Ds. B. Labee - Hosea 3 : 1

Eenzijdige liefde voor zondaren

Hosea 3
Verkocht door de zonde
Vrijgekocht uit de zonde
Bekeerd van de zonde

Hosea 3 : 1

Hosea 3
1
En de HEERE zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israels bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 6
Zingen : Psalm 95: 3
Lezen : Hosea 3
Zingen : Psalm 81: 9, 13, 14 en 15
Zingen : Psalm 6: 2
Zingen : Psalm 32: 5

Gemeente, als uitgangspunt voor de preek lees ik u het eerste vers van Hoséa 3, waar Gods Woord luidt:

 

En de Heere zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de Heere de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden en beminnen de flessen der druiven.

 

Onze tekstwoorden bepalen ons bij: eenzijdige liefde voor zondaren.

We letten op een drietal gedachten:

  1. verkocht door de zonde (vers 1);
  2. vrijgekocht uit de zonde (de verzen 2 tot en met 4);
  3. bekeerd van de zonde (vers 5).

 

  1. Verkocht door de zonde

Liefde moet van twee kanten komen; u kent die uitdrukking wel. Maar in het kortste hoofdstuk van het profetenboek Hoséa schittert eenzijdige, volhardende Goddelijke liefde.

Hoséa, de profeet die leefde in de tijd van Jerobeam II in het tienstammenrijk van Israël, en die vermoedelijk de laatste zes koningen allemaal meegemaakt heeft, krijgt een opdracht van de Heere.

U weet – dat hoop ik tenminste – dat het niet de eerste opdracht van de Heere is die deze profeet krijgt. Hij heeft al eerder een opdracht gekregen; dat kunt u vinden in Hoséa 1. Toen is het begonnen, toen de Heere sprak tot Hoséa: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen (Hos.1:2).

 

Gemeente, daar moet je eens over nadenken wat dat geweest moet zijn. Hij was een godvrezend man, jongens en meisjes, een kind van God, een profeet van God. En toen zei de Heere zomaar op een zekere dag tegen Zijn kind en knecht: ‘Nu moet je gaan en trouwen met een hoer.’

Godvrezend te zijn en dan een vrouw der hoererijen te moeten nemen … Er staat een Hebreeuws woord dat betekent dat het een vrouw is die niet alleen vroeger vreemdgegaan is, maar dat het een vrouw is die nooit zal veranderen, die dat ook zal doen als je straks met haar getrouwd bent, Hoséa.

En kinderen der hoererijen – dat wil zeggen dat die vrouw (‘Gomer’ heette ze), kinderen zal krijgen die niet door jou zijn verwekt, Hoséa, maar door andere mannen.

 

U weet wellicht dat er al heel wat gediscussieerd is over de vraag of dat nu letterlijk zo was, of Hoséa dat nu echt moest doen, óf dat het een zinnebeeld is, dat hij het in een visioen zo beleefd heeft.

Wij menen zelf dat het laatste het geval is, dat het niet echt gebeurd is. Want hoe zou de Heere nu opdracht kunnen geven tot zonde? Hoe zou de Heere iets kunnen bevelen wat Hij zo nadrukkelijk in Zijn Woord verboden heeft? Dat geldt zeker voor iemand die ambtsdrager is. Zoals u weet is de Schrift daar heel helder over.

Ik denk dat u het zich voor moet stellen zoals het zo vaak in de Bijbel voorkomt. Jongens en meisjes, dat weten jullie wel, zoals bij de profeet Nathan die naar David ging. Nathan zei: ‘David, er was een rijk man met veel schapen, en er was een arme man met één ooilammetje. Die rijke man had een feest en toen liet hij dat éne lammetje halen.’

Het is net echt. Het lijkt net of het echt gebeurd is. David dácht ook dat het echt gebeurd was en hij werd zó boos; hij sprak het oordeel al uit over die rijke man die dat ene ooilammetje nam. En toen kwam de boodschap van Nathan: Gij zijt die man (2Sam.12:7).

Wij menen dat Hoséa zó, in een visioen, dit als het ware doorleefd heeft. Dat past ook helemaal; als u het boek wat kent, weet u dat vanaf het vierde hoofdstuk die vrouw niet meer in beeld is.

 

Hoséa is gegaan, zinnebeeldig. Zo heeft hij het aan het volk van Israël moeten vertellen. Hij heeft Gomer genomen, die goddeloze hoer. En toen is het inderdaad gegaan zoals de Heere gezegd had; er kwamen kinderen der hoererij.

Ook dat duidt erop dat het een visioen is. Want die eerste zoon was Jizreël. U voelt het al aan: dat is zo’n symbolische naam. Die naam wees op bloed! Die wees op het dal van Jizreël, waar twee koningen gedood waren en waar Jehu veel Baälspriesters gedood had. Daarna kwam Lo-Rucháma, die dochter: niet‑ontfermd. En toen Ammi, die derde zoon. Nee, Lo‑Ammi: níet Mijn volk.

Gemeente, toen heeft Hoséa door deze boodschap zijn volksgenoten moeten confronteren met hun leven voor het aangezicht van de Heere.

 

U weet wellicht dat de Heere in hoofdstuk 2 zegt hoe Hij die goddeloze vrouw – het beeld van Israël, het beeld van het volk van het verbond – in de woestijn zal voeren en daar tot haar hart zal spreken, en hoe Hij daar Zijn hartelijke liefde zal betuigen tegenover dat volk der belofte. En dan in hoofdstuk 3, het kortste hoofdstuk van het Bijbelboek Hoséa, geeft de Heere opnieuw een opdracht: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet.

