Ds. D. Rietdijk - Lukas 2 : 15 - 17

Het kerstfeest van de herders

Lukas 2
Hun geloofsbesluit
Hun geloofsvinden
Hun geloofsspreken

Lukas 2 : 15 - 17

Lukas 2
15
En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.
16
En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe.
17
En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 1 en 3
Lezen : Lukas 2: 8 - 20
Zingen : Psalm 145: 1, 2 en 3
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 1
Zingen : Psalm 89: 8

Gemeente, wij bedienen u het Woord van God zoals u dat vinden kunt in het u voorgelezen Schriftgedeelte, Lukas 2, daarvan de verzen 15 tot en met 17. Wij lezen daar:

 

15. En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.

16. En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe.

17. En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was.

 

Wij gaan luisteren naar: het kerstfeest van de herders.

Daarbij letten we op drie dingen:

  1. hun geloofsbesluit;
  2. hun geloofsvinden;
  3. hun geloofsspreken.

 

U kunt deze punten in onze tekst terugvinden.

We lezen ten eerste in vers 15 over hun geloofsbesluit: En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.

Vers 16 spreekt vervolgens over hun geloofsvinden: En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe.

En we besluiten met hun geloofsspreken uit vers 17: En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was.

 

  1. Hun geloofsbesluit

Gemeente, de herders uit Efratha’s velden behoren tot de schare die niemand tellen kan. Nu is het merkwaardig dat wij vóór de kerstgeschiedenis niets over hen in de Bijbel lezen en dat we na Lukas 2 deze herders ook niet meer tegenkomen. Even maar, slechts een ogenblik, laat de Heilige Geest het licht op deze mensen vallen.

 

Het zijn mannen van wie wij de namen niet eens weten. Hoeveel het er geweest zijn, is ons ook niet bekend. Zijn het er drie, tien of twintig geweest? Ik kan het u niet vertellen. Het zijn naamloze mensen, maar zij zijn bekend bij God, bemind door de Vader van onze Heere Jezus Christus. Dat is het belangrijkste.

Herders waren bij de Joden helemaal niet geacht, want volgens de farizeeën mochten ze niet in de tempel komen en niet meedoen aan de eredienst. Herders behoorden tot een onaanzienlijke klasse. Ze waren veracht en werden opzijgeschoven. Maar wie hen ook verachtte, God wilde deze herders niet verachten.

Het gaat in het Koninkrijk van God niet om onze naam, niet om onze eer. Bij het kerstfeest gaat het om Zijn Naam en Zijn eer. Het gaat om het Kind Dat ons geboren en de Zoon Die ons gegeven is. Naamlozen en verachten zullen in dit geboren Kind en deze gegeven Zoon hun Zaligmaker mogen ontmoeten. Zij zullen in Hem hun behoudenis mogen vinden.

Het is dan ook helemaal niet belangrijk of mensen van ons weten en of wij in deze wereld bekendheid genieten. Het gaat er veel meer om of wij met deze herders dat Kind vinden dat in de stal van Bethlehem is geboren.

 

Deze herders hebben de boodschap van de geboorte van de Zaligmaker ontvangen van de engel. De hemel ging boven Efratha’s velden open en een engel daalde neer om deze herders te boodschappen: Ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.

Heirscharen van engelen hebben die boodschap van die ene engel onderstreept door hun Godverheerlijkende zang. De herders hebben een ogenblik in het licht van de heerlijkheid des Heeren gestaan, dat wil zeggen: in het teken van de tegenwoordigheid van God. Onder het Oude Testament was de vuurkolom het teken van de tegenwoordigheid van de Heere. Zo was hier ook een vuurkolom rondom die herders: zij werden omvangen door de heerlijkheid van de Heere.

 

Deze mannen hebben gevreesd met grote vreze en in hun schamelheid gebeefd voor al die hemelse heerlijkheid om hen heen. Want wat wij ook mogen zijn in ons eigen oog, gemeente, als de heerlijkheid des hemels ons omschijnt, zijn wij niet anders dan ellendige, nietige, onreine, zondige mensenkinderen, mensenkinderen die aan de dood zijn overgegeven.

Deze herders hebben gebeefd. En toch: die engel des Heeren kwam niet tot deze herders om hen te verderven. Deze engel en de engelen die zongen, kwamen om te prediken dat er een Zaligmaker geboren is Die zulke ellendige, nietige, arme, zondige mensen zaligen zal. ‘Zaligen’ wil zeggen dat Hij ons opheft uit onze verlorenheid zonder God en dat Hij ons in de gemeenschap met God terugbrengt.

