Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 5 : 1 - 11

Nehemia staat oog in oog met interne problemen

De klachten die Nehemia te horen krijgt
De reactie die Nehemia geeft
De maatregelen die Nehemia neemt
Deze prekenserie over Nehemia is eerder in boekvorm uitgegeven door uitgeverij Boekhout. Nu worden deze preken, met wat kleine correcties, opnieuw gepubliceerd.

Nehemia 5 : 1 - 11

Nehemia 5
1
Maar het geroep des volks en hunner vrouwen was groot, tegen hun broederen, de Joden.
2
Want er waren, die zeiden: Onze zonen, en onze dochteren, wij zijn velen; daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven.
3
Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden, en onze huizen, opdat wij in dezen honger koren mogen opnemen.
4
Desgelijks waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend tot des konings cijns, op onze akkers en onze wijngaarden.
5
Nu is toch ons vlees als het vlees onzer broederen, onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochteren tot dienstknechten; ja, er zijn enige van onze dochteren onderworpen, dat zij in de macht onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden.
6
Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer.
7
En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert een last, een iegelijk van zijn broeder. Voorts belegde ik een grote vergadering tegen hen.
8
En ik zeide tot hen: Wij hebben onze broederen, de Joden, die aan de heidenen verkocht waren, naar ons vermogen wedergekocht; en zoudt gijlieden ook uw broederen verkopen, of zouden zij aan ons verkocht worden? Toen zwegen zij, en vonden geen antwoord.
9
Voorts zeide ik: De zaak is niet goed, die gijlieden doet; zoudt gij niet wandelen in de vreze onzes Gods, om de versmading der heidenen, onze vijanden?
10
Ik, mijn broederen, en mijn jongens, vorderen wij ook geld en koren van hen? Laat ons toch dezen last nalaten.
11
Geeft hun toch als heden weder hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen; en het honderdste deel van het geld, en van het koren, den most en de olie, die gij hun hebt afgevorderd.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : 10 Geboden: 1 en 2
Lezen : Nehemia 5: 1 - 13
Zingen : Psalm 15: 1, 2, 3 en 5
Zingen : Psalm 82: 2 en 3
Zingen : Psalm 146: 5

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in de verzen 1 tot en met 11 van Nehemia 5. We lezen daarvan nu alleen vers 7:

 

En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert een last, een iegelijk van zijn broeder. Voorts belegde ik een grote vergadering tegen hen.

 

Als thema voor de prediking zien we hoe Nehemia oog in oog staat met interne problemen. We letten op drie aandachtspunten:

  1. de klachten die Nehemia te horen krijgt (vers 1-5);
  2. de reactie die Nehemia geeft (vers 6-7a);
  3. de maatregelen die Nehemia neemt (vers 7b-11).

 

  1. De klachten die Nehemia te horen krijgt

Gemeente, we nemen een kijkje bij de muren van Jeruzalem. De herstelwerkzaamheden vorderen gestaag bij de poorten en de muren van Jeruzalem. Dag in dag uit zijn de bouwvakkers bezig. Met man en macht wordt er gesjouwd en gemetseld, terwijl de wachters nauwlettend uitkijken of er niet ergens gevaar dreigt. Ze werken met troffel en zwaard en de hoornblazer is gereed om bij het eerste teken van onraad op zijn sjofar te blazen. Het werk nadert zijn voltooiing. Met enthousiasme en eensgezindheid wordt er gewerkt; althans, zo lijkt het. Maar ondergronds broeit het.

En op een dag komt het eruit ook. Als een steekvlam uit een kruitvat klinken de verwijten op. Er zijn mannen die niet langer genoegen nemen met de gang van zaken. Zelfs vrouwen doen mee in een vlammend protest tegen de wantoestanden. Het eerste vers tekent de situatie in felle kleuren; leest u maar mee in vers 1: Maar het geroep des volks en hunner vrouwen was groot, tegen hun broederen, de Joden.

 

Een geladen geschreeuw, een opgewonden geroep klinkt op vanaf de muren. Dezelfde gemeenschap die onder de druk van de vijand de gelederen sloot, kraakt nu in al zijn voegen vanwege onderlinge verwijten.

