Ds. G.J. Baan - 1 Thessalonicenzen 1 : 1 - 5

Een levende gemeente

De bron
Het middel
Het karakter
De uitstraling

1 Thessalonicenzen 1 : 1 - 5

1 Thessalonicenzen 1
1
Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de Gemeente der Thessalonicensen, welke is in God den Vader, en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
2
Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden;
3
Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader;
4
Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God;
5
Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 46: 3 en 4
Zingen : Psalm 26: 10 en 11
Lezen : 1 Thessalonicenzen 1
Zingen : Psalm 119: 65
Zingen : Psalm 101: 1 en 2
Zingen : Psalm 119: 67

Gemeente, we kennen allemaal die tekst wel uit Jesaja 43. God zegt daar in het eenentwintigste vers: Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. De Heere spreekt dan over Zijn volk Israël als een beeld van Zijn Kerk.

‘Ik heb hen gemaakt’, zegt God. Voortgebracht, geschapen. De Heere wijst terug naar Zijn scheppende en almachtige kracht. Dit volk heb Ik voor Mijzelf geschapen. Het is een beeld van Gods Kerk. Het wijst natuurlijk niet alleen op de geboorte, de schepping; maar vooral op het werk van Gods genade.

Ik heb hen wederom geboren, Ik heb hen zalig gemaakt. Dat blijkt heel duidelijk uit het eerste vers van datzelfde hoofdstuk, daar zegt de Heere: ‘Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijne. Ik heb alles gedaan tot uw behoud en tot uw zaligheid. Om u tot Mijn kinderen te maken. Jou en u tot Mijn volk geformeerd. Geschapen om Mijzelf. Tot Mijn lof, om Mijn Naam groot te maken. Om Mij als Formeerder, als Schepper, als Zaligmaker, als Koning en als Bezitter te eren.’

De Heere zegt dan van Zijn volk: ‘Ze zullen ieder voor zich en gezamenlijk, Mijn lof vertellen. Ze moeten als Mijn gemeente een levende gemeente zijn, en het werk van Mijn genade ook uitstralen.’ De Heere zegt dus: ‘Het volk dat Ik geformeerd heb, zal zijn tot lof van Mijzelf.’

 

Hoe mogen wij nu gemeente zijn?

Het antwoord op deze vraag willen we in vier preken behandelen. De eerste preek heeft als thema: Een levende gemeente. We beperken ons dan tot de eerste 5 verzen van ons teksthoofdstuk. De tweede preek zal gaan over de missionaire gemeente (vers 6 tot en met 8); de derde gaat over een heilige gemeente (naar aanleiding van vers 9); en de vierde heeft als thema een verwachtende gemeente (vers 10).   

 

Gemeente, hoort nu het Woord van onze God dat ik u bedienen wil uit 1 Thessalonicenzen 1, daarvan de verzen 1 tot en met 5. Het is nogal een lange tekst, maar ik wil – stap voor stap – met u deze verzen behandelen:

 

1. PAULUS en Silvánus en Timótheüs aan de gemeente der Thessalonicenzen, welke is in God den Vader en den Heere Jezus Christus: Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.

2. Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden;

3. Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader;

4. Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God.

5. Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in veel verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil.

 

De preek heeft als thema: Een levende gemeente.

 

Een viertal aandachtspunten:

 

1. De bron: Gods verkiezende liefde. Naar aanleiding van vers 1 en 4.

2. Het middel: Hoe is die gemeente in Thessaloníca ontstaan? We letten dan op vers 5.

3. Het karakter: Waardoor kenmerkt zich de gemeente. Vers 3b.

4. De uitstraling: Wat straalt die gemeente uit? Vers 2 en vers 3a.

 

  1. De bron

Gemeente, Thessaloníca lag in Macedonië, het huidige Griekenland. Vandaag de dag is dat de tweede grote stad van Griekenland. Toen Paulus de stad bezocht was het al een geweldig rijke, een voorname en welvarende plaats. Er woonden veel handelslui en rijksambtenaren. Haar rijkdom had de stad vooral te danken aan de landbouw en de mijnen waarin tin werd gewonnen. Maar helaas waren er heel veel heidense religies. De keizercultus bijvoorbeeld. In Thessaloníca bevond zich een tempel die aan Julius Ceasar gewijd was. U begrijpt wel dat er talloze mensen samenkwamen in die tempel.

Die grote wereldstad lag op het hart van Paulus gebonden. Paulus, Silas (hij wordt hier bij zijn Romeinse naam ‘Silvánus’ genoemd) en Timótheüs hebben vanaf Troas de oversteek gemaakt naar Macedonië. U kent de geschiedenis: Kom over in Macedónië en help ons (Hand. 16:9).

