Ds. B. Labee - Hosea 2 : 18 - 22

Ik zal

Hosea 2
Ik zal haar ondertrouwen
Ik zal haar zegenen

Hosea 2 : 18 - 22

Hosea 2
18
En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.
19
En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen.
20
En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, spreekt de HEERE; Ik zal den hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren.
21
En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders den most en de olie; en die zullen Jizreel verhoren.
22
En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89: 7
Lezen : Psalm 85
Zingen : Psalm 67: 3
Zingen : Psalm 85: 1 en 4
Zingen : Psalm 72: 10
Zingen : Psalm 116: 7

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in de profetie van Hosea, het tweede hoofdstuk, het 18e tot en met het 22e vers.

 

En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid, ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen. En het zal te dien dage geschieden dat Ik verhoren zal, spreekt de HEERE; Ik zal den hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren. En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders den most en de olie; en die zullen Jizreël verhoren. En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O mijn God.

 

De tekstwoorden bepalen ons bij: ‘Ik zal...’

 

1. Ik zal haar ondertrouwen; naar aanleiding van het 18e en het 19e vers

2. Ik zal haar zegenen; naar aanleiding van vers 20 tot en met 22.

 

Gemeente, in het voorgaande gedeelte gaat het over de grote liefdesbewijzen die de Heere aan Gomer bewijst. Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken (Hosea 2:13). We lezen ook over  het dal van Achor, als een deur der hoop, waar de Heere betoont dat Hij een welbehagen heeft aan een totaal verloren zondaar. Dat is onbevattelijk groot. Maar rijker, nog heerlijker, zijn de weldaden die we nu overdenken.

Er is sprake van een opklimming. Allereerst heeft de Heere die zwarte bruid gelokt in de woestijn. Hij sprak daar lieflijke woorden tot haar hart, woorden van troost, van vrede en genade. Nu gaat de Heere spreken over ondertrouw, geestelijke ondertrouw en de daaraan verbonden eeuwige zegeningen. Zegeningen voor de tijd. Ja, dat ook, maar allermeest de zegeningen van het verbond met Abraham, Izak en Jakob.

 

Dit onderscheid kennen we ook in het leven der genade. Er zijn mensen die weten dat ze door de Heere gelokt zijn. Hoort u daarbij? Wat is dat onnoemelijk groot! Er zijn mensen die mogen weten dat de Heere tot hun hart gesproken heeft. Wat werd dat Woord u dan lief! Toen werd de brug naar de zonde en de wereld opgehaald. Toen mocht met Ruth de hartelijke keuze in het hart zijn: uw volk is mijn volk en uw God mijn God (Ruth 1:16). Wat wist Ruth er eigenlijk van? Maar het was een hartelijke liefde en een hartelijke keuze en wie zou durven zeggen dat het niet oprecht was?

Misschien zijn er ook onder ons voor wie de brug naar de wereld is opgehaald. Hoe onnoemelijk groot dat ook is, toch kan er het gevoel zijn iets te missen, iets waar u of jij naar uitziet.

Jongeren in ons midden, mag ik een heel eenvoudig beeld gebruiken? Je kunt het vergelijken met aardse liefde. Wat een zegen – geloof je dat? – is  het als je door Gods hand samengebracht wordt, als je iemand ontmoet aan wie je je hartelijk verbonden weet! Wat is het groot om samen te mogen optrekken, veel samen te zijn! Wat rijk, als je in alle eerbaarheid naar elkaar toegroeit. Dat is een schone zaak!

En toch, het zou niet goed zijn als het altijd zo bleef. Het is niet gewoon als er nooit iets op volgt, als het bij verkering blijft. Als het goed is, ga je verlangen naar het huwelijk. Ja, toch!?

 

Welnu, dat is ook zo in het leven der genade. Als het goed is, komt er in het leven van Gods kinderen een verlangen naar vastheid. Kent u dat? Er komt een tijd in uw leven dat u voelt meer te missen dan te bezitten.

Het is groot als u iets van deze liefde mag kennen; daar praat u misschien niet zo over. Want ik denk dat, als de Heere in je leven komt, je de eerste tijd je mond niet open durft te doen. Wat zullen ze wel van me zeggen? Wat zullen ze wel van me denken? Maar toch, er komt een tijd in uw leven dat de liefde van de Heere zó groot is dat u niet meer kunt zwijgen. Als de Heere gaat spreken tot uw ziel, is dat onnoemelijk groot. Zult u het nooit verkleinen? Zult u het nooit wegdoen, alsof het maar niets is?

