Ds. B. Labee - Hosea 2 : 13 - 14

Ik zal

Hosea 2
Ik zal haar lokken
Ik zal haar geven

Hosea 2 : 13 - 14

Hosea 2
13
Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.
14
En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage, toen zij optoog uit Egypteland.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89: 1
Lezen : Hosea 2
Zingen : Psalm 99: 1, 3, 7 en 8
Zingen : Psalm 102: 7
Zingen : Psalm 118: 10

Gemeente, wij willen u bepalen bij de eerste veertien verzen van Hosea 2. We lezen u alleen het dertiende en het veertiende vers voor, waar Gods Woord aldus luidt:

                                                                                                                    

Daarom, ziet, Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken. En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal van Achor tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.

 

Onze tekstwoorden spreken van: ‘Ik zal…’

 

‘Ik zal’, dat is het geheim in deze preek. Hierover twee gedachten:

 

1. Ik zal haar lokken. Dat vindt u in het dertiende vers.

2. Ik zal haar geven. Wat ze ontvangt, horen we in vers veertien.

 

1. Ik zal haar lokken

 

Gemeente, we lezen in Hosea 1 dat de profeet als zinnebeeld een zondige, slechte vrouw ten huwelijk moet nemen. De kinderen die bij haar verwekt worden, moet hij opnemen in zijn huisgezin. Hij heeft dat gedaan. Ze krijgen als naam Jizreël, Lo‑Ruchama en Lo-Ammi. Jizreël herinnert aan een bloedbad, aan de ondergang, aan de straf van de Heere. Lo‑Ruchama betekent ‘niet ontfermd’: Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen. Lo‑Ammi wil zeggen: ‘niet Mijn volk’: Je hebt het verzondigd, het is voor eeuwig kwijt.

Tegelijk, horen we over een wonderlijke wending. Het is onbevattelijk dat de Heere nog omziet naar zo’n volk. De Heere belooft uit onbevattelijke liefde en trouw dat Hij een overblijfsel zal laten. Jizreël zal daarvan het teken zijn. Het is weliswaar het dal van het gericht, maar ook het dal waar de Heere Zich een heerlijke Naam zal maken. Van Lo‑Ruchama zal het voorvoegsel geschrapt worden: Ruchama, ‘ontferming’. De Heere zal zich weer over Zijn volk ontfermen. Lo‑Ammi wordt Ammi. Nu wel ‘Mijn volk’. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen weer Mijn volk zijn.

 

Gemeente, die God leeft nog en wij mogen gelovig zingen:

 

Beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond;
Laat dat Uw hart tot ons in liefd’ ontvonken.

 

In hoofdstuk 2 gaat het over hetzelfde als in hoofdstuk 1. Misschien is het u weleens opgevallen dat de Heere met name in de ‘kleine profeten’, steeds dezelfde boodschap laat verwoorden. Dezelfde boodschap - al zijn het andere beelden en al wisselt het perspectief.

Weer gebruikt de profeet het beeld van een vrouw die in hoererij leeft. Zo is zij het beeld van het trouweloze volk Israël tegenover de Heere. Het volk dat Hij verkoren had uit alle volken.

We krijgen de neiging deze hoofdstukken bij het lezen aan tafel maar over te slaan. Maar let er wel op dat doordat de profeet deze voorstellingen gebruikt, de Heere juist de heiligheid van het huwelijk extra beklemtoont. Wat ontheiligen wij Gods Naam als we onze man of onze vrouw ontrouw zijn! Maar ook: hoe gaan we in het gezin met elkaar om? Als man en vrouw? Maar ook met onze kinderen? We lezen in 1 Petrus 5: Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.

Er kunnen grote zorgen zijn, bijvoorbeeld als kinderen niet meer in de waarheid willen wandelen. Wat worstel je als ouders als ze andere paden gaan! Natuurlijk, je mag en moet ze waarschuwen, maar laat het niet uitlopen op een handgemeen. Verwek je kinderen niet tot toorn. Erger ze niet, maar breng ze bij de Heere in het gebed. Houd ze voor hoe rijk het is om de Heere te dienen en Hem lief te hebben en laat dat zien in je leven.

