Ds. J.M. Kleppe - Jozua 3 : 11

Israëls doortocht door de Jordaan

Jozua 3
Het volk staat voor de Jordaan
Israël trekt door de Jordaan
Het volk is over de Jordaan

Jozua 3 : 11

Jozua 3
11
Ziet, de ark des verbonds van den Heere der ganse aarde gaat door voor ulieder aangezicht in de Jordaan.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 4 en 11
Lezen : Jozua 3
Zingen : Psalm 69: 7, 13 en 14
Zingen : Psalm 107: 11 en 16
Zingen : Psalm 105: 24

Het Woord dat wij met de hulp des Heeren met u willen overdenken, kunt u vinden in Jozua 3. We nemen vers 11 als uitgangspunt:

 

Ziet, de ark des verbonds van den Heere der ganse aarde gaat door voor ulieder aangezicht in de Jordaan.

 

Wij luisteren in dit Schriftgedeelte naar: Israëls doortocht door de Jordaan.

Drie gedachten:

  1. het volk staat voor de Jordaan;
  2. Israël trekt door de Jordaan;
  3. het volk is over de Jordaan.

 

  1. Het volk staat voor de Jordaan

Geliefde toehoorders, het heeft de Heere behaagd naar Zijn vrijmachtig en soeverein welbehagen Zich een volk te verkiezen tot het eeuwige leven, dat Hij zal zalig maken met eeuwige heerlijkheid, een eigendomsvolk dat Hij zal inbrengen in de rust die er overblijft voor het volk van God.

Hoe moeilijk, hoe onmogelijk, hoe onbegaanbaar de wegen ook zijn die God met Zijn kinderen gaat, en hoe de vijanden ook altijd uit zijn op hun eeuwige ondergang, eens zullen ze ingaan in de rust die er overblijft voor het volk van God. Al gaat het dan door veel verdrukking en bange strijd, toch zullen dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Rom.8:28). Eens zullen ze verlost zijn uit grote nood en dood. Dan zullen ze ‘huppelen van zielevreugd, daar zij hun wens verkrijgen’.

Hoe bang de strijd ook wordt en welke bange aanvechtingen de ziel ook benauwen, zodat ze met David zuchten: ‘Ik zal nog eens omkomen in de handen van Saul’, de gezegende Heere Christus heeft voor de Zijnen alles aangebracht. De dichter zong ervan: ‘Veel wederwaardigheên, veel rampen zijn des vromen lot; maar uit die alle redt hem God: Hij is zijn heil alleen.’

Christus is het Die voor de Zijnen alles heeft aangebracht. Hij heeft hun schuld betaald, hun straf geboet en alle vijanden overwonnen. Als alles verloren schijnt, staat Hij op om Zijn arme kinderen te verlossen. Hoe hoog de nood ook mag gaan, ziende op Hem, die gezegende overste Leidsman, moet ook de laatste vijand, het geweld van de dood, wijken. Dan zijn ze meer dan overwinnaars in Hem Die hen heeft liefgehad, want Hij heeft op Golgotha’s kruisheuvel de dood verslonden tot eeuwige overwinning.

 

Gemeente, Israël staat hier aan de grens van Kanaän. Een lange reis ligt achter hen, een reis vol bange gevaren en een weg met veel strijd, maar ook vol van de wonderen en de trouw van de Heere. Israël is uitgeleid en is nu een verlost volk. Blijmoedig en vol verwachting hadden ze Egypteland verlaten en hun oog verlangend gericht op Kanaän, op het beloofde land.

Ook hierin is Israël een type van alle kinderen Gods, die van nature hun thuis hebben in het diensthuis hier, het diensthuis van de zonde van deze wereld, en het Egypteland vol van de afgoderij en de slavernij van de zonde. Maar God riep hen met een Goddelijke roeping en heeft hun aangezicht gewend naar het Kanaän dat hierboven is. Hij heeft het hun toegeroepen: ‘Verlaat, vergeet, wat ooit u kon bekoren, uws vaders huis, uw volk en wat voorheen u dierbaar en beminnenswaardig scheen.’