Weet u waar Gods kinderen, de meest geoefenden in de genade, naar uitkijken? Zij kijken uit naar ritselingen in het leven van hun medemens. Een ritseling, wat is dat eigenlijk? Dat lijkt zoiets als alleen maar een bewogen worden door de wind. Maar vergist u niet, het kleinste kenmerk van genade is al groot.

En toch, als het goed is, als het recht ligt, dan is het als in Hosea 2; dan komt er een verlangen naar meer vastheid, naar geestelijke ondertrouw.

We letten daarop in ons eerste aandachtspunt.

 

1. Ik zal haar ondertrouwen

 

Wat is dat groot en rijk, gemeente, als we hier horen: Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid.

Voordat we gaan letten op de huwelijksvereniging – want daar gaat het toch over – letten we op de personen in dat huwelijk. ‘Ik’ met een hoofdletter, jongens en meisjes, dat begrijpen jullie wel – dat is de Heere. En ‘u’, dat is die zwarte bruid; dat is Gomer, de zondige bruid. Zij is door de Heere krachtig, met koorden van goedertierenheid, in de woestijn getrokken, tot haar eeuwig behoud.

Ouders, als uw kinderen groter worden, komen ze met een vriend of vriendin thuis. Dan denkt u misschien ook wel dat die twee helemaal niet bij elkaar passen. Dat wordt helemaal niets, denkt u. Maar dat kan nog best meevallen.

Maar nu deze twee partijen, gemeente, dat valt niet mee. Als u erover nadenkt wie die personen zijn voor dat geestelijke huwelijk. ‘Ik’ – in algemene zin is dat God, Die de Man van Israël genoemd wordt. In bijzondere zin is dat Christus, Die de Bruidegom van Zijn Kerk, van Zijn kinderen, van die zwarte bruid genoemd wordt.

 

We bezien nu eerst, wie Hij is, Die zegt: ‘Ik zal.’

Gemeente, wat zullen we over deze Bruidegom zeggen? Wat zal de bruidskerk van Hem gewagen als ze krank is van liefde? Als ze enige kennis van Hem verkregen heeft? Hij is van de allerhoogste komaf. Hij is het over Wie Johannes sprak: en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid (Joh. 1:14).

Gemeente, Hij is de rijkste in goederen; alles op deze aarde is van Hem. Gelooft u dat? Hij is de alwetende God, Die ook precies weet wat er in uw hart leeft. Hij is ook de aller barmhartigste Jezus. Gelooft u dat? Hij is de Bruidegom, Die omziet naar Gomer, de zwarte bruid.

 

O, dat de Heere zich toch zo zou aan uw ziel zou  openbaren. Want dan hebt u geen harde gedachten meer over Hem. Dan weet u het: er is nog nooit Eén geweest Die zulke  zondaars als u ontving en met hen at en dronk.

Jongeren, als je de evangeliën leest, hoeveel mensen zijn er dan niet aan Zijn voeten gekomen? En heeft Hij er ooit één afgewezen? Zie ze komen: kreupelen en blinden, melaatsen, de meest afzichtelijken van deze wereld.  Dan zie je Hem te midden van tollenaren en zondaren. Er zijn zelfs hoeren bij en Hij zocht ze op. Deze heilige Bruidegom heeft er nog nooit één weggestoten, nog nooit één weggeschopt. Hij heeft nooit gezegd: ‘Voor u is het niet. Ga maar weg, uw zonde is te groot, uw kwaal is te ernstig.’

Deze aller barmhartigste Bruidegom, Die uw hart zoekt – gaat uw hart niet voor Hem kloppen, o, onbekeerde zondaar? O, dat ik u heilig verliefd zou kunnen maken op deze Bruidegom, de aller schoonste onder de mensenkinderen. Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl. 5:10). Hij is alles voor Zijn Kerk en kinderen. Hij is nog Dezelfde als hier in Hosea 2 getekend wordt. Hij is nóg de grote, gezegende Bruidegom.

 

Hij gaat Zich Zijn zwarte bruid toe-eigenen, gemeente.  Maar, wie is zij dan?

Woorden zijn te kort om haar te schilderen. Gomer blijft Gomer. Wat zullen we over  haar zeggen? Ze was een overspeelster en ze bleef maar doorgaan. Hosea beminde haar met de liefde van zijn hart, maar ze zocht toch steeds weer haar boeleerders op.

Gomer, dat is de zwarte bruid. Ze heeft geen aanzienlijke staat of afkomst.