Er is een ‘groot geroep’ van het volk, waarin de huismoeders samen met hun echtgenoten hun protesten uiten over de manier waarop hun huizen en gezinnen bedreigd worden. En hoewel de inhoud van hun grieven te maken heeft met problemen die al geruime tijd bestaan, lijkt het op een plotselinge uitbarsting van een stuk gemeenschappelijke wrok die als een strovuur oplaait en Nehemia min of meer verrast. Het wordt een nieuwe crisis voor Nehemia, een probleem dat wel het laatste is wat hij op dit moment gebruiken kan.

Achter dit alles zit natuurlijk de satan, die alle middelen te baat neemt om het werk van God te verstoren en te verbreken. Als het hem van buitenaf niet lukt, zal hij het van binnenuit proberen. En hij maakt gretig gebruik van het feit dat de onderlinge verhoudingen onder de Joden niet in orde blijken te zijn. Op het juiste moment slaat de duivel zijn slag, juist nu de omstandigheden in het legerkamp van de stad en alle bloed, zweet en tranen bij het werken aan de muren al die onvriendelijke gevoelens tot een uitbarsting brengen.

 

Niets wordt Nehemia in Jeruzalem bespaard. Nu de actie van Sanballat en zijn bondgenoten voorlopig van de baan lijkt te zijn, komen er interne spanningen, die in feite nog veel bedreigender zijn. Door het verzet dat nu opeens losbreekt, komt de herbouw van de muur zelfs op losse schroeven te staan. Lang had het onderhuids al gebroeid, maar nu slaat opeens de vlam naar buiten. ‘Het geroep van het volk en hun vrouwen was groot, tegen hun broeders, de Joden.’

En dan te weten dat die klagers behoren tot families die vanaf het begin het project van de herbouw van de muur enthousiast hebben begroet en hun mannen en zonen op de muren aan het werk hebben gezet. Maar nu de eerste golf van het enthousiasme voorbij is, komen er niet mis te verstane klachten.

 

Wat is er dan aan de hand? De honger nijpt. Er zijn gezinnen die niet meer aan eten weten te komen. Ouders kunnen hun kinderen amper meer in leven houden. Althans, bij de armen stijgt het water tot aan de lippen. Het werk op de muren gaat ten koste van het werk op de velden. Als het blijft gaan zoals nu, zal er het komende jaar geen oogst zijn en de gezinnen zullen dan echt honger gaan lijden. In vers 2 staat: wij zijn velen. Dat wijst op voedseltekort. Ze willen koren hebben om te eten en te leven.

In de tweede plaats komt openbaar wat we lezen in vers 3: Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden, en onze huizen, opdat wij in dezen honger koren mogen opnemen. Echte honger heeft sommigen van het volk – vooral de kleinere boeren – al genoodzaakt om gedeelten van hun land als pand, als onderpand te geven om geld voor zaaikoren bij elkaar te krijgen.

Anderen moeten geld opnemen om de verschuldigde belasting te kunnen betalen. Dat lezen we in vers 4: Desgelijks waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend tot des konings cijns, op onze akkers en onze wijngaarden. Ze moeten hiervoor echter een enorm hoge rente betalen aan hun Joodse broeders.

Alles bij elkaar betekent het dat ze al gevaarlijk dicht bij een catastrofe beland zijn. Als de slechte tijden zullen aanhouden en ze niet in staat zijn het geld terug te betalen, ziet hun toekomst er heel slecht uit en zullen ze hun land helemaal verliezen.

 

Kunt u zich een beetje voorstellen wat voor sfeer er heerst en hoe brandend deze sociale kwestie is die Jeruzalem verdeeld houdt? De tegenstelling tussen rijk en arm is snijdend scherp. De armen worden door de rijken uitgebuit en geknecht. Echt sociale wantoestanden. Een hoge rentestandaard, zeg maar gerust: woeker. De rijken worden steeds rijker en de armen steeds armer. Er is schrijnend onrecht. Je zal er maar bij staan en toe moeten kijken hoe de rijken volop koren kunnen kopen en alles voor zichzelf houden. Ze denken er niet aan om van hun overvloed te delen aan degenen die tekortkomen.

