Ds. C.G. Vreugdenhil - Hoofdstuk 1

Gods reactie op onze val

Onze verlorenheid wordt beaamd
Gods ontferming is geopenbaard
Gods predikers worden uitgezonden
Deze prekenserie is eerder uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente Rotterdam-Zuidwijk.

Hoofdstuk 1 :

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 1 en 2
Lezen : Romeinen 10
Zingen : Psalm 145: 2, 3 en 7
Zingen : Psalm 95: 3 en 4
Zingen : Psalm 89: 8

De Dordtse Leerregels, Hoofdstuk 1, par.1-3a:1-1

Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben, en des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden, zo zou God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het ganse menselijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten en om de zonde verdoemen, volgens deze uitspraken van den apostel: De gehele wereld is voor God verdoemelijk. Zij hebben allen gezon­digd, en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3:19, 23). En: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6:23).

1-2 Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (1 Joh. 4:9; Joh. 3:16).

1-3a En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil.

 

Gods reactie op onze val:

     1. Onze verlorenheid wordt beaamd.

     2. Gods ontferming is geopenbaard.

     3. Gods predikers worden uitgezonden.

 

Gemeen­te, wij gaan vandaag beginnen met de behandeling van de Dordtse Leerre­gels, één van onze drie formulieren van enigheid. De andere formulieren zijn de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

De Dordtse Leerre­gels hebben nog niets van hun actualiteit ingeboet. Dat merkten we bijvoorbeeld aan de discussies over de ontwerpkerkorde voor de PKN. Men heeft toen helaas de Remonstrantse Concordantie van Leuenberg ernaast gelegd en daarmee in feite de Dordtse Leerregels ontkracht.

Er is ook een boekje verschenen 'Dordt Vandaag' met een actualisering van de Dordtse Leerregels als een Bijbelse weg tussen het Remonstrantisme en Hypercalvinis­me.

Enerzijds de Remonstrant die zegt: Uiteindelijk moet je het zelf doen. Een mens kan nog wel wat, hij kan best geloven met een beetje hulp van boven. Anderzijds de mensen die menen dat je aan je behoudenis niets kan doen. Als je niet verkoren bent, kun je bidden en Bijbellezen dat de stukken eraf vliegen, maar het baat je niets. Als je wel verkoren bent, dan word je toch wel gered, ook al leef je erop los.

 

‘Maar,’ zegt iemand, ‘wat moeten we nu met zo'n belijdenis­geschrift van pakweg 400 jaren geleden? Waarom houden onze kerken daar zo aan vast? Is dat geen confessionalisme, krampachtigheid, ‘al het oude is goed’?’

Waarom beroepen we ons in de strijd der geesten vandaag steeds weer daarop?

Waarom gaan we nu in de leerdien­sten dit jongste van de Reformatorische belijdenisgeschrif­ten behande­len? Is het niet zo taai als leer en dan nog wel in die ouderwetse taal?

We doen dit, gemeente, omdat in deze Leerregels het merg gevonden wordt van de Gereformeerde religie. Daarom!

 

Ik hoop dat we het tijdens de behandeling allen zullen gaan beamen: het gaat in deze belijde­nis van bijna vier eeuwen oud om de kern­zaken van het geloof. Die zijn in die 400 jaar echt niet veranderd.

Vergelijk dit geschrift maar gerust met zo'n heel mooi antiek en waardevol kabinet. Massief eiken. Welk laadje je ook opentrekt, er komt altijd iets heel waardevols uit. Onze klassiek-gerefor­meerde belijdenis heeft de eeuwen getrotseerd. Het is echt de moeite waard om ons erin te gaan verdiepen.

Ik zal ook proberen de behandeling zo een­voudig mogelijk te houden en u niet te vermoeien met allerlei we­tenswaardighe­den, maar integendeel juist met de stof recht toe recht aan op uw hart af te gaan.

 

Maar nu wij beginnen moet ik wel even eenvoudig de vraag aan de or­de stellen: Hoe deze Dordtse Leerregels er gekomen zijn. Wel, nog geen eeuw na de Reformatie kwam er een strijd op gang in de Gereformeerde Kerk in Nederland. Die strijd was ontstaan rond de prediking van Arminius, predikant in Am­ster­dam en later pro­fessor in Leiden.

