere God hebt, zodat het beeld in uw leven verminkt is?

 

Er zijn mensen in de christelijke kerken die een God zonder mond dienen. Of Hij heeft wel een mond, maar Hij spreekt niet. U hebt de Bijbel gelezen, maar het heeft nog nooit wat met u gedaan. Schoenen versleten in de kerk, maar u hebt nog nooit de stem van God gehoord. Een God zonder mond.

Of een God zonder ogen, Die toch niets ziet, zodat u rustig met uw zonden kunt voortgaan.

Of een God zonder oren. Bidden heeft toch geen zin. U hebt al zo vaak geroepen en de Heere hoort maar niet.

Of een God zonder handen, Die onmachtig is om te helpen.

Wat een verkeerde Godsbeelden vormen zich in ons leven!

 

Er zijn plaatsen waar God alleen maar voorgesteld wordt als liefde. God is liefde. Er is geen hel. Maar andersom komt ook voor: God is toornig, altijd boos en heilig.

Hij ís ook heilig. Maar het gaat om de rechte verhoudingen: Zijn liefde en Zijn toorn, Zijn barmhartigheid en Zijn rechtvaardigheid. Al die deugden zijn één in God en wij mogen daar geen spotprent van maken.

Bij hoeveel mensen is God niet liefdeloos en harteloos? Hij bemoeit Zich toch niet met onze ellende. Hij kan het onbewogen aanzien, hoe we ook ploeteren. Een God zonder hart, een God met een hart van graniet, een tiran die erop uit is om altijd maar weer ons de voet dwars te zetten.

Zo is God niet, Hij is op zoek naar verloren mensen. Om de deugd van Zijn recht niet te krenken, heeft Hij Zijn eigen Zoon gegeven. Wat een liefde dat God Zelf het offer bracht! In geen enkele godsdienst in deze wereld komt u dat tegen. De Bijbel leert ons dat God voor een oplossing heeft gezorgd, dat God mensen zoekt, dat God verzoening heeft aangebracht.

 

Luther had vanuit zijn opvoeding een heel scheefgetrokken Godsbeeld. Als hij de woorden ‘gerechtigheid’ en ‘rechtvaardigheid’ in de Bijbel las, dacht hij alleen maar aan straf. Hij kwam niet op, wat hij later ontdekte door het werk van de Heilige Geest, dat de Romeinenbrief in hoofdstuk 1 vers 17 spreekt over de gerechtigheid Gods die in het Evangelie is geopenbaard. Hij kon het Evangelie en de gerechtigheid van God maar niet met elkaar in overeenstemming brengen. Totdat zijn verstand werd verlicht door de openbaring van de Heilige Geest en Luther te horen en te zien kreeg dat het gaat om de reddende gerechtigheid van God. God geeft wat ik nooit kan opbrengen. Zo genadig is de Heere!

 

En gemeente, daarom de vraag: ‘Welk beeld hebt u van God?’

Is dat bijbels? We zijn zo geneigd om onze eigen denkbeelden over God te hebben. Dat is ten diepste zonde tegen het tweede gebod. Voelt u hoe nodig het is dat wij diepgaand ontdekt worden aan onze eigenwillige godsdienst? Daar moet de Heilige Geest aan te pas komen, Die door het Woord een hele beeldenstorm houdt in ons leven.

 

In gedachten hoor ik een jongen of meisje vragen: ‘Mag je wel een kruisje aan een kettinkje om je hals hangen, of een ankertje der hoop? Mag je wel een vis achter op je auto hebben?’ Symbolen, zal ik maar zeggen. Nou, als u ervoor buigt, dan niet. Maar als het u herinnert aan het offer van Christus, net als de symbolen van Doop en Avondmaal, de tekenen van brood, water en wijn, die herinneren aan het offer van de Heere Jezus, is daar niets op tegen. Alleen moet je wel bedenken: al heb je honderd kruisjes om je hals hangen en je auto volgeplakt met vissen, maar je kent de Heere Jezus niet en je mist Zijn liefde, wat heb je dan nog?

Het gaat erom dat wij het rechte beeld van God vinden in de Bijbel. In Christus heeft Hij dat geopenbaard.

Daar gaan we in onze tweede gedachte op letten:

 

2. De rechte verering van God wordt alleen maar beoefend in gemeenschap met

    Christus

 

De rechte verering van God is onmogelijk met de beeldendienst.