Wie die vrouw is? Dat kunnen we wel raden, ook al staat haar naam niet genoemd. Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig. Dat is Gomer. Dat is die vrouw uit Hoséa 1 en Hoséa 2; we geloven het vast.

 

Een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend – dat is hier haar wettige man – nochtans overspel doet.

Waarom toch? U proeft iets van de pijn in die woorden. Hoséa, nu moet je een vrouw beminnen die bemind ís, die bemind wórdt, die een lieve man heeft – mag ik het zo heel eenvoudig zeggen, jongeren? Maar die vrouw doet ondanks dat overspel. Ze gaat haar eigen weg. Ze leeft haar eigen leventje. Ze houdt er andere mannen op na.

Misschien zijn er in het midden van de gemeente die veel beter dan ik iets kennen van die smart, die dat letterlijk zo hebben meegemaakt: verlaten, terwijl er hartelijke liefde in je hart was, of misschien nog wel is. O, waarom toch?

Die wettige man, Hoséa, bemint Gomer. Maar ondanks dat gaat Gomer elke keer opnieuw vreemd, gaat ze ervandoor met vreemde mannen.

 

Gemeente, die slechte vrouw wordt zinnebeeldig ‘Gomer’ genoemd. Dat betekent zoiets als: verderf, bederf, aan bederf onderhevig. Wat een naam … Maar is dat niet ons beeld?

Hebt u te klagen over de Heere? Ik probeer heel dichtbij te komen. Is er iemand die durft op te staan en durft te zeggen: ja, ik heb te klagen over de Heere? Is er iemand zo dwaas als die democratische leider in Amerika, die letterlijk – o, gruwel –bij een aardse rechtbank een aanklacht heeft ingediend tegen God? Hebt u te klagen over de Heere?

Als u allemaal ‘nee’ moet zeggen, als u niet te klagen hebt over de Heere, maar wel over uzelf, dan de tweede vraag: waarom dient u de Heere niet van ganser harte, van ganser ziele, van gansen gemoede en met alle krachten? U moet de wereld verlaten, de oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen.

Als u moet zeggen: zo is het niet in mijn leven, dan wordt u zo heel ernstig getekend in het beeld van Gomer.

 

We hoeven niet te raden naar de betekenis van het zinnebeeld, want dat staat er direct achter. Waar lijkt Gomer op? We lezen in het slot van vers 1: gelijk de Heere de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.

De kanttekenaren schrijven: ‘Hierdoor heeft God den tien stammen willen afbeelden de liefde, die Hij hun toedroeg en bewees, en daartegen hun ontrouw en ondankbaarheid, die zij met hun schandelijke geestelijke overspel der afgoderij tegen Hem bewezen, gelijk de volgende woorden verklaren.’

Dat is aangrijpend. Israël is in algemene zin de vrouw van de levende God. U weet dat Israël in bijzondere zin de bruid van Christus wordt genoemd. En het is die bruid van Christus, dat uitverkoren volk (in algemene zin, dat begrijpt u wel) dat keer op keer afhoereert van de levende God.

Wat doen ze dan?

Wel, dat staat er: ze beminnen andere goden. En ze beminnen de flessen der druiven. Het is alsof de Heere zegt: ze kijken elke keer om naar andere goden. En ze beminnen de flessen der druiven – u begrijpt het wel: ze genieten graag. Misschien u ook wel. Ze hebben zo graag sterke drank. Daar genieten ze van: buitensporig veel sterke drank, de flessen der druiven. Maar drank maakt meer kapot dan je lief is!

De Heere verwijt eigenlijk de dronkenschap die er bij de maaltijden, bij de godsdienst, bij de godsdienstige maaltijden voortdurend was. Ze waren dronken en zo kwamen ze zelfs bij de heiligdommen. Lees hoofdstuk 4 maar. Ze kwamen zelfs dronken met hun offers bij de priesters, zó vol waren ze van de wereld.

Een volkszonde, dat was het eigenlijk. In kanttekening 4 staat dat ze in alle overdaad, dronkenschap en wellustigheid leefden, naar de wijze der heidenen.

En dan – en dat is wonderlijk – gaat de Heere laten zien hoe Hij ondanks dat omziet naar dat goddeloze volk. We zullen zo meteen horen hoe de Heere dat volk gaat kopen, hoe Hij gaat vrijkopen wat zich verkocht heeft onder de zonde. En ik kocht ze mij. Hoe moeten we ons dat voorstellen?

Gemeente, dat is moeilijk te vatten, maar u verstaat denk ik wel wat de Heere daarmee wil zeggen.

 

Wat er precies met die Gomer gebeurd is? Misschien dat haar hart weleens verbroken is geweest. U moet heel hoofdstuk 1 nog maar eens lezen. Als dat eerste jochie geboren wordt, Jizreël, dan biedt ze dat kind – zo moet u dat vers lezen, denk ik – aan Hoséa aan: Hoséa, hier is je zoon. Maar er was geen vreugde in het hart van Hoséa. Want hij wist het wel: het was een kind dat niet door hem verwekt was, maar door een andere man. Er was geen blijdschap, maar smart.