 

De eerste stad die ze in Macedonië bezochten was Filippi. Jongens en meisjes, het was de tweede zendingsreis van Paulus. Hij was toen 51 jaar oud. Er kwam een scheiding met Bárnabas. Daarna voegde Silas zich bij hen. In Lystre en Derbe ontmoette Paulus Timótheüs; deze voegde zich ook bij het gezelschap. Ten slotte ook Lukas, vanaf Troas. Ze reisden dus een tijdje met z’n vieren. Toen ze naar Thessaloníca vertrokken bleef Lukas achter. Met z’n drieën reisden ze verder vanaf Filippi naar Thessalonica.

Er waren inmiddels grote wonderen gebeurd. Lydia’s hart was geopend en de stokbewaarder – de gevangenbewaker van de gevangenis in Filippi – werd krachtdadig tot God bekeerd. Maar de reis ging verder. Via Amfipolis en Apollónia (zo’n 150 kilometer lopen) kwamen ze na enkele dagen aan in Thessaloníca.

Wanneer we letten op de rijke en uitgebreide inhoud van deze twee brieven, zou je niet zeggen dat Paulus er maar drie zondagen is geweest. Tóch is er een jonge gemeente ontstaan, die bestond uit pas bekeerde christenen. De inhoud van deze brief is heel geschikt voor mensen die nog maar zo kortgeleden tot de genade in Christus en het geloof in de Heere Jezus gekomen zijn. Of voor mensen die nog zoveel struikelen en twijfelen.

 

Na zijn bezoek aan de gemeente van Thessaloníca is Paulus via Athene naar Korinthe gegaan. In deze stad heeft hij een bezoek ontvangen van Timótheüs en Silas, die verslag deden van wat zich in Thessalonica inmiddels afspeelde. Paulus kon het allemaal goed plaatsen, hij was er zelf ook geweest. Ondanks de rijke vruchten die er waren, wordt hij vervuld met grote zorg. Er waren veel heidenen (ze worden ‘godsdienstige heidenen’ genoemd) uit de Grieken tot God bekeerd. Joden vormden een minderheid. Maar daarin lag juist een grote bedreiging. Vooral Joden waren het niet eens met de prediking van Paulus. Zij wilden liever zalig worden door de werken van de wet, dan door de kracht van het Evangelie. Er ontstond daardoor een grote verwarring. Tegelijk bleven van buitenaf de afgoden en wereldse dingen trekken.

Satan was dus zeer actief! Daarom schrijft Paulus onmiddellijk een twee brieven die ook de instemming hadden van Silas en Timóteüs. De bedoeling van de eerste brief is vooral om de jonge gemeente, die door zoveel twijfel en onzekerheid werd aangevallen, te bemoedigen en te versterken.  

 

Paulus richt zich, zo lezen wij, tot ‘de gemeente der Thessalonicenzen’. Ik heb er altijd overheen gelezen, maar toen ik me er wat meer in verdiepte, viel me een heel merkwaardige aanhef van de brief op.

Er staat niet, zoals je zou verwachten: ‘aan de gemeente die in Thessalonica is’. Alle nadruk valt dan op de geméénte, op de gemeente van God. Maar nu maakt Paulus een uitzondering. Hij richt zich niet tot de ‘gemeente in Thessaloníca’, maar tot ‘de gemeente der Thessalonicenzers’; dus tot de gemeente van de mensen in Thessaloníca. Hij betrekt de inwoners van de hele stad erbij. De nood is hem zo opgelegd dat hij al die mensen in  Thessaloníca erbij wil betrekken.

Het is een gemeente, midden in die stad, die gevormd wordt door Thessalonicenzen. Vaak zeggen we: ‘We zijn gemeente in deze of gene stad of dorp…’ Maar ik hoop dat we beseffen dat wij als inwoners van onze woonplaats een gemeente vormen. Dan is de nood ons opgelegd om ook naar buiten toe gemeente te zijn. Dat is het eerste wat opmerkelijk is in deze aanhef.

 

Als tweede vallen die drie namen op die worden genoemd: Paulus, Silas en Timótheüs. Ze waren alle drie anders. Alle drie op een verschillende manier tot God bekeerd. De één ouder, de ander jonger. Verschillend in karakter, en ook wel van ligging. Waar paulus in zijn andere brieven over hen schrijft, zie je dat. Hetzelfde geldt voor Lukas, die enige tijd met hen mee gereisd was. Maar de éénheid van deze drie dienaren treft ons. Samen schrijven ze elk vanuit hun eigen achtergrond een gemeente aan.

