Ds. C. Harinck - Johannes 1 : 29

Het lam Gods

De aanwijzing van het Offerlam
De verzoening door het Offerlam
Het zien op het Offerlam

Johannes 1 : 29

Johannes 1
29
Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 40: 4
Lezen : Johannes 1: 29 - 34
Zingen : Psalm 38: 1, 2, 3 en 4
Zingen : Psalm 72: 10
Zingen : Psalm 118: 13

Gemeente, ongeveer 150 jaar geleden was er een jongeman van 15 jaar in het Engelse Wales. Die jongeman was diep overtuigd van zijn zonden en van zijn verloren staat voor God. Hij probeerde uit alle macht met het kwaad te breken en voor God te leven, maar dat mislukte steeds. De zonde was sterker dan hij. Op den duur was hij erg moedeloos, bijna wanhopig. Toen hij van de kostschool waarop hij zat, terug naar huis ging, werd hij overvallen door een sneeuwstorm en zocht hij zijn toevlucht in een klein kerkje waar juist een dienst zou beginnen. Omdat de dominee niet kwam opdagen, preekte een oude, eenvoudige man over de tekst: Look unto Me, and be saved! Het is een woord uit Jesaja 45:22, dat in onze taal zegt: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden. De Engelse vertaling heeft: Zie op Mij en wordt  behouden.

In dat kleine methodistenkerkje ging het er allemaal gemoedelijk aan toe. Het was dan ook niet vreemd dat de eenvoudige man de nieuw binnengekomen bezoeker aansprak. De ‘prediker’ had de jongen zien zitten en merkte op dat hij er troosteloos en moedeloos uitzag. Hij zei tegen hem:’ Ik zie, dat je een ongelukkige en ellendige jongen bent. Ik zeg je dat je dit altijd blijven en zelfs eeuwig ellendig zult  worden, tenzij je doet wat God hier in de Bijbel zegt: Kijk naar Jezus Christus!

Gods Geest opende op datzelfde ogenblik de ogen en het hart van die jongeman. Hij zag op de gekruisigde Jezus en er daalde diepe vrede in zijn ziel. Deze jongeman was de later zo bekende prediker Charles Haddon Spurgeon. Ik hoop dat er ook vandaag nog zulke jonge mensen in de kerk zitten, die zullen zien op de gekruisigde Jezus.  

Over dit ‘zien’ gaat het in onze tekst, Johannes 1:29, waar we lezen:

 

Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!

 

Het gaat hier over het Lam van God. We willen spreken over:

 

1. De aanwijzing van het Offerlam;

2. De verzoening door het Offerlam;

3. Het zien op het Offerlam.

 

1. De aanwijzing van het Lam van God

 

Het optreden van Johannes de Doper baarde onder Israël groot opzien. Het was lang geleden dat ze een profeet gehoord hadden. Vierhonderd jaar. Nu was er weer één verschenen. Een indrukwekkende figuur. Hij kwam uit de woestijn, daar leefde hij. Hij at wilde honing en sprinkhanen. Hij droeg een ruwe, kemelsharen mantel. Dat deed de mensen denken aan de profeet Elia. Hij zag er precies eender uit als die profeet. Hij predikte ook even direct: de dreiging van Gods toorn en gramschap.

Hij gebruikte het beeld van een bijl die al opgeheven was om de boom om te hakken. Zo vertoornd is God op de overtreders van Zijn wet. Maar hij preekte ook genade en vergeving. Hij verkondigde dat de Messias spoedig zou komen en dat God hem gezonden had om de weg voor Hem te bereiden. Hij doopte ook mensen met een doop van boete en bekering en stelde hun de vergeving van zonden in het vooruitzicht. Want de Messias Die zou komen, zou voor Israël vergeving van zonden verwerven.

Van heinde en ver kwamen de mensen om hem te horen. Het drong ook door tot het Sanhedrin in Jeruzalem dat er iets gaande was, daar in Judea bij de Jordaan. Ze zonden enkele vertegenwoordigers naar de  prediker bij de veren van de Jordaan, die Johannes de Doper moesten vragen: Wie zijt gij? Ze dachten: zou de Messias zijn gekomen?

 

Er was in de dagen van Johannes de Doper onder Israël een gespannen verwachting dat de Messias spoedig zou komen. Er zijn geschriften bewaard gebleven, bijvoorbeeld van de sekte van de Essenen, gevonden op de Massada. Uit die geschriften blijkt dat deze groep Joden en vele anderen de Messias heel spoedig verwachtten.

Ook onder het gewone volk leefde die gedachte. Zelfs bij de leiders van het Joodse volk - het Sanhedrin - leefde die hoop. Men vond in de geschriften van de oude profeten aanwijzingen dat het niet lang meer zou duren eer de beloofde Messias zou komen. Misschien was die man het wel, die nu zo’n opzien baarde in Judea.

Ze zonden een deputatie naar Johannes om te vragen: Wie ben je toch? Ben je soms de Christus? Hij zei: Nee, dat ben ik niet. Ik ben de Christus niet. Ik ben voor Hem heen gezonden om Zijn weg te bereiden. Ik ben de profeet Elia, waarover Jesaja spreekt, die voor de Messias henen uit zal gaan. De Messias komt na mij. Johannes de Doper verklaarde: Die na mij komt, is vóór mij geworden en was eer dan ik (Joh.1:15). Hij is zoveel meer dan ik. Hij is zo heerlijk, dat Ik zelfs niet waardig ben slavenwerk te verrichten en Zijn schoenriem te ontbinden. Deze dingen zijn geschied, zo lezen we, in Bethabara aan de Jordaan.

 

Vervolgens wordt ons in vers 29 verteld: Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt.