De Catechismus zegt dat alleen in het Woord het rechte beeld van God oprijst, in de gestalte van de Heere Jezus Christus. Daarom kunnen we de Heere alleen maar recht vereren in geloofsgemeenschap met Christus, Die het Beeld van God is.

We zijn allen het beeld van God kwijtgeraakt en dat beeld eist de Heere van ons terug. We zijn de kennis, gerechtigheid en heiligheid verloren en dat kunnen we nooit meer herstellen. Dat is een werk van God, van Zijn genade. Dat doet Hij door Zijn Woord en door Zijn Heilige Geest.

Daarom zit u nu de kerk. U zit in de kerk opdat het beeld van God in u hersteld wordt. De Heere tekent dat beeld immers in Zijn Woord.

 

O, wat een neerbuigende goedheid van God!

Zo is Hij, gemeente. Hij laat ons niet los. Hij laat ons niet verloren gaan. Wij hebben Hem verlaten, maar er is zoveel liefde in het hart van God tot verloren zondaren, dat Hij erop terugkomt, dat Hij ons zoekt, dat Hij ons Zijn Woord geeft, dat Hij ons Zijn Woord laat prediken, dat Hij ons aanspreekt en dat Hij ons trekt om te komen aan Zijn voeten, opdat we Hem zullen kennen.

Van Adam af is God bezig in de heilsgeschiedenis om Zijn beeld te tonen. Al Zijn deugden komen in de Bijbel op ons af. Zijn goedheid, Zijn barmhartigheid, Zijn toorn, Zijn genade en Zijn rechtvaardigheid.

Tenslotte heeft God gezegd: ‘Ik zal het aller-duidelijkste Beeld geven, zodat er op geen enkele wijze ooit nog een misverstand zou kunnen zijn.’ Dat was Zijn eigen Zoon. Hij lijkt volmaakt op God. De Heere Jezus is de ‘Uitdrukking van Gods wezen’, afgedaald in ons vlees op het kerstfeest. Hij is de mensen in alles gelijk geworden. Omdat wij niet meer op God leken, ging Hij op ons lijken. Hij is het Beeld van God en alleen in Hem kunnen wij dat beeld weer terugkrijgen, door Zijn genade.

Zo kan de Heere Jezus zeggen: ‘Die Mij gezien heeft, die heeft ook de Vader gezien.’ Hij stierf aan het kruis. Hij gaf Zijn leven.

 

God is zo rechtvaardig dat Hij Zijn eigen Zoon ervoor over had, liever dan dat de deugd van Zijn recht gekrenkt zou worden. Wat een rechtvaardigheid als Christus daar aan het vloekhout van het kruis hangt en in elkaar krimpt vanwege de toorn van God, die door Zijn leven en Zijn ziel heengaat! Tegelijkertijd is dat de rijkste openbaring van Gods liefde. Want dat had God ervoor over. Zo lief had Hij de wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.

O, zie op Christus! Dan ziet u Wie de Heere God is in Zijn goedheid, in Zijn genade, in Zijn lankmoedigheid. Zie het leven van de Heere Jezus op aarde, dan ziet u Wie God is, hoe genadig Hij is!

Heeft Hij ooit een zondaar afgewezen die tot Hem kwam? Heeft Hij ooit een ongeneeslijk zieke teruggestuurd die in de nood van zijn leven de toevlucht tot Hem neemt? Nooddruftigen heeft Hij altijd geholpen.

Hij heeft zondaren getoond wie de Vader is, want Hij heeft de werken van de Vader gedaan. Een oneindige liefde om verloren zondaren te redden heeft Hij laten zien!

 

In Jezus en in Zijn werken kunnen we zien Wie God is. Dat was Zijn opdracht. Gods toorn en heiligheid heeft Hij laten zien. Hij brak alle eigenwillige godsdienst van de farizeeën af. Hij reinigt de tempel en Hij drijft alle kopers en verkopers uit.

Hij breekt ook de verkeerde denkbeelden bij de discipelen af. Zij hadden nog zo vaak een verkeerd beeld van wie Jezus was. Bijvoorbeeld als ze in de storm op zee uitroepen: ‘Meester, bekommert het U dan niet dat wij vergaan?’ Dacht u werkelijk dat Jezus zo was, dat Hij Zich er niet om bekommerde als Zijn discipelen zouden vergaan? Hij zegt: ‘Vrees toch niet!’ Hij bestrafte hun kleine geloof.