Dat kunnen de armen niet verkroppen. Ze lopen er allang mee, maar tot nog toe hebben ze gezwegen. Nu nemen ze echter niet langer meer een blad voor de mond. Zij dragen toch ook hun steentje bij aan de wederopbouw van de muur. Waarom dan dit onderscheid? Waarom is er voor de rijken wel voedsel en moeten zíj creperen van de honger? Sommigen van hen zijn van heinde en ver naar de heilige stad gekomen om de handen uit de mouwen te steken. Dat hebben ze graag gedaan, maar de ellende die ze thuis achtergelaten hebben, zit hen dwars.

 

U ziet het voor uw ogen gebeuren. De oogst mislukt. Je moet je eigen huis verpanden om nog aan een beetje eten te komen. Of je moet je wijngaard of akker afstaan om aan geld te komen.

Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen wat het voor een boer betekende om zijn akker of wijngaard kwijt te raken. Dat was het erfdeel dat aan zijn geslacht was toevertrouwd.

Het werken aan de muur verhindert hen bovendien om iets terug te verdienen. Weken achtereen ligt hun bedrijf plat ter wille van de goede zaak. Hoe moet dat straks als ze thuis komen en de schuldeisers weer op de stoep staan? Waarom schelden de rijken hun deze schulden niet kwijt? Ze zijn toch broeders en zusters van elkaar? Ja, maar de rijken zijn onverbiddelijk.

Vindt u het gek dat ze ten einde raad hun nood klagen aan Nehemia? Ze kunnen het niet langer meer voor zich houden; ze móeten kwijt hoe naar ze eraan toe zijn. Ze mogen dan wel samen met de rijken aan de muur bouwen, maar de diepere gemeenschapszin ontbreekt door al dat sociale onrecht.

 

En daar kwam voor sommige allerarmsten nog iets vreselijks bij. Dat lezen we in vers 5: Nu is toch ons vlees als het vlees onzer broederen, onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochteren tot dienstknechten; ja, er zijn enige van onze dochteren onderworpen, dat zij in de macht onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden.

De armsten moeten niet alleen hun bezittingen verkopen, maar ze worden er zelfs toe gebracht om hun kinderen als slaven te verkopen. Dat is wat. Het moet je kind maar zijn. En u moet de vader of moeder maar zijn!

Hun zonen en dochters zullen als slaven moeten werken bij de welgestelden. Sommige meisjes hebben de vernedering die slavinnen ondergaan, al moeten meemaken. En door de woeker die er geëist wordt, is er geen enkele kijk op dat ze hun kinderen terug zullen krijgen.

Kunt u zich voorstellen hoe die mensen zich voelen? Een kind is toch het liefste wat je hebt, en dan dat kind als slaaf of slavin te moeten afstaan ... Dat is toch een zwaard dat door je moederhart gaat. Dat kan een vader toch niet verkroppen? Maar ze moesten wel.

 

Wat vindt u daar nu van, Nehemia? Is het niet verschrikkelijk?

Het geroep van het volk is groot. Lang hebben de onderdrukten zich stilgehouden. Maar nu ze samen bouwen aan de muur, schouder aan schouder, en intussen uitgebuit worden door de rijken onder hun eigen volksgenoten, nu barst het verzet los. Wat een vernedering, wat een wantoestanden. De ene bouwer staat naast de andere, die z’n dochter uitbuit als slavin. Dat kan toch niet. Dat is toch schrijnend onrecht.

Scherp klinken hun klemmende klachten in de oren van Nehemia.

Echt een kritieke fase voor de herbouw van de muur, deze interne spanningen – minstens zo gevaarlijk als de vijandschap van Sanballat en consorten. Wel is duidelijk dat niet Nehemia het voorwerp is van hun woede, maar hun eigen Joodse volksgenoten, hun ‘broederen’ (vers 1), de rijken, de edelen en de leiders (vers 7). Die hebben het geld aan hen geleend, hun land in beslag genomen en met het grootste gemak hun dochters als slaven geaccepteerd. En wat zo’n geweldige weerstand oproept, is de onbekommerdheid waarmee de rijken hun voordeel behalen op de armen, op basis van de gedachte: zaken zijn zaken. Dat komt nu aan de oppervlakte en daar moet iets aan gedaan worden. De steen des aanstoots is het harteloos gedrag van de rijken.

 

Israël klaagt.