Hij wilde niet zomaar de Gereformeerde visie op de uitver­kiezing overne­men. Hij had er moeite mee om te geloven dat er van de mens niets goeds te zeggen valt. Hij geloofde dat God die mensen had uitverko­ren van wie Hij wist dat zij later in Hem zou­den gaan geloven.

Maar tegelijk maakte hij onderscheid tussen mensen die altijd zouden blijven geloven en an­de­ren die later weer zouden af­vallen. Dat moest ook wel. Want wat gebeurde er eigenlijk? Arminius en de remonstranten die hem volgden legden het zwaarste accent op wat de mens met de genade deed. De prediking werd eigenlijk een hartelijk advies, een aanra­den, maar de mens besliste uiteindelijk zelf of hij het Evangelie al dan niet aan­nam. Dan kan het dus ook later weer misgaan. Er zijn mensen die het Evangelie schijnen aan te nemen, enthousiast meedoen en later weer wegglij­den.

De remonstranten ergerden zich aan een verkiezing bij God vandaan.

 

Hieruit blijkt al hoe actueel de inhoud van de Dordtse Leerregels is. Ook van­daag de dag zeggen zovelen dat Christus voor iedereen gestor­ven is en dat het er nu maar van afhangt of wij het aannemen. God heeft het Zijne gedaan en nu moeten wij het onze doen. Jonge vrienden, je her­kent hierin het spreken van: Jij moet voor Jezus kiezen en dan zal blijken dat God voor jou heeft ge­ko­zen. Maar je hoort daar niet van een vluchten tot de Heere Jezus met de last van je zonden. Over onze menselijke onwil en onmacht en onmogelijkheid wordt helemaal heengestapt. De genade van God in je leven is geen wonder meer.

 

Maar dat is levensgevaarlijk. Daarmee is de genade in het geding. Wij ontkennen dan de leer van de Schrift dat een mens dood is door de zonden en de misdaden en dat het enkel Gods genade is die redt. De mens moet zelf dan ook wat doen. In plaats van een tegen­wer­ker wordt een mens een mee-werker. Eigenlijk is het doen van de mens dan nog veel belangrijker dan wat God doet. Want Gods verkiezende liefde rust dan niet in God Zelf, in het liefdehart van de Vader, maar berust op de keuze van die mens. De mens die het goede kiest is beter dan de mens die niet kiest. Als zulke mensen hun redding vertellen dan is het in ‘de eer­ste persoon enkelvoud’: ‘Ik heb geko­zen, Ik deed, dacht’, in plaats van: ‘God heeft mij levend gemaakt met Christus, Hij heeft naar me omgezien.’

 

Ziet u, hoe het in wezen gaat om de altijd actuele discussie of wij de genade moeten verdienen of dat God Zijn heil uit genade schenkt?

Niet alleen de Remonstranten, maar ook de Hervormde middenorthodoxie en de Gereformeer­den komen in opstand tegen Gods soevereiniteit. Zij geloven niet dat een mens van nature dood is in de zonden en de misdaden en een vijand is van God. Een mens moet het zelf willen en hij kan beslissen om het te willen.

Vindt u dat eigenlijk ook niet? De leer van de goddelijke uitverkiezing is toch eigenlijk beledigend voor de mens. Luister dan maar goed mee naar het Bijbelse onderwijs van de Dordtse Leerregels. Terecht heb­ben onze vaderen gevoeld dat hier de kern van het Evangelie in het geding is.

In het jaar 1610 vertolkten de aanhangers van Arminius hun visie in vijf punten, in een zgn. Remonstrantie. Daaraan hebben zij hun naam Remonstranten te danken. De tegenstanders reageerden hier in 1611 op met hun zgn. Contra-remonstrantie en zo kregen zij de naam ‘contra-remonstranten’.