Hebt u dat doorleefd, gemeente? We zijn met Gomer uit de vader der leugenen, de duivel, en hij is een mensenmoorder van den beginne. We hebben in het paradijs voor hem gekozen. We zijn hem toegevallen. Gomer – haar vader is een Amoriet, haar moeder een Hethitische. Hebt u dat doorleefd – de heiden uit wie u voortgekomen bent?

Gemeente, wij zijn in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren uit een zondige vader en moeder. Er is aan ons geen schoonheid of begeerlijkheid meer, maar we zijn mismaakt en krom, verdraaid vanwege de zonde. Er is geen heerlijkheid aan ons, die zijn we kwijt. We waren pronkjuwelen van de schepping, maar we zijn het allemaal kwijt. Gemeente, er is in ons geen waardigheid en geen zachtmoedigheid. We hebben geen besef van onze zonden. In ons is alleen maar boosheid, overspeligheid en verderf.

 

Wat heeft deze Bruidegom toch bewogen, kinderen des Heeren, om naar u om te zien? Hebt u dat wel eens overdacht? Wat beweegt toch deze gezegende Koning, Die de hemel der heerlijkheid bezit, Die u en mij niet nodig heeft of kan gebruiken, om toch zo één te werven? Om zo iemand te beminnen, om zo iemand te voeren in de woestijn. Om zo iemand te ondertrouwen. Hebt u dat wel eens overdacht? Dat is nu eeuwige, soevereine zondaarsliefde. Dat is: door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen.

Het is vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog. Daarom kan het. Hij ziet om naar mensen, die diep gevallen zijn. Al moet u zeggen: Ik ben dieper gezonken in de zonden en in het onteren van God dan wie ook op deze wereld. In mij vind ik alleen maar zonden.

Gemeente, deze Bruidegom werft zo’n bruid, opdat de prediking van het Evangelie zou gaan schitteren. De gezegende Bruidegom, de hemelse Koning, bemint geen goede, brave, beste mensen, maar zondaren. Hij wil hen trekken, oprapen, voeren, leiden en ondertrouwen.

 

Kunt u het niet geloven? Misschien zegt u: ‘Als ik me niet vergis, heeft de Heere me gelokt en me getrokken, maar ik ben zo zwart.’ Dat was Gomer ook. Gomer bleef Gomer. Het is de grootste smart van Gods kinderen dat ze voortdurend moeten zeggen: ‘Heere, het wordt nooit beter met mij.’

Hoe lang bent u al op de weg, kind des Heeren? Hoe lang mag u al weten dat de Heere het goede werk in u begonnen is? Wat brengt u ervan terecht? Gaat het steeds beter of moet u zeggen: ‘Heere, ik kan mezelf nergens brengen en het lijkt wel of het steeds minder wordt met mij. Zou ik me niet vergist hebben?‘

Nu is het zo, kinderen des Heeren, dat de Heere zo’n zwarte bruid uittekent om u te troosten. U kunt niets noemen wat Gomer aangenaam maakt in de ogen van de hemelse Bruidegom, Hij heeft haar lief uit Zichzelf, omwille van Zijn eeuwig zoen- en zoutverbond.

Kunt u het niet geloven? Ach, de Heere weet wel hoe ongelovig Zijn kinderen zijn. Is het niet, kinderen des Heeren? Is het niet waar dat u het vaak niet kunt geloven? Zou de Heere wel van me afweten? Ik denk dat het er daarom drie keer staat: Ik zal u Mij ondertrouwen. Gelooft u ook niet?

 

Het staat er drie keer, terwijl de Heere het toch maar één keer hoeft te zeggen. Jongens en meisjes, misschien moet jij wel eens drie keer zeggen: het is echt waar, het is echt waar, heel echt waar. Maar dat hoeft de Heere niet te doen, want wat Hij zegt is waar. Er is geen woord wat uit Zijn lippen ging, wat niet vast en onverbroken is. God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou (Num.23:19).

Maar nu zegt de Heere het drie keer. Vers 18: en Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid. Ja, met grote nadruk: Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid, in gericht, in goedertierenheid, in barmhartigheden. En in vers 19: En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof.

Waarom staat het er drie keer? De kanttekenaren hebben dat ook als opmerkelijk ervaren, want in kanttekening 46 zeggen ze: ‘Merk dat deze genadebelofte in het 18e en 19e vers driemaal wordt verhaald, tot onze troost en verzekering.’

Kinderen des Heeren, hoort u het?

