Ds. G.J. Baan - 1 Thessalonicenzen 1 : 6 - 8

De missionaire gemeente

In bekering
In leven
In verkondiging
In geloof

1 Thessalonicenzen 1 : 6 - 8

1 Thessalonicenzen 1
6
En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes;
7
Alzo dat gij voorbeelden geworden zijt al den gelovigen in Macedonie en Achaje.
8
Want van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedonie en Achaje; maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet van node hebben, iets daarvan te spreken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 46: 5 en 6
Lezen : 1 Thessalonicenzen 1
Zingen : Psalm 67: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 34: 6 en 7
Zingen : Psalm 51: 7
Zingen : Psalm 119: 7

Gemeente, in Numeri 11 vers 29 spreekt Mozes een wens uit: Och, of al het volk des Heeren – het hele volk – profeten waren. Wat is de aanleiding tot deze wens?

Wel, er waren twee mannen in het legerkamp van Israël, Eldad en Medad, die profeteerden. Laten we maar zeggen: ze spraken goed van God. Ze probeerden het Woord van de Heere te verbreiden.

Blijkbaar stuitte dat op tegenstand. Er kwamen mensen naar Mozes, onder wie ook Jozua, die dringend tegen Mozes zeiden: ‘Verbied het hun! Zorg dat die Eldad en Medad niet langer profeteren. Want dat is toch iets wat God aan u, Mozes, voorbehouden heeft.’ Misschien bedoelden ze het goed om Eldad en Medad het profeteren te beletten, maar het was geen goede daad. ‘Want’, zegt Mozes – en dan zeg ik het even in mijn woorden – ‘je moet dat niet verbieden, want ál het volk van de Heere, wie dan ook, zou een profeet moeten zijn. Dát is wat de Heere van ons vraagt.’

Het is natuurlijk niet zo dat ze allemaal een ambt zouden moeten bekleden, maar het volk des Heeren moet wel goed van God spreken. Opdat Gods Koninkrijk zal worden uitgebreid, en de eer van de Heere verhoogd zal worden, en er al meer stenen op dat ene fundament zullen worden gelegd.

 

Gemeente, wat komt zendings- en evangelisatiewerk dan heel dichtbij. Dit werk is niet alleen voorbehouden aan Mozes en Aäron, en later aan Jozua, maar heel het volk van de Heere zal profeet moeten zijn. Als het goed is – zo lezen we in de eerste vijf verzen van ons teksthoofdstuk – zijn we niet alleen een levende gemeente, een heilige gemeente, een verwachtende gemeente, maar moeten we ook een missionaire gemeente zijn. Daarom wil ik u nu het heilig Evangelie bedienen uit de verzen 6 tot en met 8. Hoort het Woord van onze God:

 

6. En gij zijt onze navolgers geworden en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in veel verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes;

7. Alzo dat gij voorbeelden geworden zijt al den gelovigen in Macedónië en Acháje.

8. Want van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedónië en Acháje, maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet van node hebben iets daarvan te spreken.

 

We staan dus stil bij: De missionaire gemeente.

 

In vier opzichten zijn we missionair:

 

1. In bekering. We lezen dat in vers 6.

2. In leven, vers 7.

3. In verkondiging, vers 8a.

4. In geloof, vers 8b.

 

  1. Een missionaire gemeente in bekering

 

Jongens en meisjes, jullie weten nog wel waar Thessalonica lag. Die stad lag toen en nu in Macedonië, in het noordoosten van Griekenland. Het was een grote en rijke havenstad met een bloeiende economie. Je zou Thessalonica een beetje kunnen vergelijken met Rotterdam. Een stad met een stadsbestuur, een stad van handel, van industrie, van rijkdom – ook van armoede natuurlijk – waar toen ook al heel veel mensen woonden. De schattingen lopen uiteen van vijftigduizend tot ruim honderdduizend inwoners.

In die stad hebben Paulus, Silas en Timotheüs het Woord van God gebracht. God riep deze mannen toe: Kom over (…) en help ons (Hand.16:9). Ze zijn er na de grote wonderen die zich voltrokken in Filippi, toen het hart van Lydia werd geopend en de gevangenbewaarder werd bekeerd, naar toegegaan. Paulus heeft er drie sabbatten gepreekt. Velen, vooral uit de Griekse bevolking, kwamen toen tot geloof.

Maar er waren ook mensen, de Joden bijvoorbeeld, die zich ergerden aan het Woord. Ze werkten Paulus tegen en bedreigden hem zelfs. Wat werd het gevaarlijk in Thessalonica; want de Joden liepen te hoop tegen Paulus en probeerden hem te doden. We lezen dat Paulus in het huis van Jason bescherming en veiligheid vond.