 

Ons teksthoofdstuk begint: Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen.

De Heere – want Hij is hier de verlaten en versmade Man – beschuldigt Zijn huisvrouw. Hij verwijt haar haar hoererijen. Zijn huisvrouw is het beeld van het volk Israël. De Heere roept Zijn volk, dat Hij tot Zijn eigendom verkoren heeft, ter verantwoording. Hij roept hen op het matje. De Heere roept de kinderen Israëls aan, die Hij hier noemt kinderen der hoererij. Hij roept hen op als getuigen tegenover hun overspelige moeder Gomer.

 

Er staat: Twist! Dat is een opdracht aan die kinderen, de individuele leden van het huis van Israël. Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is en Ik haar Man niet ben. O, dat is aangrijpend! Het is alsof de Heere die kinderen opwekt en toeroept: ‘Je kunt er toch geen genoegen mee nemen, dat je moeder een vrouw is die de zonden dient? Een moeder die voortdurend overspel pleegt?’

Gemeente, u voelt, zo mag het er in onze gezinnen niet aan toe gaan, maar ook niet in het huisgezin van God. Als er staat: Twist tegen ulieder moeder, is dat geen hardheid van God, maar Zijn hartstochtelijke liefde, die moeder Israël lokt om haar liefde aan de Heere, haar Man, te geven. Hij vermaant de kinderen een beroep te doen op haar moederliefde, om te stoppen met haar zondig leven.

Met deze krachtige beeldspraak mag Hosea profeteren. Het is geen hardheid van de levende God, maar goddelijke liefde waarmee Hij Zijn kinderen nodigt terug te keren tot het vaderhuis.

Gemeente, Paulus zegt het zo en zo wordt het nu ook aan ons hart gelegd: Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat

u met God verzoenen. Met zoveel liefde komt de Heere naar ons toe.

 

Ik zal uw weg met doornen betuinen, vers 5. Wat is dat voor een weg? Je ziet weleens een platgetreden paadje in het gras. Dat ontstaat als fietsers een kortere weg zoeken, een bocht afsnijden. Bijna elke fietser gaat over dat paadje. Het wordt ten slotte zo hard, dat het wel de gewone weg lijkt.

Gemeente, is dat het beeld van je leven? Je loopt altijd hetzelfde al platgetreden pad, het pad van de zonde. Je bent eraan gewend. Je schrikt er niet van dat het de verkeerde weg is. Onbekeerd verder, het is levensgevaarlijk!

 

Het is soevereine liefde als de Heere ons tegenkomt en dat wordt in dit hoofdstuk beeldend beschreven. Hij zal haar koren en most wegnemen. Er zal hongersnood zijn. De wijngaard en de vijgenboom zullen worden verwoest. En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden en haar sabbatten, ja, al haar gezette hoogtijden.

Opdat Ik haar niet naakt uitstrope en zette haar als ten dage toen zij geboren werd, ja, make haar als een woestijn, lezen we in vers 2. Als we dit beeld horen, kunnen we denken aan de taliban in Afghanistan, die zo vaak gebruikmaken van bermbommen. Ze plaatsen die niet zomaar in de woestijn waar niemand komt, maar langs de routes waar hun vijand langskomt. Als een voertuig op zo’n bom rijdt, wordt het vaak totaal verwoest. Zo dreigt de Heere Zijn volk al zijn sieraad te ontnemen. Het zal nog ellendiger worden als eerder in het diensthuis van Egypte.

Gemeente, onthoud, de Heere tuchtigt Zijn volk niet om te plagen, maar uit liefde. Hij is uit op uw behoud; Hij bedelt om uw wederliefde.

 

Ik zal uw weg met doornen betuinen. Als Gomer er weer op uit gaat, haar boelen (haar minnaars) achterna, brengt de Heere doornen op haar pad. Ze zal stappen op doornen die diep indringen, maar zal ze dan tot inkeer komen? Gemeente, ga de geschiedenis van Israël eens na. Van het Tienstammenrijk lezen we niet één keer dat er een koning regeert die de Heere vreest. Steeds klinkt het refrein: En deed wat kwaad was in de ogen des Heeren; hij week niet van alle zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. Het volk gaat de kalveren te Dan en Bethel, en de Baäl achterna – en de Heere, Israëls God, vergeten ze.