 

Er staan eigenlijk vier dingen over de huwelijksvereniging van deze ongelijkwaardige partijen. Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid – dat is het eerste. Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en gericht – dat is het tweede. Ik zal u Mij ondertrouwen, in goedertierenheid en barmhartigheden – dat is het derde. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof – dat is het vierde.

 

Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid.

De ondertrouw was in Israël bijna even bindend als de verbintenis op de eigenlijke huwelijksdag; er  was bijna geen verschil. De ondertrouw was veel meer bindend dan bij ons. Bij ons kan er nog een streep door de rekening komen, zonder dat het als zonde aangemerkt wordt. Vroeger was het al net als tegenwoordig. Er waren ook toen heel wat mensen die tóch de band van het huwelijk doorsneden.

Gehuwden hier, zult u bedenken dat de Heere de belofte die u eens aflegde, van uw hand zal eisen? We blijven trouw totdat de dood scheiding maakt. Er is maar één echtscheidingsgrond  – daar moeten we heel eerlijk in zijn – en dat is overspel.

Gemeente, de Heere had kunnen zeggen: Gomer, als je trouw bent, zal ik je Mij ondertrouwen. Als je je belofte verbreekt, keer ik me van je af. Maar nu zegt de Heere wat anders. Hij zegt  met grote klem tegen Zijn overspelige zwarte bruid: En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid. Ik kan nooit meer scheiden van Mijn bruid. Ik zal ze Mij eigenen; Ik zal ze de Mijne maken tot in der eeuwen eeuwigheid.

Wulfert Floor schrijft heel treffend: ‘Gij hebt, kinderen des Heeren, geen scheidbrief van uw tedere en trouwe vriend Jezus te vrezen, want het is een duurzame verbintenis, een ondertrouw in eeuwigheid.’

Vindt u dat niet groot? De Heere zegt met grote klem: Ik zal u Mij ondertrouwen tot in der eeuwen eeuwigheid, en het zal nooit meer veranderen.

Kinderen des Heeren, wat vrezen we vaak dat de Heere Zich door onze ontrouw zal terugtrekken en nooit meer zal terugkomen. Wat kunnen we ermee aangevochten worden! Maar hoor wat de Heere zegt: Mijn trouw blijft tot in der eeuwigheid. We hebben daarvan niet altijd de troost en kunnen er niet altijd uit leven.

 

Er staat méér: Ik zal u Mij ondertrouwen in gericht en gerechtigheid.

Gemeente, het geestelijk huwelijk van Christus en Zijn bruidskerk wordt voltrokken in een rechte weg. Het is alsof God de Vader zegt: Om de gerechtigheid die Mijn lieve Zoon heeft aangebracht, de borggerechtigheid en bloedgerechtigheid, bemin Ik deze zwarte bruid voor eeuwig als een dierbaar kind en als een eeuwige erfgenaam.

Het geschiedt niet in een hoek. Als de Heere gaat werken in het leven van Zijn kinderen, laat Hij eerst zien dat ze niets in zichzelf hebben; al hun gerechtigheden toont Hij hun als blinkende zonden. Het wordt schipbreuk lijden, want alles van mij gaat eraan en wordt zonde voor God. Dan wordt het wonder zo groot dat de Heere op grond van Christus’ borggerechtigheid voor eeuwig  Zijn kerk bemint. Gij zijt Mijn Zoon, in Wie al Mijn welbehagen is.

Als we het samenvatten, zien God de Vader – met eerbied gesproken - die zwarte bruid aan in Zijn Zoon, alsof ze nooit zonde gekend of gedaan heeft. Het is een andere zaak of ze dat persoonlijk mag weten en daarvan de baten mag genieten, want niet al Gods kinderen mogen daar de troost al uit kennen. Maar deze geestelijke ondertrouw is alleen mogelijk in recht en in gerechtigheid, want de Heere kan niet om de zonde heen.

Wat is het dan groot om te weten dat er voor de zonden van deze zwarte bruid is betaald! Al die zwarte zonden, heel dat zondige verleden, maar ook de zonden die zij nog zal doen. Kinderen des Heeren, denkt u er wel eens over na? We weten niet hoe onze levensweg zal zijn en hoe lang die zal zijn en wat we allemaal mee moeten maken. De zonden doen ons smart. Dat kan niet anders. Maar anderzijds, we mogen weten dat al die zonden, ook die we nog doen zullen in ons leven, verzoend zijn door Zijn dierbare bloed.

 

Er staat nog iets: ondertrouwen in goedertierenheid en barmhartigheden.