 

In Handelingen 17, waar deze geschiedenis verhaald wordt, valt ons op dat de belangrijkste klacht van de Joden was dat Paulus een andere keizer, een andere Koning, preekte dan die zij hadden. Wat een huichelarij! De Joden erkenden de keizer niet eens, maar gebruikten het keizerschap als voorwendsel om Paulus te beschuldigen om zijn prediking.

En wie was die andere Koning?

Het staat er duidelijk: Koning Jezus. Daaraan ergerden zich de godsdienstige Joden en heidenen. Wat gaf het een afkeer, een onrust, een vijandschap, een tweedracht, een verdeeldheid. Is dat niet altijd zo? Want het zal je maar gezegd worden: ‘Met al je goede werken ben je een zondaar voor God, en daarom heb je Jezus nodig, Hem alleen!

 

Paulus ontkwam. Hij concludeerde dat er geen gelegenheid meer was om in Thessalonica te preken, en via Athene reisde hij naar Korinthe. Geruime tijd daarna wordt hij bezocht door Silvanus, Silas en Timotheüs, die hem vertellen wat er daarna in de stad allemaal gebeurd was. Ogenblikkelijk neemt hij zijn pen ter hand en schrijft twee brieven aan de gemeente van Thessalonica.

Wat een rijke gemeente was daar! U leest het in vers 1: Zij deelde in de vrede en genade van God. Dat blijkt ook in vers 3: Het werk van uw geloof, de arbeid der liefde, de verdraagzaamheid van de hoop… Of wat denkt u van vers 4? Verkoren door God; God heeft u eeuwig liefgehad. En vers 5: U hebt het Woord aangenomen in kracht en in de Heilige Geest. U hebt het Woord als het ware aan uw hart gedrukt. Wat een heerlijke toekomst is er weggelegd voor die gelovigen.

Hoe ligt het vandaag bij u? Bij mij? Bij jou? Mogen die rijke zegeningen ook voor ons gelden? Mag je ook gelukkig zijn? Heb je ook toekomst? We zingen het zo vaak: Het goed dat nimmermeer vergaat…

 

Paulus benoemt in vers 6 degenen die deze rijke zegeningen ontvangen hebben met één woord: ‘navolgers’. Gij zijt onze navolgers geworden. Van ons – van Paulus, van Silvanus, van Timotheüs – maar vooral, zo staat er, van de Heere. Paulus benoemt het in één adem: van ons en van de Heere. Als het goed is brengen de verkondigers van het Woord Gods niet hun eigen boodschap, maar die van de Heere. Het Woord dat God tot u brengen wil, is hetzelfde als van de verkondigers. En die verkondiging, die prediking, maar ook dat leven van die verkondigers, bent u gaan navolgen. Paulus maakt het zelfs heel persoonlijk: u bent een navolger geworden; hij verpersoonlijkt het Woord.

 

Het Griekse woordje dat met ‘navolger’ wordt vertaald is tamelijk ongebruikelijk in de Bijbel. In de Hebreeuwse grondtaal van het oude Testament wordt het een enkele keer gebruikt, in het Nieuwe Testament wat meer.

In totaal wordt het woord ‘navolger’ maar zeven keer gebruikt. In 1 Thessalonicenzen 2 vers 14 staat het in verband met de gemeente van God: een christen is een navolger van Gods gemeente.

Een andere keer, in Hebreeën 6, wordt het woord in verband gebracht met de gelovigen – navolgers van degenen die de beloften beërven zullen. Petrus gebruikt het als hij spreekt over ‘navolgers van het goede’: datgene wat in Gods oog goed is. Paulus gebruikt het woord in Efeze 5, en brengt het in verband met God: navolgers van God, als gelovige kinderen.

Naast het ‘navolgers van ons’, dat de apostel gebruikt in onze tekst, wordt het woord in 1 Korinthe 4 en in 1 Korinthe 11 ook gebruikt. De apostel spreekt dan over ‘mijn navolgers’ en ‘mijn navolgers, gelijk ook ik van Christus’. Dus in de nieuwtestamentische taal wordt het woord driemaal in verband gebracht met de apostelen.

Bedoelt Paulus dan dat we hém moeten navolgen? Is hij zo belangrijk? En waarom noemt hij zichzelf als eerste in de tekst en niet de Heere? Wel, gemeente, de Heere wil verkondigers van het Woord van God gebruiken om ons een navolger van Hem te laten worden. Dat is het vertrekpunt.

Het woordje dat de apostel in onze tekst gebruikt kun je ook vertalen met ‘imiteren’ of ‘nadoen’. Alle nadruk ligt dus op het voorbeeld. De apostelen moeten als verkondigers van het Woord in leven en leer voorbeelden zijn. U behoort dat ook voor anderen te zijn. In ons tweede punt daarover meer.