Johannes de Doper ziet Jezus tot zich komen. Jezus kwam uit de woestijn. Hij is daar veertig dagen verzocht geweest door de duivel. Hij verlaat nu de woestijn en gaat de richting op waar Johannes predikte. Jezus doet dat met een bedoeling. Hij wil Zich aan Johannes de Doper tonen, om Johannes gelegenheid te geven om het werk te doen waarvoor hij is geboren.

Het grote werk van Johannes is om de Messias aan te wijzen en aan Israël bekend te maken. Dat doet Johannes dan ook. Johannes onderbreekt zijn prediking en wijst op de Man Die daar aankomt en roept: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Zie, kijk, let erop, daar is Hij, de zo lang verwachte Messias. Daar is Hij voor Wie ik heenga om Zijn weg te bereiden. Daar is Hij, over Wie ik met jullie heb gesproken toen je boetvaardig tot mij kwam en je liet dopen met de hoop op vergeving van je zonden. Zie, het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt.

 

Het was het hoogtepunt in het leven van Johannes de Doper. Hij heeft iets mogen doen wat profeten en patriarchen niet hebben kunnen doen. Zij hebben wel óver Jezus geprofeteerd, maar hij mag Jezus aanwijzen en zeggen: Zie, daar is Hij! De lang verwachte, de door mij aangekondigde Messias.

Waar heeft Johannes aan gedacht toen Hij Jezus zo doelbewust naar zich toe zag komen? Hij zei: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Hij zei niet: Zie, uw Koning, Die u van de overheersing van de Romeinen zal bevrijden. Hij zei niet: Zie, de Wonderwerker, Die machtige tekenen zal doen. Hij zei niet: Zie, een nieuwe Mozes, Die u de wet uit zal leggen. Hij zei: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!

Johannes sprak over Jezus als een lam. Het Joodse volk heeft begrepen wat hij daarmee bedoelde. De meeste hoorders van Johannes waren Joden en wisten wat een lam was. Een lam was een offerdier. Een plaatsbekledend offerdier.

Iedere morgen en iedere avond werd een lam in de tempel geslacht. Een morgenoffer en een avondoffer. Het gedode dier werd verbrand door de vlam van het altaar en het bloed werd aan de hoornen van het altaar gestreken. Deze hoornen wezen omhoog in de richting van God. Op die manier vroeg het bloed van het lam aan God om tevreden te zijn met het bloed van dit onschuldige dier en Israël de zonden te vergeven.

Een gedurig offer wordt het genoemd. Het keerde dagelijks terug. Vooral ook met Pasen werden er lammeren geslacht. Ieder huisgezin slachtte dan een lam. Een herinnering aan de nacht waarin de verderfengel door het land Egypte ging. De Israëlieten waren toen veilig achter het bloed van het lam, dat aan de posten van de deur was gestreken.

 

Wanneer Jezus tot Johannes komt, roept Johannes: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Zie, zegt hij, kijk! Johannes de Doper vraagt geen aandacht voor zichzelf, maar voor Jezus, Die tot hem komt. Hij zegt: Het Lam Gods is er. Zie, de vervulling van het Paaslam is gekomen. De vervulling van al de offers, die gebracht zijn in de tabernakel en in de tempel. De vervulling van alle profetieën. De wens van alle heidenen. Zie, het Lam Gods, zegt Johannes. Het Lam waarover de profeten gesproken hebben.

Opmerkelijk dat Johannes de Doper zó over de Messias spreekt. Niet als een Vorst, omringd met pracht en praal. Niet als een Veldheer, met een groot leger. Maar als een Lam, Dat de zonde wegneemt.

Gemeente, God weet wat we nodig hebben. En daarom heeft Hij voor een Lam gezorgd. Nee, geen wereldverbeteraar om deze wereld tot een betere plaats te maken. Geen legeraanvoerder om Israël te verlossen van de Romeinen. Maar een Lam, om de straf van onze zonden te dragen en aan Gods rechtvaardigheid genoegdoening te geven. Het is dan ook niet zomaar een lam. Het is het Lam van God, zegt Johannes.

Het is een uniek Lam. Het komt niet uit de kudde van een Israëliet. Het is het Lam van God! Het is een Lam waarin God heeft voorzien en in de wereld heeft gezonden.

 

Bij het beklimmen van de berg Moria stelde Izak zijn vader de vraag: Waar is het lam ten brandoffer? Abraham zei toen tegen Izak: God zal Zichzelven een Lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon (Gen. 22:8). Dit Lam is nu gekomen, zegt Johannes de Doper. Hier is het Lam Dat God Zich heeft voorzien. Hij heeft voor dit Lam gezorgd. Het Lam komt van God. Het is Gods eniggeboren Zoon; van gelijke macht, heerlijkheid en Godheid als de Vader en de Heilige Geest.

God kon nergens anders een Lam vinden dat in staat is de zonde van de wereld weg te nemen dan Zijn Zoon.  

De zonde van de wereld wegnemen …, dat is een werk dat uitgaat boven de macht van engelen en aartsengelen en de meest heilige mens. Niemand kan die last dragen en wegnemen. God kan dat Lam alleen maar vinden in Zijn eigen schoot. Want Jezus komt uit de schoot van Zijn Vader. Zijn eniggeboren Zoon, Zijn Enige in Wie Hij al Zijn welbehagen heeft, heeft de Vader  tot het Lam gemaakt om de zonde van de wereld weg te nemen.

Deze eniggeboren Zoon van God is het Lam dat God ten brandoffer heeft voorzien. Paulus schrijft ervan dat God zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft (Rom. 8:32). Hij maakte Hem tot een Lam, een Lam Gods Dat de zonde van de wereld wegneemt.