 

Hoe anders was de weg voor hen verlopen dan zij gedacht en gehoopt hadden, dan die ze begeerd hadden. De Heere had het vervuld: Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben (Jes.42:16). Ook Mozes had een andere weg uitgedacht, een weg die kort en gemakkelijker zou zijn en die het volk in een enkele dag in Kanaän zou brengen. Maar dan lezen we wat God deed: Maar God leidde het volk om, langs den weg van de woestijn der Schelfzee (Ex.13:18).

De Heere gaat met Zijn kinderen een lange omweg. Israël kwam ten slotte terecht in een onmogelijke weg, een weg waarin zij vóór de zee kwamen te staan en ín de woestijn. Dat was Góds weg.

Gemeente, hoe dikwijls gaat de Heere in het leven van Zijn kinderen een onbegrepen weg en toch een Goddelijke, wijze weg. Want als Mozes aan het einde van zijn leven Israël hierover aanspreekt, zegt hij: En gij zult gedenken aan al den weg, dien u de Heere, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedigde, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet (Deut.8:2).

 

Hoe wonderlijk is ook de weg die de Heere gaat met Zijn kinderen, het geestelijk Israël. Ze zingen er achteraf weleens van: ‘Heilig zijn, o God, Uw wegen; niemand spreek’ Uw hoogheid tegen.’ Want Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren (Ps.77:20). Wegen die menigmaal tegen vlees en bloed ingaan, die pijnlijk en dikwijls vol smart zijn, wegen waarin ze zuchten: Heere, is dat Úw weg? Dan steekt Hij met Zijn kinderen af naar diepe wateren, vol onmogelijkheid. De dichter zong er eens van: ‘Hier scheen ons ‘t water t’ overstromen, daar werden wij bedreigd door ‘t vuur.’

Dan gaat Hij vervullen: Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn. Maar dat niet alleen; daarbij maakt Hij ook waar: Ik zal naar haar hart spreken. En Ik zal haar geven (…) het dal Achor, tot een deur der hoop (Hos.2:13‑14).

Wat een blijdschap, wat een zielsverwondering rijst er dan daar waar de gezegende Heere Jezus Zichzelf gaat ontdekken en wegschenken, waar Hij Zich gaat openbaren en verklaren aan zo’n ellendige, zo’n arme die daar in de eenzaamheid ligt te schreien voor God in zijn zielsverbrijzeling en zielsellende, schuldig en verloren, met een liefdessmart over de zonde en met zijn openstaande schuld voor God. Wat een hoop, wat een verwachting rijst er dan in zo’n verbroken hart als de Heere in het dal Achor gaat spreken naar het hart, voor een volk dat heeft leren wanhopen aan zichzelf, aan alle eigengerechtigheid, aan eigen wijsheid en aan eigen verwachting, verlegen, verloren en schuldig, maar dat ging hunkeren en hongeren en dorsten naar Christus, die gezegende Heere Jezus en Zijn gerechtigheid.

 

In het woestijnleven wordt weinig genoten, maar veel geleerd. Want met alles wat dat volk mocht ondervinden, was de woestijnreis nog lang niet ten einde. Wat kwam steeds meer openbaar wat er in hun hart was. Wat voor hart had dat volk? Het had een hardnekkig hart, vol bitterheid en tegenstand, een hart vol ondankbaarheid en vijandschap.

Wat een liefdeskastijdingen waren er steeds weer nodig om dat volk klein te krijgen en klein te houden. Alleen omdat de Heere de Getrouwe was en trouw bleef, is dat volk in het beloofde land, in Kanaän ingegaan. Hij gaf brood uit de hemel; het manna vloeide dagelijks. En Hij gaf water uit de geslagen steenrots.