Mag ik het kort samenvatten? Hoe onwaardig u ook bent, kind des Heeren, en hoe u ook zeggen moet: ‘Heere, ik heb het nergens aan verdiend.’ De Heere zegt tóch: ‘Het is goedertierenheid, het is Mijn genade, het is Mijn ontfermende liefde en het is barmhartigheid.’

Barmhartigheden, dat is wonderlijk, dat staat in het meervoud. Alsof de Heere zegt: Ik zal Mij ontfermen over al uw zwakheden, uw gebreken en uw zonden. Ook over het afwijken van Mijn wet en Mijn Woord. Ik zal Mij ontfermen met barmhartigheden.

Wat is dat rijk! Hoe vaak hebt u zich al voorgenomen nooit meer te zondigen? Hoe vaak hebt u niet gebeden: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn sterkte. Ik zal ik nooit meer zondigen en U nooit meer verdriet doen.

Maar als de Heere u dan weer eens laat zien wie u bent, dan zucht u: Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw ogen, dies ben ik, Heer’, uw gramschap dubbel waardig. En toch doet de Heere het niet. Steeds weer zijn er Gods goedertierenheden en barmhartigheden, als Zijn kinderen weer aan Zijn voeten komen en hun zonden bewenen en belijden. Hij zegt dan: Mijn lieve kind Ik ben een God van menigvuldige verlossing, van barmhartigheden en Ik zal nooit meer op u toornen en Ik zal nooit meer op u schelden, want al de zonden heb Ik doen uitwoeden op het gezegende Hoofd, Jezus Christus.

 

Maar er staat nóg iets: ondertrouwen in geloof.

Ik denk dat onze vaderen het goed begrepen hebben, toen ze in hun kanttekening schreven: ‘Ik zal u Mij zó ondertrouwen, dat Ik u het geloof geve door hetwelk gij aan Mij verbonden zult worden.’ En dan schrijven ze verder: ‘Dan mogen zij door dat geschonken geloof hun jawoord geven aan de nodigende en dierbare Jezus.’

Gemeente, kent u dat in uw leven? Het is toch het verlangen van Gods kinderen, dat de Heere niet alleen spreekt: Ik zal u Mij ondertrouwen, maar ook dat zij hun jawoord mogen geven, en zó overgaan in het huwelijksverbond, namelijk in geloof.

Dat kunt u zelf niet maken, gemeente. Het geloof is een gave Gods. Onze vaderen  zeggen het zo dat de Heere het geloof in dat geestelijke huwelijk schenkt. Daardoor gaat de zondaar over in het verbond.

Hoe gaat dat? Ik denk zoals ds. A. Hellenbroek dat onovertroffen heeft geformuleerd in zijn catechisatieboekje: ‘De zondaar doet dit bedaard.’ Catechisanten, weet je het nog? ‘De zondaar doet dit bedaard, vrijwillig, armoedig, gelovig, oprecht, met een gehele toestemming, zowel aan de eisen als aan de beloften van dit verbond.’

Het is ontzaglijk groot als een zondaar dan Jezus de hand mag geven en mag overgaan in dat verbond. Door het geloof mag hij weten: ‘Heere, ik kan niets meebrengen dan zonde en schuld, maar U hebt me geëigend met de prijs van Uw dierbaar bloed. U hebt me gekocht met lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid. Alles in mijn leven hebt U willen vervullen en ik mag voor eeuwig U toebehoren.’ Er is innige geloofsgemeenschap met de enige waarachtige God en Jezus Christus, de Bruidegom.

 

In een goed huwelijk heb je alle dingen gemeen. Je deelt je goed en geld en, zoals het hoort, allermeest je diepste gedachten. Je spreekt met elkaar over de dingen van de eeuwigheid. Doet u dat, gehuwden in ons midden? Jonggehuwden of als je al langer gehuwd ben, als u dat niet doet, begin daar dan maar snel aan. Je moet elkaar eerlijk zeggen wie je bent, wie de Heere voor je is, ook al ben je nameloos ongelukkig en  mis je alles. Dan kun je samen de Heere aanroepen bij alles wat je ontbreekt en wat je mist. Dan mag u bij hem pleiten op Zijn trouwverbond, op Zijn beloften.