Eenmaal zal de ganse aarde en al het volk dat Hij geheiligd heeft, vol zijn van die heerlijkheid van God. Daartoe kwam Jezus in een stal; daartoe kwam Hij in de nacht. Daartoe kwam Hij als een Kind zonder heerlijkheid en ging Hij de duisternis in, opdat bevende herders mogen staan in het licht van de heerlijkheid van God.

Jezus kwam in het donker van een stal; en bij de herders was iets van de heerlijkheid van de hemel, niet alleen in het licht van de heerlijkheid des Heeren, maar ook van het engelenleger dat rondom hen was.

 

De volkomenheid van de heerlijkheid des hemels wacht de kinderen Gods. Hier is alles ten dele; hier is alles onvolkomen. De beginselen der eeuwige vreugde mogen in het hart zijn, maar het is nooit voor lang. Maar de dag komt dat de schaduwen zullen wijken, dat het volle licht zal aanbreken en de Kerk des Heeren zal mogen wandelen in het licht van Gods aangezicht.

De kerstnacht in Efratha’s velden bij de herders is een belofte dat er eenmaal geen nacht meer zijn zal, maar dat God Zelf hun dan een Licht en het Lam hun een Kaars zal zijn.

 

Die engelen zijn weer naar de hemel gegaan. Zij hebben als getrouwe gezanten van God hun boodschap op de aarde gebracht. En dan is het weer stil en donker in Efratha’s velden.

Maar toch is het anders dan daarvoor. Want die herders hebben in hun hart het Woord van God ontvangen. Eerst was er vreze, grote vreze, maar nu is het woord van de engelen gekomen dat de Zaligmaker geboren is.

Dan zegt onze tekst: En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is. Als de engelen weg zijn, gaan de herders tot elkaar spreken. Er staat eigenlijk in de grondtaal nóg wat bij; de kanttekeningen laten ons dat ook lezen. Er staat eigenlijk dit: En het geschiedde, als de engelen weggevaren waren naar den hemel, dat de mensen, de herders tot elkander zeiden (…).

Waarom dit in de vertaling is weggelaten, weet ik niet, maar wel weet ik dat de Heere het ons wil doen horen: ‘toen de engelen weggevaren waren, zeiden de mensen tot elkaar’. Dus daar staan engelen en mensen tegenover elkaar. De boodschap werd gebracht door engelen, maar die boodschap was gericht aan mensen.

 

Wat zullen de mensen met die boodschap van het heil doen? Wat zullen zij daarmee doen? Zullen op de boodschap van de engel inderdaad de eerstelingen uit de mensen komen?

En het geschiedde (…) dat de mensen, de herders tot elkander zeiden ... Als u dat woord ‘mensen’ gebruikt, duidt u daarmee gelijk al het geslacht van Adam aan, dat van God is afgevallen. Dan duidt u daarmee die verloren mensheid aan.

En het geschiedde (…) dat de mensen, de herders tot elkander zeiden … Zij hebben niet alleen die boodschap met hun oren gehoord, maar zij hebben de boodschap van de engelen ook door het geloof ontvangen.

Daar gaat het om op het kerstfeest. De boodschap wordt gebracht en nu gaat het erom: Hoe ontvangen wij die boodschap? Wat doen wij met de boodschap van het kerstfeest?

 

Gemeente, hoeveel boodschappen worden er gebracht op het kerstfeest, de prediking van het evangelie van de geboren Koning der Joden? Hoeveel van die boodschappen worden met rust en gemak terzijde gelegd? Hoe vaak leggen de mensen die boodschap naast zich neer alsof het voor hen van geen enkel belang is, alsof het een vrijblijvende zaak is?

U hoort die boodschap. Kunt u daarmee doen wat u wilt? U kunt hem naast u neerleggen, of er even over nadenken, of er ’s avonds op uw gemak nog eens eventjes over denken, en dan gelijk weer een boek pakken of iets anders doen en de boodschap vergeten zijn.

Die engelen hebben de boodschap gebracht en zijn weggegaan. Maar de mensen, de herders hebben met elkaar gesproken in het geloof: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem. Dat is een geloofsspreken.

Hoeveel gesprekken worden er gevoerd over de prediking? Spreekt u erover? Spreekt u over de preken, of blijft het Woord achter in de kerk? En als we erover spreken, hebben we het dan over de inhoud van het Woord, of hebben we het dan over de vorm van het Woord? U kunt over de vorm eindeloos discussiëren, maar daar wordt u niet wijzer van. Daar wordt u zeker niet zalig van. U wordt alleen maar zalig als de inhoud van de prediking u aangaat, als u die prediking door het geloof omhelst.