 

Gemeente, ook Gods kinderen mogen bij tijden weleens zingen van hun God: ‘Hoe menigmaal hebt G’ ons Uw gunst betoogd, ‘t zij G’ een fontein deedt uit een rots ontspringen.’ Dan moeten ook zij, met diepe schaamte, na alle ontvangen zegeningen hun afgodisch hart leren kennen, een hart vol opstand en bitterheid, dikwijls vol verzet tegen de weg die God met hen gaat. Ze leren hun hart kennen als een dorre woestijn – o, die onzalige woestijn hier vanbinnen, die kracht van de verdorvenheid, het ongeloof dat God altijd weer verdacht stelt in Zijn liefde, in Zijn trouw, de kwellende macht van de zonde …

Maar wat rijst dan ook de wondere trouw des Heeren op. Dan zingen ze van Zijn onveranderlijke liefde en eenzijdig welbehagen: ‘daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen’. Dan wordt het weleens een wonder dat ze niet net als die velen in Israël neergeslagen werden, dat ze niet gevallen en gestorven zijn in de woestijn. Dat volk van God gaat leren dat het alles vrije gunst is en louter welbehagen. Nooit hadden ze kunnen denken dat het weer zo laag zou aflopen, zo verdorven, zo biddeloos, zo geesteloos.

En toch zijn ze niet omgekomen, hoe dikwijls ze dat ook vreesden, hoe dikwijls ze het ook verzondigden en het rechtvaardig verdienden. De Heere zegt het: Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht (Ps.95:10). Maar Hij heeft hen trouw geleid, zelfs hun hoon verdragen.

 

Het gaat met Gods kinderen door diepe wegen, door onbegrepen wegen. Al vrezen zij soms het einde van hun reis niet te halen en al schijnt de hand Gods tegen hen zodat ze met Asaf zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? (Ps.73:11) en met Jakob klagen: Al deze dingen zijn tegen mij! (Gen.42:36), toch bereikt de Heere Zijn doel met Zijn kinderen. Daar zong ook de dichter van: ‘‘t Is trouw, al wat Hij ooit beval. Het staat op recht en waarheid pal als op onwrikb’re steunpilaren.’

Zijn wegen zijn wijze wegen. Zijn wegen zijn heilige wegen. Hij reinigt en loutert hen en heiligt hen in de smeltkroes van de goddelijke Goudsmid. Hij maakt Zijn volk pasklaar voor de eeuwige heerlijkheid.

Gemeente, in zulke wegen wil de Heere Christus verheerlijken in het hart van Zijn kinderen, opdat Hij, die gezegende Heere Jezus, heerlijkheid en noodzakelijkheid bij hen verkrijgt in Zijn algenoegzaamheid, in Zijn dierbaarheid, in Zijn alles overtreffende en vervullende liefde, als Profeet, als Priester en als Koning. Dat gaat altijd in een weg van verlies van al het onze. Het is een stervensweg, een weg van ondergaan in onszelf, van omkomen aan al het onze, opdat het zijn mag: Christus, Die ons leven is, opdat Hij gestalte verkrijge, om Hem te kennen en vervolgen te kennen, om op te wassen in de genade en in de kennis van Hem.

 

Zie het hier in Israël. Daar staan ze, na al hun lange zwerftochten, aan de grens van het beloofde land.

Is dat volk nu gereed om in te gaan? Wat dacht u, gemeente?

Wij zouden denken van wel, jongens en meisjes. Dat volk kan van veel ondervinding en ervaring spreken. Ze weten van een uitleiding uit het diensthuis van Egypte, zelfs met kracht. Ze weten van een mogelijkheid van zalig worden in Christus. Ze hebben iets leren kennen van Hem en van Zijn dierbaarheid. Ze hebben hemels brood gegeten en water gedronken uit steenrots. Ze kunnen verslag geven van de weg die God met hen gegaan is.