Het derde dat opvalt: de gemeente is in God. De woordjes welke is mag u ook weglaten, want dat staat er niet letterlijk. In het Grieks staat er het woordje ‘en’; vertaald in het Nederlands betekent dit woordje: ‘in’. En dan in de zin van: ze lijken op God, ze vertonen gelijkenis met God en de Heere Jezus Christus. Als we letten op hun rechtvaardiging, vergeving van zonden en een heilig leven, lijken ze op God. Dat concludeert Paulus hier.

 

Gemeente, mag ik nu die aanhef even op ons allemaal toepassen? Thessalonicenzen, inwoners van Thessaloníca, die een gemeente vormen? Is de nood van onze omgeving ook ons opgelegd? Of zegt u: ‘Al die mensen horen er niet bij. Ze zijn natuurlijk wel welkom. Ze mogen de kerk in; we sturen ze niet terug. Maar ja, goed, wij zijn gemeente.’ Nee, er staat: de gemeente van de Thessalonicenzen.

En hoe staat het met de eenheid in de ambtsbediening? Dat is natuurlijk vooral een vraag voor ambtsdragers. Maar de vraag is dan: hebben u, jij en ik ook eerbied voor hen? Jezus zegt immers: opdat zij allen één zijn (Joh.17:21).

Mag ik u allen, zoals Paulus de gemeente aanspreekt, u en jou de vraag voorleggen: Bent u ook in God; gelijkvormig aan de Heere Jezus Christus? Het is waar dat Paulus allereerst de gelovigen op het oog heeft. Vers 3 gaat over geloof, liefde en hoop. In vers 4 wordt gezegd: verkoren van God. En in vers 6: navolgers van het Woord van de Heere. Maar hij sluit niemand buiten in zijn brief. U, jij en ik, we worden allen aangesproken.

 

Na de aanhef van de brief volgt in vers 1 een korte groet, korter dan die in de andere brieven van de apostel Paulus: Genade zij u en vrede van God onzen Vader. Hij is de Vader van alle barmhartigheid en genade en liefde. Genade en vrede zij u van den Heere Jezus Christus. God en Christus, die beide Weldoeners. Ze geven u die beide weldaden. Genade van God de Vader en vrede door het kruis van Christus.

Wat is deze korte kernachtige groet vol van inhoud. Weet u wat het betekent? Onverdiend zag God op u neer, uit genade! En die vrede – eirènè staat er in het Grieks – is een hemelse vrede. Die vrede wil zeggen dat er niets meer tussen ligt. Vrede van Christus, door het kruis… zij u.

Wat betekent dat? Is dit zomaar een wens?

Nee, het is een constatering. Het is zo. Het is de effectiviteit van het geloof.

Wat een zegen, Thessalonicenzen, jullie zijn de voorwerpen van Gods genade. Jullie zijn voorwerpen van Gods vrede, van Jezus’ vrede.

Waarnaar verwijst dat nu?

Wel, de lijn loopt direct naar vers 4: Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God. Paulus zegt eigenlijk: ‘Ik constateer het. U kent uw verkiezing.’

‘Ja maar’, zegt u, ‘hoe kan dat nu?’ Hoe kan Paulus nu weten dat die mensen verkoren zijn? Ik, als predikant, kan toch ook niet weten of u verkoren bent? Ik kan het van mezelf weten, door genade. Maar niet van u, van jou. Gaat Paulus niet wat te ver? Is hij niet wat al te optimistisch?

Nee, gemeente, het gaat hier over de bron. De bron van eeuwige liefde. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer.31:3). In zijn tweede brief komt Paulus er in hoofdstuk 2 op terug. In vers 13: dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid. God is in uw leven begonnen. Daar ligt de bron van genade. De bron ook van het gemeente zijn.

Ja maar, ik vraag het nog een keer, hoe weet Paulus dat? Hoe kan hij nu van hen, hoe mag ik van u of van jou zeggen dat God u verkoren heeft?

Gemeente, het valt me allereerst op dat nergens in de Bijbel, op geen enkele plaats, staat dat wie dan ook zegt: ‘U bent niet uitverkoren.’ Calvijn wijst er heel vaak op dat wij nooit zullen kunnen weten niet uitverkoren te zijn, hooguit als u zich totaal verhardt tegen God. En, laat ik het maar zeggen, als u de Heilige Geest uitblust. Dan kan het zo zijn dat je de zonde tegen de Heilige Geest doet, dat je erbuiten valt. En dat je het weet en je er ook niets meer van aantrekt. Maar Paulus zegt: ‘Ik weet het! Dat blijkt uit de vrucht van uw leven.’ (Daar kom ik straks op terug, het blijkt uit vers 5). ‘U hebt’, zegt Paulus, ‘het Woord aangenomen en de kracht van de Heilige Geest ervaren. En dat neem ik over.’ Trouwens, Timótheüs en Silas hadden de gemeente kortgeleden bezocht. Paulus zegt in hoofdstuk 3 vers 6 dat hij van hen een goed bericht had ontvangen van hun geloof en liefde. Paulus’ hart en dat van de gelovigen van Thessaloníca smelten nu samen.