 

De herders hebben het niet meer over hun vreze, ook niet meer over de wonderlijke verschijning van die engel en over die engelenzang; dat zijn allemaal maar bijkomstigheden. Het enige antwoord van die herders is: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem.

Ik zei u: het is een geloofsbesluit dat zij nemen. Nu zult u zeggen: hoe weet u dat het een geloofsbesluit is? Wel, zij zeggen niet: laat ons zien of hetgeen ons verkondigd werd, werkelijk geschied is. Ze twijfelen niet aan de werkelijkheid daarvan, want ze zeggen: Laat ons zien het woord, dat er geschied is.

Als u die woorden even op u in laat werken, ziet u iets merkwaardigs: je kunt niet van een woord zeggen dat je dat zien kunt. Toch zeggen de herders dat. Laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.

Zij willen dat Kind gaan zien. Want zij hebben niet gezegd: laat ons zien het woord dat de engel tot ons gesproken heeft, maar zij zeggen: Laat ons zien het woord, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd. Het gaat niet om een engelenwoord, maar het gaat om Wie het gezegd heeft; het gaat niet over de boodschapper, maar het gaat over de Zender van de boodschap.

 

Het geloof hoort in de boodschap de stem van de Heere. Dan gaat het niet meer om welke dominee er preekte of zo, maar dan gaat het erom dat we de stem van de Heere hebben gehoord in Zijn Woord, dat we in de prediking de Heere hebben horen spreken. Het was God Die sprak. We hebben het zelf uit Zijn mond gehoord.

Ziet u, het is geloof. Aan dat Woord wordt niet getwijfeld. Bovendien, zij hebben het van de Heere gehoord.

Het geloof is dus in de allereerste plaats: luisteren – luisteren naar het Godswoord dat tot ons gebracht wordt. Gemeente, dan zinkt alles weg. Dan gaat het hart luisteren naar God. Het is als een land dat dor en mat is, zonder water, waarop de Heere het water van Zijn eeuwige Geest laat vloeien. Dan gaat het hart dat Woord van God opdrinken.

Naar dat Woord wordt geluisterd. Daar wordt zó naar geluisterd dat we ons aan dat Woord overgeven, dat we gevangen worden door het Woord, gevangen door het Evangelie, waarin de weergaloze ongehoorde boodschap tot ons wordt gebracht van een Zaligmaker voor verlorenen.

Dan gaat het hart branden van verlangen om Hem te kennen en te vinden; het gaat uit naar Hem.

 

Zo is dat bij die herders. Zij buigen voor de boodschap. Zij verlangen dat Kind te leren kennen. Door het woord laten zij zich leiden tot Christus zelf, Die toen nog als een Kind in de stal lag. Zij zeggen: Laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.

Het luisteren van het geloof gaat naar een zien, naar een kennen van Hem, door het geloof.

Gemeente, het is voor ons allen nodig om Hem te kennen door het geloof. Niet een kennen dus van horen zeggen, maar een kennen door persoonlijke aanraking met Hem.

Er is wel een verschil tussen die herders en ons. Want die herders konden met lichamelijke ogen in de stal kijken en de kribbe zien en daar dat Kindje zien liggen, in doeken gewonden. Zo kunnen wij Hem niet meer zien en toch is er een overeenkomst: wij kunnen Hem kennen door het geloof. Dat wil zeggen: weten Wie Hij is, weten hoe Hij is, Zijn stem leren kennen. Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. Ik ben de Goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend (Joh.10:27,14).

Hem te kennen wil zeggen dat we mogen leven uit de genade en de troost die er van Hem uitgaat, Hem te kennen in Zijn handelingen, Hem te kennen in de wijze van Zijn doen. Onze ziel wordt dan in de levensgemeenschap met de Heere Jezus Christus gesteld.

Het luisteren naar de boodschap gaat over in een zien. Daartussen zit het gedreven zijn door die boodschap, de drang om de levensgemeenschap met deze Zaligmaker te gaan zoeken. Want die herders zeggen: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is. U leest dat deze herders zich gereed gaan maken om Hem te zoeken. Dat is het eigenlijk als zij zeggen: komt, laat ons dan. Ze wekken elkaar op. Het zijn mensen die elkaar hebben toegeroepen: Laat ons dan gezamenlijk, met elkaar, heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is.