 

Tenslotte is Hij zelfs vanwege de verkeerde denkbeelden van het joodse volk aan het kruis geslagen en gedood. De Joden dachten meer aan een aardse, politieke koning, die de troon van vader David zou innemen, in plaats van een priester die de schuld van het volk moest verzoenen. Omdat zij die verkeerde Godsbeelden hadden, is Hij aan het kruis geslagen en gedood.

O gemeente, wat zou ons genadeleven veel rijker zijn als we ons meer lieten leiden door het tweede gebod! Want waar komt alle twijfel, het klein geloof, het wantrouwen, de dorheid, lusteloosheid en onvruchtbaarheid anders vandaan dan uit een verkeerd Godsbeeld? Dat komt omdat we onze Bijbel niet kennen, omdat we niet weten wat de Bijbel zegt over God, hoe vergevingsgezind Hij is, hoe liefdevol Hij is, hoe Hij Zijn Zoon overgaf.

Als wij nog altijd verkeerde beelden van God erop nahouden, kunnen we dan ooit de Heere God op de rechte wijze vereren? Dat kan alleen en uitsluitend door het geloof en de gemeenschap met Christus, Die het Beeld van God is. Het gaat om het geloof in de enige Zaligmaker.

 

Gelooft u in Hem? Jongelui, ouderen, als u gelooft in de Heere Jezus, dan wordt u zalig. Dan vereert u God op de rechte wijze. Al hebben we heel de Bijbel gelezen, als ons verstand niet verlicht is door de Heilige Geest, dan zien we de zaken scheef. Het volle licht van de Heilige Geest is nodig, zodat Hij ons naar Zijn evenbeeld vernieuwt. Dan zien we in Hem Wie God is. Anders kunnen we God niet recht dienen. Dan kunnen we ook niet op Hem lijken. Dat kan alleen maar in de weg van het gelovig zien op de Heere Jezus.

Dan herstelt de Heilige Geest het beeld van God in ons.

Dan gaan wij de geur van Christus verspreiden en dan gaan we Hem hartelijk liefhebben en dienen. We kunnen niet meer zonder Hem en we kunnen niet meer zonder onze Bijbel. Dan buigen ‘s morgens en ‘s avonds onze knieën om alleen te zijn met God.

 

Bent u wel eens alleen met God? Dan opent u de Schriften en zegt u:

‘Heere, onderwijs me toch door Uw Woord en Geest. Heere, mag ik Uw stem weer eens horen, want dat is mij zo zoet. Zeg Gij tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.’

We zijn bereid tot Zijn dienst.

Mijn hart, o Hemelmajesteit,

Is tot Uw dienst en lof bereid.

Het is toch zo’n liefdedienst, die dienst van God! We willen op Hem gaan lijken. We willen net zo barmhartig zijn als Hij; net zo rein als Hij; net zo zachtmoedig als Hij; net zo vergevingsgezind als Hij en we haten de zonden net zoals Hij en ontvluchten ze.

Wat moet u dan vaak uw hoofd beschaamd buigen, als u ‘s avonds zegt:

‘Heere, het is niet gelukt. Ik zou zo graag Uw beeld helemaal gelijkvormig willen zijn, maar wat heb ik toch een strijd met de oude mens die maar niet dood wil en het vlees dat altijd maar verkeerd wil.’

 

Het zuivere beeld van God, dat in de Bijbel getekend is, dat biedt de Heere ons ook vandaag weer aan. De Heere Jezus staat voor u. Hij laat Zich in de Bijbel uitschilderen als de gewillige Zaligmaker, Die bereid is om te verlossen van alles wat u kwijt moet raken om God op de juiste wijze te vereren.

Gemeente, buiten Christus is God een verterend vuur en een laaiende gloed, bij welke niemand wonen kan. Maar het Woord van God is de uitgestoken vinger naar de Heere Jezus Christus en naar het bloed van de verzoening, dat reinigt van alle zonden. Hij is de Weg tot de Vader. Dat leert de Heilige Geest.

Dan gaat alles wat van ons is eraan. Ook de verkeerde Godsbeelden, al die karikaturen. Dan ontdekt God ons aan onszelf, opdat er in ons leven plaats komt voor de gezegende Zaligmaker, de Heere Jezus Christus, Die de toorn van God over de zonden heeft geblust.