 

Ik rond mijn eerste en meest uitvoerige punt af met de vraag: Hoe zou God ons als gemeente aanspreken? Wat zou Hij over jou, mij en u zeggen?

Dat kunnen we alleen maar weten door het Woord van God. We zingen daarom Psalm 119 vers 65:

 

            Hoe wonderbaar is Uw getuigenis!

            Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;

            Want d’ oop’ning van Uw woorden zal gewis,

            Gelijk een licht, het donker op doen klaren;

            Zij geeft verstand aan slechten, wien ’t gemis

            Van zulk een glans een eeuw’gen nacht zou baren.

 

  1. Het middel

 

De bron van het geloof der Thessalonicenzers is Gods verkiezende liefde. God had naar hen omgezien. ‘Wat is het toch heerlijk dat er een verkiezing is’, zo hoort u in gedachten Paulus zeggen. Geweldig dat God begonnen is in ons leven, zo schrijft hij.

Ja maar, hoe gaat dat dan? Als God verkiest dan houd ik mijn armen maar over elkaar en dan doe ik niets, want dan gebeurt het toch wel!

Ja, zoiets wordt vaak gezegd. Die overweging is veel actueler dan u denkt. En als u onbekeerd bent, vervult die gedachte misschien wel meer uw hart dan u beseft. Als God mij niet uitverkoren heeft, kom ik er nooit…

Gemeente, dat is de logica van ons verstandelijk overwegen. Zo denken wij. Maar ons verstand is door de zonde verduisterd. Paulus rekent er radicaal mee af.

Ik doe nog een stap terug. De Bijbel rekent al in het Oude Testament radicaal met die gedachte af. Want ik heb in de preek al twee dingen gezegd over de verkiezing. In de eerste plaats: de bron is Gods liefde. God heeft hen verkoren. En ten tweede constateert Paulus in vers 4: Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God.

Maar nu nog een derde notie: U mag met de verkiezing niet werken. Nooit. Als je nog onbekeerd bent, hoef je er zelfs niet over na te denken. Dit is geen blasfemie, gemeente, u komt er niet verder mee. De Heere zegt in Deuteronomium 29 vers 29 (het is de meest bekende tekst over de verkiezing in het Oude Testament): De verborgen dingen (vult u de verkiezing maar in) zijn voor den Heere onzen God, maar de geopenbaarde (dat is het Evangelie) zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.

 

Ik noem nog een tekst: In Deuteronomium 7 vers 6 zegt de Heere: Want gij zijt een heilig volk den Heere uw God; u heeft de Heere uw God verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken die op den aardbodem zijn. Dat gaat over verkiezing. Punt.

 

‘Ja maar’, zegt u, ‘er volgen nog wel wat teksten…’

Zeker! De Heere … die getrouwe God, dewelke het verbond en de weldadigheid houdt. God brengt dus het verbond in verband met de verkiezing.

Wie betreft het dan? De mensen die Ik verkoren heb?

Nee! Dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten (Deut.7:9). En dan volgt direct: Houd dan de geboden en de inzettingen en de rechten... Laat ik het maar zo zeggen: ‘Luister naar het Woord van God.’ Dát is het middel om een levende gemeente te worden. De gelovigen moeten zich vanmorgen verwonderen over onze verkiezing door God. Dat doen we toch? ‘Heere, waarom hebt U het op mij gemunt? Er gaan er zovelen verloren… Waarom hebt U ons die ontferming gegeven?’

Trouwens, God gunt aan ieder mens die ontferming. We mogen nooit zeggen: ‘Die u géén ontferming gunt.’ Hij gunt die aan ons allen. Hij is het die ons Zijn vriendschap aanbiedt. Maar: er is wel verwondering…. Want ik heb zelf nooit naar U gevraagd, en U nimmer echt gezocht.

Ongelovigen, ook daar in Thessaloníca, moeten de genademiddelen ernstig waarnemen. ‘Want’, zegt Paulus, ‘hoe kwam u nu tot die levende gemeente als werkelijk levend lid?’ Dat blijkt uit het verband, vers 4 en 5: Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest.  