Misschien is Gomers hart een ogenblik verbroken geweest en heeft ze gedacht: nu mag dit nooit meer voorkomen! Want Hoséa stuurde haar niet weg, maar hij zorgde voor haar. En Jizreël legde hij niet buiten de deur, maar hij nam hem op als was het zijn eigen zoon. Hij heeft voor Jizreël gezorgd.

Misschien, ouders in ons midden, herken je daar wel iets van. Als Gomer haar kind riep, Jizreël, werd ze elke keer herinnerd aan haar bloedschuld, aan haar overtreding. Ouders, als u de naam van uw kind noemt, misschien herinnert u zich dan wel wat de Heere gedaan heeft, hoe Hij u gezegend en geholpen heeft, hoe hij de Getrouwe was, ook in de uren dat het bang was.

 

Misschien heeft Hoséa zich voorgenomen om voortdurend daarover te spreken met Gomer. Wellicht heeft Gomer gedacht: nu zal het nooit meer gebeuren. Maar ze is toch weer doorgegaan.

Jongeren in ons midden, ze kon het niet laten, hè. Elke keer opnieuw ging ze vreemd. Dat is aangrijpend. Misschien heeft Hoséa heel wat avonden liggen wachten. Het is een visioen, maar het is alsof je het beleeft, alsof het werkelijkheid is. Zou ze weer thuiskomen?

Jongeren, daar moet je eens over nadenken. Ik weet niet hoe je leeft, maar misschien liggen je ouders zo ook weleens op je te wachten zaterdagnacht, verlangend naar het ogenblik dat ze je voetstappen horen. Zul je het niet doen? Je doet de Heere verdriet en ook je ouders.

 

Zo is het wel gegaan bij Hoséa.

En ten slotte – ik denk dat we het ons zo voor moeten stellen – ten slotte kwam Gomer niet meer thuis. Toen bleef ze waar ze was en was ze eindelijk verlost van die Hoséa, misschien wel van zijn preken, van zijn woorden, van zijn blikken, van het voorlezen uit de Schrift.

Wat zou je zeggen als het je buurman overkwam dat zijn vrouw zou vertrekken? Misschien zou u zeggen: Nou ja, ’t is heel wat. Maar na alles wat je meegemaakt hebt …

Verklaarders denken dat er zo’n negen jaren overheen gegaan zijn vanaf de eerste drie kinderen die geboren zijn tot aan hoofdstuk 3. Negen jaar voortdurend zó te moeten leven, drie kinderen van een ander – het zal toch nooit meer anders worden! Gelukkig, je bent van haar af. Nu heb je tenminste rust.

Wat zou je doen als dat nou letterlijk je levensgeschiedenis was en je zo bedrogen was? Ik denk dat er heel wat verdriet zou zijn in je hart, heel wat smart, als ze je zo zouden laten zitten. Maar wat je nooit zou doen – tenminste, dat is bijna ondenkbaar – is dat wat Hoséa moet doen.

De Heere zegt: ‘Hoséa, nou moet je haar weer gaan halen. Ga erachteraan! Hoséa, neem haar weer en breng haar weer terug in je huis.’

Voor ons is dat ondenkbaar. Hoséa doet het niet alleen omdat het Gods bevel is, maar hij bemint haar nog steeds. Bemind zijnde staat in het Hebreeuws in een tijdsvorm die betekent: het is nog steeds zo. Na alles wat er gebeurd is, na alles wat zich heeft afgespeeld, is er toch nog iets van die liefde van Hoséa tot zijn afhoererende vrouw.

Wat een prediking.

 

Wat een ontzettende vrouw, hè, die Gomer. Ja, maar nu in alle eerlijkheid: zo zijn wij. Hebt u dat weleens gezien?

Gomer is het beeld van Israël. Maar de Heere laat dat volk niet lopen, hoewel het van Hem afhoereert, hoewel het steeds opnieuw andere goden naloopt, hoewel dat volk onverbeterlijk is.

Zo zijn wij. Hebt u dat weleens gezien bij het licht van Gods lieve Geest? Heeft de Heere je laten zien: jij bent niet anders? Waar gaat je hart naar uit? Alles wat je boven de Heere en Zijn lieve dienst stelt, is pure afgoderij. Heb je je geld liever dan de Heere? De Heere weet waar je voor leeft. Ben je ook zo materialistisch? Ben je misschien ook zo wellustig, al ben je nog bewaard voor de daad? Zijn er verborgen zonden in je leven? Een alwetend God weet het. Daarmee bedrijf je overspel ten opzichte van de levende God. Zo zijn wij.

Zult u niet te laag neerzien op Gomer? Want dat is ons bestaan.

 

Kinderen des Heeren, zo zijn wij. Zult u daar nooit boven gaan staan? Als je dat doorleeft, dan ben je de grootste der zondaren, al wil je dat leven nooit meer leiden, al bid je dat de Heere je vasthoudt. Dan kijk je nooit meer laag neer op wie dan ook in de gemeente en op wie dan ook in de wereld. Dan kun je naast de grootste misdadiger gaan zitten. Doet u dat? Dan weet je het en spreekt je hart: Heere, ik ben net zo slecht. Het is genade dat U mij vasthield.

Gemeente, zo is de Heere; dat is het wonder. Eenzijdige liefde, zeiden we toch. Hoséa is het beeld van God in Christus.