 

In het Grieks wordt het ‘navolgers geworden’ in de zogenaamde ‘aoristusvorm’ gebruikt. Dat betekent dat alle nadruk ligt op het feit van de verandering, op het nieuwe leven. Op het nieuwe leven dat bij u begonnen is. Jongens en meisjes, een nieuw hart betekent dat je andere woorden gaat spreken, andere verlangens gaat koesteren, en een leven gaat leiden dat tot Gods dienst is bereid. Alles komt in het perspectief van Jezus te staan – de Kurios, de Heere Jezus Christus. Hem bent u, ben jij, gaan navolgen. Het gaat dan niet zozeer om het voorbeeld zelf, of om de dienaren, maar om hun woord. Gedenkt uw voorgangers – schrijft de Hebreeënschrijver – die u het Woord Gods gesproken hebben (Hebr.13:7). Betrek het maar op jezelf.

 

Ja, maar hoe weet ik dat ik werkelijk een navolger van de Heere ben? Nou, het staat erbij: ‘aangenomen hebbende’; u hebt het Woord van God aangenomen. Een navolger geworden, dat is het moment dat God in je leven komt. Alle nadruk ligt op dat feit: ‘geworden bent’. Maar in de praktijk is een blijvend aannemen: er staat in het Grieks een participum, een deelwoord dat dit uitdrukt. Het Woord aangenomen hebbende: u bent aan het aannemen; ‘opnemen’ staat er eigenlijk. U verwerpt het Woord van onze God niet langer.

Paulus herhaalt het in het dertiende vers van het tweede hoofdstuk, waar hij zegt: ‘Het woord van de prediking, dat hebt u van ons ontvangen en dat hebt u aangenomen. Niet als het woord van mensen, maar als het Woord van God, dat ook werkt in u, die gelooft.’ Dan accepteer je dat Woord en je voelt het, je gelooft het: het is het Woord van God. Het Woord dat uiteindelijk de Heere Jezus als het vleesgeworden Woord openbaart. Het vernieuwt mijn leven!

 

Gemeente, er ligt hierin een belangrijke les: We moeten de ambtelijke dienst, en in breder verband de dienst van zending en evangelisatie zeer waarderen! Want de apostelen, nogmaals, worden in één adem met God genoemd. God werkt door de prediking. En als de Heere in uw leven werkt, dan krijgt u dat Woord hartelijk lief. U gaat het hoogachten en lief krijgen.

Ja maar, is het dan altijd alleen maar pais en vree, en voorspoed en blijdschap?

Ik denk het niet, want er staat nog wat bij: het Woord wordt aan aannemen verbonden. U hebt het Woord dat tot u kwam, aangenomen – in veel verdrukking. Er staat eigenlijk een woordje wat ‘pressie’ betekent.

Ja maar, wil dat dan zeggen dat Paulus hun als het ware het Woord heeft opgedrongen? Gebeurt dat in het zendingswerk wel eens?  

Soms nemen mensen het Woord van God inderdaad aan onder een zekere pressie, of met allerlei beloften van aardse weelde en voorspoed. Is dat wat de apostel hier bedoelt? Taalkundig zou je het ook kunnen vertalen met: ‘onder dwang’.

‘Nee’, zegt Paulus, ‘want die prediking die ik bracht sprak over vele verdrukkingen, waardoor we moeten ingaan in het Koninkrijk van God (Hand.22:14). De roede, de verdrukking, het kruis, ze blijven de gelovigen niet bespaard. Het is als het ware aan het nieuwe leven verbonden. Paulus gebruikt het woord ook in Romeinen 5: Wij roemen ook in de verdrukkingen (Rom.5:3).

Maar als die verdrukking komt, als die tegenslag in je leven aanbreekt, dan is er toch blijdschap?

‘Vreugde’ staat er, ‘door’ of ‘van’ de Heilige Geest. Dan is het de Geest Die troost, Die hoop geeft en Die je een hartelijke onderwerping geeft aan de Heere Jezus Christus. Luther schrijft ergens: ‘Als Christus een kroon van doornen droeg, zouden de gelovigen dan een kroon van rozen verwachten?’

Dát is uw leven. Daar begint uw missie: in bekering tot God. Dat is de bron van alle missionaire arbeid. ‘Anders’, zegt Paulus, ‘kun je geen ervaringsdeskundige worden genoemd.’ En zo gaan mensen het Woord verspreiden. Het klinkt in hun hart: ‘Komt, kinderen hoort naar mij; Neemt mijn getrouwe raad in acht; ik leer, opdat ge uw plicht betracht, wat ’s Heeren zij.’ De vreze van de Heere ligt er dus aan ten grondslag. ‘Hebt gij in het leven lust? In dagen daar men het goede in ziet? Waarin men vrij is van verdriet? Waar niets ons heil ontrust?’

Deze vraag wordt in Psalm 34 vers 6 beantwoord. We zingen ook het zevende vers erbij; dat is eraan verbonden!

 

We zingen nu Psalm 34 vers 6 en 7:

             

Komt, kind’ren, hoort naar mij;

Neemt mijn’ getrouwen raad in acht;

Ik leer, opdat g’ uw plicht betracht,

Wat ‘s u Heeren vreze zij.