Maar met alle zielservaring staat Israël vóór de Jordaan. Deze rivier scheidt hen van Kanaän, het beloofde land, en die moet – noodzakelijk – overgestoken worden.

Maar dat kan niet zomaar; dat is onmogelijk. Dat is onze tweede gedachte:

 

  1. Israël trekt dóór de Jordaan

Het was volgens Gods Woord oogsttijd. Die viel in het voorjaar. De sneeuw op de hoogten van de bergen begon dan te smelten, waardoor de beekjes afvloeiden naar de Jordaan.

In de droge tijd was de breedte van de Jordaan slechts 20 meter; dan was hij dus makkelijk te doorwaden. Maar in deze tijd van het jaar stond hij vol tot aan zijn oevers; dan verhief zich de Jordaan – zo noemen we dat – en was hij ruim 1 kilometer breed en erg diep, zonder ook maar één doorwaadbare plaats of brug of veerpont.

Daarop had Israël niet gerekend.

Op de oever van de Rode Zee hadden zij gezongen, verwonderd en verblijd; ze hadden gejubeld. Maar hier staan ze opnieuw voor een onmogelijkheid. Wat een wondere, Goddelijke leiding. De Heere wil Zijn kinderen in Kanaän brengen in de weg van een wonder, tot de verheerlijking van Zijn Naam.

 

Al Gods kinderen zullen zalig worden, de groten met de kleinen, maar net zoals Israël door een eeuwig wonder, om niet, uit vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. Al hun kruiswegen moeten dáártoe dienen. De dichter zong ervan: ‘Niet ons, o Heer’, niet ons, Uw Naam alleen’.

De Heere gaat wegen door het onmogelijke, door het afgesnedene. Zo ligt de wortel van de zaligheid in God, in de eeuwigheid verankerd, in de vrijmacht van Zijn aanbiddelijk welbehagen.

Israël wordt in Kanaän gebracht, ‘omdat Ik u liefhad’, zegt de Heere. Daar hebt u de oorzaak.

 

De Jordaan scheidt Israël van Kanaän. Deze rivier is hier ook een beeld van de rivier des doods, van de doodsjordaan, die dreigt en dringt en benauwt. Wat kan de gedachte aan de doodsjordaan ons benauwen.

Wat kan deze gedachte ook Gods kinderen benauwen. De dichter zegt: De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis (Ps.116:3). Sommigen van Gods kinderen gaan hun weg als een doodbrakende, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren (Hebr.2:15). De dichter zong ervan: ‘Duizend zorgen, duizend doden kwellen mijn angstvallig hart.’

Maar als het geloof in oefening is, mogen er ook ogenblikken zijn dat ze met Paulus roemen: Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? (1Kor.15:55). Dan mogen ze over de smarten van de dood, de hel en het graf heen zien en zingen ze: ‘Gij heft mijn hoofd omhoog, en doet m’ Uw gunst aanschouwen!’ Dan neemt de Heere hen weleens bij de hand en voert hen zoals eens Mozes op de hoogte van de berg Pisga, waar ze een blik ontvangen op het beloofde land en op de eeuwige heerlijkheid hierboven. Job zei eens: Mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot (Job19:27).

Zo leert de Heere genadig wat nodig is om te leven en te sterven. Dan is het zo, jongens en meisjes: een nauw leven geeft dikwijls een ruim sterven. Dat kan nu alleen in Christus.

 

Zie dat hier bij Israël, aan de oevers van de Jordaan.

De ambtslieden gingen door het leger en spraken tot het volk. Toen zei Jozua tot het volk: Heiligt u! want morgen zal de Heere wonderheden in het midden van ulieden doen.

De geschiedenis is u voorgelezen. De priesters droegen op Gods bevel de ark in de Jordaan en zodra de voetzolen van de priesters in aanraking kwamen met het water, werd het Jordaanwater afgesneden en bleef het op een hoop staan. Toen vertrok het volk uit zijn tenten en volgde de priesters op het droge.