 

De vijf geschilpunten gingen over de volgende onderwerpen:

1. De goddelijke verkiezing en verwerping.

2. De verlossing van de mens door de dood van Christus.

3. Het geloof en de vernieuwing van de mens als een gave van God.

4. Of de mens aan de genadegave van God weerstand kan bieden.

5. De volharding van de heiligen in het geloof.

 

De contra-remonstranten drongen aan op een synode om daar de zaak op grond van de Bijbel te beslechten. De Remonstranten wilden echter geen synode maar een vrij­blij­vende conferentie. Ze wilden wel discus­sië­ren, maar er mochten geen bindende uitspraken ko­men. Deze houding is ook vandaag nog wel herkenbaar. Velen willen dis­cussiëren over de leer, willen hun eigen visie naar voren bren­gen, maar er mag geen bin­den­de uitspraak ko­men.

 

Toch is er een synode gekomen op last van de Staten Generaal en vooral door toedoen van prins Maurits. Er waren 58 afgevaardigden uit Ne­der­land en ook had men 28 hoogleraren en andere godgeleerden uit andere landen uitgenodigd. Men wilde niet zomaar gelijk hebben. Nee, het ging om het gevoelen van de kerk in een gehoor­zaam luisteren naar de Schrift. In de periode van 1 november 1618 tot mei 1619 kwam de synode in 280 zittingen bijeen in de stad Dordrecht. Er werd ook over andere onderwer­pen ge­sproken, o.a. over de catechisatie, de kerkorde en een nieuwe Bijbelverta­ling, de latere Statenvertaling. Hoofdonderwerp was echter het geschil van remonstranten en contra-remonstranten.

 

Het resultaat van deze synode was een antwoord op de vijf punten die de volgelingen van Arminius in de remonstrantie hadden neergelegd en dit antwoord werd samengevat in 5 Hoofdstukken, de ‘Vijf Artikelen’. Deze ‘Vijf Artikelen tegen de Remonstranten’ werden door alle leden van de synode unaniem aanvaard en ondertekend, ook door de buitenlandse afgevaardig­den. Vervolgens werden deze ‘Leerregels van Dordt’ afgekondigd in de Grote Kerk van Dor­drecht.  Tevens werd besloten dat degenen die deze Artikelen niet wilden ondertekenen, geschorst zouden worden. Inder­daad zijn na de synode 200 Remon­strantse predikanten afgezet. De waarheid heeft gezegevierd. Een dergelijk 'algemeen gereformeerd concilie' zoals deze Dordtse synode is sindsdien nooit meer gehouden.

 

We gaan vandaag een begin maken met het luisteren naar de Artikelen. En dan gaat het niet om een stukje antiek. Nee, het gaat om ons eigen hart en leven. Als de Artikelen Bijbels gezien toen waar geweest zijn, dan zijn zij nu nog waar. Het gaat om het naspel­len van de Schriften.

Wat is Gods genade?

Aan wie wordt die aange­bo­den?

Hebben wij een Za­lig­maker die iets voor ons doet of die alles voor ons doet?

Heeft God goedwillende mensen uitverkoren ten eeuwige leven of verloren zon­da­ren?

Heeft God Zich met Zijn verkiezing aangesloten bij een be­staand onderscheid tussen de mensen of heeft Hij onderscheid ge­maakt waar geen onderscheid was en is?

 

Tot zover de inleiding.

 

1. Onze verlorenheid wordt beaamd

Het gaat in de Dordtse Leerregels in de eerste plaats om het geheim van Gods verkie­zing. Niet als een theoretisch gegeven, maar als een belijdenis. Belijden betekent voor de Kerk hetzelfde als ‘een loflied zingen’. Een lofzang, niet op een leerstuk, maar op de verkiezende God, op de eeuwige liefde van God.

Zo doet ook Paulus dat in Ef.1: Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde (Ef. 1: 4).

 

Onze Dordtse vaderen hebben de Dordtse Leerregels heel duidelijk bedoeld als een pastoraal geschrift, tot troost van verslagen harten. Nou, zegt iemand, mooi pastoraal! Kijk alleen maar eens naar het opschrift: 'Van de goddelijke verkiezing en verwerping'. Dat is voor velen al een reden om niet verder te lezen en te onderzoeken wat er over de verkiezing wordt beleden. Het woord uitverkiezing klinkt hen afschrik­wekkend in de oren, heeft voor hen de klank van noodlot. Ze lopen er helemaal mee vast. Is dat dan eerlijk van God? Sommige mensen ontvangen het geloof en anderen niet. Sommige mensen worden gered, anderen gaan verloren. Is God wel rechtvaardig?