 

Ons Evangelie. In het Nieuwe Testament staat het drie keer op deze manier. In onze tekst, en in de tweede brief aan de Thessalonicenzen, hoofdstuk 2 vers 14. Daar spreekt de apostel over ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus. En de derde keer in 2 Korinthe 4 vers 3, maar dan in de negatieve zin: Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen die verloren gaan.

Ons Evangelie die aanduiding wordt gebruikt om de bedoeling om de prediking te benadrukken. Dus u mag voor ‘ons Evangelie’ invullen: de prediking van Paulus, Silas, Timótheüs… En Lukas op een andere plaats, Bárnabas – vul alle namen maar in –  Johannes, Petrus, ik als prediker…

U luistert naar een preek. Wat is de betekenis van die preek? Het Evangelie wordt u verkondigd: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

Het is de prediking van de gekruiste Christus. Van Jezus. De preek van dat Lam van God, het vleesgeworden Woord. Een heerlijke boodschap die elke zondag tot u komt. Het is een boodschap in Woord (het staat in het enkelvoud in het Grieks) en in kracht. Die prediking komt tot u…

Mag ik dat laatste even wat benadrukken?

Paulus zegt: ‘Die boodschap is onder u geweest.’ Eigenlijk staat er: die heeft u bereikt. Die prediking kwam naar u toe. Je mag ook vertalen – en dat is misschien nog wel het beste: Die boodschap was aan u gericht. Aan wie? Aan mensen die nog onbekeerd waren.

Het gaat hier dus niet over de verkorenen. Paulus spreekt hen wel aan. Maar toen ze nog zonder genade waren. De boodschap van de zaligheid is ook aan u gericht. Heeft God aan jou gebracht. Heeft de Heere aan u gegeven. De Erskines zeggen vaak: ‘In de preek wordt de Heere Jezus aan elk mens gegeven, aangeboden.’

 

Onder u. Het is heel concreet. Die preek is uitgesproken. Wat betekent dat? Het Woord was er en het is weer weggegaan? Nee, hoewel het een kwestie is van vertaling, zegt Paulus het zó, dat alle nadruk op het moment ligt. Alle nadruk op het feit, beter gezegd.

Het Woord kwam naar u toe. De apostel zegt niet: ‘Het dwarrelde op u neer en ging over uw hoofden heen. Nee, de woorden waren tot u gericht. Het is een machtig feit dat God ze aan u deed horen, maar ze zullen ook weer een keer gáán…’

Ik ben er nooit geweest, maar als je nu in Thessaloníca komt, zie je een rijke stad waar de kracht van het Woord van God nauwelijks meer gevonden wordt. Het Woord kwam naar u toe en het is ook weer weggegaan. Als u de godsdienstigheid in een stad als Amsterdam vergelijkt met bijvoorbeeld Rotterdam, waar de verkondiging nog klinkt en er nog gemeenten van de Heere Jezus Christus te vinden zijn, dan is er sprake van een heel groot verschil. Het is  een grote zegen dat in die grote havenstad, in vergelijking met Amsterdam, nog zoveel gemeenten zijn. In Amsterdam is het zo anders. Het Woord kwam, het was er, maar het ging weer. Gemeente, beseft u wel dat het Woord ook weer kan weggaan?  

Maar we mogen niet al te pessimistisch worden, want de Heere heeft beloofd: Ik zal hier wonen en de stedelingen zullen bloeien. Eeuw in eeuw uit zal Mijn Naam verkondigd worden.

 

Maar nu jouw leven. Als je breekt met God en Zijn Woord? ‘Dat Woord kwam met kracht’, zegt Paulus. Je kent het Griekse woord dunamis, dynamiet, toch wel? Wat betekent dat? Wel, dat er allemaal bijzondere dingen gebeurden in Thessaloníca. Misschien wel bijzondere genezingen? Sommige verklaarders wijzen ons daarop. Kracht: er werden allerlei mensen genezen van hun kwalen, allerlei geesten uitgebannen. Maar in zijn commentaar op het Nieuwe Testament zegt dr. Van Houwelingen: ‘We hebben hier te denken niet aan allerlei genezende krachten, maar aan de overtuigende kracht van de Heilige Geest.’ Dát is een kracht! Als God je hart overtuigt dat je zondaar bent voor God, dat je God met al je zonden beledigd hebt en Hem vertoornd hebt. Dat je het oordeel waardig bent en de Heere je rechtvaardig voorbij zou kunnen gaan. Zo’n hart roept met de psalmdichter: Ik heb tegen U, o Heer’, zwaar en menigmaal misdreven.