Aan Hem hebben we genoeg. Hij is het leven. Hij is alles voor Zijn Kerk.

 

Voor we naar de derde gedachte gaan, zingen we uit Psalm 97 vers 4 en 6:

 

Dat ieder schaamrood zij,

Die, onbeschroomd en vrij,

Een beeld durft eer bewijzen,

En nietig’ afgoôn prijzen,

Den waren God ten hoon;

Knielt voor Hem, al gij goôn,

Zwicht voor den Opperheer;

Buigt u met ootmoed neer

Voor Zijn geduchten troon.

 

Beminnaars van den HEER’,

Verbreiders van Zijn eer,

Hoopt steeds op Zijn genade,

En haat altoos het kwade.

Hij, Die in tegenspoed

Zijn gunstgenoten hoedt,

Verleent hun onderstand,

En redt z’ uit ’s bozen hand,

Die op hun onschuld woedt.

 

3. De rechte verering van God wordt onderwezen door de levende verkondiging van

    Zijn Woord

 

Laten we vraag 98 nog een keer lezen.

Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der leken niet mogen dulden?

Neen, want we moeten niet wijzer zijn dan God, Dewelke Zijn christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben.

 

De beelden als boeken der leken.

Kunnen we een beeld van Paulus, van Maria, een mooi gebrandschilderd raam over het Laatste Avondmaal niet gebruiken? U moet weten dat in de Middeleeuwen de meeste mensen analfabeet waren. Alleen de geestelijken kenden de Schrift. Zelfs Luther zag dat zo en hij dacht: ‘Als analfabeten in de kerk rondlopen en ze zien een beeld van Maria met het Kindeke, dan denken ze aan het kerstfeest, aan Christus. En als ze een gebrandschilderd raam zien, dan kunnen ze toch…’ En zo heeft Luther de beelden, die Karlstadt had laten verwijderen tijdens Luthers afwezigheid in Wittenberg, weer terug laten brengen in de kerk. Hij zei dat dat mocht als boeken van de leken, als onderwijs aan onwetende mensen.

 

Ik kan dat best begrijpen. Op Papua, waar we gewerkt hebben, hadden wij platenboeken. Als we een Bijbelverhaal verteld hadden, hingen we een plaat de hele week op in de kerk of in het catechisatielokaal. Dat was als herinnering aan het verhaal, een geheugensteuntje. Dat mag natuurlijk wel.

 

We moeten echter niet wijzer zijn dan God, zegt de Catechismus, Hij wil ons niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging van Zijn Woord laten onderwijzen.

Dat is de kern van de zaak. Het geloof is niet het zien van beelden of plaatjes. Nee, eerst het verhaal en dan mag dat geheugensteuntje er zijn.

 

Het geloof is uit het gehoor van het Woord van God. Daarom zijn al die beelden en al die kruisen in de kerk niet nodig.

Paulus zegt:

‘U kunt het beter zo doen dat Jezus Christus door de prediking van het Evangelie u voor ogen geschilderd wordt als onder u gekruist zijnde.’

Daar hebt u het juiste schilderij, geschilderd voor ogen. Zo levendig en bewegelijk en sprankelend moet het Woord en de Woordverkondiging tot u komen zodat u het voor u ziet.

Kijk, dat is de levende verkondiging.

Calvijn zegt dat we Christus moeten uitschilderen, Hem tekenen in Zijn dierbaarheid, in Zijn gewilligheid, zodat Zijn bloed gaat druppen op de schuldige harten van de hoorders.

 

De levende verkondiging van het Woord moet zo levend zijn, dat u Christus naar u toe ziet komen en Hem hoort zeggen:

‘Zie, hier ben Ik. Wat kan Ik voor je doen?’

Zo levend dat telkens opnieuw dat ene grote, heerlijke beeld van de Heere Jezus Christus in de gestalte van het Woord voor ons oprijst. Zo krachtig dat het lijkt alsof Hij naast u staat en u aankijkt met ogen vol liefde:

‘Wat kan Ik voor je doen? Hebt u zonden?’

Zijn handen zijn doornageld en Hij heeft voor verzoening gezorgd, zodat Hij zo dierbaar voor u wordt en zoveel trekkracht voor u krijgt, dat u de armen tot Hem uitstrekt en roept:

‘Gij Zoon van David, ontferm U over mij! Als U de Vriend van tollenaren en zondaren bent, hier is er zo één. Heere, kijk maar in mijn hart. Bent U dan ook voor mij gekomen?’