 

Het verstrikt raken in deze netten hangt samen met de verkeerde benadering van het belijden van de Bijbelse boodschap; ze wordt zo verwrongen, het wordt een karika­tuur en raakt totaal uit haar verhoudingen. Wat als een lofzang tot eer van God en tot verwondering in geloof gegeven en bedoeld is, wordt een struikel­blok en leidt tot vertwijfeling. Boze gedachten over God komen in je op, soms zelfs … haatgevoelens.

 

Hoe komt dat? Dat is het gevolg van het 'achterstevoren denken': beginnen aan de verkeerde kant van de lijn tussen God en ons. Je begint bovenaan en wil hoogmoedig over de schouder van God meekijken in Zijn boekhouding. Dat kan niet. Wie dat probeert vindt geen rust, geen vrede. Die komt tot de slotsom dat God een tiran is, Die je verstoot, al doe je nog zo je best om Hem te zoeken.

 

Wat doen nu de Dordtse Leerregels?

Ze beginnen waar wij zitten, niet bovenaan, maar onderop. Zoeken ons op waar we zijn en nemen ons bij de hand om ons te leiden tot de liefdevolle God en Vader, Die Zijn Zoon gaf om verloren mensen te redden.

 

We komen eerst bij Adam en het loon op de zonde, n.l. de dood. Daar zie je dat het niet oneerlijk is als mensen verloren gaan, maar dat het juist een machtig wonder is als mensen behouden worden. Want wat voor mensen heeft God verkoren? Zijn dat mensen van wie God wist dat zij voor Hem zouden kiezen? Koos Hij de betere soort? Hoe be­handelen de Dordtse Leerregels dat geheim? Laten wij nog eens par.1 van Hoofdstuk 1 lezen:

Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben, en des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden, zo zou God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het ganse menselijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten en om de zonde verdoemen, volgens deze uitspraken van den apostel: De gehele wereld is voor God verdoemelijk. Zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3:19, 23). En: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6:23).

 

Waar begint de belijdenis mee? Dat de Heere geen onrecht zou doen als Hij de hele mensheid in de zonde en verlorenheid had gela­ten, omdat wij allen in Adam gezondigd hebben. In Rom.3 lezen we immers: We hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3: 23).  De hele wereld is voor God verdoemelijk, veroordelenswaardig. Bij die wereld, die nakomelingen van Adam, horen u en ik ook. De ge­schiedenis van Adam, dat is ook mijn geschiedenis. Zo sta ik erop voor God: In Adam gezondigd, tegen God in opstand gekomen. Van de hoofdweg afgegaan en een eigen gekozen weg opgegaan, waar het loon voor de zonde wordt uitbetaald. Dat loon is de dood. De Dordtse Leerregels spreken zelfs van: de vloek en de eeuwige dood.

 

Dat is het begin. Dit is de waarheid. Dit leert de Schrift ons. Let op: wij belijden niet dat God geen onrecht zou doen als Hij alle mensen in de verlorenheid zou werpen. Nee … wij lig­gen daar. Wij gaan niet verloren, in Adam zijn wij verloren. God zou geen onrecht gedaan hebben als Hij alle mensen in de vervloeking had willen laten.

Dat is het grote verschil met die mensen, die God zien als een Oosters despoot die met het grootste gemak de mensen in de hel werpt. Dat zegt de Bijbel niet. Dat belijden onze vaderen niet. Wat dan? Dat, als wij het over de mens hebben, wij moeten belijden dat alle mensen door eigen schuld hopeloos verloren zijn. De Dordtse Leerregels beginnen heel pastoraal van onderop.

 

Dan kunnen wij geen discussie meer houden over de vraag of God wel rechtvaardig is. Integendeel, dan leren wij: Wij hebben geen enkel recht op verlossing. God zou geen onrecht doen als Hij ons voorbijging. Dat is ook wat de Heere ons leert als Hij in ons leven reddend in­grijpt. Denk maar eens aan de moordenaar aan het kruis. Toen het licht van Christus in zijn leven binnendrong leerde hij: En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben (Luk. 23: 41). Als mensen in de Bijbel om genade vragen, is dat echt bedelen.