Zo deed de Heere Zijn kinderen als een rein, als een geheiligd volk door een wonder in Kanaän gaan. De Heere vervult Zijn Woord en Hij vervult Zijn grote en dierbare beloften: Zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken? (Num.23:19). Hij houdt getrouw Zijn Woord.

 

Deze geschiedenis spreekt van de eenzijdige wondere liefde Gods, waarbij alle menselijke verdiensten worden buitengesloten. Voor Gods kinderen, voor het geestelijk Israël zal er straks geen andere roem overblijven dan deze: ‘Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht.’ Zonder de ark was er geen pad geweest in de Jordaan. Dan was Israël omgekomen in de woestijn, of verdronken in de Jordaan.

Hierin ligt onderwijs, voor u, voor mij en ook voor al Gods kinderen. We kunnen iets hebben leren kennen van de droefheid naar God, van de liefdessmart over de zonden, die ons doet wenen in de eenzaamheid, en van een mogelijkheid van zalig worden. Dan springt ons hart op van verwondering en verwachting, en van de levende hoop op het leven hierboven. Hoe noodzakelijk is het om deze zielsbevindelijke wetenschap te kennen.

Maar de grond van de hoop en de verwachting om eens in het hemelse Kanaän hierboven in te gaan, ligt niet in onze bevindingen en ervaringen, maar in het gezegende en grote heil dat in Christus is. Hij is de Hoop der heerlijkheid en het ligt verankerd in Zijn gerechtigheid.

 

De ark die Israël voorging was immers het symbool van de tegenwoordigheid van God in Christus. Deze ark der verzoening, die getuigde van Gods gunst, was vervaardigd op Goddelijk bevel en werd gedragen in en door de woestijn. Deze ark ging het volk voor en leidde Israël van stap tot stap en van dag tot dag. Deze ark verstrooide de vijanden van Israël en zocht de rustplaatsen in de woestijn.

Zo is het ook met de Heere Christus. De Vader heeft Hem het lichaam toebereid. Hij is in de woestijn van dit leven gekomen en heeft alles aangebracht voor Zijn kinderen. Hij is de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof. Hij is het ware Brood des levens en de Fontein van het water des levens, tot lessing van hun zielendorst.

 

We zingen er eerst van uit Psalm 107, daarvan de verzen 11 en 16:

 

Laat zulken eer bewijzen

aan ’s Heeren gunst en macht

en al Zijn wond’ren prijzen

voor ’t menselijk geslacht.

’t Lofoffer word’ om strijd

Hem juichend opgedragen,

terwijl zij wijd en zijd

van al Zijn werk gewagen.

 

Laat zulken eer bewijzen

aan ’s Heeren gunst en macht

en al Zijn wond’ren prijzen

voor ’t menselijk geslacht,

en dankbaar bij ‘t gemeen

God hun Verlosser noemen,

en bij ’s lands overheên

Zijn Naam en deugden roemen!

 

  1. Het volk is over de Jordaan

Gemeente, jongens en meisjes, hoe noodzakelijk is het om die gezegende Christus te kennen en vervolgen te kennen. Hij zegt het: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.’ Hij is de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof.

Hij gaat weliswaar met Zijn kinderen dikwijls door diepe wegen, wegen vol strijd en schijnbare tegenstrijdigheden. Want de weg die de Borg gaat – zo noemen we dat – is ook de weg die Hij gaat met Zijn kinderen. Zij zullen Hem gelijkvormig moeten worden, in de gelijkmaking van Zijn dood, maar ook in de gelijkmaking van Zijn opstanding. Maar Hij heeft beloofd: Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben (Joh.8:12). Die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven (Joh.11:25).