Is dat geen geweldig dynamiet? Dat een hard hart, dood in zonden en misdaden, vermurwt en opent? Paulus zegt dat die kracht alleen maar kracht is, wanneer de Heilige Geest Zich eraan verbindt want hij schrijft: En in den Heiligen Geest. De Geest zegende dus het Woord. Hij kwam er Zelf in mee. Zo werd dat Evangelie effectief tot zaligheid. U kreeg Jezus nodig. U ging vragen naar God. Leven uit genade. Jezus liefhebben. Door de kracht van het Woord. Door het Woord ‘in kracht en in de Heilige Geest.’ Dus de kracht van mijn prediking zit niet in mijn overtuigingskracht, in mijn welsprekendheid of het bezit van bepaalde gaven of talenten. Nee, die kracht komt van de Heilige Geest. Dat is de zegen.

 

Nu staat er nog iets: en in veel verzekerdheid. ‘O’, zegt u, ‘nu kan ik niet meer mee, want ik ben er niet altijd zo zeker van. Ik twijfel maar al te vaak. Als het gaat over dat Middel en over het levend gemeente zijn, dan val ik erbuiten, want die zekerheid ken ik niet.’

Maar weet u wat er eigenlijk letterlijk staat? In de vólheid. Je mag het ook vertalen als: ‘in de overtuiging dat het ál voller wordt.’ De Heere wil het vat volgieten. Dat is geloofsleven. Druppelsgewijs is het Woord in die lege beker van uw hart gekomen. En Paulus roept hen tot getuigen: u weet dat! Dat doe ik vanmorgen ook. Als u een kind van God bent, dan weet u dat. Natuurlijk kan het worden betwijfeld, maar je weet wat er in je leven gebeurd is.

Zegt Paulus dat echt? Ik vind het vaak wat lastig om op huisbezoeken of op pastorale bezoeken daar zoveel nadruk op te leggen. Want dan klappen mensen soms in één keer dicht. ‘Ik weet dat nog zo duidelijk niet’, of ze zeggen: ‘ik kan dat allemaal niet zo goed vertellen.’

Maar wat zegt Paulus? Gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil.

Hij doet een beroep op de prediking van het Woord. U weet toch hoe wij bij u waren die drie sabbatten? ‘Heel anders dan al die rondtrekkende predikers’, zegt een verklaarder. Soms ook filosofen die hun eigen voordeel hebben gezocht. Of de mensen op zichzelf hebben teruggeworpen. Wij mochten er zijn, Paulus en Silvánus en Timótheüs, met het Evangelie dat uw hart raakte! Dát is de spiegel tot de zaligheid. Dát doet mij werkelijk een navolger van genade zijn. We zingen ervan. Psalm 101 vers 1 en 2:

'k Zal van de deugd der milde goedheid zingen,
Van 't heilig recht der strenge rechtsgedingen,
Een psalmgezang, o hooggeduchte Heer’,
Uw naam ter eer.

'k Zal met verstand den weg betreên der vromen,
Wanneer zult Gij, mijn Bondsgod, tot mij komen?
Ik zal doen zien in al mijn huisbeleid
D' oprechtigheid.

 

Nu ons derde punt:

  1. Het karakter van die levende gemeente

 

We hebben gezien waar die levende gemeente vandaan komt: De bron is Gods verkiezende liefde. Anders was die gemeente er niet. We zagen in de tweede plaats hoe dat tot beslag kwam: door het Woord, de preek, en door de kracht van de Heilige Geest. God vervulde dit alles met verzekerdheid.

En nu de vraag: Wat is het karakter van zo’n levende gemeente? Wat kenmerkt een christen? Het komt nog wat dichterbij. Bewust heb ik op deze manier de preek opgebouwd, in die volgorde. Niet tekst voor tekst, maar hoe liggen de verbanden?

Wel, God begint met Zijn verkiezende liefde, het Woord wordt gepreekt. Wat kenmerkt dan die levende gemeente? Velen leggen – ik moet het helaas zeggen – menselijke kenmerken aan. Of benoemen zaken waarmee er geen bestaan voor God mogelijk is. Zoals zondekennis, emotie, ijver, activiteit. Desnoods ook nog verlangen naar God. Dat staat er allemaal niet. Met al die dingen werpen we de mens terug op zichzelf.

 

Stelt u voor dat ik vanmorgen zou zeggen: ‘Als u behoort tot die levende gemeente hebt u zondekennis.’ Zondekennis is onmisbaar, dat weten we. We hebben het met elkaar uitvoerig behandeld met de uitleg van de Catechismus. Zonder zondekennis hebben we de Heere Jezus niet nodig. Dat staat met elkaar in verband, zonder dat u dat altijd in een bepaalde volgorde kunt plaatsen (daar moeten we ook weer mee oppassen).