 

Zoekt u Hem ook? Als uw hart naar Hem dorst, zal het u vergaan als de herders. Dan gaat het voor u ook kerstfeest worden. Dát is kerstfeest, als ik Hem door het geloof mag vinden. ‘Vinden door het geloof’ betekent dat ik weten mag dat deze Zaligmaker niet een Zaligmaker, maar mijn Zaligmaker is, dat Hij een Zaligmaker is Die voor een verloren mens gekomen is, die gekomen is voor een mens die zichzelf niet redden kan.

 

Laat ons dan heengaan naar Bethlehem! En gemeente, Hij is geboren en gij zult Hem vinden.

De engel zegt niet tegen die herders: Hij is geboren en nu zult u Hem zeker wel gaan zoeken? Die engel veronderstelt dadelijk – dat is in deze hele boodschap ingebouwd – dat de herders op pad zullen gaan om dat Kind te zoeken, want hij zegt: En dit zal u het teken zijn: Gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.

Dus de engel veronderstelt dat het woord dat hij spreekt, kracht zal doen in het hart van de herders en dat ze zullen gaan. En dit zal u het teken zijn – zo zult u Hem vinden: liggende in de kribbe en gewonden in doeken.

De herders zien geen enkele verhindering meer. Als de engelen weg zijn en het duister geworden is in Efratha’s velden, hebben ze alleen maar behoefte, verlangen, begeerte om Hem te leren kennen.

 

Wees eens eerlijk: is dat in uw hart ook zo, of hebt u aan de boodschap zonder Jezus genoeg? Is er geen behoefte aan Hem? Is er geen begeerte, geen verlangen naar Hem?

Die kribbe is vrij en die stal is ook vrij. Er is geen enkele verhindering om tot Hem uit te gaan. De enige verhindering zou kunnen zijn dat u uzelf in de weg staat, dat u een verhindering voor uzelf bent. Want de kribbe is open.

Lager kon God niet afdalen, dieper kon Hij niet buigen. Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het Woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.

 

  1. Hun geloofsvinden

Waar dat geloofsbesluit gevallen is, komt het ook tot het geloofsvinden. Dat staat in onze tekst: En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe.

 

Zij kwamen met haast. Het is opmerkelijk dat de Schrift de nadruk legt op het kómen, niet op het gaan. Het is de Schrift altijd te doen om ons het geloof voor te stellen, dat een komen is tot de Heere. Het gaat niet om het achterlaten, het gaat niet om het weggaan, maar het gaat om het komen. Zij kwamen met haast.

De herders hebben zich inderdaad helemaal niet druk gemaakt om wat zij achterlieten. Dat hadden ze kunnen doen, want zij hielden de nachtwacht over hun kudde en dat is geen ijdel werk geweest. Dat was niet zomaar; dat was nodig. Wild gedierte, roofdieren of rovers zouden kunnen komen om de schapen te roven. Die nachtwacht was nodig.

Naar de mens gesproken was het moeilijk voor deze herders om hun kudde te verlaten. Maar nu hebben ze daar geen ogenblik over gepiekerd of over nagedacht. Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is. Ze laten de kudde achter onder de hoede van God. Het werk, de kudde mag hen niet verhinderen. Niets kan hen weerhouden om de Zaligmaker Die geboren is te gaan zoeken.

 

Gemeente, er kan een ogenblik in ons leven komen dat niets ons meer kan weerhouden, dat niets belangrijker is, dat uw werk ook niet meer alles en belangrijk is. Dan is er maar één ding belangrijk, namelijk dat onze ziel vervuld is van die boodschap van Hem en dat we zoveel haast krijgen dat we met die herders komen.

Zij kwamen met haast. De mensen hebben niet gezegd: Het komt wel een keer. Het kan wel even duren, hoor; daar kunnen jaren overheen gaan.

Maar dat hebben de herders niet gezegd. Die herders hebben niet gezegd: daar kunnen wel jaren overheen gaan en je moet maar afwachten of het wel komt.

Wie zegt dat wij nog een dag te leven hebben? Waar kunt u in het Woord van God lezen dat u nog tijd krijgt om te leven, om de Heere te zoeken? U krijgt van de Bijbel nog geen jaar, nog geen maand, nog geen week, zelfs nog geen dag. U krijgt van de Bijbel alleen het heden. Heden, zo gij Zijn stem hoort (…) (Ps.95:7).

Er is haast bij. Zij kwamen met haast. Er is geen tijd te verliezen. Je kunt geen uur, geen dag verliezen. Want buiten Jezus is de dood. Buiten Hem is niets anders dan een eeuwige dood. Dan kunt u uw werk niet meer belangrijk vinden en dan vindt u alles wat u anders bezighoudt niet meer belangrijk. Dan is het zoals met die herders. Er is haast bij, een heilige haast.