Hebt gij in ’t leven lust,

In dagen, waar men ’t goed’ in ziet,

Waarin men vrij is van verdriet,

Waar niets ons heil ontrust?

 

Houdt dan uw tong in toom;

Dat zij nooit schand’lijk spreek’ of smaal’;

Dat nooit bedrog of leugentaal

Op uwe lippen koom’;

Betreedt het rechte spoor;

Veracht het kwaad; jaagt naar de vree.

God ziet de vromen, en hun beê

Geeft Hij altoos gehoor.

 

Nu onze tweede gedachte: 

 

  1. Een missionaire gemeente in leven

 

Een missionaire gemeente in bekering, maar ze is dat ook in haar leven – vers 7: U bent een voorbeeld geworden voor al de gelovigen in Macedonië en Acháje.

Gemeente, het gaat hier over evangeliseren. Ik hoorde een keer een uitspraak van een broeder-evangelist, die al tientallen jaren dat werk mocht doen. Hij zei: ‘evangeliseren doe je desnoods met woorden.’ Het was een wat prikkelende opmerking, een soort statement, maar ‘evangeliseren, desnóóds met woorden.’ Wat bedoelde hij daarmee?

Het krachtigste ‘woord’ – tussen aanhalingstekens – is mijn persoonlijk leven. Van u, van jou en van mij. De farizeeën, die hadden dat niet altijd door. Die ‘evangeliseerden’ – tussen aanhalingstekens – maar brachten hun boodschap met veel woorden: Wat ze allemaal wisten, hoe het allemaal zat. Maar heel hun leven was daar tegenstrijdig aan. Dat is tegendraads; dat werkt niet!

Als je een bout en een moer aan elkaar wilt verbinden moet je een ‘tegengestelde’ beweging maken. We kunnen tientallen jaren het Woord van God bedienen of het Evangelie uitdragen, maar één verkeerd voorbeeld, en het neemt het allemaal – menselijk gesproken – zomaar in één keer weg. Paulus zegt: ‘U moet een voorbeeld zijn.’ Sterker nog: ‘U bént een voorbeeld geworden.’ Het nieuwe leven in het hart moet verbonden worden aan het leven naar buiten toe. ‘Alzo’, staat er. Vertaal het maar in de zin van ‘zodat’, ‘het gevolg is’. Het geloof in Christus draagt vrucht, het straalt uit. En dan is de cirkel rond.

De apostel was in zijn prediking en in zijn leven een voorbeeld voor de gelovigen, en zij worden op hun beurt een voorbeeld voor anderen. ‘Navolgers’ worden voorbeelden. Mag u dat voor uzelf weten? Of jij? Als God in je leven gekomen is, en het Woord van de Heere deed kracht in je hart, dan word je door genade in je dagelijks leven een navolger. Maar bent u ook een voorbeeld geworden? Kijk, voordat Paulus spreekt over het doorgeven van het Woord, spreekt hij over het voorbeeld.

Dus dat is een tweede aspect dat ten grondslag ligt aan mijn evangeliseren. Niet alleen mijn nieuwe leven, maar ook mijn voorbeeld. Een voorbeeldig leven dat het Woord van God als het ware onderstreept. Je ontmoet nogal eens mensen die weinig talent hebben om het leven met de Heere en Zijn dienst te verwoorden. Maar het voorbeeld van zo-iemands leven kan die onmacht om het onder woorden te brengen helemaal vergoeden! Navolgers worden dus voorbeelden.

Het woordje ‘voorbeeld’ betekent eigenlijk: een ‘afdruk’, een ‘spoor’, een ‘voorslag’, of in het Engels: ‘format’. Een voorbeeld, iets wat anderen uitnodigt tot navolgen. Anderen komen in het spoor waarin u wandelen mag.

Vervolgens zegt Paulus: ‘Dit geldt voor alle gelovigen in alle plaatsen: Het noordoosten van Griekenland, Macedonië met de hoofdstad Thessalonica, Filippi en Berea – steden die we kennen vanuit de Handelingen. Maar het geldt ook voor het zuiden van Griekenland, Acháje, met het bestuurlijk centrum Korinthe, en Athene. Heel het vaste land van Griekenland heeft gehoord van uw geloof. Gelovigen uit deze plaatsen richten hun leven in overeenkomstig het leven van de gelovigen uit Thessalonica.’ Dit staat er eigenlijk.