Het gebeurt wel dat mensen die klagen te horen krijgen: ga toch naar huis met al dat geklaag. Maar kijk eerst eens goed naar jezelf. Lees eens wat de profeet Jeremia gezegd heeft bij de puinhopen van Jeruzalem: Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden (Klaagl.3:39). Dat is het belangrijkste.

Inderdaad. Waar die klacht niet gekend wordt, loopt alles ten slotte op niets uit. Bij die klacht gaat het immers niet over het onrecht dat ons is aangedaan, maar over het onrecht dat wij God hebben aangedaan. Dat is pas onrecht. We hebben Gods heilige wet overtreden en onze Schepper verlaten. We hebben gezondigd tegen een God Die ons zegent. Als je dat echt ziet, dan zeg je: ‘Heere, mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn ze mij te zwaar geworden.’

Veel geroep en geklaag over onrecht gaat aan dit grootste onrecht voorbij. Dan blijft het bij het verlangen naar wat aardse verbetering en wat aardse welvaart. En we mogen elkaar best wel ernstig en dringend waarschuwen tegen zulk geklaag. De geest van onze eeuw is er vol van.

 

Toch wil dat niet zeggen dat we niet zouden mogen opkomen tegen onrecht dat ons wordt aangedaan, vooral als Gods Woord zo duidelijk anders leert over de behandeling van de armen, over woekergeld en over slavendienst onder Israël. Nehemia zegt niet: ga maar weg en klaag maar over je zonde. Hij neemt hun klachten heel serieus. Hij is er helemaal door geschokt.

Het is wel waar dat het belangrijkste is dat de verhouding met God niet meer verstoord is, maar de onderlinge verhoudingen zijn ook heel belangrijk. Juist daar probeert de duivel vaak zijn slag te slaan. Naar buiten toe zijn maatregelen nodig om de vijand te weren, maar naar binnen toe niet minder. Een vijand bínnen de poort kan nog veel gevaarlijker zijn. We kunnen een hechte zuil vormen als het gaat om de verdediging van Gods Woord, om de kerk, de christelijke gemeente en ons anders zijn dan de wereld, maar zíjn we dat ook echt? Hoe is het als we naar de binnenkant kijken?

Hoe gaan we met elkaar om? Hoe gaan we met ons geld om? Wat leeft er in ons hart? Heeft satan soms daar zijn slag geslagen? Doen we elkaar soms ook bitter onrecht aan – misschien niet financieel, maar geestelijk?

Wat kunnen we soms onrechtmatig en lichtvaardig over iemand oordelen. En wat te denken van laster en verdachtmaking? Niets is zo schadelijk voor de kerk dan interne tegenstellingen en conflicten. Twist en tweedracht zijn als kevers die de zware steunbalken van de kerk doorknagen. Het werkt allemaal zo verlammend. De vitaliteit en de weerbaarheid van een gemeente worden dan ondermijnd. En wat kan het werk van ambtsdragers daardoor onnoemelijk zwaar worden. Problemen van buitenaf zijn moeilijk te vermijden, maar als broeders en zusters met elkaar overhoopliggen, maakt dat de taak om leiding te geven nog veel moeilijker.

Dat zien we bij Nehemia. Hij gaat recht doen, maar we letten eerst even op zijn eerste reactie als hij al deze klachten hoort.

 

  1. De reactie die Nehemia geeft

We lezen vers 6 en 7: Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer. En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert een last, een iegelijk van zijn broeder.

Nehemia wordt boos, ontzettend boos. Hij is diep verontwaardigd: Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer. Zijn toorn ontsteekt. Allereerst natuurlijk vanwege dat bittere onrecht dat de armen wordt aangedaan, maar hij is vooral boos op die rijken die de armen zo uitbuiten. Hij is verontwaardigd over hun zelfzuchtigheid, hun hebzucht en hun harde instelling.

 

Vindt u dat geen begrijpelijke reactie? Psychologisch helemaal verklaarbaar. Het was de druppel die voor Nehemia de emmer deed overlopen. Wat heeft die man allemaal niet te verduren en te verwerken gekregen. Hij was ook maar een mens.

Toen alle Israëlieten bij de pakken neerzaten, had hij de moed om het werk weer aan te vatten. Hij vertrouwde op God en wees hen op God: Onze God zal voor ons strijden (Neh.4:20).