Die zwarte bruid – het is bijna niet in te denken, gemeente – die zwarte Gomer, die onheilige, mag met de heilige Heere Jezus in hartelijke verbondenheid leven. Doet u het, kind des Heeren? Gods kinderen mogen Hem alles vertellen wat op hun hart ligt. Dat is teer, gemeente. Alles wat ze overdenken, alles waar ze tegen opzien, alles wat ze niet kunnen, alles waar ze in tekortschieten – heel dat zwarte Adams bestaan mogen ze Hém voorhouden. Ze hoeven niets voor hun lieve Bruidegom te verbergen en Hij zal hen niets kwalijk nemen. Hij zal hen in zoete harmonie, in eeuwige ontferming ontvangen als Zijn lieve kinderen en erfgenamen.

O, wat bent u rijk, als u deze Bruidegom kent! Dan deelt u in al Zijn schatten en in al Zijn weldaden. U hoort eeuwig bij Hem. Wat is dat groot!

 

Hij schenkt vergeving van zonden en door Zijn bloedgerechtigheid brengt Hij verzoening aan. U mag delen in Zijn liefdegaven aan de dis van het Verbond, want Hij is uw Koning. Hij doet proeven en smaken wat Hij verworven heeft voor Zijn zwarte bruid. Hij voedt en onderhoudt, spijst en laaft, tot het eeuwige leven. Hij heeft de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid, voor u verworven. Het hoerenkleed gaat uit. Dan mag u iets van de blanke gerechtigheid van de lieve Borg dragen en u wilt en kunt die  nooit meer kwijt. Het zijn de keurlingen in Sion die mogen weten van de bewuste vrijspraak van schuld en straf. Het  zijn keurlingen die zo heel dicht bij de Koning mogen leven.

Verlangt u daarnaar, kinderen des Heeren? Of hebt u genoeg aan een leven van verre? Als het goed is, verlangt uw hart naar deze ondertrouw en naar deze liefdesblijken van de Koning. Want in elke liefdesblijk wordt het weer waar in uw hart: Hij weet van mij af. Als u ver bij de Koning vandaan leeft, gemeente, en u ontvangt geen liefdesblijken van Hem, o, dan veroordeelt alles u. Dan gaat u in het zwart vanwege het klagen. Zo is het toch? U kunt toch niet leven zonder Hem die uw ziel liefheeft?

Maar als u Hem weer mag ontmoeten in het gewaad van Zijn Woord, in de blijken van Zijn gunst, dan springt uw hart op. Dan mag u zich hartelijk verbonden weten aan Hem, de Hemelse Bruidegom.

 

Kom, gemeente, mist u de Bruidegom? Reist u nog voor eigen rekening? Gaat u nog over deze aarde zonder Borg, zonder Losser, zonder Verlosser? O, dat ik u heilig verliefd kon maken op deze Koning. Want, als u Jezus hebt, de Bruidegom, dan hebt u alles. Maar als u Hem mist, dan mist u alles. Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam van den eniggeboren Zone Gods (Joh. 3:18).

En straks, in het uur van uw dood, mist u alles … voor eeuwig. Zoek toch de Heere, hoe slecht u ook bent! Deze Bruidegom buigt zo diep. De slechtste, de meest goddeloze, Gomer, deze zwarte bruid, raapt Hij op vanuit het slijk.

Allen, die iets van Hem kennen, mogen wel eens van deze Koning zingen; en dat gaan we nu doen met de levende Kerk. We zingen Psalm 72 vers 10:

 

Dan zal, na zoveel gunstbewijzen,

‘t Gezegend heidendom.

‘t Geluk van dezen Koning prijzen,

Die Davids troon beklom.

Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,

Bekleed met mogendheên;

De heer, in Israël geprezen,

Doet wond’ren, Hij alleen.

 

2. Ik zal haar zegenen

 

Ik zal haar ondertrouwen; dat hoorden we in onze eerste gedachte. In onze tweede gedachte gaat het over: haar zegenen. Want onze tekst vervolgt in vers 20: En het zal te dien dage geschieden dat ik verhoren zal, spreekt de Heere.

Onze vaderen vatten die laatste verzen samen, als ze in de kanttekeningen schrijven: ‘Er komen nu figuurlijke manieren van spreken, door dewelke God te kennen geeft dat alle creaturen Zijn kerk ter zaligheid moeten dienen, wanneer hij met hen verzoend en tevreden is.’

Proeft u hier de wending hier in het hoofdstuk. Toen Gomer zómaar voortleefde van de ene dag op de andere dag, dacht ze dat het niet óp kon. Is het u opgevallen dat de Heere in dit tweede gedeelte precies herhaalt wat zij zei in vers 4: Ik zal mijn boelen nagaan, die mij – en daar komt het – mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven.