Er kwam geen nationale terugkeer tot de Heere en Zijn dienst. Het was zo hier en daar een enkeling. Een Obadja en zijn vijftig beschermelingen! Toch lezen we: Ook heb Ik in Israël doen overblijven zevenduizend, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor Baäl.

Als hier over kinderen gesproken wordt die tegen hun moeder, het afvallige volk, moeten getuigen, zijn zij misschien de individuen, die in die donkere tijd wel tot inkeer zijn gekomen en de Heere dienen en vrezen. Heeft de Heere Zich niet altijd doen overblijven een arm en ellendig volk, die op de Naam des Heeren betrouwen (Zef.3:12)?

 

Vers voor vers lezen we in ons hoofdstuk hoe de Heere Gomer (Zijn volk) voor Zich wil inwinnen. Hoe Hij haar stap voor stap van haar zonden wil overtuigen! Elk vers roept haar tot inkeer en nodigt haar terug te keren tot de Heere.

Dan klinkt in vers 13: Daarom... Iedereen weet: nu komt het beslissende oordeel. Nu zal de Heere een einde maken met dat wederkerige volk. Zijn geduld is op!

Daarom…

Bent u daar nooit bang voor? Wees eens heel eerlijk! Als je nog onbekeerd bent, leef je in de zonden. Ben je dan niet bang om op een dag wakker te worden in de eeuwigheid, in de plaats van wening en knersing der tanden? Waarom? Omdat je je niet hebt bekeerd en het Evangelie niet hebt geloofd. Je hebt de Heere Jezus niet erkend als Heere en Koning over je leven. Dan is er voor u en jou geen plaats in Zijn koninkrijk!

 

Daarom, zie, Ik zal haar lokken…

Nee, we horen geen verdoemend oordeel! O, wonder van genade!

 

Hij heeft gedacht aan Zijn genade,

Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt.

 

God gedenkt aan Zijn verbond gestadig: Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.

Lokken…

Dat deed de duivel ook in het paradijs. Met zijn lokstem verleidde hij Eva. Simsons vrouw verlokte hem om haar zijn raadsel te verklappen. Delila verlokte Simson haar te verklaren waarin zijn grote kracht lag.

Daarom, zie, Ik zal haar lokken…

De Heere gaat haar lokken. Daar zit iets in van het voortdurend bezig blijven. Hij probeert haar te overreden, zonder te stoppen, zonder ophouden. Zoals in Psalm 32: Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. Dat is vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog. Wat een wonder dat God Zich wil bemoeien met zulke mensen, met mensen die Hem altijd de rug toe keren!

 

Gemeente, op elke bladzijde van de Bijbel lezen en horen we die lokroep: Keert weder, gij afkerige kinderen; Ik zal uw afkeringen genezen (Jer.3:22). Volg mij, zegt Jezus, van Wie alle Schriften getuigen. Moet uw hart niet breken onder zoveel liefde? Of gaan we die lokstem schouderophalend voorbij en gaan we onze eigen weg? Zijn we goedbedoelende mensen, die zelf onze weg wel vinden? Doorzoek uzelven nauw, ja, doorzoek nauw, lezen we in Zefanja.

Daarom, zie, Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn. Afkerige zondaars worden gelokt, worden op die lokstem in de woestijn gevoerd. Die lokstem klinkt te allen tijd. Ook nu tot ons, in déze dienst. Dat doet ons denken aan de tijd dat Israël door zijn God met een krachtige hand uit het diensthuis, uit Egypte, gevoerd werd. Hij leidde haar in de woestijn.

 

De woestijn is geen aangename plaats om te verblijven. Als je er weleens in geweest bent, praat je daar nooit meer lichtvaardig over. Je ervaart dat het leven daar zwaar is. Als je in de woestijn tussen Berséba en de Dode Zee uit je auto stapt, valt de hitte op je. Zo’n veertig graden is daar heel gewoon, en dan die brandende zon loodrecht boven je! Stel je voor dat je daar langdurig moet verblijven, dag in dag uit, in dat heuvellandschap. Dat is beslist heel zwaar.