Toen iedereen moedeloos was en bang vanwege uitputting en vooral vanwege die vijandelijke samenzwering, bleef Nehemia sterk. Hij liet niets merken van zijn eigen vermoeidheid en moedeloosheid.

En dan nu dit: vaders, moeders en kinderen lijden honger. Gezinnen raken hun bezittingen en zo de bron van hun inkomsten kwijt. Kinderen worden als slaven verkocht. En in al die ellende buiten de Joden ook elkaar nog eens uit. Dat was wel het toppunt. ‘Mijn toorn ontstak zeer.’

Geen wonder toch dat de stoppen nu doorslaan en dat hij in woede uitbarst. Ieder mens heeft toch een grens aan zijn incasseringsvermogen, aan zijn draagkracht.

 

Inderdaad, zo gaat dat maar al te vaak bij ons. We raken geïrriteerd als we de zaken niet meer aan kunnen. Of we worden driftig als het gedrag van anderen ons teleurstelt.

Herkent u dat niet? Ja? Nou, dat is helemaal verkeerd. Want later krijg je er spijt van dat je jezelf zo liet gaan omdat je jezelf niet meer in de hand had.

Zou dat zo bij Nehemia ook geweest zijn? Een zondige opwelling van boosheid? Impulsieve toorn? Een van zich afslaan omdat de problemen hem boven het hoofd groeien?

Nee, zo is het bij Nehemia niet. Dat kunnen we opmaken uit vers 7: En mijn hart beraadslaagde in mij. Eer hij tot handelen overgaat, voordat hij lucht geeft aan zijn verontwaardiging, overweegt hij alles eerst heel goed. Het Hebreeuwse woord betekent: jezelf adviseren, bij jezelf te rade gaan, de dingen op een rijtje zetten.

Dat is heel wijs. Eerst tot tien tellen voor je iets zegt. Nehemia neemt er langer de tijd voor. Hij neemt even afstand van de zaak en dat stelt hem in staat om af te koelen en nuchter na te denken.

Breng het in het gebed bij de Heere voor je reageert. Want dit is allemaal uit het leven gegrepen.

 

Nehemia denkt eerst diep na. En ik denk dat hij wel bij de Heere om raad geweest is, al staat dat er niet bij. Stel dat hij direct gereageerd had, dat hij gezegd had: Jullie moeten eens goed luisteren. De herbouw van de muur is nu het belangrijkste. Nog een maand en dan zijn we klaar. Dat is zo belangrijk dat ik nu geen tijd heb om aandacht te besteden aan jullie klachten. Denk er maar niet te veel over na. Kom later, als de muur voltooid is, nog maar eens terug.

Dat zou net zo harteloos geweest zijn als het gedrag van die uitbuiters. Dan zou hij net als de priester en de leviet in die gelijkenis van de barmhartige Samaritaan met een grote boog om hun nood heen gegaan zijn. En als Nehemia zo geen aandacht voor hun klachten had gehad, zouden ze het werk aan de muur voorgoed neergelegd hebben. Hij zou gefaald hebben, want een goede leider aanvaardt de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de mensen die hij leidt.

 

‘Mijn toorn ontstak zeer, en mijn hart beraadslaagde in mij.’ Zijn toorn is gerechtvaardigd en hij overlegt de dingen eerst zorgvuldig; hij zet de feiten op een rijtje.

En wat zijn de feiten?

Dat de wet van God, die Hij op Sinaï gegeven heeft, gruwelijk overtreden wordt. Niets meer en niets minder. Had de Heere niet keer op keer gezegd dat armoede en honger onder Zijn volk niet mochten voorkomen? Was het in Israël niet uitdrukkelijk verboden om rente op te leggen aan een arme die geld moest lenen? Was het niet algemeen bekend dat een Jood bij een andere Jood geen slavenarbeid mocht verrichten?

Wie de wet van Mozes erop naleest, merkt hoezeer al deze misstanden een gruwel waren in de ogen van God. In Israël mocht het er niet aan toegaan zoals bij de heidenen, waar het recht van de sterkste gold. Die wetten van het verbond had God gegeven opdat iedere Israëliet eten en drinken zou hebben en in vrijheid zou kunnen leven. God heeft ze niet uit Egypte uit het slavenhuis uitgeleid om weer opnieuw in de slavernij terecht te komen.