Maar als ik zeg: ‘Als u uw zonde kent, ja, dan hoort u er wel bij.’ Dan ga je steeds weer jezelf onderzoeken. Heb ik die zondekennis? Is het wel echt? Daar komt al die twijfel vandaan! Lieve mensen, daarmee werp ik u terug op uzelf. God verhoede dat. Nu en altijd. Ook als ik zou zeggen: ‘Ja, als u God kent en als je de Heere liefhebt, dan heb je wel eens wat emoties gehad.’ Sommige mensen kennen nauwelijks (aan de buitenkant dan) emoties. Ik ken dat zelf ook niet zo, vergeef het me maar. Maar dan werp je de mens op zichzelf terug.

Ik zou ook kunnen zeggen: ‘Als je verlangt naar de Heere, dan komt het allemaal wel goed.’ Ja, bij God vandaan is dat allemaal wel waar. ’Maar is mijn verlangen dan wel echt?’ zegt u dan. Daar heb je die twijfel weer. Nog afgezien van allerlei stemmen dat de mens zichzelf eerst meer moet leren kennen als zondaar, voordat Christus mag worden benodigd. Nee, het Evangelie komt tot ons allen. Het geldt ook voor de oproep tot bekering in relatie tot het aanbod.

Paulus noemt drie dingen. Ik soms ze in het kort op, want ze komen nog terug in de volgende preken. Hij zegt in vers 3: ‘Het werk van uw geloof en de arbeid van de liefde en de verdraagzaamheid van de hoop.’ En dan noemt hij weer een keer de Heere Jezus Christus en God de Vader. Drie dingen brengt Paulus in relatie met God. Hij wijst de christenen op iets van wat ze kennen met betrekking tot God en de Heere Jezus. Drie kenmerken vertoont uw leven als christen: Geloof, hoop en liefde.

 

Die drie kenmerken komen op heel veel plaatsen in de Bijbel terug. Bijvoorbeeld in 1 Korinthe 13 en Romeinen 5 vers 1 tot en met 5. Geloof, hoop en liefde. Dat geloof is in zekere zin het werk van uw geloof. Is het dan iets dat ik aanvul? Zo van: ik heb geloof in de Heere Jezus, Hij is mijn Zaligmaker en mijn goede werken doe ik erbij en dan is het wel oké, dan is mijn geloof toch vol?

Gemeente, Paulus zegt in vers: ‘Doe het werk van uw geloof.’ Ja, zo staat het er wel letterlijk. Dat woordje ‘werk’ betekent: heel praktisch dingen doen voor anderen. Maar niet als aanvulling van mijn geloof. Het gaat om de uitstraling van uw geloof. Als je geloof hebt, jongens en meisjes, als de Heere Jezus jouw Zaligmaker en God jouw God is, dan komt dat in je leven naar buiten toe openbaar. Het zijn je goede werken. Die worden zichtbaar in je liefde tot anderen om je heen. Dan is dat geen geloof dat inactief is, maar een leven van activiteit. Een leven van dankbaarheid. Ogenblikkelijk plaatst Paulus het geloofsleven in de praktijk van het leven van alledag. Dat is levend gemeente zijn.

 

Er zijn mensen die hun geloof voor hun binnenkamer houden. Desnoods spreek je er een keer over op huisbezoek en daar blijft het dan bij. Maar het geloof is het wérk van uw geloof. De wérken van uw geloof stralen naar buiten toe uit. Denk eens aan de brief van Jakobus. Er is nog een andere lijn naar God: liefde. Dan gebruikt Paulus het woordje ‘arbeid’, wat ik het liefst vertaal met ‘inspanning’. Liefde. Het gaat niet allemaal zo gemakkelijk. Het vergt soms een grote inspanning.

Zou Paulus in Thessaloníca niet hebben teruggedacht aan Handelingen 17? De Joden zochten hem, maar Jason opende zijn huis. Dat was nu een arbeid van liefde. Het vergt zelfverloochening. Liefde tot God kan een grote inspanning zijn. Het is een intense liefde, dat is waar. Een liefde die door heel m’n hart gaat, die heel mijn leven doorgloeit. Maar het is een arbeid van liefde. Wat valt het soms tegen om die liefde te uiten. Wat komt er vaak van alles tegenop. God liefhebben als liefdesbron. Maar ook de naaste als mijzelf. Ook dat vraagt inspanning, arbeid.