Gemeente, in de woestijn is het omkomen, maar toch was de Heere daar voor Zijn volk. Daar werd het volk beproefd, maar ook vertroost. Daar was manna, elke morgen, buiten de tent en daar was water uit de rotsteen. Ze zijn niet omgekomen, de Heere zorgde voor Zijn volk. De wolkkolom wees hun de weg en de vuurkolom verlichtte hen des nachts. Daar heeft Hij hun Zijn heilige wet doen horen. Daar is Hij, onder bloedstorting, met Zijn volk in een verbond getreden. Ik zal hun een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Hij wilde onder Zijn volk wonen. In de tabernakel wilde Hij gediend worden. Daar was zegen, verzoening en vergeving door het offer onder bloedstorting. Dat wees op de volkomen offerande van Christus.

 

Nu luidt onze tekst: Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en ik zal Ik naar haar hart spreken.

Ík zal naar haar hart spreken. Dat klinkt vriendelijk, dat is troostrijk. Dat is zoals een man lieve woordjes tegen zijn vrouw fluistert. Ja, maar u moet bedenken dat het hier een ontrouwe vrouw betreft, een hoer. Die Man, de levende God, spreekt vriendelijke woorden tot zo-een.

Ons Avondmaalsformulier zegt het zo:

 

Om verzekerd te worden van deze Mijn hartelijke liefde en trouw jegens u, dat Ik voor u (daar gij anders den eeuwigen dood hadt moeten sterven) Mijn lichaam aan het hout des kruises in den dood geve, en Mijn bloed vergiete, en uw hongerige en dorstige zielen met dit Mijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven spijze en lave.

 

Jongens, als je van een meisje houdt, zeg je lieve woordjes tegen haar. Je spreekt naar haar hart. Dat komen we in de Schrift vaak tegen. Ik noem zomaar een paar voorbeelden.

In Sichem sprak de jongeman, die ook Sichem heette, naar het hart van Dina (Gen.34:3). Hij had haar echt lief en had alles voor haar over. Maar het was niet goed. Dina was een dochter van Jakob, een kind van het verbond. Sichem was een onbesneden Kanaäniet die de Heere niet kende. Dat is niet goed, zo’n verbintenis. Een waarschuwing, jongens en meisjes, zul je je oren niet laten hangen naar de schone beloften van de wereld? Leef dicht bij de Heere, vrees de Heere. Ook als het om een levensgezel gaat, kies niet de wereld in plaats van de dienst aan de Heere.

Jozef spreekt naar het hart van zijn broeders (Gen.50:21). Dat is ook zo’n mooi beeld, want die broeders weten dat ze eigenlijk des doods schuldig zijn. Ze hebben Jozef verkocht als slaaf. Dat stond gelijk met iemand de dood injagen. Als slaaf had je een slecht leven, je leven was niets waard. De broers waren zo benauwd: ‘Nu zullen we gedood worden! Nu zullen we de straf krijgen.’ Toen sprak Jozef naar het hart van zijn broeders.

 

Nu ziet u Gomer daar ook staan: des doods schuldig! Die vuile hoer! Maar nu mag Hosea het schrijven: Ik zal, ondanks wie je bent, je hartelijk liefhebben. Geen kwaad zal je overkomen.

Naar haar hart spreken.

Dat horen we van Boaz. Zo sprak hij tot Ruth. Hij sprak naar haar hart (Ruth 2:13). Ruth, een Moabitische, die helemaal niet bij het volk van Israël hoorde. Ze had geen plaats onder Israël. Boaz sprak: En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat gij gezegd hebt, zal ik u doen; want de ganse stad mijns volks weet, dat gij een deugdelijke vrouw zijt. Boaz zal, als type van Christus, niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe.

 

Gemeente, zo lokt de Heere ook ons vandaag nog. Hoort u Zijn stem? Bent u al uit het slavenhuis Egypte geleid en gevoerd in de woestijn. Hebt u gebroken met de zonden, de wereld de scheidbrief gegeven? Ja, u meende te moeten omkomen, maar toen sprak de Heere tot uw ziel. U meende dat de Heere kwam om af te rekenen, maar in plaats daarvan hoorde u: Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden (Jes.40:1,2).