 

Onheilige haast bestaat ook. Die onheilige jacht vindt u in deze wereld. Die jakkert achter allerlei nieuwe dingen aan, die zoekt andere dingen, die heeft geen tijd en geen rust voor bezinning, die is altijd in onrust, omdat nooit de heilige haast wordt gekend om gevonden en geborgen te zijn in Christus.

In Hem alleen is de rust voor uw ziel. Er is een heilige haast en een heilige onrust, en dat is de onrust om te komen bij Hem, Die de Zaligmaker der wereld is.

 

Het gaat om de aankomst; het gaat om het vinden van dat Kind.

De herders hebben zich geen tijd gegund. Ze hebben zich niet opgeknapt. Ze hebben zich niet omgekleed. Ze hebben zich niet voorbereid op de weg die ze moesten lopen. Zij hebben zich gehaast in hun werkpak, in het herderskleed. Zoals ze zijn, gaan ze naar Bethlehem.

Ze zijn welkom geweest; daar gaat het uiteindelijk om.

De Bijbel benadrukt altijd alleen maar waar het om gaat. Niet de weg tot de kribbe is belangrijk. Er is maar één ding belangrijk: of we dat Kind vinden. Als we lang gaan praten over de weg tot de kribbe, gaat de kribbe zelf uit het oog verdwijnen. Als we lang gaan praten over de weg tot het Kind, gaat het Kind uit het oog verdwijnen.

Het gaat om het vinden en kennen van Jezus. En zij vonden (…) het Kindeken – dat is het enige. Dat is wat de Heilige Geest door de pen van Lukas ons heeft meegedeeld. Het gaat om het vinden.

 

En de herders vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe.

Jozef en Maria, twee eenvoudige, Galilese mensen, maar ook mensen die door het geloof hebben geleefd. Want denk eraan: ook Jozef en Maria hebben geloofd. In die stal en in die kribbe kunt u immers niets bijzonders zien. Daar ligt een Kind zoals alle kinderen. Daar ligt een heel eenvoudige, pasgeboren Baby, in doeken gewonden, waar niets bijzonders aan te zien is – geen stralenkrans rond Zijn hoofd. Daar ligt een eenvoudig Kind. En deze mensen hebben geloofd dat dit Kind Jezus is, dat dit de Zaligmaker is, dat dit de Zoon van God is, dat dit de Heilige is.

Het staat er zo eenvoudig: En zij vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe. En zo simpel als de Heilige Geest dit beschrijft, zo eenvoudig is het ook. En zij vonden Maria en Jozef, en het Kindeken.

Jozef en Maria zijn de eerste twee mensen die het wonder hebben doorleefd van het kerstfeest. Zij zijn eigenlijk de vertegenwoordigers van de nieuwtestamentische gemeente. Zij zijn de eerste mensen op de aarde die de geboren Koning der Joden hebben gezien en die Jezus hebben ontmoet. Zij zijn dus de Kerk des Heeren.

Deze herders vinden Jozef en Maria, en bij Jozef en Maria het Kindeke. Jozef en Maria zijn de Kerk, de gemeente van God in het Nieuwe Testament.

 

Gemeente, als u vraagt waar u dat Kind kunt vinden, dan staat hier eigenlijk het antwoord geschreven: in de gemeente van de levende God, in de prediking van het Woord, in de kribbe van het Woord, daar waar de gemeente samen is.

Groenewegen zong in ‘De lofzangen Israëls’: ‘Voegt u bij de Godsgezinden, en gij zult er Jezus vinden.’ Hij woont bij en in Zijn gemeente. In de wereld vindt u Hem niet, maar u vindt Hem wel bij Zijn gemeente, in de samenkomst van de gemeente, in de prediking van het Woord.

 

En zij vonden (…) het Kindeken.

Want het gaat tenslotte niet om Jozef en Maria, maar het gaat om het Kind. Dat blijkt uit alles wat er nog volgt in Lukas 2. Het gaat om het Kind dat daar in de kribbe van die stal ligt, bij deze twee eenvoudige Galileeërs, zoals het Woord hen aanduidt. In alle nietigheid en kleinheid ligt Hij daar in een stal, in doeken gewonden. Voor het oog is er niets bijzonders aan Hem. In al Zijn schamelheid en armoede ligt Hij daar: de langverwachte Messias, met twee Galileeërs bij Hem – een schijnbaar armoedig Kind.

Dan komen die herders binnen.