 

Gemeente, nu is er een indringende waarschuwing op zijn plaats. We moeten oppassen voor persoonsverheerlijking. We komen dit zowel ter rechter- als ter linkerzijde in onze gemeenten tegen. Misschien ook wel in uw, jouw of mijn leven. Ik denk aan mensen die veel van God hebben geleerd en daarmee voorbeelden worden van afgoderij. Hun namen circuleren dan in Nederland of daarbuiten. Over wie boekjes geschreven worden of die soms zelf hun levensverhaal op papier zetten. Rondom wie gezelschappen gehouden worden, met bussen vol gaan we eropaf. Voorbeelden hiervan zijn er helaas te over. Dan komt de mens heel snel en heel vaak in het middelpunt te staan. Er dreigt dan het gevaar dat mijn geestelijk leven en mijn bekering norm wordt voor een ander. Ik doe hun geestelijk leven na. Ik praat hun praat na. Dit wordt in onze tekst niet bedoeld! Het woordje ‘voorbeeld’ betekent, laat ik het maar zo zeggen: een stempel.

Wat is kenmerkend voor een stempel? Wel, aan de onderkant, de stempelzijde, zit een afdruk, in spiegelbeeld natuurlijk. Om die afbeelding te kunnen zien, moet je die stempel omdraaien.

Ik wil hiermee duidelijk maken dat een gelovige is als een stempel. Het gaat niet om mijzelf. Je ziet die afdruk niet meteen, daarvoor moet je die stempel omdraaien, en dan zie je nog maar een spiegelbeeld. De afdruk zie je pas echt goed als je met die stempel een afdruk maakt.  Als we alleen naar het spiegelbeeld kijken kunnen we er weinig van maken. ‘Maar’, zegt Paulus, ‘het gaat om de afdruk.’

Gemeente, laten we onszelf niet wijs maken dat onze levenswijze niet zo belangrijk is. Want met één verkeerd voorbeeld kun je al je woorden van jaren ontkrachten. Tegelijk moeten we ons bedenken dat anderen ons niet moeten navolgen vanwege onszelf. Het gaat om die spoorslag. Het gaat om die Ene Naam, Die door middel van uw leven mag worden verspreid. Jezus Christus. Opdat zichtbaar, merkbaar, voelbaar en hoorbaar zou worden dat we Christenen zijn.

 

Dat brengt me bij het derde punt:

 

  1. Een missionaire gemeente in bekering

 

Want u bent voorbeelden geworden. Hoe weet ik nou dat ik een voorbeeld ben? Nou, dat blijkt uit het volgende: Van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedonië en Acháje, maar ook in alle plaatsen.

Een hart wat vol is van de genade zorgt ervoor dat de mond overvloeit van Gods eer. We zingen het vaak: ‘Dan vloeit mijn mond steeds over van Uw eer, zoals een bron zich uitstort op de velden.’ Dat is heel Bijbels. Paulus zegt ergens: Maar zij hadden alleenlijk gehoord dat men zeide: Degene die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte. En zij verheerlijkten God in mij (Gal.1:23,24).

Dus, gemeente, heel die bron van Paulus ging open. En het gevolg? Er waren er velen die God gingen verheerlijken. Van u uit – zo staat er eigenlijk – is het Woord van de Heere luidbaar geworden. Zoals David in Psalm 66 zingt: Komt, hoort toe, o, allen gij die God vreest, en ik zal u vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft. (…) Hij werd verhoogd van onder mijn tong.

 

Dan komt vers 8. Taalkundig en wat de structuur betreft een heel moeilijk vers. Literair gezien een prachtig vers. Het is geweldig knap opgeschreven. U zegt misschien: ‘Ja, maar de Bijbel is toch geïnspireerd door de Heilige Geest? Dat wil echter niet zeggen dat de Heere er maar een rommeltje van maakt…’ Dat wil echter niet zeggen dat Paulus als filosoof en theoloog niet zijn best gedaan heeft de Boodschap zo goed mogelijk te verwoorden. Gemeente – als u aantekeningen maakt van de preek – moet u maar proberen het op de volgende manier op te schrijven. We verdelen de inhoud van vers 8 over twee kolommen. In de eerste kolom schrijven we – onder elkaar – de woordjes luidbaar, gevolgd door het woordje Woord  en daaronder de namen van de steden Macedonië en Acháje. Er staat dus letterlijk in het Grieks: Luidbaar is het Woord van de Heere geworden in Macedonië en Acháje.  

Dan schrijven we in de tweede kolom de belangrijkste woorden van het tweede gedeelte van vers 8, ook weer onder elkaar: Inhoudelijk staat er hetzelfde als in het eerste gedeelte van het vers, maar de volgorde van de woorden is omgekeerd. We moeten het als volgt lezen: in alle plaatsen, dan vertrouwen (of geloof), gevolgd door het woordje uitgegaan. Dus: in alle plaatsen – uw geloof – uitgegaan. In de tekst wordt hetzelfde eigenlijk dus dubbel gezegd.

Als we nu de twee kolommen naast elkaar zetten kunnen we de woorden van gelijke betekenis door een streep met elkaar verbinden. Er vormt zich dan een figuur: een soort drievoudig kruis. Paulus maakt hier gebruik van de zogenaamde ‘chiastische parallel’ uit de redeneerkunst van de filosofie. Chiastisch heeft met kruis te maken. De woorden vormen als het ware een drievoudig kruis.