 

Gemeente, jonge vrienden, herken je dit?

Zeg je daar van binnen wel eens amen op? O God, zo is het! Ik lig door eigen schuld verloren en ik heb nergens recht op! Ik kan er niet komen en dat is mijn eigen schuld. Dan voelen wij ons geen slachtoffer maar schulde­naar. Wij hebben ons van God afgewend. Wij hebben onszelf in de macht van de zonde gebracht. En wat is die macht sterk!

Dat is voor Remonstranten benauwend. Die doen hun best, ze zijn gods­dienstig, ze doen wat ze kunnen, ze kiezen, en daarop bouwen ze voort. Daarom ergeren ze zich onder de Bijbelse, onder de Gereformeerde prediking. Ze moeten terug naar af en dat is een vernedering en dat willen ze niet.

 

Toch is dat de leer van de Bijbel. Er zouden vele teksten voor te noemen zijn. Maar weet je, jonge vrienden, als dit waar is - en het is waar - dan wordt het Evangelie van de Bijbel zo'n wonder. Als die­zelfde Bijbel - die ons zegt dat wij door eigen schuld verloren liggen - spreekt van genade, dan bedoelt de Bijbel genade voor totaal verlo­ren zondaren die niets verdiend hebben.

Als de Bijbel spreekt over een ‘zoeken en redden van wat verloren is’, dan kun je zeggen: maar zo ben ik ook, dus het kan voor mij ook. Laat dat eens tot je doordringen. Het Evangelie spreekt van genade tot men­sen die niets verdiend hebben. Sterker nog: het Evangelie spreekt van genade tot men­sen die de eeuwige dood verdiend hebben. Wat zit daar een ruimte in voor mensen die daar amen op zeggen. Want als het Evangelie was voor mensen die ‘nog wat kunnen doen’, dan zou er voor mij geen troost in zitten.

Kijk, zo starten de Leerregels. Zou iemand durven zeggen dat zij daar­mee on-Bijbels zijn? God doet ons geen onrecht als Hij ons gegeven had wat wij verdienen: dood, ondergang, verdoemenis. Maar nu het wonder: de Heere wil juist onze ondergang niet. Daar heeft Hij ons niet voor over. Hij ziet naar verloren mensen om. Hoe? Hij heeft Zijn eigen Zoon naar deze verloren wereld gezonden zoals we lezen in par.2. Hij laat door predikers dat heerlijke Evangelie, die bood­schap van redding, verkondigen, schrijft par.3. Een dubbel wonder dus om mensen van de eeuwige ondergang te redden.

 

2. Gods ontferming is geopenbaard

We lezen in Hoofdstuk 1, par.2:

Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (1 Joh. 4:9 en Joh. 3:16).

 

U ziet, de Dordtse Leerregels brengen geen hel- en verdoemenisprediking. Want wat is zo’n prediking dan? Dat is niet die prediking die de Bijbel nazegt: dat alle mensen de heerlijk­heid Gods derven. Die constatering is waar. Wij kunnen toch niet tegen een dokter, die moet constateren dat wij de gevreesde ziek­te hebben, zeggen dat hij een nare en sombere man is? Nee, dat is een verdoemenisprediking als daarin een God getekend wordt die met het grootste gemak mensen in de verdoemenis werpt. Maar zo spre­ken de Leerregels niet. Deze starten bij de constatering dat al­le mensen verloren liggen. Hoe gaan ze dan verder?

 

Op deze plaats in de Leerregels - midden in de constatering van onze afval en dood - wordt het Evangelie van Jezus Christus verkondigd. En wel zo ruim dat heel de wereld, die voor God verdoemelijk is, mag horen dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om ons te behouden. Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3: 16). Het zijn woorden van de Heere Jezus Zelf, die Hij sprak tegen Nicode­mus. Zo geneest het Evangelie van die noodlotsgedachte en van de mening dat God een tiran zou zijn. Zie op Jezus! Wie Hem ontmoet, zegt: Hoe heb ik ooit zulke dwaze gedachten van God kunnen hebben? Hoe heb ik ooit aan Zijn liefde kunnen twijfelen en kunnen denken dat het heil niet voor mij is?

Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard (1 Joh. 4: 9). Een woordje van vier letters: Maar. Dit is niet het maar van het ongeloof, maar het goddelijk maar van het Evan­ge­lie. God had heel het mensdom in zijn verlorenheid kunnen laten liggen, maar God wil dat niet en God kan dat niet. Waarom niet? Omdat God liefde is. Hij be­wijst Zijn liefde, Hij open­baart Zijn liefde.

Hoe? In het schenken, het geven, het zenden van Zijn Zoon. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gege­ven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3: 16).

 

Gods Zoon is vlees en bloed geworden. Hij is gekomen om het welbe­ha­gen van de Vader te openbaren. Hij is Zelf de Openbaring van dat wel­be­hagen. Deze is Mijn geliefde Zoon (Matth. 3: 17). Wat komt Hij doen? Hij komt de straf dragen om in een rechte weg de mens met God te verzoenen. Hij is gekomen om te lijden, te sterven en begra­ven te worden. Hij is ge­ko­men om de weg van Adam te gaan: Gij zult de dood sterven (Gen. 2: 17).

Hij is gekomen om het heil te ver­werven.

Maar dat niet alleen. Hij is ook gekomen om dat heil uit te delen, om het toe te passen. Wat doet Hij? Ik denk aan Zijn ei­gen woord dat de Zoon des mensen gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren was (Luk. 19: 10). Er staat dus niet: om te zoeken wie voor Hem kiest. Er staat niet: om te helpen degenen die het echt willen. Nee, Christus formu­leert het zonder enige voorwaarde aan de kant van de mens: wat verloren was. Dat is het Evangelie. Dat is genade: Alzo lief heeft God de we­reld ge­had. Is dat een wonder of niet? Ik geloof dat de nood van veel mensen is dat dit voor hen geen wonder is. Die bood­schap was geen wonder voor de Farizeeën die zo hun best deden. Die dachten dat God hen wel moest liefhebben. Ze waren immers kinderen van Abraham. Daar hadden ze recht op. De boodschap was ook geen won­der voor de Sadduceeën die dachten dat je het alle­maal niet zo streng en zo somber moest zien.

 

Gemeente, het is nood als mensen onder een prediking moeten zitten waar de liefde Gods niet tot openba­ring komt, dat is vreselijk. Maar het is ook nood als in de prediking Gods liefde geen openbaring is maar vanzelfsprekend, omdat er eigenlijk geen andere kant is. Par.1 en 2 horen echter bij elkaar en zij volgen op elkaar. Juist omdat par.1, waarin benadrukt wordt dat wij allen om eigen schuld verloren liggen, waar is, is par.2 zo'n wonder. Immers God heeft Zijn liefde be­wezen, geopenbaard in het zenden van Zijn Zoon.

 

Waartoe heeft de Vader de Zoon gezonden? Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Daar komt het op aan: het geloof in de Heere Jezus. Wij wor­den niet gered door de weten­schap van onze verkiezing, maar door het geloof in Heere Jezus als de Gezondene van de Vader.

Maar hoe komt die openba­ring van God tot ons? Hoe leren wij die ken­nen? Redt God zonda­ren door de engelen hier en daar uit­ver­kiezingsbriefjes te laten bezorgen?

Nee, zo gaat dat niet. Hoe dan? Laten wij par.3 lezen: En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil.

 

Zingen we eerst Psalm 95: 3 en 4

 

Psalm 95:3 en 4

 

Zijn’ is de zee; z’ is door Zijn kracht

Met al het droge voortgebracht;

’t Moet alles naar Zijn wetten horen.

Komt, buigen w’ ons dan biddend neer;

Komt, laat ons knielen voor den HEER’,

Die ons gemaakt heeft en verkoren.