 

Als je nou zoveel hebt gezien in Efratha’s velden – engelenlegers die hebben gezongen en een licht des Heeren dat je omscheen – en je komt dan in zo’n duistere stal met twee van die Galilese mensen, en zo’n Kind in doeken gewonden, liggend in een kribbe, valt dat dan niet tegen? Zijn deze herders dan niet teleurgesteld wanneer ze dat Kind vinden?

Nee, dat zijn ze niet!

Hij had geen gedaante noch heerlijkheid (…) dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht (…), en wij hebben Hem niet geacht (Jes.53:2‑3). Het Koninkrijk komt hier in ieder geval niet met uiterlijk vertoon. Dat Kind, daar is niets aan te zien, maar het valt die herders niet tegen, want deze mensen vinden Hem door het geloof, niet door iets bijzonders te zien. Juist in dat heel gewone Kind dat in een kribbe ligt, in doeken gewonden, aanschouwen zij de Zaligmaker Die hen gepredikt was.

 

Gemeente, zo vinden zij het Kindeke. En zij (…) vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe. Er staat helemaal niet bij wat deze herders hebben gezegd tot dat Kind. Er staat ook niet bij hoe zij dat Kind in hun hart hebben ervaren. Die ontmoeting met Hem is zo diep persoonlijk, die is met geen pen te beschrijven. Die is niet onder woorden te brengen. Dat is een persoonlijke zaak.

Maar de grote vraag van het kerstfeest is wel of u dat wonder kent, of u het Kind hebt ontmoet en gevonden, of u dwars door de doeken, dwars door de kribbe, dwars door de eenvoud van dat Kind heen de Zaligmaker hebt gezien.

Want dat is wat Jesaja ons zegt: Hij had geen gedaante noch heerlijkheid (…) dat wij Hem zouden begeerd hebben. Maar Jesaja heeft geweten waarom Hij geen heerlijkheid had en waarom Hij veracht was. Hij zegt: Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld (Jes.53:5). Dat Kind in die doeken, in die kleinheid, in die vernedering, in die armoede, dat Kind in die nederige gestalte is de Zaligmaker, Die zo diep gedaald is dat Hij precies de gepaste Zaligmaker is voor armoedige herders uit Efratha’s velden. Hij is een gepaste Zaligmaker voor de herders die daar in hun werkkleding in een stal komen, hun werkomgeving, bij een kribbe, een plaats waar zij hun werk verrichtten. Daar vinden zij hun Zaligmaker.

 

Hij is de Zaligmaker der wereld. Wie Hem zo aanschouwt, stoot zich er niet meer aan dat Hij geen gedaante noch heerlijkheid had dat wij Hem zouden begeerd hebben. Je gaat in deze vernederde Jezus de Schoonste van alle mensenkinderen zien, omdat genade in Zijn lippen is uitgestort.

Er is geen mens in de wereld te vinden die kan doen wat dit Kind kan doen. Er is geen mens in de wereld te vinden die mij kan zaligen, die mij uit mijn diepste nood kan redden, die mij vanuit de verlorenheid kan opheffen; dat kan niemand dan Hij alleen. Hij is de Schoonste aller mensenkinderen. Genade is in Zijn lippen uitgestort.

In die kribbe ligt de Gegevene van de Vader. Vaderhanden hebben Hem daar neergelegd. Vaderhanden hebben Hem geschonken aan een wereld, verloren in schuld. Vaderhanden hebben Hem daar in liefde neergelegd en gezegd: Hier is Mijn Zoon. Hij is de Zaligmaker; Hij is de Verlosser Israëls.

 

Gemeente, uit die kribbe klinkt het (en dat hebben die herders verstaan): Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16) – het Geschenk van de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van God.

Zo hebben die herders door het geloof in dat armelijke Kind hun Zaligmaker gezien en gevonden. En de monden van deze mensen zijn opengegaan.

Dat vindt u terug in heel de kerstgeschiedenis. Vanaf Lukas 1, tot aan het eind van Lukas 2, worden de monden geopend van mensen die dat Kind hebben ontmoet en die de heerlijkheid van dat Kind hebben gezien. Ze hebben gezongen en gesproken, verteld van de heerlijkheid van de vervulling van de belofte Gods, zoals Zacharias dat deed en zoals wij dat gaan zingen uit de Lofzang van Zacharias, het eerste vers:

 

Lof zij den God van Israël,

den Heer’, Die aan Zijn erfvolk dacht,

en door Zijn liefderijk bestel,

verlossing heeft teweeggebracht,

een hoorn des heils heeft opgerecht;

’t geen Davids huis was toegezegd,

dat wil Hij ons nu schenken.