Wat wil Paulus nu eigenlijk zeggen?

Hij maakt gebruik van de toenmalige redeneerkunst om het hart van zijn boodschap te verduidelijken. In de stijlfiguur schittert de boodschap van Christus; het kruis van Christus. Het Evangelie van de opgestane Zaligmaker. Dát moet het leven van de lezers van zijn brief zijn. Dát moet de inhoud van hun hart, hun blijdschap, de inhoud van hun woorden zijn. De inhoud van hun geluid. De verkondiger is als het ware de geluidsdrager geworden van die ene Geluidsbron met een hoofdletter.

 

Jongens en meisjes, ik zou het met een voorbeeld willen verduidelijken. Jullie hebben thuis, denk ik, niet meer van die langspeelplaten, van die grote, ronde schijven. Die kun je op een draaitafel leggen, je doet er een naald op, en dat zorgt ervoor dat er geluid uit komt. Vandaag de dag hebben we cd’s, dvd’s of andere geluidsbronnen. Maar uiteindelijk maakt het niet zoveel uit, wat die geluidsbron is. In zoverre dat je via een ouderwetse langspeelplaat net zo goed prachtige muziek kunt beluisteren als van de onze moderne geluidsdragers. Nu gaat het, gemeente, vooral om die geluidsdrager. U kunt de prachtigste apparatuur hebben, maar als er een defect is, dan hoort u niets. Nu zegt Paulus dat het schitterende Woord van God, het Evangelie van het kruis, ‘luidbaar is geworden van ú uit.’ U mag de geluidsbron zijn.

 

Dan nog iets over het woordje ‘luidbaar’. Daarin zit de betekenis in van ‘echo’, van een ‘luid uitschallen’. Het woord wordt maar één keer in de Bijbel gebruikt. De bazuin van het Evangelie wordt geblazen. En hierdoor, vanuit u, verspreidt dat geluid zich in alle plaatsen.

Het staat er eigenlijk een beetje apart. In alle plaatsen is uw geloof uitgegaan. Had er eigenlijk niet moeten staan: Naar alle plaatsen toe? Bijbelverklaarders worstelen dan ook met de exegese van het ene woordje in. Waarom zegt Paulus niet: ‘naar alle plaatsen ging uw geloof uit?’

Sommigen zeggen: ‘Ja, kijk, het is een argument om alleen maar naar onze eigen kring te kijken. We hoeven niet te veel aan evangelisatie te doen, het gaat om die plaatsen waar we zijn, en in die plaatsen moet dat geluid uitgaan. Zeg maar: ‘in de kerk’. Deze mensen zijn er vandaag ook nog. Ze kijken niet naar buiten, maar naar binnen. Met als argument: de heidenen nemen het Woord toch niet aan. Laten we maar goed van God spreken in de kerk.

Anderen zeggen: ‘Dat geluid moet je laten klinken op allerlei plaatsen waar je elkaar kunt ontmoeten. Paulus zou er de nadruk op leggen dat je op de markt moet gaan staan, of op belangrijke handelswegen.’ Ook deze uitleg is niet juist.

Weer anderen zeggen: ‘Het is een soort hyperbool; een stijlfiguur van overdrijving. Paulus wil het als heel belangrijk en heel voornaam uitdrukken. In alle plaatsen is dat geloof geweest.’ Weer een ander zegt: ‘Het is het beeld van het wereldwijde karakter van de kerk.’ Deze verklaring volgen we ook niet.

Wat bedoelt Paulus dan wel?

Het volgende: In al die plaatsen waar u was, waar u sprak over God, is er een wonder gebeurd. Want in al die plaatsen is het Woord door de Heilige Geest werkzaam geweest. Dus van groot belang is: waar u bent, waar u spreekt, waar u anderen opzoekt, overal waar mensen elkaar ontmoeten, in al die plaatsen waar u was, is uw geloof luidbaar geworden, vanuit u. Het Woord echoot. U hoeft niet altijd naar allerlei plaatsen uit te gaan – zo staat het hier – maar op de plaats waarop God u stelt moet u als de Heere u de gelegenheid geeft, door woord en daad het Woord laten echoën, uitgalmen. Dat is evangelisatie. Dan zorgt de Heere er wel voor dat die golven van dat Woord zich verbreiden tot in alle plaatsen toe.

Thessalonica was er een uitermate gunstige plaats voor. Een havenstad, handelslui, een verkeersader, een marktplein… Maar u moet er zelf wel over spréken. En de Heere zorgt er dan voor dat die geluidsgolven zich ook verspreiden.