En daar ligt de oorzaak van Nehemia’s heilige verontwaardiging: ze overtreden de wet van God. Nehemia’s toorn is net als de boosheid van Mozes toen hij zag dat het volk danste rond het gouden kalf. Zijn verontwaardiging is als die van de Heere Jezus toen Hij merkte dat de kooplieden handel dreven in de tempel, het heilige huis van Zijn hemelse Vader. Nehemia’s boosheid is geen geprikkelde reactie omdat zijn persoonlijke plannen gedwarsboomd worden, maar het is een heilige toorn over het overtreden van Gods wet.

 

Bent u weleens boos, gemeente? Zeg maar niet ‘nee’, want dan liegt u naar alle waarschijnlijkheid.

Overweeg dan eerst of u zich persoonlijk gekwetst en bedreigd voelt, of dat uw toorn echt gerechtvaardigd is in het licht van de Bijbel. En als u boos bent, sla er dan niet direct op los met woorden of daden. Neem even de tijd om na te denken. Nehemia overwoog in het licht van de Schrift of zijn visie op de problemen in overeenstemming was met Gods visie. Impulsieve woede bezorgt alleen maar meer problemen. Span God niet voor uw karretje om gelijk te krijgen. Praat er eerst over; dat doet Nehemia ook. Laat het niet ondergronds voortwoekeren. Laat de zon ook niet ondergaan over een opwelling van uw toorn.

 

Tot zover ons tweede aandachtspunt: Nehemia’s eerste reactie. Voor we overgaan tot ons derde aandachtspunt zingen we eerst uit Psalm 82 de verzen 2 en 3:

 

Toont aller goden God te vrezen;

doet recht aan armen en aan wezen;

rechtvaardigt hem, die billijk klaagt,

verdrukt of arm uw hulpe vraagt;

verlost geringen uit hun lijden,

en wilt behoeftigen bevrijden;

rukt z’ uit der goddelozen hand;

gerechtigheid verhoogt een land.

 

Maar ach, hier is het recht vergeten;

men heeft noch kennis, noch geweten;

men wandelt in de duisternis;

het wankelt al wat zeker is;

dies ziet men ’s aardrijks grondvest beven.

‘k Heb wel voorheen u d’ eer gegeven,

dat Ik u goden heb genoemd,

en als Gods kinderen geroemd!

 

  1. De maatregelen die Nehemia neemt

Gemeente, nog even nadenkend over die boosheid van Nehemia: het zou goed zijn als wij daar iets meer van hadden. We zijn soms veel te laks en te vriendelijk. Als we ons persoonlijk geraakt voelen, schreeuwen we moord en brand. Maar als we zien dat Gods wetten met voeten getreden worden in onze samenleving, waar blijven we dan? Waar zijn de protesten tegen de duizendvoudige moord die abortus heet? Moet alleen stichting ‘Schreeuw om leven’ dat doen?

De kloof tussen arm en rijk wordt ieder jaar groter. In grote delen van de wereld wordt bittere honger geleden. Onze samenleving verloedert. Ouderen voelen zich niet veilig meer op straat, kinderen en meisjes ook niet. Boulevardbladen en de filmindustrie verlagen de seksualiteit tot koopwaar en de moderne media brengen het bij de mensen in huis. Organisatoren van houseparty’s en drugshandelaren vernietigen het lichaam en de geest van onze jongeren. Het egoïsme neemt hand over hand toe.

Raakt dat ons nog diep in ons hart? Doet het ons nog pijn dat de geboden van God zo openlijk, zo flagrant en uitdagend terzijde geschoven worden? Waar is onze heilige verontwaardiging? Of zijn we er zo aan gewend geraakt dat de aanklacht en het appel tot bekering uitblijft?

 

Nehemia doet iets aan al die misstanden. Hij is niet alleen verontwaardigd, maar hij neemt ook krasse maatregelen.

Eerst past hij wederhoor toe. De armen hebben geklaagd; hij spreekt nu met de rijken en de edelen. We lezen dat in vers 7: En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert een last, een iegelijk van zijn broeder. Voorts belegde ik een grote vergadering tegen hen.