 

Wat bewoog God om dit te doen? Wat zit daar achter? Daar zit de eeuwige liefde van God achter. Want zo heeft Jezus aan Nicodemus het Evangelie verkondigd: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (Joh. 3:16). Het Lam komt van God tegen Wie wij gezondigd hebben, Die wij onteerd hebben, Wiens geboden wij met onze voeten hebben vertreden, Wiens goedheid wij misbruiken, Wiens heiligheid wij durven bespotten. Van die God komt het Lam. Dat is het verbazende van het Evangelie. God heeft Zijn Zoon lief, meer dan Abraham Izak liefhad. En toch spaarde Hij Hem niet. Hij gaf Hem over aan het gruwelijkste lijden. Aan de vreselijke kruisiging, maar ook aan een lijden dat voor ons onzichtbaar is. Hij gaf Hem over aan de heilige toorn van God tegen de zonde en de verlating van de hel, die zondaren vanwege hun zonden verdienen. Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar overgegeven. Hij maakte Hem tot het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt. Daarop letten we in de tweede gedachte.

 

2. De verzoening door het Offerlam

 

Johannes zegt van dit Goddelijke Lam: Dat de zonde der wereld wegneemt. Dat is het werk dat dit Lam komt doen. Wat geld en goed, wat geleerdheid en vroomheid niet kunnen bewerken, wat tranen en gebeden niet tot stand kunnen brengen, komt dit Lam doen. De zonde van de wereld wegnemen.

Het valt op: het gaat over de zonde. Niet in het meervoud, maar in het enkelvoud. Het klinkt hier als een verzamelnaam. Een verzamelnaam van al het verkeerde, van al het smerige, van al het goddeloze, van al het wrede, van al het verdorvene en vuile dat er in de wereld is. De zonde van de wereld komt dit Lam wegnemen. Dat is het werk dat Hij komt doen.

Hij komt het grootste kwaad, de zonde, wegnemen. De zonde waardoor de dood in de wereld is gekomen. De zonde, die de oorzaak is dat wij aan allerhande ellendigheid, ja zelfs aan de verdoemenis zijn  onderworpen.

Dé zonde, als een collectief. De zonde is hier inderdaad op één grote hoop geworpen.  Wat is dat, dé zonde? Het is de zonde in al zijn uitingen, in al zijn wortels en met al zijn takken. Om maar heel dicht bij huis, bij onszelf te blijven: het is de zonde, die zich heeft gevestigd in alles wat wij denken, doen en zijn. Het is de zonde, die ons verstand heeft verduisterd, onze wil verkeerd heeft gemaakt en onze hartstochten onrein heeft gemaakt. Het is de afval, de vervreemding van God, de besmetting en verdorvenheid van onze natuur.

Het is het kwaad dat van goede engelen duivelen maakte; van goed geschapen mensen, mensen die onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.

Wat is de diepe kern van dit kwaad dat God zo haat en straft? Niemand heeft dat, denk ik, ooit zo onder woorden gebracht als de grote theoloog John Owen. Hij zegt: ‘Zonde is een kwaad dat zich keert tegen God en tegen alles van God.’ Zonde keert zich tegen Wie God is, namelijk een overvloedige Fontein van alle goeden. Dat is de zonde, die zich keert tegen God en tegen alles van God. Zonde misbruikt Zijn goedheid en bespot Zijn heiligheid. Zonde vertrapt Zijn rechtvaardigheid en veracht Zijn genade. Zonde maakt een eeuwige hel noodzakelijk. En zonde bracht Jezus aan het kruis! Dat is het vreselijke kwaad van de zonde.

De zonde is niet alleen het grootste, maar ook het enige kwaad. Het is een kwaad groter dan de dood en de hel. Want indien er geen zonde was, zou er geen dood en hel zijn.

Er is niets wat zo tegenovergesteld is aan Gods natuur dan de zonde. Wij gevallen mensen, wij die in zonde ontvangen en geboren zijn, beseffen en weten niet wat voor vreselijk kwaad de zonde is. Wij zijn het gezelschap van de zonde zó gewoon dat we de afzichtelijkheid van deze metgezel niet meer zien. Maar voor God is de zonde het grootste kwaad en de grootste bedreiging van Zijn troon en heerlijkheid.

 

Het gaat in de woorden van Johannes ook niet zomaar over ‘zonde’, maar over de zonde van de wereld. Dat is de zonde van de van God afgevallen mensenwereld. Zo staat het in de door de Heilige Geest geïnspireerde boodschap van Johannes de Doper. We mogen daar niets aan toedoen en er ook niets aan afdoen. Het Woord, dat zult gij laten staan!

Deze boodschap van Johannes de Doper roept wel vragen bij ons op. Het woord ‘wereld’ vinden we hier niet op zijn plaats. Wij zeggen: Het kan niet de hele wereld betekenen, maar het moet de wereld van de uitverkorenen zijn. Het kan immers niet betekenen dat Jezus voor alle mensen is gestorven!

En ja, dat betekent het ook niet. Wanneer dat zo zou zijn, zou dit woord strijden met andere uitspraken in de Bijbel. En dat kan niet. Mijn uitleg van de Bijbel is nooit goed als die strijdig is met andere uitspraken van de Bijbel. Jezus zelf zegt: Ik ben de goede Herder, de goede herder stelt zijn leven voor de schapen (Joh. 10:11).

En in het Hogepriesterlijk gebed tot Zijn Vader zei Hij: Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij mij gegeven hebt (Joh.17:9).

Toch gebruikt Johannes het woordwereld’. Hij gebruikt het meer dan de andere Evangelieschrijvers. In Johannes 4 noemt hij Jezus de Zaligmaker ‘der wereld’. Hij zegt dat God ‘de wereld’ heeft liefgehad. In zijn eerste brief schrijft hij dat Jezus een verzoening is voor onze zonden en niet alleen voor de onze maar ook voor de zonden der gehele wereld (1 Joh. 2:2). Bij Johannes ontmoet je steeds dat woord ‘wereld’.