Want Hijzelf is als die gezegende Borg van Zijn kinderen ingedaald, diep ondergegaan in de diepste wateren van de dood. Zo heeft Hij voor hen een pad gebaand. Door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid heeft Hij de hel gesloten, de hemel geopend, de dood verslonden tot overwinning en het leven verworven tot in der eeuwigheid. Al Gods golven en baren zijn over Hem heen gegaan, en dat voor ons, zondige mensen, voor rampzalige zondaren, voor goddelozen. Wat een onbevattelijke en ondoorgrondelijke liefde in dat ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven’.

 

Heel het volk trok over de Jordaan: de groten, de kinderen, de kleine kindertjes, maar ook de zuigelingen, jongens en meisjes. Die moesten gedragen worden. Hebben jullie daar weleens aan gedacht? Maar ze zijn allen binnengekomen in de weg van eenzelfde wonder en als een geheiligd volk. De dichter zegt: ‘Elk die hem vreest, hoe klein hij zij of groot, wordt van dat heil, die weldaân, deelgenoot. Hij zal ze groter maken.’

Zo zien we Israël dat nu óver de Jordaan is. Israël is in Kanaän.

 

Ook Gods kinderen zullen straks dat hemelse Kanaän binnenkomen, gemeente. Ze gaan het land erven dat de Heere hun beloofd heeft. Dan is het land van hun vreemdelingschappen vergeten en verlangen ze nooit meer terug naar het Egypte van de zonde hier. Dan ligt de woestijn achter hen en wonen ze niet meer in tenten. Dan eten ze van de inkomsten van het land hierboven.

Het is het beeld van de rust die er overblijft voor het volk van God, het beeld van het geestelijk en hemels Kanaän hierboven. Het is het beeld van de erfenis die voor hen bewaard wordt in de hemelen.

Velen van dat volk Israël zijn in de woestijn neergeslagen. Gods Woord zegt het, gemeente: ze hebben niet kunnen ingaan vanwege hun ongeloof (Hebr.3:19), zo staat er. Alleen een gereinigd en een geheiligd volk zal ingaan, door het geloof en in de vereniging met Christus.

Zo zullen al Gods kinderen binnengaan, gewassen in Zijn bloed en geheiligd door Zijn Geest. Ze zijn verkoren door de Vader. Ze zijn duur gekocht door het bloed van Christus en werden toegebracht door de Heilige Geest. Dan is het land van hun vreemdelingschap vergeten en gaan ze beërven wat geen oog ooit zag, wat in geen hart ooit opklom en wat geen oor hoorde. Gods Woord noemt het een erfenis, onbevlekkelijk, onverwelkelijk, onverderfelijk.

Daar zullen ze aanzitten met Abraham, Izak en Jakob en met allen die Zijn verschijning hebben liefgehad. Daar zullen ze eten tot verzadiging van de inkomsten van het land. Daar zijn we verlost van alle droefheid. Daar worden de tranen van de ogen afgewist, tranen die geweend worden bij het geweld van de dood en het graf, van de wereld en de zonde. Gods kinderen zullen eens een nieuwe hemel en een nieuwe aarde erven, waarop gerechtigheid wonen zal.

Gemeente, dat geeft straks eeuwige vreugde. Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen, maar treuring en zuchting zullen weggenomen worden. Ze zullen Hem zien gelijk Hij is, die gezegende Heere Jezus, gekroond met heerlijkheid en eer.

 

Deze geschiedenis leert ons dat God Zijn Woord en ook Zijn beloften vervult en waarmaakt. Want Hij hééft Zijn volk ingebracht en Hij zál ze inbrengen, totdat de laatste van Zijn kinderen zal zijn ingegaan in heerlijkheid.

Maar Hij vervult ook Zijn bedreigingen. Zijn vijanden en de vijanden van Zijn kinderen heeft Hij verdelgd en zal Hij nóg verdelgen. God zal opstaan; Zijn vijanden zullen verstrooid worden.