 

Bent u ook nog zo dwaas dat u denkt dat alles wat u bezit en krijgt, van u is? Gemeente, bent u zo dwaas dat u denkt dat de Heere het u niet kan afnemen in één dag, zoals Job alles kwijtraakte? Mogelijk zijn er in ons midden die weten wat het is, als het bedrijf failliet gaat en je het risico loopt op straat te komen staan. Dat is aangrijpend! Want dan ga je voelen wat het betekent dat je zekerheden wegvallen. Dank de Heere voor Zijn zegeningen, in het besef dat het Zijn hand is die het ons aanreikt.

 

Dat heeft de Heere Gomer ook laten voelen. We lezen in vers 8: Daarom zal Ik wederkomen en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd. Er staat: Daarom zal Ik – dat is ‘Ik zal zijn’, dat is God Zelf. Dat ‘Mijn’ staat met een hoofdletter. Het is alsof de Heere zegt: dat koren is van Mij, en het is Mijn most op zijn gezette tijd, en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken. De Heere laat Gomer een ogenblik voelen: Er is niets van jou bij; en wat je bezit, is alleen maar gunst.

Ten diepste eet heel de wereld mee met Gods kinderen. Zult u dat bedenken? Heel de wereld bestaat en heel de economie draait, omdat de Heere nog mensen moet toebrengen. Als de laatste zal zijn toegebracht, is het allemaal voorbij. Voor altijd voorbij.

Wat bent u arm als u voor het materiële leeft, en als u daarbij ook nog denkt dat het allemaal van u is! We zijn broos en vergankelijk als aarden vaten. Psalm 102 leert ons:

 

Als een kleed zal ’t al verouden;
Niets kan hier zijn stand behouden;
Wat uit stof is, neemt een end
Door den tijd, die alles schendt.

 

Nu mag Gomer iets kennen van de geestelijke ondertrouw en de verzoende betrekking met God, maar ze mag ook iets ervaren van de volkomen harmonie die er weer zal zijn in de schepping. Het staat er zo heel schoon in vier schakels van dat ene gebed, dat uitgaat tot de God des levens.

Er staat dat Jizreël (of Israël) koren, most en olie begeert, ofwel gewoon welvaart; de eerste schakel.

Het koren, de most en de olie moeten het van de aarde hebben; dat is de tweede schakel.

De aarde kan niets voortbrengen zonder de hemel, de derde schakel. Zonder de regen van de hemel groeit er niets en de aarde strekt zich als het ware uit naar de hemel.

De vierde schakel is: als God van de hemel de sluizen van de hemel opent en regen doet nederdalen. Alleen dan komt er oogst.

De hoogste schakel is de Heere en de onderste schakel is Jizreël, dat is Israël. Daar leeft dat afhoererende verbondsvolk. Aan Gods zegen is alles gelegen!

 

Waarom staat dat zo uitvoerig in het slot van dit hoofdstuk? Dat had de profeet ook met een paar woorden kunnen afdoen, bijvoorbeeld: ‘Toen gaf de Heere Zijn zegen.’

Als u de Heere vreest, gaat het niet altijd voor de wind, hoor! Maar u mag bij tijden en ogenblikken toch de zegen des Heeren ervaren.

Daar heeft Hosea heel woorden voor nodig. Hij beschrijft het heel beeldend. Geïnspireerd door Gods Geest mag Hosea het zó verkondigen. Hij wil zeggen: de vloek is weggenomen. De ban is weggenomen, zoals we lezen van het dal van Achor, dat geworden is tot een deur der hoop.

Als de ban weggenomen is, zal God zegenen. Dan zal de Heere gaan geven wat heel de schepping nodig heeft, waar het schepsel naar uitziet. Dan wordt het één groot gebed waar niemand meer vloekt, waar niemand meer zucht en waar heel de schepping in diepe aanbidding voor de Schepper neerbuigt.

 

Gemeente, in de gebeden van mensen zit vaak heel veel tegenstrijdigheid. Uit de wereldgeschiedenis weten we van tijden dat twee volken die elkaar gingen bevechten, de knieën bogen om de overwinning. Het is wat, tegenstrijdige gebeden! Het kan ook gebeuren dat er twee mensen zijn, die beiden oprecht de Heere vrezen, hun knieën buigen voor die éne baan. Eén wordt teleurgesteld, en de ander krijgt de baan.

Dan proeft u iets van de disharmonie die er op deze wereld is. Maar nu is het alsof de Heere zegt: Als nu deze zwarte bruid met Mij verzoend is, is er in het leven van de bruidskerk volkomen harmonie. Dan zingt het in de ziel, met Psalm 85: Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet. Dan is het alleen nog maar vrede.