Johannes had oog voor ‘de wereld’. Hij had niet alleen oog voor de Jood, maar ook voor de wereld. Hij maakte van Jezus geen Joodse Zaligmaker, maar een Zaligmaker der wereld. Dat merk je steeds aan zijn beschrijving.

Hij heeft het over een Samaritaanse vrouw en de zoon van een koninklijke hoveling van het hof van Herodes. Hij noemt Jezus het Licht der wereld, hij spreekt over ‘andere schapen’ dan die van de Joodse stal, en hij spreekt over de Heilige Geest, Die de wereld zal overtuigen.

 

Het woord ‘wereld’ betekent bij Johannes geen algemene verzoening, maar dat de verzoeningsarbeid van Jezus zich wereldwijd zal uitstrekken. Een bekend gezegde is: de verzoening die Jezus heeft aangebracht, is geen Joodse verzoening. Het is misschien goed die uitspraak eens te onthouden. De verzoening zal niet beperkt blijven tot de nakomelingen van Abraham. Het is een wereldwijde, wereldomvattende verzoening. Die zal ten goede komen aan een gemeente, die God uit de gehele wereld zal vergaderen.

Johannes de Doper zegt hier dus wat Jezus komt doen. Hij komt de zonde, het kwaad van de wereld wegnemen. Het kwaad krijgt ook een naam. De naam van het kwaad is: de zonde. Het is het missen van het doel waartoe God ons heeft geschapen. Het kwaad waardoor, als God er niets aan doet, de mens zijn  doel zal missen.

Dat komt Jezus wegnemen, het kwaad van de wereld. Paulus zegt er van: God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende (2 Kor. 5:19). Daarmee was God bezig toen Jezus aan het kruis hing. Verzoenen is de toorn, de dreiging wegnemen; de oorlog beëindigen en weer vrede maken. En omdat Gods toorn een toorn is tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht, komt Jezus de zonde van de wereld wegnemen.

Want waartegen woedde Gods toorn? De Heidelbergse Catechismus zegt terecht dat ‘Christus de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen heeft’ (HC 15 vraag en antw. 37). Niet vóór het ganse menselijk geslacht, maar de toorn van God tégen het ganse menselijke geslacht.

Hij deed dit voor Zijn schapen. Hij bukte onder de toorn van God, die woedde tegen de zonde van de gevallen mensenwereld. Hij bukte als Borg van Zijn uitverkoren gemeente, als de Herder van Zijn schapen. Voor hen bracht Hij de verzoening aan.

 

Wat een zware last heeft Jezus gedragen! Hoe zwaar was die last?

Dat zie je in Gethsémané, waar Zijn zweet werd gelijk grote druppels bloed, die op de aarde vielen.  Dat zie je aan het kruis, waar Hij uitriep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? De ontzaglijke toorn van God, die brandt tegen het kwaad van de zonde, is op Jezus neergedaald. Zoals de zonnestralen in een brandglas zich op één punt richten, zo is alles op Zijn hoofd gedaald. Jesaja zegt: God heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Zo heeft Hij de zonde weggenomen.

Johannes de Doper sprak over wegnemen van de zonde. Hij sprak niet van: zand er over doen, of er niet meer over praten. Hij sprak over: de zonde wegnemen, zodat de zonde niet meer gezien wordt en de zonde er niet meer is.

Jezus nam de zonde weg. Hij heeft de zonde uitgewist, weggedaan. Hoe heeft Hij dat gedaan? Door Zijn lijden en sterven. Toen Hij riep: Het is volbracht. Jezus heeft door Zijn offer en bloedstorting de zonde weggenomen, definitief en werkelijk weggenomen. Daardoor ziet God ze ook niet meer.

Om Christus’ wil doet de Heere de zonde van de ware gelovigen weg, verder dan het westen verwijderd is van het oosten. Hij neemt de zonde zó ver weg, dat God tegen Zijn kinderen zegt: Ik zal er nooit meer aan denken. Ik heb ze in de diepte van de zee geworpen.

 

De oudtestamentische Joden kenden de bok Asahel. Op de Grote Verzoendag werden er twee bokken in de voorhof van de tempel gebracht. Eén van deze bokken werd geofferd voor de zonden van Israël. De andere bok werd niet gedood. De hogepriester legde zijn handen op de kop van het dier en droeg daarmee de zonden van Israël op dat dier over. Daarna werd die bok, beladen met de zonden van het volk, buiten de legerplaats gebracht en de woestijn in gejaagd. Die bok heette Asahel. Dat woord heeft de betekenis in zich van: wat je nooit meer terugziet. Je zag dat beest nooit meer terug. Zo heeft God de zonde, in Christus, van Zijn kinderen weggedaan. Op dit Lam wijst Johannes de Doper: Zie, het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt.

We letten erop in de laatste gedachte, maar eerst willen we zingen van Psalm 72, het 10e vers.

           

Dan zal, na zoveel gunstbewijzen, 

’t Gezegend heidendom

’t Geluk van dezen Koning prijzen,

Die Davids troon beklom.

Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,

Bekleed met mogendheên;

De Heer, in Israël geprezen,

Doet wond’ren, Hij alleen.

 

3. Het zien op het Offerlam

 

Zie het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt. Zie, zei Johannes. Hij wilde dat de mensen zouden zien. Een korte, maar ware preek. Zonder omwegen wees hij waar zaligheid, redding en verzoening te verkrijgen is. Het is te verkrijgen bij dit Lam. Zie! zei Johannes. Geef er acht op. Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. De redding is te verkrijgen door te zien! Dat is alles wat Johannes eiste. Zijn boodschap was kort en krachtig: Zie!

 

In het oude Schotland was het onder de vromen een bekend gezegde om te spreken over ‘de livelook’. Dat is een blik waarin leven is. Zij zeiden: ‘Er is leven in één blik op Jezus.’