 

Christus leeft!

Hij heeft niet alleen de verzoening aangebracht, maar Hij leeft in de hemel. Hij is nog net zo bewogen met mensen als toen Hij rondwandelde op aarde. Een levende Christus, Die u wordt onderwezen in het Woord. Dat onderwijs hebben we steeds nodig, want wij kennen maar ten dele. Wat blijven we afhankelijk van het onderwijs van de Heilige Geest uit de Schriften!

De prediking moet vooral onderwijzend zijn, anders wordt u niet gebouwd in het geloof, om vast te staan op dat enige fundament. Anders blijven we in de kinderschoenen staan of we worden heen en weer geslingerd.

 

Gemeente, we zijn dubbel verantwoordelijk. We hebben het beeld Gods, dat Hij ingeschapen heeft, verloren, maar God heeft Zijn beeld opnieuw gegeven. De heidenen weten dat niet, maar wij weten dat wel, want wij hebben de Bijbel. Daarin heeft God opnieuw een beeld van Zich gegeven.

In de verkondiging komt Hij tot ons, in Christus Jezus, Die Zijn liefdevolle armen tot ons uitstrekt in al Zijn gewilligheid om ons zalig te maken, om ons te leiden, om onze schuld te verzoenen.

Als u Hem verwerpt, dan staat u dubbel schuldig. Door uw val in Adam, maar ook door de verwerping van het beeld van God, dat Hij opnieuw gegeven heeft in de Heere Jezus Christus.

Daarom, wat ik u bidden mag:

‘Vlucht tot Hem en wees er niet gerust op voor u de Heere Jezus gevonden hebt als Borg en Zaligmaker.’

 

Nog één opmerking moet ik maken.

Dat is deze: ‘Hebt u nooit gehuiverd bij het horen van de bedreiging die God bij dat tweede gebod geeft?’

Dat gebod is uit liefde gegeven.

Ik ben de Heere, uw God, maar Ik ben wel een ijverig, een na-ijverig, een jaloers God op Mijn eer. Ik wil Mijn bruid met geen ander delen.

En toen sprak God een bedreiging uit:

Ik bezoek de misdaad van de vaderen aan de kinderen, tot aan het derde en vierde geslacht.

Dat betekent dat de zonde tegen het tweede gebod een misdaad is.

 

Dan komt de vraag of het eerlijk van God is, als de kinderen de dupe worden door de zonden van de ouders.

Ja, dat mogen ouders wel bedenken bij alles wat ze doen. Wij zondigen nooit alleen voor onszelf, maar in gemeenschap. U, hoofd van een gezin, vader of moeder en ook oudste broer of zuster mogen zich wel bedenken wat u doet als u tegen Gods weg ingaat, want het wordt snel nagevolgd. Daar gaat het om. U zondigt in gemeenschap.

Het betekent niet dat de Heere zomaar willekeurig kinderen straft om zonden die hun ouders gedaan hebben, maar het betekent dat kinderen die het zondige voorbeeld van hun ouders volgen en zo meegesleept worden in dezelfde zonde, ook gestraft worden.

 

Hier ziet u hoe belangrijk de voorbeeldfunctie is van de ouders. We moeten laten zien dat we God vrezen. Daar komt het op neer.

Er staat ook nog dit bij:

Maar Ik doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.

Dat is Gods liefdewerk.

 

Weet u wat Ursinus zegt in zijn Schatboek?

Gods barmhartigheid strekt zich verder uit dan Zijn toorn.

Daar moet u eens over nadenken. Dat is toch een rijke belofte! Er wordt hier van ‘duizenden’ gesproken ‘tot in het late nageslacht’.

Zij zullen U eerbiedig vrezen,
Zolang er zon of maan
Bij ’t nageslacht ten licht zal wezen,
En op- en ondergaan.

Een rijke belofte!

 

Die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.

Is dat uw liefdewerk? Ik vraag niet wat ervan terechtkomt, maar is het uw werk Hem lief te hebben en Zijn geboden te onderhouden?

O, dan ligt u onder de belofte van Gods barmhartigheid en bidt u het mee:

O Vader, dat Uw liefd’ ons blijk’;
O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk;
O Geest, zend Uwen troost ons neer;
Drie-enig God, U zij al d’ eer!

 

Amen.