De Heere ziet om naar dat volk. Hij neemt redenen uit Zichzelf. Dat is nu die verbondstrouw. Dat is dat zoen- en dat zoutverbond. Dat is verkiezing, dat Hij omziet naar zo’n volk, zo’n afhoererend volk. Daar ging Zacharias later van zingen: ‘Nu blijkt Zijn onverwrikb’re trouw. Nu toont Hij Zijn barmhartigheid, vanouds de vaad’ren toegezeid, en dat Hij wil gedenken aan ’t heilverbond’ – daar hebt u het – ‘aan dien gestaafden eed dien Hij weleer aan Abram deed, aan Zijn verbond, dat van geen wank’len weet.’

 

Zou ik nog bekeerd kunnen worden? Is er iemand met die vraag naar de kerk gekomen? Zou ík, zo’n zondaar, nog bekeerd kunnen worden? Ik zit wel elke zondag in de kerk. Ik ben heel m’n leven lang godsdienstig geweest. Maar de Heere weet dat ik Hem niet dien en niet vrees. Zou ik nog bekeerd kunnen worden?

Hier hebt u het antwoord: eenzijdige liefde.

Zouden mijn kinderen nog bekeerd kunnen worden? Misschien zitten hier ouders met dat verdriet in het hart. Mijn kinderen, die met hun gedoopte voorhoofd de wereld zijn ingegaan, die de zonden zijn gaan dienen, zouden die ooit nog bekeerd kunnen worden?

Hier hebt u het antwoord: eenzijdige liefde.

 

Wat doet de Heere? Hij gaat Zijn volk achterna.

We zien Hoséa daar gaan. Dat is ontroerend. Waar zou hij zijn vrouw hebben moeten zoeken? Daar zullen we zo meer van horen. Maar hij is – dat geloven we vast – van de ene duistere gelegenheid naar de andere gegaan. Zou ze hier zitten? Zou ze daar soms zitten?

Zo gaat Hoséa door buurten waar hij helemaal niets mee van doen heeft. Daar moet hij zijn vrouw gaan halen; daar moet hij Gomer gaan zoeken.

Zo is de Heere! Hij wandelt Zijn verbondsvolk achterna. Hij gaat ze zoeken. Waar?

In de sloppen en de heggen van deze wereld.

Is dat geen ontroerend beeld van wie de Heere is? Het is nooit anders geweest: Adam, waar zijt gij? Adam had zich ook verstopt, in de hof, en nu hier Gomer. Mijn volk, waar zit je toch?

 

Gemeente, als je in de zonde zit, dan is het alsof de Heere je vraagt, jong of oud: Waar zit je toch? Waar bevind je je toch? O, waarom ben je van Mij afgeweken?

Zou je niet terugkeren?

God zocht Adam. God zoekt Zijn volk. God zoekt Zijn verloren zondaren. Dat is het wonder. Dan gaat Hoséa 3 schitteren, dat bijna onbekende hoofdstuk.

Gods eenzijdige verbondstrouw. De Heere zoekt het verlorene. Daarom kan het nog voor de grootste der zondaren, voor zo’n mensenkind dat zich moet aanklagen.

Onbekeerde medereiziger, de Heere zegt het: Waar zit je toch? Zo gij Mijn stem dan heden hoort, verhard u niet, maar laat u leiden.

 

We moeten naar onze tweede gedachte:

 

  1. Vrijgekocht uit de zonde

Vers 2 begint: En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst.

Hoséa heeft de verblijfplaats van Gomer ontdekt en dan blijkt iets ontzettends: ze heeft zich letterlijk verkocht aan de zonde. Hij heeft zijn vrouw nog niet terug.

Er zijn verklaarders die uit die paar woorden menen te mogen afleiden dat ze aan lager wal is geraakt. Misschien heeft ze wel gedacht: als ik bij die Hoséa weg ben, dan kan ik doen wat ik wil.

Jongeren, misschien denk je het weleens: Nu ben ik niet meer gebonden. Niet meer die vader of moeder die me zuur aanziet, die elke keer commentaar heeft op mijn handel en wandel. Nu kan ik feestvieren!

Van het ene feest naar het andere feest, van het ene avontuurtje naar het andere avontuurtje – ik denk dat het zo geweest is. Ze was die lastige Hoséa kwijt, maar toen bleek dat de strikken van satan veel sterker waren; ten slotte heeft ze zichzelf moeten verkopen.

Er zijn verklaarders die menen dat ze in de handen van een pooier gevallen is, dat ze als prostituee misbruikt werd, dat ze zo in de goot terechtgekomen is en, verkocht onder de zonde, daar nooit meer uit kwam. En dien gij nu hebt, is uw man niet (Joh.4:18), maar uw tiran.

 

Dat is wat.

Hebt u uzelf zo leren kennen? Nogmaals: denk nu niet aan een ander, want dit is ons bestaan. We zijn verkocht onder de zonde. We zijn zo diep van onze God af gevallen dat we helemaal vastzitten in de zonden.

Heb je weleens geprobeerd om los te komen? Heb je weleens geprobeerd om één zonde te laten? Je komt er nooit meer vanaf. Heb je weleens geprobeerd om jezelf vrij te kopen? Ach, alles is tekort.

Hier is een vrouw getekend die nooit meer vrijkomt, verkocht onder de zonde. Dat is ons beeld. Maar wie is de eerste? O, dat is zo wonderlijk: daar komt Hoséa! Wat zal ze zich geschaamd hebben, denkt u niet?