In die persoonlijke gesprekken wijst hij hen ook op het verkeerde van hun handelswijze. En dan vat Nehemia de koe bij de horens. Hij zwijgt niet, bang om ze aan te pakken. Nee, in Gods Naam klaagt hij ze aan. Hij belegt een massale vergadering en roept die uitbuiters publiekelijk ter verantwoording: Jullie vorderen lasten – woekerrente – om jezelf te bevoordelen. Dat moet afgelopen zijn. Waar zijn jullie eigenlijk mee bezig? Hoe kun je je eigen broeders en zusters zo vernederen? Wij hebben er alles aan gedaan om de Joden die gevangen waren, vrij te kopen van hun heidense meesters. Daar hebben wij alles voor over gehad, geld uit eigen zak. En nu gaan jullie ze weer verkopen, omdat ze aan de armoede vervallen zijn, zodat we ze voor de tweede maal moeten loskopen – van jullie nota bene.

Dat is de betekenis van vers 8.

Deze zaak is niet goed. We lezen vers 9: Voorts zeide ik: De zaak is niet goed, die gijlieden doet; zoudt gij niet wandelen in de vreze onzes Gods, om de versmading der heidenen, onze vijanden?

 

Merkt u wat er hier gebeurt? Nehemia grijpt de zaak meteen in de kern aan. Hij probeert geen medelijden op te wekken met de armen. Hij speelt niet op het gevoel van de rijken. Hij beroept zich niet op mensenrechten of medemenselijkheid. Regelrecht verwijst hij naar God Zelf. Wat jullie doen, verdraagt zich niet met de ‘vreze des Heeren’. Dit is het erge: je benadeelt niet alleen je volksgenoten, maar je doet God er zo’n ontzettend verdriet mee. Wie de Heere vreest, kan en wil zoiets niet doen. Die wil juist leven naar Zijn inzettingen, ook die ten behoeve van de armen.

Toets uzelf maar, gemeente. Wie God vreest, houdt Zijn geboden.

Bovendien zal de Naam van de Heere gelasterd worden als de heidenen horen hoe het eraan toegaat onder Gods volk. Nehemia spreekt over de ‘versmading der heidenen’ in vers 9. En dat is toch nog wel het ergste. De Naam van de Heere wordt erdoor bezoedeld.

Daar kunnen Sanballat en Gesem zo de vinger op leggen. De vijanden zullen deze interne misstanden aangrijpen om Israël te smaden en zo krijgen ze een stok in de hand om naar de God van Israël te slaan. Ze zullen zeggen: Die Joden een bijzonder, uitverkoren volk? Dat is ook niet te zien. Ze zijn geen haar beter dan wij. Het gaat hun ook om het geld en de rijkdom.

 

Gemeente, dat is nog steeds actueel. Wij hebben als christenen een dure opdracht: gij geheel anders. Het moet toch te zien zijn dat we het lichaam van Christus zijn. Adeldom verplicht. Anders doen we de zaak van God in deze wereld veel schade aan, als onze leer en ons leven met elkaar vloeken. Hoe schadelijk om als christen alleen voor jezelf te leven, even egoïstisch en materialistisch als de wereld.

Christenen zondigen niet goedkoop. Denk erom dat er naar u gekeken wordt. Al komt u alleen maar in de kerk en al wilt u van uzelf zeggen dat u nog onbekeerd bent. Erg is dat, na zoveel roepstemmen van God. Daar snappen buitenstaanders helemaal niets van. Die zeggen: Wat? Ga je wel naar de kerk en heb je God niet lief? Hoe kan dat?

Hoe makkelijk geven wij door ons gedrag aanleiding tot het lasteren van de Naam van de Heere. Niet doen, zegt Nehemia; wandel in de vreze des Heeren. Geef er geen aanleiding toe dat buitenstaanders uw levenswandel lasteren.

 

Het omgekeerde is evengoed waar: waar geleefd wordt naar Gods geboden, in liefde en zelfverloochening, daar gaat ook echt iets van de gemeente uit. Dat was de grote kracht van de eerste christengemeente. Ze hingen niet als los zand aan elkaar. Ze hielden niet alles krampachtig voor zichzelf. Ze hadden oog voor elkaar. De rijken lieten de armen meedelen in de zegeningen die God hen had geschonken. Niet gedwongen, maar vrijwillig. Niet om er iets mee te verdienen, maar uit liefde tot God en de naaste.