Daar begrijpen wij helaas bijna niets meer van. Wie begrijpt Andrew Gray nog als hij zegt, dat Jezus te verkrijgen is voor één blik? Wij denken het beter te weten en zeggen: Daar is heel wat meer voor nodig! De meeste preken vertellen ons steeds wat  er zoal nodig is om zalig te worden en dat is heel wat meer dan een blik. Het komt omdat het in dit zien op Jezus gaat over een zaak die voor wijzen en verstandigen is verborgen. De werkelijkheid van dit gezegde wordt alleen aan de kinderkens geopenbaard.

De mens van de wereld begrijpt niets van zo’n uitspraak. Maar ook de godsdienstige mens begrijpt het niet. Men vindt het zelfs maar verdacht om te zeggen dat er leven is in één blik op Jezus. We zijn met ons vroom redeneren over geloof en geloven zó ver van het wezenlijke van het geloof verwijderd dat we niet meer verstaan wat McCheyne zegt: ‘Ik zag en ik geloofde, en God sprak mij vrij.’

Wanneer je daar de zelfgemaakte opvattingen en beschouwingen van velen naast legt, klopt zoiets toch helemaal niet? Zalig worden enkel door zien? Alleen maar door een blik te slaan op het Lam Gods Dat de zonde van de wereld wegneemt? Het klinkt velen als remonstrants in de oren.

 

Johannes eiste echter niets anders dan dit zien! Wat bedoelde hij daarmee?

Ik denk dat we allemaal begrijpen dat hier méér in het geding is dan gewoon met je natuurlijke ogen zien. Er is zelfs meer aan de orde dan belangstellend zien en nieuwsgierig kijken. Het is ook meer dan wat je aantreft in de roomse kerk, de Russische en andere Oosterse kerken. Men staart daar uren op een crucifix of op een icoon van Jezus, en verwacht daar hulp en vergeving van te verkrijgen.

Maar al zou je uren biddend staren op een icoon, een afbeelding van de gekruisigde Jezus of op een crucifix, een houten beeld van de gekruisigde Christus, het zou je zonden niet wegnemen.

Een zien met slechts onze natuurlijke ogen brengt ons de behoudenis niet.

Veel mensen hebben Jezus gezien tijdens Zijn omwandeling op aarde, en het heeft hun geen nut gedaan. Zij zagen Hem en hoorden Hem zeggen: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen (Joh. 8:12). Zij hoorden Hem zeggen: Ik ben het brood des levens. Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren (Joh. 6:35). Ze hoorden Hem God Zijn eigen Vader noemen en plechtig verklaren: Die Mijn Woord hoort en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis (Joh. 5:24). Maar het bracht hun geen nut. Ze zeiden: Is Deze niet Jezus, de zoon van Jozef de timmerman en zijn Zijn broeders en zusters niet onder ons? Ze werden aan Hem geërgerd.

Uit alles blijkt dat het hier om méér gaat dan zien met je natuurlijke ogen. Het is een apart zien, een geestelijk zien. Het is een zien van het geloof. Het is een zien met de ogen van de ziel.

Onze ziel, het geestelijke deel van de mens, kan voelen, horen en zien. Het is ook een zien met een doel. Het is een zien met verlangen, vanuit een zoeken naar redding. Het is een zien vanuit nood, vanuit verslagenheid, vanuit berouw over onze zonden.

Het lijkt op het zien waarover Jezus sprak met Nicodemus, toen hij over de koperen slang sprak. De Joden in de woestijn die gebeten waren door de slangen, zagen vol verlangen naar genezing op de omhoog geheven koperen slang. En toen werden ze genezen. Terwijl het gif van de slangen de koorts in hun lichaam deed branden en duizenden rondom hen stierven, zagen zij op het door Mozes opgerichte reddingsmiddel, de koperen slang en werden genezen. Over zo’n zien gaat het hier. En de belofte is dat door dit zien de zonde zal worden weggenomen.

 

De zonde wegnemen. Wie kan dat en hoe kan dat? De zonde is een heersende en verslavende macht. De zonde heeft een verdoemende macht. Ze maakt de gehele  wereld verdoemelijk voor God. Ieder die in de verdoemenis komt, komt daar vanwege zijn zonden.

Hoe kan die macht, die dreiging, dit kwaad worden weggenomen? Wie kan die slavernij verbreken? Wie kan dat oordeel opheffen? Wat kan mijn beschuldigend geweten vrede geven? Wie of wat kan mijn vrees voor de dood wegnemen? Ja, wie kan de zonde met al zijn verschrikkelijke gevolgen wegnemen van mij? Wie kan dat, zodat God mij de zonde niet meer aanrekent? Wie kan de zonde wegnemen, zodat de verslavende macht ervan  wordt gebroken?

Hier falen goede werken, zelfs de allerbeste. Hier falen onze gerechtigheden. Jesaja zegt het: Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed (Jes. 64:6). Wie kan de verdoemende, veroordelende, besmettende macht en kracht van de zonde wegnemen?

Wanneer alles wat wij zoeken aan te brengen, in de weegschaal van God wordt gewogen, is het allemaal te licht bevonden. De bekende Andrew Gray zegt: ‘Je zou de ene helft van je leven over je zonden kunnen wenen en de andere helft van je leven kunnen bidden om vergeving, maar dat kan de zonde niet wegnemen.’

 

Wij kunnen de zonde niet wegnemen. Wij kunnen onszelf niet uit de gevangenis van de zonde bevrijden. Wij kunnen onze zonden niet zodanig bedekken, dat God ze niet meer ziet. We kunnen ze wel begraven en mensen verbieden ze op te graven. We kunnen wel  proberen ze te vergeten, maar daarmee zijn ze niet weg!