Gemeente, daar komt de Heere. Schaam je je weleens als de Heere tot je ziel gaat spreken, als je de stem van de Heere weer gaat herkennen, de stem van de levende God, als je dan je eigen bestaan gaat zien, als je een ogenblik ziet Wie God is: goed en goedertieren?

 

Gomer heeft niets kunnen opmerken over Hoséa – het is een zinnebeeld – maar hij is altijd goed voor haar geweest. We lezen niet dat hij haar ooit iets verweten heeft. We lezen niet dat hij haar ooit iets gedaan heeft. O, dat moet haar hart verbroken hebben.

Daar staat hij weer. Hij komt haar opzoeken terwijl ze in de modder van de zonde ligt.

Ik kocht ze mij – alsof hij een slavin moet loskopen. En wat moet hij betalen? Het staat er: ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen en anderhalve homer gerst.

Dat is niet veel. De kanttekenaren schrijven: ‘zijnde dit de helft van den prijs waarom Judas Christus verried; insgelijks de helft van den prijs van een dienstknecht of dienstmaagd die van een os gestoten waren, ook van de lossing ener vrouw, en dienvolgens een slechte en geringe prijs.’ Maar het is wel genoeg om haar vrij te kopen van de slavendrijver.

 

Gemeente, dan horen we wat de zonde is: dat is versmading van de liefde Gods, van wat de Heere ten koste legt aan Zijn volk. Hebt u er last van gekregen? Voelt u ook dat u vastzit in de macht van de vorst der duisternis?

O, dan dat wonder. Zoals Hoséa zijn vrouw Gomer loskocht, haar bevrijdde van de zonde om haar tot zich te nemen voor de helft van de prijs van een slaaf, zo heeft God de Vader Zijn lieve Zoon Jezus Christus voor dertig zilverlingen (het dubbele) overgegeven in de handen van moordenaars, opdat Hij Zijn bruidskerk zou vrijkopen: ‘Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft.’ Dat heeft God gedaan, door Hem, Jezus Christus.

Zinnebeeldig doet Hoséa hetzelfde, om dat volk Israël te laten zien: zo zijn jullie, en zo is de Heere.

Hij is de Eerste, die gezegende Borg, Die zó de kooppenningen heeft opgewogen voor Zijn Vader, opdat albedervers zouden verlost worden.

 

Wat is de betekenis van die anderhalve homer gerst?

Er zijn verklaarders die zeggen dat Hoséa niet rijk was. Dat zou best kunnen; hij kwam maar tot vijftien zilverlingen. Toen heeft hij dat voorraadje gerst (het brood van de armen) dat hij opgeslagen had in zijn schuur, nog meegenomen. Daarvan had hij willen leven; dat was voor een poosje genoeg. Dat bracht hij mee om in natura te betalen.

Het zou best zo kunnen zijn. De kanttekenaren wijzen nog op iets anders. Daar staat: ‘hetwelk een teken kan zijn, dat zij bij gerstebrood zou leven, dat is, haar weelderige en wellustige stand in een zeer soberen veranderd zou worden; gelijk zij ook om weinig geld gekocht was, hetwelk de onwaardigheid en nietigheid van Israël kan betekenen, als God haar voor Zich kocht en loste.’

 

Is het daarmee weer allemaal zoals vroeger?

Nee, er staat nóg iets. Het klinkt als een tuchtmaatregel; hoort u dat? Vers 3: En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u.

Gomer krijgt huisarrest. Ze zal een hele poos alleen zijn. Ze zal de tijd krijgen om te ontdekken wie zij is en te overdenken wie de Heere is. Het gaat erom – dat voelt u wel – dat ze tot inkeer zal komen.

Net zoals die verloren zoon, jongens en meisjes. Wanneer kwam die jongen tot inkeer? Toen hij daar leefde bij de varkens en voelde dat hij gebrek leed; toen hij dat liefdeshart van zijn vader voelde trekken.

Zo moet het gaan in het leven van Gomer. Zo doet de Heere dat in het leven van Zijn kinderen. Dan komen ze tot inkeer. Ze keren zich af van de zonde. Nooit in eigen kracht; de Heere is de Eerste. Ze komen tot inkeer, maar niet in eigen kracht; de Heere werkt dat in hun hart.

Wat zal Gomer nu gaan zien, jongeren in ons midden? Ze gaat overdenken hoe goed Hoséa voor haar is geweest, hoe dwáás zij toch eigenlijk was, hoe goddeloos ze gehandeld heeft. Het is de bedoeling dat haar hart weer gaat verlangen naar Hoséa, dat haar hart weer uitgaat naar hem.

Zo doet de Heere het in het leven van Zijn kinderen. Als het donker is, kinderen des Heeren, dan moet je niet te snel klagen: de Heere heeft me verlaten, de Heere heeft mij vergeten! Want het kan weleens zijn dat de Heere als het ware je hart doet gevoelen: als ik de Heere niet tot mijn deel heb, als ik Zijn gunst niet mag proeven en smaken, o, dan mis ik Hem. Dan gaat je hart weer uit naar de Heere en hongeren en dorsten naar Hem, naar Zijn gemeenschap, naar de blijken van Zijn gunst, naar Zijn liefde en naar Zijn trouw.

 

Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u, zodat ze straks zal zeggen: Hoséa, ik heb je lief, omdat je mij lief hebt gehad. Ik heb je van ganser harte lief, omdat je ondanks alles mij lief blijft hebben.

Gemeente, we letten eerst op de betekenis voor Israël, want die staat er direct achter. Die mogen we niet over het hoofd zien: Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten.