 

Kinderen des Heeren, hebt u wel eens door Gods schepping gelopen en de schoonheid daarvan gezien? Sprak Hij dan weleens tot uw ziel? Mocht u Zijn genade ervaren, zodat heel de schepping één lofzang werd tot de grote Schepper van hemel en aarde – Hij, Die de aarde draagt en nog omziet naar mij.

Het zijn ‘uurtjes van korte duurtjes’, als het hart volkomen harmonie, volmaakte vrede ervaart. We leven hier nog in het land van de vreemdelingschap. Hoe vaak zijn we alles weer kwijt en gaan we weer als een zwarte bruid over de aarde. Wat verlangen we dan naar een woord van de hemel, naar Zijn stem. Wat verlangen we ernaar de liefde van de hemelse Bruidegom weer te ervaren! Kerk des Heeren, is dat uw uitzien?

 

Onbekeerden onder ons, we horen vandaag: En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennen. U bent als zo’n zwarte bruid. Zou u niet bidden om ook die genade te ervaren in uw leven? Strek uw hand uit; Hij spreekt deze woorden ook tot u, tot jou. Het eigendom van deze Bruidegom te zijn, gaat alles van deze aarde te boven. Zij reikt verder dan de aardse huwelijksband en geeft meer dan alles wat de aarde u en jou geven kan. U hebt het gehoord, het ligt niet aan de Heere: ‘Ik zal u ..’ zegt Hij.

 

Zuchters in ons midden, misschien zegt u: ‘Was het maar waar. Hij de mijne, en ik de Zijne. Dat is onuitsprekelijk rijk, maar ik zwerf maar wat over de wereld. Als ik me niet vergis, heeft de Heere wel eens gesproken tot mijn ziel, maar ik zou me ook nog kunnen vergissen. Want ik ben nergens zo bang voor als voor zelfbedrog. Ik blijf maar een Adamskind.’

O, dan moet u doen als Ruth. Ze legde zich neer aan de voeten van Boaz. Ik ben Ruth, uw dienstmaagd, breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want gij zijt de losser (Ruth 3:9). Leg u dan neer aan Zijn gezegende voeten. De heere zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, heere, is in eeuwigheid; laat niet varen de werken Uwer handen (Ps. 138:8). Breid dan ook over mij Uw vleugel uit, want Gij zijt de Losser.

 

Kinderen des Heeren, het grootste zou zijn als de Heere tot u spreekt wat er staat aan het slot van dit hoofdstuk: En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien. Dat ziet op vruchtbaarheid. En Ik zal Mij ontfermen. Waarover? Over Lo-Ruchama, dat betekent: niet ontfermde.  En Ik zal zeggen tot Lo-Ammi – dat betekent: ik zal uw God niet zijn Gij zijt Mijn volk.

 

Gemeente, mag u zich kennen als zo’n doorn en distel? Mag u zich kennen als zo’n kind des toorns, die het waard is dat de Heere zegt: Ik zal u nooit meer aanzien, u zult nooit Mijn volk kunnen worden? Moet u als een ellendige zondaar getuigen: Heere, ik ben het niet waard dat U ooit naar me omziet? Dan is het heel groot als we Gods stem horen: Gij zijt Mijn volk. U bent van Mij, Ik heb u ondertrouwd. Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren (Joh. 15:16). 

Dat is het geheim. De Heere heeft dat volk liefgehad, getrokken, gezegend, en Zich tot een eigendom gemaakt. Hij zal hen bewaren tot op de dag van de Heere Jezus Christus.

Gemeente, Gods kinderen zeggen wel eens wat, en dan hebben ze er soms twee tellen later weer spijt van. Het is zo groot als de Heere tot mijn ziel spreekt, als ik mag opzien naar de gekruisigde Heiland. Is het wel waar, zou ik me niet vergissen?

Maar toch, als ze iets van de gemeenschap met de Borg  ervaren, dan fluisteren ze het weleens: O, mijn God. Als de Heere tot hun ziel spreekt en als de Heere hen doet ervaren wie Hij is voor zo’n zwarte bruid, en Hij spreekt: Gij zijt Mijn volk – dan klinkt het als in een zucht: O, mijn God.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 116 vers 7.

 

Wat zal ik, met Gods gunsten overlaân,

Dien trouwen Heer’ voor Zijn genâ vergelden?

‘k Zal bij den kelk des heils Zijn Naam vermelden.

En roepen Hem met blijd’ erkent’nis aan.