Gelijk Gods trouw, van ’s aardrijks ochtendstond,

door der profeten wijzen mond,

Zich hiertoe aan de vaderen verbond.

 

  1. Hun geloofsspreken

Gemeente, als de herders dat Kind gezien hebben, gaan ze spreken. Dat is een geloofsspreken. Er staat in onze tekst: En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was. De herders gaan spreken. Ze zijn vervuld van het Kind en van het woord over dat Kind.

Deze eenvoudige herders hebben zojuist in Efratha’s velden wonderlijke dingen beleefd. Ze hebben een engelenverschijning gezien en de zang van een engelenkoor gehoord. Ze hebben geluisterd naar het Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde. Toch gaan ze niet spreken over engelenverschijningen, engelenontmoetingen en engelenzang. Nee, zij gaan spreken over dit Kind, over wat hun van dit Kindeke gezegd was. Ze gaan het Woord doorgeven. Dat wil zeggen: het is een geloofsspreken.

Want zoals Paulus zegt, is het spreken en het geloven aan elkaar verbonden: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook (2Kor.4:13). Zij hebben geloofd dat dit Kind, dat armelijke Kind in de kribbe bij die twee eenvoudige Galilese mensen, de Zaligmaker is, en ze hebben gesproken van dat Kind. Ze hebben verteld van de Zaligmaker; ze hebben verteld wie Hij is en hoe zij Hem ontmoet hebben en wat zij in Hem gezien hebben.

 

Deze mensen hebben niet over zichzelf gepraat. Want als je bij dat Kind komt en Het ziet, als je die Zaligmaker aanschouwt, is het jouwe waardeloos. Dat heeft geen enkele betekenis meer. Dat kan voor God geen enkele waarde meer hebben, niets meer. Dan is Hij het alleen Die waarde heeft en Die waarde verkrijgt.

Deze herders hebben door het geloof gesproken, in verwondering. Deze Zaligmaker is gekomen en Hij gaat zalig maken wat helemaal niet meetelt, wat geen waarde heeft, wat helemaal geen betekenis meer heeft: Hij gaat verloren mensen zalig maken.

Zij hebben de grootheid van de liefde van God gezien. Die naamloze herders, die veracht waren in Israël en die niet in de tempel mochten komen, waren welkom in de stal en bij de kribbe. Zij hebben gesproken van de ruimte die er in Jezus is.

 

Gemeente, als de mond dichtgaat en wij niet meer spreken van deze Zaligmaker, dan heeft dat een oorzaak. Paulus zegt: Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem (Kol.2:6).

Ze hebben als een arme zondaar bij die kribbe gebogen. Als u daar die Zaligmaker als úw Zaligmaker hebt omhelsd, dan bent u een nul en een niet. En als u daar maar blijft, dan blijft u stof te over houden om te spreken. Dan zult u nooit uitgepraat raken over Hem, want het is zo’n geweldig wonder dat Hij komt om zulke mensen te zaligen.

Maar zodra je weggaat van de plaats waar je Jezus hebt aangenomen, wandel je niet meer in Hem en dan gaat de mond dicht; dan praat je niet meer. Je hebt ook niets meer te vertellen, want je bent niet op je plaats gebleven. Je bent erbovenuit gegroeid. En dan ga je grotere betekenis krijgen dan dat Kind in die kribbe. Begrijpt u?

Als je nu maar nooit boven de kribbe in die stal uitgroeit, blijft het wonder aanwezig. Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem.

 

Ziet u ze teruggaan, die herders? Ze gaan terug naar hun kudde. Ze blijven herders; ze gaan weer terug naar hun werk. Maar let erop hóe ze teruggaan: verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. Die mensen zijn God gaan verheerlijken.

Gemeente, dat is het oorspronkelijke scheppingsdoel. U ziet: het kerstfeest laat zowel in Efratha’s velden als in deze herders zien dat de mens door dat geboren Kind in Bethlehems stal weer teruggebracht wordt naar zijn oorspronkelijke staat. Want oorspronkelijk zijn wij geschapen tot verheerlijking van God. Dat was het doel van God met uw en mijn leven en dat doel zijn wij kwijtgeraakt in het paradijs. Wij zijn mensen geworden die goddeloos zijn. Wij wilden als God zijn, boven God uitgroeien.

Maar dat Kind is in de stal, in de kribbe van Bethlehem gekomen. Hij legde Zijn heerlijkheid af, opdat Hij eerrovers weer zal maken tot Godlovers, opdat Hij mensen die God niet meer de eer geven, zal maken tot mensen die Hem verheerlijken. Dat ziet u in Bethlehems stal.