Wonderlijk! Lokkende liefde: Ik zal haar lokken.

 

Maar nu onze tweede gedachte: Ik zal haar geven. We gaan eerst zingen Psalm 102 het zevende vers:

 

Gij zult opstaan, ons beschermen,

Over Sion U ontfermen;

Want de tijd, Uw stad voorspeld,

Aan haar leed ten perk gesteld,

Die zo lang gewenste dagen

Van Uw gunstrijk welbehagen,

Zijn, o God, in ’t eind geboren;

Gij, Gij zult haar klacht verhoren.

 

Onze tekstwoorden bepaalden ons bij: Ik zal… We hebben in onze eerste gedachte gelet op: Ik zal haar lokken. En in onze tweede gedachte:

 

2. Ik zal haar geven

 

Vers 14 vervolgt: En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af. Dat is opmerkelijk. Als je het hoofdstuk leest, is het u ongetwijfeld opgevallen dat de Heere haar alles afnéémt. Hij neemt dít af en Hij neemt dát af: het koren, de most en de olie. De honger staat haar te wachten. Ze zal niet meer blij kunnen zijn, geen feesten en hoogtijdagen meer! Hij probeert dat volk te doen zien: Als je Mij verlaat, heb je niets dan smart op smart te vrezen.

Maar nu het wonder. Als de Heere haar lokt en in de woestijn voert, waar Hij naar haar hart spreekt, gaat Hij haar juist weer rijk maken. Hij geeft haar wijngaarden van daar af. Zij zal weer delen in de overvloed van Kanaän. Deze wijngaarden duiden op een belofte van grote welvaart. Micha zegt: Zij zullen zitten, eenieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom. De wijnstok staat voor een overvloedige oogst, een rijke wijn. Er is overvloed aan wijn tot blijheid en vrolijkheid.

 

Gemeente, dit is niet anders dan de taal van de trouwe Verbondsgod tot een zondaar. Hij zal het werk van Zijn handen nooit laten varen. Het zondig volk vergeet zijn God, maar Hij is het Die trouwe houdt. U begrijpt dat de kanttekenaren wel wilden zingen van Gods genade bij deze verzen.

Lees maar mee met hen: Dit zijn geestelijke beloften van het genadeverbond, gegrond in den enigen Verlosser, Middelaar en Messias, onzen Heere Jezus Christus, in Welken wij door het geloof uit loutere genade vrede hebben met God, gerustheid der consciëntie, een zekere toevlucht, een zalige bescherming, overvloed van alle geestelijke gaven, met een bestendigen troost, en kortom de gewisse genade van dit en de eeuwige heerlijkheid van het toekomende leven. 

Wat is dat groot, gemeente! Die hoererende bruid heeft er alles doorgebracht, heeft zich steeds van haar Man afgekeerd, maar ze wordt door haar Verlosser, haar Heiland gelokt in de woestijn. En daar krijgt ze alles wat ze nodig heeft voor tijd en eeuwigheid. Haar zal niets ontbreken, want de Heere is haar Herder (Ps.23). Dan is het goed in de woestijn van het leven. Het kan benauwd en droevig zijn, maar Hij leert ons psalmen zingen in de nacht.

Dan is er elke morgen buiten de tent hemelsbrood. U hoeft slechts te bukken om het tot u te nemen. Weet u ervan, niets verdiend te hebben en toch: Ik zal haar geven. Niets verdiend en toch een rijke tafel toegericht in de wildernis. Hoort u de lokkende stem, de roep van de Heiland?

 

We lezen verder in onze tekst: Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal van Achor tot een deur der hoop.

Het dal Achor had in Israël een verschrikkelijke klank. De Israëlieten mochten na hun woestijnreis het beloofde land Kanaän binnengaan. De eerste stad, waar zij tegenover kwamen te staan, Jericho, overweldigden zij zonder slag of stoot. De Heere liet de muren op het gejuich van Zijn volk instorten, maar de hele buit van Jericho moest voor Hem zijn. Geen goud, zilver of andere rijkdommen mochten de Israëlieten zich toe-eigenen.