 

Want Hij is onze God, en wij

Zijn ’t volk van Zijne heerschappij,

De schapen, die Zijn hand wil weiden;

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord,

Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

 

 

 

3. Gods predikers worden uitgezonden

Opmerkelijk dat in het ant­woord op de vraag ´hoe je tot geloof komt´ niet in eerste plaats wordt verwezen naar het werk van Heilige Geest, maar naar de prediking. God realiseert Zijn verkiezing door verkondiging, door de prediking van het Evangelie. Dat impliceert tegelijkertijd voluit de menselijke verantwoordelijkheid, zowel voor de prediker als voor de hoorder. God zegt dus niet: Ik heb jou uitverkoren en nu roep ik je tot het geloof in Christus, maar Hij zegt: Gelooft in de Heere Jezus Christus en zo ben je gered.

 

Toch zeggen de Dordtse Leerregels: en opdat de mensen tot het geloof worden gebracht. Voor doe-het-zelvers, die positief over zichzelf denken, klinkt dit heel passief. Er staat niet ´en opdat mensen voor het geloof gaan kiezen´. Nee, ´opdat de mensen tot het geloof worden gebracht´. Dat het er zo passief staat wijst juist op Gods genade. Ik hoef niet te preken ´God wil u verlossen, maar u moet wel het echte geloof hebben´. Nee, het kan veel hartelijker en veel heerlijker, want God wil verloren zondaren tot het geloof brengen. Geloof is uit gehoor en het gehoor door het Woord Gods. Een lichtstraal van Gods liefde en het hart breekt. Blinde ogen gaan open. De vraag naar God wordt geboren. De ontmoeting met God gaat vrucht dragen. De meest hopeloze gevallen, vijandig of onverschil­lig, kan God bereiken. Een Saulus, die de gemeente Gods vervolgde, een Samaritaanse hoer, maar ook een nette Nicodemus kwamen tot bekering.

 

Hoe doet God dat? Door Zijn Woord, door de prediking. Opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertieren­lijk verkondi­gers van deze zeer blijde boodschap. Ja, ook dat is Gods werk. God zendt Zijn Zoon en God zendt bood­schap­pers. God rekruteert daar mensen voor, voor die verkondiging. Dat doet de Heere Zelf. Dat doet Hij. Dat is niet de verdienste van die mensen. God roept ze. Hij schenkt hen ook de bewogenheid met onbekeerde mensen. Hij doet ook het ´heerlijke zien´ van het bezig zijn in Zijn dienst. Jongens, als je de Heere vreest, mag je ook vragen: ´Heere, zou ik zo'n bood­schapper van U mogen zijn?´ Je kunt ook je studie er op richten. De Heere kan dat soms later bevestigen en deuren openen.

 

Hij zendt goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde bood­schap, tot wien Hij wil, en wanneer Hij wil. In dat zenden bewijst de Heere Zijn goedertierenheid. Daarom gaat het nooit om de gezondene maar altijd om de Zender. Als een gemeente een predikant heeft die gezonden is, dan is dat voor de gemeente een be­wijs van Gods goedertierenheid. Het zui­vere woord of de dienaar van het Woord kan ook weggaan uit een gemeente. Dan zendt God geen trouwe dienstknechten meer. Het Evangelie kan zelfs weggenomen wor­den uit een heel land. Denk eens aan Klein-Azië en aan Noord-Afrika. Spanje, aan Frankrijk, aan Italië.

Nederland is niet be­ter. Het is genadige verkiezing als God nog trouwe dienst­knechten zendt, want de Heere zendt tot wien Hij wil, en wanneer Hij wil.

 

God is goedertieren voor onze gemeente. De gekruisigde Christus komt tot ons in de prediking. Hij wil u ontmoeten als de door Vader Gezondene. Zo wil Hij u redden, inwinnen voor Zijn dienst. Calvijn zegt: als de prediking tot ons uitgaat is dat een teken van Gods uitverkiezing. Hij roept u. Hij wil u deelge­noot maken van Zijn liefde. Gingen uw ogen zo al eens open voor Hem als Schoonste aller mensen? Zulk een is Mijn Liefste (Hoogl. 5: 16). Kwam u toen niet tot hartelijke schuldbelijdenis: zoveel kwaads tegenover zoveel goeds bedre­ven. Ik heb gezondigd, ben de vloek en de eeuwige dood waardig en met heel de wereld verdoemelijk voor God. God zou geen onrecht doen als Hij mij voorbij zou gaan. Hebt u hierop al amen leren zeggen?