U begrijpt het al; hier moet Hoséa profeteren over de ballingschap. Hij moet zeggen dat het volk van Israël straks in ballingschap zal gaan. Het zal nog even duren, maar het jaar zal aanbreken waarin het volk werkelijk weggevoerd zal worden.

Jongens en meisjes, jullie weten het wel, hè. De laatste koning heette Hoséa, net als deze profeet. En toen hij weggevoerd werd, werd ook heel het volk weggevoerd. Toen gingen de Israëlieten in ballingschap.

Het is alsof de Heere zegt: dat zál gebeuren, en dan zul je daar alleen zitten, in ballingschap. Drie dingen worden er genoemd die ze daar niet meer zullen hebben. Ze zullen daar zonder koning en zonder vorst zijn (dat is het eerste), en zonder offer en zonder opgericht beeld (dat is het tweede), en zonder efod en terafim (dat is het derde).

 

Zonder koning, en zonder vorst. Hoséa preekte met name tegen het tienstammenrijk. Het is alsof de Heere zegt: er zal geen koning meer zijn in de linie van David (dat was het tweestammenrijk), maar ook niet meer in de linie van Jeróbeam (het vorstenhuis dat enkele eeuwen heeft mogen regeren). Die zullen er niet meer zijn, want er zal een Assyrische vorst over je beschikken. Er zal geen koning meer zijn in de linie van de koningen die je kent.

 

Het tweede is veel aangrijpender: zonder offer, en zonder opgericht beeld. Israël leefde niet bij de tempel; dat was het tweestammenrijk, Juda en Benjamin. Maar Israël had beelden opgericht in Dan en Bethel. Dan ligt in het noorden en Bethel in het zuiden. Daar offerden ze aan de gouden kalveren – een schijngodsdienst. De Heere zegt als het ware: Straks is het opeens over. Dan heb je geen beeld meer. Dan zit je in ballingschap. Dan heb je geen offer.

Voelt u de ernst daarvan? Er komt een tijd waarin er geen dier meer geslacht zal worden. Is dat erg, jongens en meisjes?

Ja. Je weet wel wat er bij die offerdienst gebeurde: daar vloeide het bloed. Dat bloed werd door een priester opgevangen en die smeerde het aan de hoornen van het altaar. En al waren het dan afgodsbeelden in Israël, het wees op de Heere Jezus Christus, Die komen zou. Er komt een tijd dat ze niet meer zullen zien op dat bloed der verzoening, en dat om eigen schuld.

 

Als laatste staat er: zonder efod en terafim.

De efod, dat was de borstlap die de hogepriester droeg. Op die efod waren twaalf stenen bevestigd, die wezen op de twaalf stammen. Al was het dan een gedeeld koninkrijk, dat teken verwees naar die grote Hogepriester, Die dat hele volk op Zijn hart droeg. In de borstlap zullen de Urim en de Thummim niet meer zijn, de twee gebedsvoorwerpen. Het is alsof de Heere zegt: dan zal er geen priester meer zijn die kan bidden.

Dat is wat geweest. Al waren er zoveel priesters die het verzondigden (die hele priesterklasse, met name in het tienstammenrijk; dat leest u in het volgende hoofdstuk), toch was er nog ambtelijk gebed voor het volk. Maar dat zal ophouden.

En u zult ook geen terafim meer hebben. Wat waren dat?

Jongens en meisjes, jullie weten dat Rachel van die kleine afgodsbeeldjes had. Die had ze onder haar zadel gedaan en daar ging ze op zitten, om ze voor Laban te verstoppen.

Dus zelfs hun afgodsbeelden zullen ze kwijtraken. Dat is tot daaraan toe, maar u voelt dat de Heere als het ware zegt: nu raak je álles kwijt.

Toch is dat barmhartigheid van de Heere.

 

Misschien is er iemand die zegt: Ik ben alles kwijtgeraakt. Vroeger had ik nog weleens wat hoop dat het in mijn leven beter zou worden. Kon ik nog maar eens zo hartelijk bidden. Maar ik ben zelfs mijn gebed kwijtgeraakt. Ik kan soms niet eens meer mijn knieën buigen en een gebed doen.

Dat kan ook genade zijn. Want als je het allemaal nog zo goed kan, dan kan de Heere je gaan onderwijzen en dan raak je alles kwijt. Dan ga je je knieën buigen en kun je alleen nog maar zuchten: O God, o God, U weet hoe ik het verzondigd heb. U weet wie ik ben. Voor U is er niets verborgen. ‘Zie op mij in gunst van boven; wees mij toch genadig, Heere.’

Opdat je net als Gomer gaat wachten. Waarop? Niet op jezelf, maar op de Heere. En dat is geen áfwachten; dat is vérwachten. Hoort u dat? Zult u het onderscheiden? ‘Ik blijf de Heere verwachten; mijn ziel wacht ongestoord. Ik hoop in al mijn klachten op Zijn onfeilbaar Woord.’

 

Nog één ding in onze tweede gedachte, het slot van vers 3: en ik ook na u.

Dat zijn weer ontroerende woorden. Proeft u dat? Het is alsof Hoséa zegt: En ik, Gomer, ik zal ook op je wachten. Hoe lang heeft hij dat al gedaan? Hoe vaak heeft hij al liggen wachten, vaak bij nacht en ontij? Ik zal blijven wachten.