Maar Achan, uit de stam van Juda, kon de verleiding van zoveel moois niet weerstaan. Hij eigende zich van de buit een mooi Babylonisch overkleed toe, zilveren munten en een gouden tong. De rijkdommen van de wereld waren hem meer waard dan de gunst des Heeren en het letten op Zijn gebod.

Na Jericho moest het stadje Ai worden ingenomen. Drieduizend strijdbare mannen waren wel voldoende om Ai te verslaan. Maar ze moesten vluchten voor de mannen van Ai, en zesendertig mannen van Israël kwamen om. Israël wordt mismoedig: als we zo’n stadje al niet kunnen verslaan! Wat blijft er over van de belofte aan Jozua: Verschrik niet en ontzet u niet; want de Heere uw God is met u alom waar gij heen gaat (Joz.1:9). Hij smeekt de Heere: Wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?

Toen zei de Heere: Israël heeft gezondigd en zij hebben ook Mijn verbond hetwelk Ik hun geboden had, overtreden. Israël heeft van het verbannene genomen en de Heere kan niet verder met hen optrekken zolang er een ban in het leger is.

Dan wordt door loting Achan door de Heere aangewezen en Hij, zijn geroofde buit, zijn gezin en al zijn bezittingen worden in het dal van Achor gestenigd en met vuur verbrand. Zo werd de ban in het leger verbroken en kon de Heere weer in het midden van Zijn volk optrekken.

 

Gemeente, er kan ook een ban zijn in ons eigen leven. Dan moet u denken aan een ernstige zonde, misschien een boezemzonde. Een zonde die u altijd maar aan de hand houdt en die u niet voor de Heere als schuld belijdt. Dan hebt u geen rust en kan de Heere u geen vrede geven in het hart. Dat kan ook een ban geven in uw huisgezin. Belijd uw zonden voor de Heere. De Heere is gaarne vergevende.

Als er een ban is in de gemeente, kan de Heere van de gemeente wijken. Hij neemt de kandelaar van Zijn Woord en de vreze des Heeren weg. Laat iedereen hier zich onderzoeken of bij hem een schadelijke weg is; en leid mij op den eeuwigen weg (Ps.139:24). Jesaja vermaant ons: De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes.55:7).

 

Weer kunnen de kanttekenaren het niet nalaten om van deze ‘deur der hoop’ in Achors dal te wijzen op de deur, die geopend is in de hemel en toegang geeft tot de eeuwige zaligheid.

Leest u mee: Het dal van Achor was gelegen vooraan in het beloofde land bij de stad Jericho, en alzo een deur der hoop of verwachting, dat God Zijn volk door Jozua tot daartoe gebracht hebbende, voorts Zijn beloften zou volvoeren en hen in volkomen bezit van Kanaän stellen; gelijk de gelovigen in deze vallei des kruises, door de genade van den Heere Christus, een beginsel des eeuwigen levens en een open deur hebben van de levende hoop van het volkomen bezit der eeuwige heerlijkheid.

Over dat dal zegt onze tekst verder: en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.

Wat heeft Israël zwaar geleden in Egypte, in het slavenhuis! Wat een oceaan van verdriet over de baby’tjes, jongetjes die in de Nijl werden verdronken! Wat hebben ze gezucht onder de slavenarbeid! Maar de Heere gedacht aan Zijn verbond dat Hij deed aan Abraham, Zijn vrind en Hij heeft ze uitgevoerd onder vreugdegezang.

Toen zong Mozes en de kinderen Israëls den Heere dit lied en spraken, zeggende: Ik zal den Heere zingen, want Hij is hogelijk verheven; het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. De Heere is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; Deze is mijn God, daarom zal ik Hem een lieflijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen (Ex.15:1,2).

En Mirjam, de profetes, Aärons zuster, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit haar na, met trommels en met reien. Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den Heere, want Hij is hogelijk verheven, Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort (Ex.15:20,21).

 

Israël zal in ballingschap worden weggevoerd, maar de Heere zal ze terughalen en alsdan zullen ze zingen zoals toen ze optrokken uit Egypteland. Want zo zegt de Heere: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt en zegt: O Heere, behoud Uw volk, het overblijfsel van Israël (Jes.31:7).