Onze zonden komen steeds weer voor de dag. Ons geweten houdt  niet op ons aan te klagen. De duivel laat onze zonden dikwijls voor de dag komen om ons ermee te benauwen. De dood stelt onze zonden voor ons met het angstaanjagend gezicht van de eeuwige verdoemenis. Hoe verschrikkelijk is het gezicht  van de zonde!

En wij kunnen de zonden niet wegnemen. Dat is de ervaring van een zondaar, die door de Heilige Geest geconfronteerd wordt met zijn zonden. Hij of zij gevoelt dan: ik kan mijn zonden niet wegnemen, ik kan mijn verkeerde daden niet ongedaan maken. Ik kan mijn zondige hart niet reinigen, ik kan de verslavende macht van de zond niet verbreken.

We moeten het oordeel dat God bij monde van Jeremia uitspreekt over Israël beamen. Zal ook een Moorman zijn  huid veranderen? Of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gij ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen. Jer. 12:23.

 

De wedergeboren mens  verlangt ernaar om God te dienen en het goede te doen. Die mens zou wel willen dat alle zonden dood waren en dat hij God kon dienen zonder zonde. Waarom zou zo iemand dat wensen? Om de hel te ontlopen en van de straf bevrijd te worden? Of om de hemel te verdienen? Nee, omdat de liefde Gods in zijn hart is uitgestort.

Als God je bekeert, krijg je Hem hartelijk lief. Je ziet dan zoveel waardigheid in God. Al was er geen hemel en geen hel, je zou Hem toch willen dienen, en dan zonder zonde. Je wilt van de zonde af. Je wil voor God leven.

Maar we kunnen de zonden niet wegdoen uit ons hart, uit ons denken en uit ons willen. Het is de ervaring van allen die voor God willen leven, dat de zonde diep in hen woont, hun natuur verdorven is en het kwaad hen in alle dingen aankleeft.

Het is hun smart en hun last. Het wordt vooral ook hun vraag: hoe kan de macht van de zonde in mijn hart gebroken worden? Wat kan mij kracht geven om de zonde te overwinnen en voor God te leven? De vraag is vooral ook: hoe kunnen mijn zonden worden weggenomen, zodat God ze niet meer ziet en niet meer toerekent? Hoe kan ik rechtvaardig zijn voor een heilig God?

Het antwoord op die vragen is: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt. Het zien op het Lam neemt de zonde weg. Het verbreekt de macht van de zonde en het verzoent de schuld van onze zonden bij God. Het is het enige medicijn dat de zondemacht verbreekt en de zondeschuld verzoent.

Alles wat u moet doen, is zien! Zien op het geslachte Lam van God. Wat een Evangelie!

 

Hoor het, u die over de zonde bedroefd bent. U die van de zonde af wilt. U die heilig voor God zou willen leven, maar bij wie dat iedere dag mislukt. U die zo vreest voor Gods toorn en beeft voor Zijn heiligheid. U voor wie de last van de zonde zo zwaar is geworden, dat u zegt: ‘Zulk een last van zonde en plagen, niet te dragen; drukt mijn schouders naar beneên.’ Johannes de Doper zegt naar Wie je moet zien en waar je redding vandaan moet komen: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt.

 

Je moet niet op jezelf , niet op je zonden en op je boze bestaan zien. Je moet ook niet zien op je ernst of de verandering die toch in je leven is gekomen. Je moet niet zien op eigen heiligheid of goedheid, en ook niet op je berouw of gedurig bidden. Je moet niet zien op je  diepe kennis van je ellende en menen dat je daardoor een geschikt mens bent voor de ontvangst van Gods genade. Je moet je ogen van alles afwenden en zeggen: Het is alles een wegwerpelijk kleed. Het is door God gewogen en te licht bevonden. En u moet alleen op Jezus zien, het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt. Dat alleen redt en verlost.

Hoe komt dat? Laten we onszelf de vraag stellen: wat ziet een zondaar, die veroordeeld door de Wet, aangeklaagd door zijn geweten en bedroefd over de zonde, op het Lam van God ziet? Dan zie je wat het Lam, wat Jezus met je zonden heeft gedaan. Dan zie je dat Hij de zonde heeft weggenomen.

Daarom is de enige redding: Zie, zie het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt. Je kijkt op jezelf, maar je moet  op het Lam zien.

 

Zie Hem in de hof van Gethsémané. Hoe bedroefd en beangst was Hij, toen Hij de weg zag die voor Hem lag. Hij moest de ontzaglijke toorn Gods tegen de zonde dragen om ons daarvan te kunnen bevrijden.

Zie Hem op Golgotha’s kruis, tot een vloek geworden. Het werd in Jezus vervuld: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt (Gal. 3:13). Wat heeft Zijn reine ziel die vloek gevoeld!

Zie Hem, om onze overtredingen verwond worden; om onze ongerechtigheden verbrijzeld worden. En zie hoe Zijn dragen van de straf ons de vrede brengt.  

Zie hoe Hij de Geest geeft. Zie hoe Hij Zijn ziel als een offer in Gods handen legt. Het voorhangsel scheurde, de aarde beefde en het licht van de zon keerde terug, want de zonde is weggenomen! De toorn is gestild en de gramschap is geblust. Daar op Golgotha, in dat bitter lijden en sterven van het Lam van God, is het kwaad van de zonde weggenomen. Het kwaad is verzoend, het is bedekt en niet meer te zien.

Het handschrift dat tegen ons was, is aan het kruis genageld, uitgewist en gedood. Jezus is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Rom. 4:25). Zie, de schuld is verzoend. De strijd is gewonnen. De vrede met God is verkregen. Het is waar geworden, wat Jesaja zei: Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreek naar het hart van Jeruzalem en roep haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat ze van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden (Jes. 40:1 en 2). Er is voldaan, er is betaald, er is verzoening aangebracht. De schuld is bedekt door het bloed van Jezus.