Met een nieuwtestamentisch beeld zal ik het proberen duidelijk te maken. Jongens en meisjes, zien jullie daar die vader staan in de gelijkenis van de verloren zoon? Je weet dat Hoséa het beeld is van God in Christus. Die Vader, Gód de Vader, staat te wachten. Waar wacht Hij op? Op al die farizeeërs die met hun eigen godsdienst komen?

Nee. Hij staat daar met een verlangen in Zijn hart te wachten totdat die verloren zoon komt. Hij had zijn goed doorgebracht met hoeren. Hij had ook wat feestjes gebouwd. Hij had alles verzondigd.

Jezus tekent het Vaderhart van God. Een mens zou zich erin kunnen vergissen, maar Jezus tekent het Vaderhart van God. En Hij wacht; Hij wacht om genadig te zijn.

 

Zul je ooit nog durven zeggen: ik wacht al zo lang op de Heere? Gemeente, het is net andersom. De Heere wacht om genadig te zijn. Zul je maar één ding doen? Eén ding: met heel je hart zuchtend bidden, smekend vragen, wat we samen zingend gaan doen met Psalm 6, daarvan het tweede vers:

 

Vergeef mij al mijn zon-den,

die Uwe hoogheid schonden:

ik ben verzwakt, o Heer’.

Genees mij, red mijn leven!

Gij ziet mijn beend’ren beven;

zo slaat Uw hand mij neer.

 

Eenzijdige liefde voor zondaren. We hoorden: verkocht door de zonde, vrijgekocht uit de zonde, en nu kort iets over ons derde punt:

 

  1. Bekeerd van de zonde

Waar wacht de Heere op? Waar wácht de Heere nou eigenlijk op?

We vinden het in vers 5: Daarna (…). U proeft iets van de zucht die achter dat woord ligt. Daarna – eindelijk! Na zoveel liefdeshandelen van de Heere, na zoveel achternalopen, na zoveel lokken, na zoveel trekken eindelijk dat wonder: Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren.

 

Eindelijk; er zijn er toch die zich laten trekken door de volhardende liefde van God, mensen die niet meer buiten de Heere kunnen. Eerst liepen ze bij de Heere vandaan.

Ken je het in je eigen leven, altijd bij de Heere vandaan lopen? En nu gaat je hart naar Hem uit. Misschien durf je het niet eens hardop te zeggen, omdat je bang bent dat je je bedriegt. En toch is het zo: je hart gaat naar de Heere uit. Dat is niet iets theoretisch, maar dat is echt zo. Als je dan opstaat, wil je niet anders dan je knieën buigen en de Heere zoeken. En voor je dan weer naar school gaat, jongens en meisjes, vouw je eerst je handen: Heere, wilt U mij helpen met dat vak dat ik zo moeilijk vind, en met de vakken die ik allemaal best kan? Wilt U me in het bijzonder helpen om naar de Bijbelvertelling te luisteren?

Is het zo in jouw hart?

Dan kun je weinig meer in eigen kracht. Dan vraag je of de Heere je bewaren wil. Want dan heb je iets van dat zondebestaan leren kennen, heel persoonlijk. Dan weet je dat je zonder de Heere niets kunt. Heere, zonder U kan ik geen stuur in mijn handen houden. Zonder U, Heere, kan ik mijn pen niet vasthouden. Zonder U kan ik mijn werk van de week niet doen, ook vandaag niet.

Dan gaat je hart uit naar de Heere. Heere, mag ik boven alles een blijk van Uw gunst proeven? Mag ik in mijn hart voelen, zo heel teer, dat U van me afweet? Eén blijk van Uw liefde, Heere.

Gemeente, eerst zochten ze de weelde en de wellust, net als Gomer. Maar nu zeggen ze: er is maar één plekje waar het goed is. ‘Maar het is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God.’ Kent u dat?

Mag ik het samenvatten? Inkeer, afkeer en wederkeer – dat is de waarachtige bekering.

 

We horen nog twee kenmerken van dat nieuwe leven. Achter dat woordje ‘bekeren’ staat een komma. En dan volgt er eerst: en zoeken den Heere, hun God, en David, hun Koning. En het tweede dat erachter staat, is: en zij zullen vrezende komen tot den Heere en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.

Mogen we proberen van alle twee nog kort iets te zeggen?

Ze zullen de Heere zoeken, en David, hun Koning. Waar gaat het die mensen om? Ja, zegt u, het gaat hun er natuurlijk om dat ze verlost worden van die ballingschap!

Dat had u gedacht. Nee, er staat niet: ‘en zij zoeken weer hun oude vaderland.’

Wat gaan ze dan zoeken?

De Heere, hun God.

Dat is zo treffend. Er is een volk op aarde – hoort u daar ook bij? – dat God kwijt is. Om eigen schuld, want ze zijn van de Heere afgehoereerd als Gomer. Maar dan gaan ze de Heere, hun God, weer zoeken.

Zult u daar een streepje onder zetten? Dat betekent dat het echt waar is, dat daar een tijdje overheen kan gaan. Er zijn mensen die menen dat het gelijk goed is als je je zonden beleden hebt. Maar er staat zoeken. En zoeken, jongens en meisjes, kan weleens heel lang duren, als iemand zich heel goed verstopt heeft bijvoorbeeld. En als je iets kwijt bent, dan keer je soms je hele kamer om om het te zoeken.