Hoe zullen wij het maken als de dood straks komt? Buiten de Heere Christus is God een verterend vuur en een eeuwige gloed. Dan zullen wij verzinken onder de eeuwige toorn van God. Maar het is nog het liefelijk heden der genade voor u allen. O gemeente, o jongens en meisjes, vraag of God je bekeren wil, of Hij je oude hart wil wegnemen en een nieuw hart wil geven. Hij wil erom gevraagd zijn.

Maar zie ook op het diepe ongeluk van de mens van de wereld, de mens zonder God. Velen zijn Kanaän niet ingegaan; ze zijn gestorven in de woestijn, gestorven in hun zonde. Het staat zó in de Bijbel: ze hebben niet kúnnen ingaan vanwege hun ongeloof. Velen zijn met Gods kinderen meegegaan uit het diensthuis der zonde en zijn toch niet ingegaan, maar buitengesloten.

Hoe gevaarlijk is het om te bouwen en ons te verlaten op misschien wat indrukken, op wat gevoelige aandoeningen, op onze emoties of overtuigingen. Nee, het staat in Gods Woord en het is de waarheid: wie in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden (2Kor.5:17).

 

De Heere grijpt Zijn kinderen in hun hart. Hij overtuigt hen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Dan zeggen ze: O God, nu is het voor eeuwig kwijt; nu is het verloren. Dan zuchten ze: O God, wees mij arme zondaar genadig. Heere, nu zal ik nooit meer zondigen; ik zal het beter maken.

Maar God werkt door, opdat Christus gestalte verkrijgt in het hart.

Misschien zijn er hier die niet kunnen en ook niet durven ontkennen dat ze het Egypte der zonde verlaten hebben en die het met ernst en in waarheid om God te doen is. Wel, u moet hier leren sterven aan alles buiten Christus, om de bewuste troost te verkrijgen en Hem ten eigendom te worden. Christus zegt het: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij (Matth.16:24).

En straks zal God alle tranen van de ogen afwissen. Dan zullen ze nooit meer zondigen. Dan zullen ze ook nooit meer één traan schreien, maar dan zal het wezen: ‘De lieflijkheên van ’t zalig hemelleven zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.’

Wat een hunkerend verlangen kan hier bij ogenblikken hun hart vervullen, zodat ze met Paulus zeggen: ‘Ontbonden en met Christus te wezen, dat is mij zeer verre het beste.’ En als die zaligheid en troost hier al zo groot zijn dat ze soms met Job mogen zeggen: Mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot (Job19:27), wat moet het dan straks zijn als de zweep van de drijver heeft opgehouden en ze de kroon zullen werpen aan de voeten van het gezegende Lam.

 

Wat een grote en doorluchtige dag zal het zijn wanneer de Vader het grote werk der zaligheid van Zijn Zoon eeuwig zal kronen, wanneer de hemelen met groot gedruis zullen voorbijgaan en alle elementen brandende zullen versmelten.

Naar die dag dorst Christus. Hij dorstte aan het kruis, omdat Hij dorstte naar de verheerlijking van Zijn Vader en naar de zaligheid van Zijn kinderen. Hij dorst naar de bruiloft van het Lam, naar de eeuwige vereniging met Zijn uitverkoren bruidsgemeente, die Hij als een reine maagd aan de Vader zal gaan voorstellen.

Ook Zijn bruidsgemeente ziet bij ogenblikken met smachtend verlangen naar Hem uit en zucht dan: Kom, Heere Jezus. Ja, kom haastig.

 

Gemeente, het wordt tijd dat we ons ten slotte afvragen: kennen we die gegronde verwachting om eenmaal in te gaan in dat huis met de vele woningen? Er zijn immers véél woningen. Christus zegt: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken (Joh.14:23). Gaat in door de enge poort (Matth.7:13).

Onderzoek uzelf voor Gods aangezicht. Vraag uzelf toch eens af: heb ik ooit in waarheid deze Zaligmaker nodig gekregen voor mijn schuld bij God? ‘Geef mij Jezus, of ik sterf. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’ Is deze gezegende Christus u ooit noodzakelijk en onmisbaar geworden?