 

Zie het Lam Gods! Op Hem moet je zien. Wanneer je een blik slaat op jezelf, roep je: Wee mijner, ik verga! Calvijn schrijft: ‘Wie op zichzelf ziet, zou hij niet wanhopen?’

Als je op jezelf ziet, zie je wie je bent in je hart, in je begeren, in je denken, in je willen. Dan zie je wat je gedaan hebt en hoe verdoemelijk je voor God staat. Dan moet alle hoop ons ontvallen. Maar als je op Hem ziet, als je een blik slaat op dat gezegende Lam – dan zie je: de zonden zijn weggedragen en weggenomen! Hij heeft de schuld verzoend, Hij heeft God tevreden gesteld, Hij heeft het handschrift uitgewist.

Wat een zalig zien! Het is een zien dat ons vrede brengt met God, omdat de zonde door Jezus is weggenomen. 

 

Gemeente, wat is dat een verbazend gezicht! Het is één van de rijkste en grootste zegeningen, die een mens te beurt kan vallen. Om eens écht op dat Lam te zien. Om vanuit je nood en ellende, je verlorenheid en veroordeling de blik op het Lam te slaan, het bloedend Godslam. Wat een zegen om op Jezus te zien, en dan te zien dat Hij op het kruis uw zonden heeft weggenomen.

 

Zie en leef!  Zo riepen de oude Schotse predikers. Zie en leef!

Zie! U die gebukt gaat onder de last van de zonde. Zie en leef, u die veroordeeld bent door uw eigen geweten. Zie en leef, u tegen wie de duivel zegt: Het is met je gedaan. God is op je vergramd, er is geen hoop.

Zie, en leef! Zie op dit Lam. Hoor naar de preek van die oude lekenpreker, die ouderling die de jonge Spurgeon hoorde zeggen: ‘Je bent diepongelukkig en diep ellendig, en je zult het altijd en eeuwig worden. Tenzij dat je ziet op het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt. Tenzij je ziet op Hem. Zie op Mij, zegt Jezus en wordt behouden!’

Zie! Niets meer en niets minder. Zie! Zoals de gebetenen zagen op de koperen slang. Zie, met verlangen. Zie niet slechts koud en verstandelijk. Maar zie met verlangen naar vrede met God. Zie met nood, honger en dorst. Zie met een hijgend uitzien naar verlossing van de zware last die u neerdrukt. Zie op de verwonde, geslagen en gestriemde Jezus en ervaar dat Hij het Lam is Dat de zonde der wereld wegneemt.

 

Hoe kan men toch wat denigrerend spreken over het zien van het geloof? Hoe kan iemand die echt op het Lam heeft gezien, zeggen: Zien is nog geen hebben?

Er is leven in één blik op Jezus. De blik op Jezus brengt vanuit de duisternis in het licht.

Dat zien heelt het gebroken hart en opent de gevangenis. Het neemt de aanklacht van het geweten weg. Het jaagt de duivel op de vlucht.

Dan vergaat het ons zoals de overspelige vrouw, toen Jezus vroeg: Waar zijn deze uw beschuldigers, heeft niemand u beschuldigd? (Joh. 8:10)? Zij kon en mocht zeggen: Niemand Heere. Er was niet één aanklager meer overgebleven. De zondaar mag ervaren: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn (Rom. 8:1). Het zware pak valt van de schouders. Het dreigend oordeel wordt afgewend.

Dan verstaan we Christen uit Bunyans Christenreis. Toen hij bij Golgotha kwam, viel het pak van zijn schouders en zei hij: ‘Hij heeft mij het leven gegeven door Zijn dood, en vrede gegeven door Zijn lijden.’ Want de gekruisigde Jezus is het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt. Wat een gezegend zien!

 

We hoorden een korte, maar krachtige preek van Johannes de Doper. Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Johannes de Doper hield altijd dezelfde preek. Want je leest: En des anderen daags zag hij Jezus tot zich komen. Weer preekte hij hetzelfde: Zie, het Lam Gods!

Over twee dingen gingen de preken van Johannes de Doper. Over de zonde van de wereld en over het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.

U moet ze beide zien. Uw zonden én het Lam. Uw zonden moet u zien; hoe groot uw zonden en ellenden zijn (HC vr. en antw. 2) en wat ze verdienen: de eeuwige dood.

En U moet zien wat het Lam Gods met de zonde gedaan heeft. Het Lam heeft de zonde verzoend en weggenomen.

 

Er zijn mensen die alleen op het Lam zien. Ze zeggen: Jezus heeft voor ons allen betaald en voor ons allen voldaan. Nooit zagen zij hun zonden. Nooit waren ze daar bedroefd over of verslagen onder. Nooit voelden ze het gewicht van de zonden drukken op hun geweten.

Hoe we naar onze zonden kijken, beslist voor een groot deel hoe we op het Lam kijken. Je krijgt nooit een vertroostend gezicht van het Lam, als je geen bedroevend en veroordelend gezicht hebt op je zonden. Ik zeg u: Zolang u weigert uw zonden onder ogen te zien, kunt u niets zien van dit Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt.

Maar er zijn ook andere mensen, die alleen maar op hun zonden zien. Dan zien ze dat ze te groot zijn, en te vuil. Dan zien ze dat zij te lang gezondigd hebben. Ze blijven op hun zonden zien en altijd zeggen ze: Had ik maar dieper berouw en kon ik maar heiliger leven. Maar al zou je duizend jaar berouw hebben en duizend jaar bidden en je zag nooit op Jezus, dan ging je nog verloren. We moeten op beide zien, op onze zonden én op het Lam.

 

Er zijn helaas veel oppervlakkige mensen, die alleen op Jezus zien en in Christus roemen.