 

Dan is er nog iets. De derde lijn naar boven is de hoop. De hoop verbindt Paulus vooral met de Heere Jezus op zijn laatste dag. Zo mag je het uitleggen. De hoop op de wederkomst. Voor onze God, voor het aangezicht van God – Coram Deo. Maar ik heb hoop op de toekomst. Ja maar, is dat altijd makkelijk? Nee, want Paulus gebruikt het woordje ‘verdraagzaamheid’. Geduld. Volharding. Ergens op wachten. Hij noemt het ook in 2 Thess. 1:4 … over uw lijdzaamheid en geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt. Daar brengt hij de hoop in het karakter met tegenspoed. En ook in 2 Thess. 3:5: Doch de Heere richte uw harten tot de liefde Gods en tot de lijdzaamheid van Christus. Velen dragen ook in ons midden zware, zeer zware kruisen. Maar daarin oefent de hoop zich.

U moet verdraagzaam in uw kruis zijn. U moet het volhardend dragen, zegt Paulus. We hebben geduld nodig, en zo zien we uit naar de toekomst. Denk aan vers 10: verwachtend de Heere Jezus Christus uit de hemelen. En dat allemaal voor Gods aangezicht. Wat een troost als nu niemand mij gelooft. Dan zijn de laatste woorden van vers 3 de oplossing, voor onzen God en Vader.

 

  1. De uitstraling daaruit

En hoe straalt dat dan uit? Dit heel kort. Vers 2 en 3: Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden; Zonder ophouden ... Ik denk dat dat zonder ophouden in het Grieks hoort bij vers 2. We danken God. O God, wat een geweldige dankstof! Dat doen we altijd! Dat is niet letterlijk, maar ‘voortdurend’. Als wij aan het bidden zijn, dan denken wij aan u. Onophoudelijk.

Paulus zegt dat hij elke dag opnieuw denkt aan de gemeente van de Thessalonicenzen. In al hun verdrukking en zorg. Maar waar gaat het dan over? Over die verhouding van u met God. Ik dank God elke dag dat u een levende gemeente mag zijn. Gemeente, zou dat ook zo in onze harten, in mijn hart, in dat van jou zijn? Zonder ophouden. En dan valt het ons wel op dat Paulus begint met danken en vervolgens begint over bidden. Dankend en biddend leven.

 

Eén lijn wil ik nog noemen. Taalkundig, maar van grote betekenis. Wij danken God. Dus: als ik God aan het danken ben, en dan komen er drie deelwoorden. Een deelwoord is iets wat je aan het doen bent. Als ik God dank, dan ben ik aan u of over u aan het denken. Dat vloeit uit het danken voort. Wij doen het vaak andersom: ‘Heere wilt u alstublieft….’ Paulus zegt ons eerst te danken: ‘O God, het is Uw werk.’ En terwijl we danken, denken we aan u.

Het tweede deelwoord in vers 3. We denken zonder ophouden, we zijn aan het denken over het werk van uw geloof. Ook dat vloeit uit danken voort.

En tenslotte vers 4. We weten. We zijn aan het weten staat er eigenlijk. Als ik God dank is heel mijn hart vol, vervuld van gedachten over u. Dat leven straalt helemaal uit.

 

Vier punten.

Verkiezing, hierbij richt ik me alleen tot de gelovigen vanmorgen. Wat een zegen dat God ons verkoren heeft. We kunnen de Heere er niet genoeg voor danken. Dat U mij trok met goedertierenheid.

Twee: het middel. Heeft het Woord in jouw leven, dat van jullie jongens en meisjes, dat van u, ouderen en alleroudsten, nog steeds geen kracht gedaan? Dat ligt (en ik zeg het in alle bescheidenheid en toch in de volmacht van het Evangelie) niet aan mij. Dat ligt niet aan de kerkenraad. Dat ligt aan u of aan jou. Het Woord komt vanmorgen nog tot u. In kracht, in de Heilige Geest. In vervulling en veel verzekerdheid.

Het roept u deze morgen toe: Zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes. 55: 6,7).

Drie. Die drie lijnen naar boven zijn niet te verbreken. Een drievoudig snoer, zeg maar. Maar functioneert het ook? Geloof, hoop en liefde. Hoe is de uitstraling van ons, van mij, van onze gemeente? Stralen we niets uit, gelooft dan het Evangelie. Ik roep het u biddend toe. Mag het er toch zijn, die uitstraling, dan kan ik het niet beter en heerlijker samenvatten dan uit Romeinen 5: Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus; Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, En de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop; En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons (levende gemeente) is gegeven (vs. 1-5). Halleluja.

 

Amen.

 

Psalm 119:67

 

            Maak in Uw woord mijn gang en treden vast,

            Opdat ik mij niet van Uw paân moog’ keren;

            En wordt mijn vlees door ’t kwade licht verrast,

            Ai, laat het mij toch nimmer overheren;

            Verlos mij, Heer’, van ’s mensen overlast,

            Dan zal ik U, naar Uw bevelen, eren.