Engelen hebben gezongen: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Het begint met het Ere zij God. God wordt hier verheerlijkt. En de herders nemen dat over van de engelen. De engelen zijn weg en spreken niet meer, maar herders spreken. De engelen zijn weg en zingen niet meer, maar herders gaan zingen, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden.

 

Gemeente, dat gaat de Kerk des Heeren tot in eeuwigheid doen, vanwege het Kind, gelegd in de stal van Bethlehem. Zij gaan tot in eeuwigheid God verheerlijken en grootmaken. Zij gaan zelfs boven engelen uit.

Nu zegt u: Natuurlijk, ze kunnen mooi zingen in de hemel; dat is waar. Maar u moet het niet overdrijven.

Nee! Zij gaan boven engelen uit. Want engelen kunnen één ding niet wat deze herders wel kunnen, wat David wel kan, wat Zacharias kan en wat al de zondaren in de hemel kunnen: engelen kunnen zich er nooit over verwonderen dat zij, gevallen schepselen, door het welbehagen van God en door het bloed van Christus zijn gewassen en gereinigd en dat zij gesteld zijn in de gemeenschap van God. Dat kan een engel in de hemel niet, want hij weet niet wat het is wat God aan ons, verloren mensen, schenkt; hij weet niet wat het betekent dat God zo laag afdaalde in Zijn Zoon, dat Hij kwam in de verlorenheid van het menselijk bestaan, om mensen terug te brengen naar de hemel in de gemeenschap Gods, opdat ze daar eeuwig God zouden grootmaken.

Engelen zullen moeten terugtreden om plaats te maken voor de gezaligden die daar bovenuit gaan zingen: ‘Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen.’

Dat is kerstfeest; dat is het begin van de zaligheid, die eeuwig duren zal.

 

Ik zal nooit vergeten dat ik voor het eerst het kerstevangelie moest bedienen in een van onze gemeenten. Een oude ouderling – hij is inmiddels al bij die zangers gesteld aan de glazen zee – had toen maar een heel kort gebed: ‘Heere, U bent in een kribbe gekomen, opdat U straks zal staan als het Lam op de berg Sion, met de honderdvierenveertigduizend die de Naam des Vaders aan het voorhoofd dragen. Wilt U er vanmorgen aan die schare toevoegen?’ Dat was zijn gebed.

Daartoe is Christus gekomen, om straks als het Lam van God op de berg Sion te staan met de honderdvierenveertigduizend. Daar zullen die herders bij staan.

Zult u er ook bij staan? Hebt u er hier wat van geleerd om God de eer toe te brengen vanwege Zijn genade, vanwege die onuitsprekelijke gave van Zijn Zoon? Want als we daar God de eer gaan geven en eeuwig God gaan verheerlijken, moet u dat hier wel leren.

Het is hier wel onvolkomen; dat geef ik toe. Hier is dat maar zo terloops. Maar daar zal het volmaakt zijn; daar zal het heerlijk zijn. Maar u moet het hier leren.

Dan moet kerstfeest kerstfeest worden. Dat Kindeke moet zoveel betekenis in uw leven krijgen dat u daar niet over zwijgen wilt, maar dat Het de kern, de pit, het centrum van uw leven gaat worden.

 

Uit Hem leven. Gemeente, ik zou niet weten waar ik blijven moest als ik Hem niet zou kennen en als ik Hem niet mijn Levensbron zou weten. Ik zou niet weten waar u moet blijven, hoe u het leven door en straks het leven uit zou moeten.

En dat komt! Het komt zo dichtbij! U moet het leven gaan verlaten en u komt te staan voor de troon van God. Hoe zult u dat kunnen als u Jezus niet kent?

Daar is haast bij. En zij kwamen met haast. U kunt niet tot morgen wachten; u hebt het vandáág nodig. Deze dag roept de Heere met uitgebreide armen, en het is waarheid als Hij zegt: Komt herwaarts tot Mij (Matth.11:28).

 

Andrew Gray zegt: ‘Het kortste woord van het heilig Evangelie is: KOMT’. En dat zegt Hij ook vandaag: KOMT.

En Andrew Gray zegt: ‘Het kortste woord in het oordeel is: GA’. En dat zal straks gezegd worden als we bij deze kribbe niet gebogen hebben.

Daarom: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd. En zij kwamen met haast, en vonden (…) het Kindeken.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 89 vers 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht.

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht!

Wij steken ’t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen

door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen.

Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven

en onze Koning is van Isrels God gegeven.