 

Wat een goedertierenheid dat God Zijn Zoon wilde zenden in de wereld. Hoe trilt mijn hart als ik Hem zie gaan, zie buigen, zie hangen. Jezus leven van mijn leven. Al Gods goedertierenheid schittert in Christus. Toen vlucht­te ik tot Jezus, Hij heeft mij gered. Ik boog me. Wat wordt het Evangelie dan rijk tegen die zwarte achtergrond van onze verlorenheid. Daar wordt het zo'n zeer blijde boodschap. Als de Gekruisigde ons tegenkomt in de levende verkondiging van het Woord en ons hart wordt in vuur en vlam gezet, de liefde begint te branden, dan ebt de droefheid over onze zonden een ogenblik weg om plaats te maken voor de verwondering dat God deze Zijn Zoon zond in de wereld.

Wat een God! Wat een Zaligmaker!

 

De genade komt van A tot Z van God. Gods goedheid schit­tert al in de moederbelof­te uit Genesis 3 in het paradijs, schittert in het zenden van de Zoon in de volheid van de tijd en nu in het zenden van getrouwe knechten en dat alles met één doel: opdat de mensen tot het geloof worden ge­bracht. Opgewekt uit de dood. Bij de hand genomen en gezet aan de voe­ten van Christus. O, dan kunnen wij toch alleen maar roemen in God? Die genadige liefde en die liefelijke genade kunnen en willen wij dan niet tekortdoen door iets aan onszelf toe te schrijven.

 

Ik ga eindigen. Bent u er zich wel van bewust, als u onder het Evan­gelie zit, dat God dan in Zijn verkiezende liefde bezig is tot uw zalig­heid? Doorgaans denken mensen dat er meer komt kijken. Ze denken aan een Paulus-bekering bijvoorbeeld. Maar juist die Paulus, die op zo'n buitengewone manier tot bekering gekomen is, schrijft niet: Iedereen moet op dezelfde spectaculaire manier bekeerd worden als ik, maar: Nabij u is het Woord, het woord des geloofs, hetwelk wij u prediken (Rom. 10: 8).

 

Hoe kom ik aan het geloof? Door middel van de prediking, Christus-prediking. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt (Rom. 10: 14). Ziet u nu hoe de zaken liggen? Het is niet waar dat de Heere niet naar ons omkijkt, omdat wij verworpen zouden zijn. De Bijbel zegt, en de Dordtse Leerregels spreken dat alleen maar na, dat niet wij naar de Heere omzien, maar Hij ons zoekt. Hij bewijst ons Zijn liefde in Christus. Hij wil dat we zalig worden. Hij roept ons tot bekering en tot het geloof in de Gekruisigde.

 

Je hoort wel eens: Het is een wonder als er eentje zalig wordt. En het is een wonder, gemeente, als één mens zalig wordt.

Maar we kunnen het ook omdraaien: Het is onbegrijpelijk als er nu toch eens eentje, die leeft onder het nodigende Evangelie van Christus, verloren zou gaan. Dan moet je toch bewust door alle rode stoplichten heenrijden en voor alle groene blijven staan.

Velen zeggen: je gaat niet zomaar naar de hemel. Het is waar gemeente, geen mens kan op losse gronden naar de hemel. Maar de Dordtse Leerregels zeggen het hier juist andersom. Je gaat niet zomaar naar de hel. Je gaat niet zomaar verloren, zonder een gegronde oorzaak. Paulus zegt het in Rom.10: 16: Ze zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest, hoewel de boodschap over heel de aarde is uitgegaan. En in vers 21: De hele dag heeft God Zijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

Ziet u waar de fout zit?

 

Lukas zegt het zo aan het einde van het boek Handelingen: en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien en met de oren horen, en met hart verstaan, en zij zich bekeren en Ik hen genezen.

 

Zo liggen de zaken gemeente. Als er nu nog iemand is, die zijn mond wil opendoen tegen de verkiezende God, die moet beden­ken hoe Paulus zijn eerste brief aan Korinthe beëindigt: Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking (1Kor. 16: 22).

                                                              

Amen

 

Psalm 89: 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.