 

Net als toen, heeft de Heere ook nu nog Zijn bruidskerk, die Hij ondertrouwd heeft in gerechtigheid en gericht, in goedertierenheid en barmhartigheden en in geloof.

Gemeente, zij kent die momenten zonder woorden tussen de Heere en haar ziel. Misschien fluistert zij slechts: O, mijn God (Hos.2:22). Dat is groot, maar zij weet ook iets van het woestijnleven. Zij weet van beproevingen, van honger en dorst, van woedende vijanden, maar ook van de verkwikking van Elim. Het geoefende kind van God, maar ook hij of zij die zojuist Christus op Zijn lokgroep gevolgd is, leert zingen:

 

Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen,

O God, mijn sterkt’, U hartelijk beminnen.

Mijn steenrots, burg en Helper is de Heer’,

Mijn God, mijn rots, mijn zaligheid, mijn eer.

 

Eens als de Heere Zijn bruid binnenhaalt in Zijn hemel, zullen ze zingen met alle gezaligden het lied van Mozes en het Lam: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen. Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken?

 

Gemeente, de tekst wijst ons op Achans zonde. Hij nam van de buit van Jericho die de Heere voor Zich geheiligd had. Er kwam een ban in het leger van Israël en de Heere kon niet meer optrekken met Israël. Hij, zijn huis en al zijn bezittingen werden weggedaan van de aarde in het dal van Achor. Misschien was de buit van Achan niet eens zo groot, maar de Heere ziet de zonde niet door de vingers. Deze geschiedenis leert ons: breek met de zondedienst. Ook al straft God de zonden niet altijd op de daad, zoals bij Achan, maar de Heere merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen die den Heere vrezen, en voor degenen die aan Zijn Naam gedenken (Mal.3:16).

Verlaat dan die platgetreden paden van de zonden. Vraag maar of de Heere doornen wil strooien, die zó scherp zijn dat het onmogelijk is om die paden langer te bewandelen. Geeft u nog steeds toe aan uw boezemzonden? Jezus zegt: En indien uw oog u ergert, trek het uit en werp het van u. Het is u beter, maar één oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden (Matth.18:9). Verlaat toch uw zondige wegen en luister naar de lokstem van de Heiland: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:20). Laat je toch overreden door de prediking van het Woord: Laat u met God verzoenen (2 Kor.5:20). Onze ontrouw doet Zijn verbondstrouw niet te niet.

 

God zal Zijn waarheid nimmer krenken,

Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

 

Kinderen des Heeren, weet je nog van dat ogenblik, toen je gevoerd werd in de woestijn? Misschien zeg je: Toen was mij beter dan nu (Hos.2:6). Toen wist ik waar ik vandaan kwam, uit Egypte, en ik voelde dagelijks de hand van de Heere, Die me leidde en Die me voorging. Maar weet: de God van Israël is nog steeds Dezelfde. Hij was getrouw voor Israël en zal ook u leiden langs het dal van Achor.

Misschien zeg je: ‘Het is nu zo donker in de woestijn van het leven.’ Bedel dan de Heere of Hij tot uw hart wil spreken van ontferming en u toevoegt: niet Lo-Ammi, maar: u bent Mijn volk, u bent van Mij. En getuig dan van de liefde van God tot uw kinderen en in het midden van de gemeente.

 

Aldaar zal zij zingen als in de dagen harer jeugd. Helder van toon en van klank, zoals God geeft te zingen. Totdat de woestijnreis beëindigd zal zijn. Dan blijft over het lied van Mozes en het Lam: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij, almachtige God (Openb.15:3).

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 118 vers 10:

 

Dit is, dit is de poort des Heeren;

Daar zal ’t rechtvaardig volk door treên,

Om hunnen God ootmoedig t’ eren,

Voor ’t smaken Zijner zaligheên.

Ik zal Uw Naam en goedheid prijzen;

Gij hebt gehoord; Gij zijt mijn geest,

Door Uw ontelb’re gunstbewijzen,

Tot hulp, en heil, en vreugd geweest.