Ten diepste weten ze niet waarvoor ze Jezus nodig hebben. Maar er zijn ook veel verontruste zielen – in onze kerk vooral – die wel op hun zonden zien, die zich veroordeeld voelen en vrezen voor de dag van het sterven en het ontmoeten van God,  maar die niet op Jezus zien. Ze menen dat dit verboden is. Je moet aan zoveel voorwaarden voldoen, voordat je op het Lam mag zien. Hun hele leven wordt niet beheerst door het  zoeken naar  het  Lam, maar naar de vereiste geschiktheden om op het Lam te mogen zien.

Zij durven niet op het Lam te zien. Ze durven er niet over te spreken dat ze een verlangen in hun hart hebben om Jezus te kennen, zoals Gods kinderen Hem kennen. Ze vinden zulke gedachten maar  vermetel. Dat is immers alleen voor enkele speciale mensen weggelegd. Je moet  uitverkoren en van eeuwigheid gekend zijn. Ze hebben bij het horen over het Lam,  altijd het woord ‘wereld’ over het hoofd gezien. Ze denken nooit aan de kracht van Jezus’ bloed, dat zo algenoegzaam is. Indien God dit wilde, zou het genoeg zijn voor wel duizend werelden. Zie toch, dat hoeveel kracht er ook mag zijn in je zonden om je te verdoemen, er toch altijd méér kracht is in Jezus’ bloed om je te redden.

Het is een list van de duivel om je wijs te maken: alles is volbracht, je hoeft je nergens zorgen over te maken. Het is het misleidende evangelie dat van veel preekstoelen wordt  verkondigd.

Het is eveneens een list van de duivel om je bij alles wat  je hoort over het Lam van God, je in te laten prenten: dat is alleen voor de uitverkorenen en de mensen die weten dat  God ze heeft bekeerd.

De duivel wil niet dat je op het Lam Gods ziet, Dat de zonde van de wereld wegneemt. Hij is bang om je dan kwijt te raken. Want er niets wat zoveel kracht heeft om met de duivel en de zonde te breken dan te geloven in de liefde van het Lam van God, Dat  de zonde van de wereld wegneemt. Hij wil dat je alleen en steeds op je zonden zult zien, en zult zeggen: Dat is en kan niet  voor mij. Daar ben ik te slecht en te zondig voor.

 

Je moet op je zonden zien. Zonder de blik te slaan op je zonden, zul je nooit op het Lam van God zien.  Kijk erop, zie je zonden onder ogen, zie ze in het licht van Gods goedheid en van Gods heiligheid. Heb een goede blik op je zonden. Een zodanige blik, dat je zegt wat Job zegt: Ik heb berouw, en ik verfoei mezelf in stof en as (Job 42:6).

Maar sla dan toch ook de blik op het Lam van God, Dat in het Evangelie aan ons voorgesteld wordt. Het Lam van God in Zijn gewilligheid, Zijn volheid en macht om zalig te maken. Het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt.

 

Zie, het Lam Gods. Een korte preek, een eenvoudige preek. Wat een eenvoudig middel om zalig te worden. Veel te eenvoudig voor ons. Het was veel te eenvoudig voor Naäman: Ga en was je in de rivier de Jordaan, dan zal je rein zijn. Het is veel te eenvoudig voor ons: zaligheid door één blik. Zaligheid door één lege hand te tonen, een bevende hand uit te strekken naar Jezus’ mantel. Zaligheid door met de boetvaardige moordenaar te roepen: Gedenk mijner (Luk. 23:42). Het is een weg die ons geen roem laat.

Maar nu is dit juist het geheim van het echte geloof dat het ook geen roem wil. Het geloof zegt: Het zij verre van mij, dat ik roemen zou, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus (Gal. 6:14). Het werpt de eigen gerechtigheden ver van zich en zegt: Niets dan Christus, niets dan Christus!

 

Kinderen, op het Paasfeest werd er door de Joden een lam geslacht. Je moet weten dat huis en schuur bij de oude Joodse herders niet erg gescheiden waren. Onder de woning was een plaats voor de schapen en de lammetjes. Het lammetje was ook meestal de speelkameraad van de kinderen.

In de Talmoed staat daarover een verhaal. Een kind vroeg aan zijn vader: Vader, moet dat lieve lammetje nu sterven? Toen zei de vader: Ja, kind, anders moet jij sterven. Daarom moest Jezus sterven, opdat jij zou kunnen leven. Een lam, wie is er nu bang van een lam? Jezus verscheen niet als een verscheurende leeuw, maar als het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt.

Hoe vriendelijk heeft Hij kinderen geroepen: Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet (Mark. 10:14). Kinderen, je hoeft van Jezus niet bang te zijn. Je mag tot Hem komen met al het verkeerde dat je steeds weer doet. Hij kan het wegnemen.

 

Tot slot, gemeente, velen zullen zeggen: Zien is nog geen hebben, en zien is lang niet genoeg. Die mensen hebben veel meer dan ‘zien’. Zij hebben gewichtiger zaken meegemaakt. Maar zien wordt door Ambrosius genoemd: de sterkste werkzaamheid van het geloof. Er is niets sterker dan zien. Mensen in de binnenlanden van Zuid-Amerika hebben nog nooit een auto gezien. Je kunt er met die mensen over praten, maar ze zijn alleen overtuigd als je een auto kunt laten zien. In het zien van het geloof zit een vertroostende en verzekerende kracht. De laatste blik van een gelovige op Jezus zal de beste zekerheid brengen. Het is immers: Gestorven voor mij, zal mijn zwanenzang zijn.

Amen.

 

Slotzang Psalm 118:13

 

Gezegend zij de grote Koning,

Die tot ons komt in 's Heeren naam!

Wij zeeg'nen u uit 's Heeren woning;

Wij zegenen u al te zaâm.

De Heer’ is God, door Wien w' aanschouwen

Het vrolijk licht, na bang gevaar;

Bindt d' offerdieren dan met touwen

Tot aan de hoornen van 't altaar.