Indien niet, dan hebt u nooit kennis ontvangen van uw verloren leven en van uw schuld voor God. Dan bent u nog in uw zonde. Dan wacht u een ander huis, een huis van eeuwig klagen, van eeuwig wenen. Zet uw hart toch op de aloude en eenvoudige waarheid van het Woord van Christus: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh.3:3).

Hoevelen zullen straks gemeend hebben te kunnen ingaan met misschien wat indrukken, wat overtuigingen. Maar ze zullen het horen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij (Matth.7:23).

 

Gemeente, ik bid dat de prediking van dit Vaderhuis u jaloers zal maken en u mag ontdekken aan uw dodelijke armoede en u mag uitdrijven tot Gods genadetroon.

Christus zei zo troostvol tot Zijn jongeren: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben (Joh.14:2). Maar wilt u in dat Vaderhuis ingaan, dan is niet alleen nodig dat dit Vaderhuis bereid wordt, maar ook dat u zelf bereid wordt, dat u toebereid wordt en dat de Geest woning in u maakt. Want waar wil Christus wonen? Wel, dat is zo eenvoudig: bij den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft (Jes.66:2).

Hoor dan, arme, verslagen, verlegen zondaar in ons midden, luister dan naar de ontroerende troost als Hij zegt: ‘Uw hart worde níet ontroerd. Ik kom weder tot u, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben.’

Het is alles uit Hem: Ík zal u tot Mij nemen. Vandaar Zijn liefdesvermaning: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God (Kol.3:1‑3).

We horen David in zijn klacht zuchten: ‘Hoe kleeft mijn ziel aan ’t stof, ai, zie mijn nood.’ ‘Gun leven aan mijn ziel’, zo horen wij hem worstelen. Zo zult u hoe langer hoe meer vreemdeling worden, opdat uw leven in Christus verborgen is.

 

Maar op de dag van de eeuwige glorie, van de eeuwige overwinning van Christus, komt Hij Zijn bruidskerk halen. Hij doet dat met alle blijdschap en verheuging. In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden (Ps.45:15). Hoe kan het hart dan bij ogenblikken verlangend naar Hem uitzien en zuchten: ‘God des levens, ach, wanneer zal ik naad’ren voor Uw ogen, in Uw huis Uw Naam verhogen?’

Maar Hij doet het ook geloven, gemeente, en ik wens het u allen van harte toe: ‘U is een beter lot bereid: uw heilzon is aan ‘t dagen.’

 

Gemeente, ik eindig – zoals we dat gewend zijn – met een oud Kerklied:

 

Hoog, omhoog, het hart naar boven,

hier beneden is het niet!

‘t Ware leven, lieven, loven

is maar waar men Jezus ziet.

Wat men hoor’ of zie op aard’

is ons kost’lijk hart niet waard;

wil men leven, lieven, loven:

hoog, omhoog, het hart naar boven!

 

Pracht en schoonheid moog’ wat schijnen,

’t is aan d’ ijdelheid gelijk;

bij ’t gebruik zal ’t al verdwijnen,

goud en zilver is als slijk.

Niets, o Jezus! dan Uw bloed

geeft voldoening aan ’t gemoed;

wat wij lieven in dit leven,

niets kan ons voldoening geven.

 

‘t Eeuwig leven, eind’loos heerlijk,

dat ons na dit leven wacht,

is voor ‘t hart alleen begeerlijk,

werkt onzichtbaar, maar met kracht.

Sluiten wij slechts het vlees’lijk oog;

’t ware leven is omhoog.

’t Leven dat wij lieven, loven,

‘t heerlijk leven is daar boven!

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 105 vers 24

 

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,

opdat het altoos Hem zou vrezen,

Zijn wet betrachten en voortaan

volstandig op Zijn wegen gaan.

Men roem’ dan d’ Oppermajesteit

om zoveel gunst in eeuwigheid.