 

Gemeente, nu kom ik bij wat bezwaren. Bij schroom. Bij moeilijkheden. Want ik laat het misschien toch liever over aan de ambtsdragers die in al die plaatsen op preekstoelen en achter katheders staan. Of aan theologen, die erover nadenken. En ja, wanneer ik dan toch wat moet doen, dan maar liever door daden dan woorden. Als ik naar mezelf kijk, dan ben ik vaak zo weinig geoefend in het geloof. En ik ben zo zondig. Moet ik dan eigenlijk wel evangeliseren?

Al deze dingen zijn niet steekhoudend! Want we hoeven niet ónze woorden te spreken, maar het Woord van God. Van u uit is het Woord van de Heere luidbaar geworden. Die Bijbel, die boodschap, dat Evangelie.

 

En zo staan ze daar in Thessalonica op de pleinen, op de grote marktplaats, op het knooppunt van de drukke verkeersader Via Egnatia. De apostel en zijn helpers staan daar met het Woord van onze God. Wanneer dat Woord klinkt, gemeente, komt er meer aandacht voor het hemelse brood, dan voor het aardse brood, meer voor de hemelse rijkdom dan de aardse koopwaar.

 

We zingen nu in dit verband Psalm 51 vers 7:

 

Dan zal ik elk, die ’t heilspoor bijster is,

Vrijmoedig al Uw rechte wegen leren;

De zondaar zal zich dan tot U bekeren,

En scheppen moed uit mijn behoudenis.

O God, Gij God mijns heils, vergeef mijn schuld,

Mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen;

Dan zal mijn mond, met zangstof weer vervuld,

Uw heilig recht, gepaard met goedheid roemen. 

 

Een missionaire gemeente in bekering, een missionaire gemeente in leven, een missionaire gemeente in verkondiging. En ten slotte:

 

  1. Een missionaire gemeente in geloof

 

We schenken aandacht aan vier punten. Eén punt betreft het spreken over de Heere en Zijn dienst. Dat is belangrijk. Maar vergeet vooral ook dat andere niet: een leven met God, een voorbeeldig leven leiden. En het eindigt ook weer met het geloof. Het leven met de Heere omkranst letterlijk, omcirkelt het uitdragen van het Woord.

Helaas ontbreekt het nogal eens aan dat geloof. Er zijn mensen die heel vrijmoedig over de Heere kunnen spreken – ik ben vaak jaloers op die vrijmoedigheid – maar als je dan vraagt: hoe ligt dat nou bij jezelf, dan zeggen ze nogal eens: ‘Ja, dat is wel wat lastig.’ Gemeente, ik zeg niet dat je niet over God en Zijn dienst moet spreken, want al het volk des Heeren moet profeet zijn, maar het schort al te vaak aan dat geloof.

We zien nu dat Paulus het geloof verbindt aan het leven, aan persoonlijke bekering en aan de verkondiging van het Woord. Hij gebruikt het woordje ‘maar’ om als het ware een tegenstelling te creëren, die er eigenlijk niet is. Tóch – let u goed op – er staat: Maar óók – weer zo’n woord van nadruk – in álle plaatsen is uw geloof… vanuit al die plaatsen, in Thessalonica of ergens anders, waar u over de Heere gesproken hebt, is uw gelóóf uitgegaan. De echo van het Woord wordt luidbaar, maar ook uw geloof. Het geloof dat u hebt op God.

 

Het woordje ‘hebt’ lees je niet in het Grieks, er staat eenvoudig: ‘geloof op God’. Het woordje geloof, pistos in het Grieks, komt van het werkwoord pistarro. Pistos en pistarro – je hoort er dezelfde klank in. Het verwijst naar een onwankelbare vaste grond; het geloof in de waarheid van God. Het Woord van God is waar, maar ook het rusten in het volbrachte werk van de Heere Jezus.

Gemeente, er zijn vanuit de Bijbel drie aspecten aan het geloof verbonden: Het Woord van God is waarheid. Het Woord van God is de absolute waarheid – daaraan mogen we niet twijfelen. Het tweede aspect is het rusten op het werk van Christus. En als derde aspect noem ik het vrijmoedig belijden ervan. Ik spréék ervan; het komt naar buiten toe. Vandaar dat Paulus zegt: Uw geloof is uitgegaan. Geloof in je hoofd, geloof in je hart, geloof in je handen en voeten. Geloof op God. Náár God, of áán God, en dan heel exclusief bedoeld. God is de Enige, op Wie ik rust.

Nu noemt Paulus niet de ‘Heere Jezus’, maar ‘God’. God drie-enig, Theos, staat er in het Grieks. Jongens, meisjes, de God Die alles gemaakt heeft, de God van de Bijbel. In Hem geloof ik. Daar twijfel ik niet aan. En die God heeft ook de Heere Jezus gezonden, Zijn eniggeboren Zoon, op Hem mag ik rusten en in Zijn werk mag ik vrede vinden.