 

Nu zijn er mensen die de Heere zoeken, want Hem zijn ze kwijt. Bent u de Heere ook weleens kwijtgeraakt?

Is de Heere dan verborgen? De afgoden waren nooit verborgen. Die kon je zómaar vinden, onder elke boom. Dat kunt u in Hoséa 4 lezen. Ze hadden hun altaren opgericht onder een populierenboom, of een iepenboom, of een eikenboom. De afgoden zijn nooit verborgen, maar de God des levens is een God Die je moet zoeken, Die niet – met eerbied gezegd – voor het grijpen ligt. ‘Zoek de Heere terwijl Hij te vinden is; roep Hem aan terwijl Hij nabij is.’

En dan het wonderlijke: er zijn mensen onder dat volk die de Heere weer gaan zoeken. Ze zijn God kwijt en gaan Hem weer zoeken. En meer: ze gaan niet alleen God zoeken, maar ze gaan ook David, hun Koning, zoeken. In de uitgave van de GBS staat het woord ‘Koning’ met een hoofdletter. En dat is terecht, want het gaat hier niet om de aardse David. De kanttekenaren schrijven in kanttekening 16: ‘namelijk den Heere Christus, hun Messias, David genoemd, omdat Hij zijn Zoon naar het vlees zou zijn en David Zijn voorbeeld geweest was.’

Ze hebben zichzelf leren kennen als zo’n wegloper, als zo’n Gomer. Ze hebben iets van Gods grootheid en liefde ervaren en nu gaan ze die God zoeken. Die willen ze weer kennen. Die willen ze weer vrezen en liefhebben. Ze hebben ook een Christusgemis. Is dat geen schone lijn in het leven der genade?

Waar de Heere plaats maakt voor God in Christus, daar komt geen rust. Waar zou je kunnen rusten? Buiten de Rustaanbrenger, de Heere van de sabbat, Koning Jezus, kun je nergens rusten. Hem moet je hebben. In Hem is de ware rust.

 

Onder dat volk zijn er geweest die geschreeuwd hebben naar de levende God. Niet allemaal, want hoeveel Israëlieten in ballingschap hebben daar weer een nieuw bestaan opgebouwd? Ze hebben er weer wat van gemaakt. Maar onder dat volk van Israël zijn er geweest die God kwijt waren en die geschreeuwd hebben naar een Zaligmaker, want ze wisten dat het buiten Jezus niet kan, dat er zonder bloedstorting geen vergeving is, dat er betaald moet worden, ‘of door onszelf, of door een ander’.

Een heerlijk kenmerk van genade.

 

Maar er staat nog iets: en zij zullen vrezende komen tot den Heere en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen. Na lange tijd – ik denk dat het daarop duidt – zullen ze bevreesd komen. Waar vrezen die mensen voor?

Gemeente, waar zou je voor vrezen? Misschien vreest u weleens voor Gods grootheid, als het onweert. Jongens en meisjes, ben je dan nooit eens bang? Als je hoort hoe de levende God spreekt, dan vrees je weleens. En als je iets bemerkt van hoe de Heere straft en hoe Zijn gerichten over de aarde gaan, dan vrees je weleens. Als je ziet hoe het in Nederland op economisch gebied eigenlijk niet goed gaat, dan vrees je misschien om je werk te verliezen, dat de Heere daarin ook iets van Zijn ongenoegen uit.

Maar wonderlijk: dat alles staat er níet. Er staat dat ze vrezende komen tot den Heere, de God van het verbond. Dat is God in Christus, die God Die geen verterend vuur is, omdat Hij in Christus dat volk aanziet – al is Hij een verterend vuur en een eeuwige gloed als je onbekeerd blijft.

Ze vrezen voor Zijn goedheid. Hoe kan dat nu? Verstaat u dat?

Weet u wat het is? Ik denk dat het is wat Petrus kende toen de Heere zo onverwacht en onverdiend zegende. Wat zei Petrus toen? Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens (Luk.5:8).

Er is een volk op aarde dat aan de voeten van de Heere komt, vrezende. Voor Gods heiligheid? Nou, daar hebben ze weleens van wakker gelegen. Voor Gods toornende gerechtigheid? Daar zijn ze weleens bevreesd voor geweest. Maar weet u waarom ze nu zo beven? Omdat God zo goed is en zij zo slecht. Heere, wie ben ik nou? Ik heb al mijn levensjaren verzondigd en nooit één ding gedaan dat U kon behagen – een verloren zondaar. Maar U bent zo goed, Heere; U doet mij niet weg. U wilt zo iemand als ik opzoeken, oprapen uit de modder van de zonde.

 

Dat is het rechte kenmerk van bekering. Dan word je een klein mens onder God. Wie ben ik, Heere, dat U omziet naar zo’n dode hond als ik ben? Eenzijdige goedheid, eenzijdige zondaarsliefde voor iemand die nooit God kan bedoelen.

Kent u dat? Of consumeert u al Gods zegeningen nog zonder enige schaamte en denkt u zo rustig voort te kunnen leven?

Kinderen des Heeren, die verwondering zal blijven, die eeuwige verwondering, ook na ontvangen genade. En dat wonder wordt steeds groter.

Welk wonder?

Dit wonder: en Ik, die levende God, wacht ook na u.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 32: 5

 

Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,

Of als een muil, door domheid voortgedreven;

Gebit en toom, door 's mensen hand bestierd,

Beteug'len 't woest en redeloos gediert';

Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen;

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;

Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.