 

Gemeente, nu komt er vaak van alles op die Boodschap af. Want als predikant, als missionair werker, als theoloog, als moeder, als vader op het werk, als jongens of meisje op school, als evangelist en zendeling – op welke plaats je ook staat: er zijn zo vaak weer teleurstellingen. Ik vraag mezelf wel eens af: Is dat nu allemaal wel vruchtbaar geweest, wat ik als zendingspredikant gezegd heb en gedaan. Ik heb de voorbeelden genoemd: Jesaja, Noach, en ook de Heere Jezus Zelf. Ik heb mezelf die vraag weleens gesteld: Wat heeft die drie jaar werk in Papoea eigenlijk uitgewerkt?

Maar die vraag moeten we niet te vaak stellen. De vrucht is immers bij God bekend. Als uw geloof maar uitgegaan is, zo staat het er. Op alle plaatsen, in alle plaatsen, verspreidde zich dat geloof. Het bleef niet in Thessalonica, het bleef niet in Macedonië, het bleef niet in Griekenland, maar het ging wereldwijd, zo zegt Paulus het hier. Vanuit de havenstad Thessalonica werd het geloof van de Thessalonicenzen wereldwijd verspreid.

 

Hoe ligt dat nu bij ons als gemeente, of in welke evangelisatiepost we ook werkzaam mogen zijn? Is uw geloof bekend geworden? Zeggen de mensen nu: ‘Ja, daar in die kerk, of in die groep van personen, daar is dat geloof, het leven met God. Daarover hoef je ons eigenlijk niets meer te zeggen, het is duidelijk!’

God zorgt voor Zijn eigen werk! Daarmee eindigt Paulus. Je hoeft het niet zelf te doen. Dat is de grote bevrijdende les van deze tekst. Natuurlijk, je moet een voorbeeld zijn, en als God je de gelegenheid geeft, probeer er dan anderen ook maar iets over te vertellen. U mag er met ontspanning in bezig zijn. Zodat wij niet van node hebben iets daarvan te spreken. Zo zegt Paulus het. Daar heeft God zelf voor gezorgd. Dan mogen we niet zeggen: ‘Nou, dan hoeven wij niets te doen, niet erover te spreken.’ Zo wordt het niet bedoeld. Wij mogen sprekende voorbeelden zijn, maar het is God, Die het Woord verder brengt. Wij niet. Heilig ontspannen.

Er zijn mensen die altijd zo veel moeten. Maar Paulus zegt: Je moet je plicht doen. Als missionaire gemeente de evangelisatieopdracht invullen. Maar laat God toch Zelf de geluidsgolven van dat Woord verspreiden. De apostelen hoeven er niets aan toe te voegen. God zorgt voor Zijn eigen werk.

 

Gemeente, er moet wel het werk van God zijn. Persoonlijk geloof. Wat kunt u over uw geloof, jouw geloof, uw leven met God te zeggen?

U of jij bent nog ongelovig?

Het was nog niet zo lang geleden dat aan Paulus de vraag werd gesteld: Wat moet ik doen opdat ik zalig worde? (Hand.16:30). Het antwoord dat hij gaf, geef ik vanmorgen aan jou, aan u: Geloof in den Heere Jezus Christus, en u zult zalig worden, u en uw huis (Hand.16:31).

Wordt u nog zo heen en weer geschud en geslingerd, al twijfelende, of bent u beschroomd? Zong u Psalm 51 zo-even vanuit uw gemis? Die vrijmoedigheid heb ik niet? Ik ben een riet dat ginds en weer door de wind bewogen wordt. Zoals Johannes de Doper?

Welnu, dan wijs ik u en jou op het geloof. Het geloof als een vaste grond van de dingen, die men hoopt en een bewijs van zaken die we niet zien. Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet (Hebr.11:1). En ik wijs u op het gebed van die vader van die maanzieke knaap. Die jongen met epilepsie: Ik geloof, Heere! – er staat in mijn Bijbel een uitroepteken achter – ik geloof, Heere! Kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark.9:23). Dan mogen we als die vaste grond in ons hart de rust vinden in het offer van het kruis. Ik heb geloofd dat Gij zijt de Christus – zei Martha – Die in de wereld komen zou (Joh.11:27).

 

Tot slot: Wat geeft het een dubbele verantwoordelijkheid om vanuit die bekering tot God, vanuit het leven met de Heere, als voorbeelden, als verkondigers, dat geloof te mogen verspreiden. Tot ons allen komt Jezus’ eigen woord – het begin van Zijn prediking werd erdoor gemarkeerd: Bekeert u, en gelooft het Evangelie (Mark.1:15).

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 119 vers 7   

               

‘k Heb and’ren al de rechten van Uw mond

Met lust verteld, hen vlijtig onderwezen;

Uit al den schat van ’t grote wereldrond

Is nooit die vreugd in mijn gemoed gerezen,

Die ‘k steeds in Uw getuigenissen vond,

Door mij betracht, en and’ren aangeprezen.