Dat bleef niet onopgemerkt. Daar ging iets van uit. De buitenwacht moest getuigen: zie hoe lief ze elkaar hebben. Ze hadden genade bij het ganse volk.

 

En hoe reageren de edelen en de rijken op Nehemia’s aanklacht? Dat lezen we in het slot van vers 8: ze zwijgen en vinden geen antwoord. Met andere woorden: ze staan met een mond vol tanden. Nehemia heeft gelijk. Niemand kan tegen deze redenering iets inbrengen. Ze hebben geen excuus.

Nehemia doet hun een heel ingrijpend voorstel; lees maar mee in vers 11: Geeft hun toch als heden weder hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen; en het honderdste deel van het geld, en van het koren, den most en de olie, die gij hun hebt afgevorderd.

Dat is nogal een voorstel. In plaats van uitbuiting roept Nehemia op tot broederlijke vrijgevigheid. Scheld de armen al hun schulden kwijt en geef hen vandaag nog hun velden en wijngaarden, hun olijfbomen en hun huizen terug. En ook de rente van het geld, ook het koren, de most en de olie die u hun hebt uitgeleend. Nehemia zegt eigenlijk: laten we hier en nu een jubeljaar vieren, waarin alle verpande en in beslag genomen eigendommen weer teruggegeven worden aan de oorspronkelijke eigenaren. Het voorstel betreft de goederen, het geld en de kinderen.

Nehemia heeft zelf hierin het goede voorbeeld gegeven. En vele jaren later vertelt Jezus aan Zijn discipelen ten diepste hetzelfde. Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart mijn geboden (Joh.14:15). Discipelschap blijkt uit vrucht dragen. Zo alleen wordt de Vader verheerlijkt. Het gaat om de liefde tot God en tot de naaste.

 

Gemeente, daarheen wijzen de twee balken van het kruis van Golgotha. Kom nog eens mee naar de kruisheuvel. Daar is de verticale balk, die wijst op de verzoening met God, de liefde tot God, de kruisdood van Christus. Maar daar is ook de horizontale balk van het kruis en die wijst op de verhouding naar de naaste toe.

Je naaste liefhebben als jezelf, dat is meer dan weleens aardig en lief zijn. Hier horen we welke consequenties dat kan hebben. Wie werkelijk God liefheeft en dankbaar is voor wat de Heere schonk in de verzoening door Christus’ bloed, die houdt zich aan Zijn voorschriften, ook al kost dat zelfverloochening en geld. De macht van het Woord is zo groot dat ons geweten daarmee instemt.

En dan kijk je niet nog eens de kat uit de boom. Nehemia zegt: geef het vandaag nog terug. Doe er meteen iets aan. Maak vandaag nog schoon schip. Stel niet uit tot morgen wat je vandaag kunt doen. Want ... van uitstel komt vaak afstel.

 

Hebt u het begrepen, gemeente? Ga heen en doe gij desgelijks.

Wat zouden er veel misstanden op allerlei terrein, in het gezin, in de maatschappij en in de kerk, opgeruimd kunnen worden als we allemaal echt gaan buigen onder Gods Woord. U moet dat boekje van Sheldon eens lezen: ‘In Zijn voetspoor’. Alles verandert in de praktijk van ons leven als we ons steeds laten leiden door de vraag: wat zou Jezus doen? Het vraagt een radicale keus van ons en ook een totale zelfverloochening. Dat is moeilijk, maar door genade mogelijk. En de vrucht ervan is heerlijk.

Ik weet niet wat u in orde moet maken met uw huwelijkspartner, uw kinderen, met ouders, met andere gemeenteleden of met armen die u om hulp vroegen, maar: ga heen en vervul alzo de wet van Christus. U zult zien dat u er wel bij vaart – geen groter vrede dan de vrede met God en de naaste, en de vrucht van een goed geweten waar geen lasten op drukken.

 

Wat een dag: een dag van algehele kwijtschelding, een jubeljaar. Dan geldt het naar twee kanten: ‘de schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan’. En dat komt allemaal door Hem, de Heere Jezus Christus, Die zo gewillig was om de wil van Zijn Vader te doen. Het was Zijn eten en drinken om de wil van de Vader te doen. En zo maakte Hij ruimte, leefruimte voor zondaren bij God.

Bij Hem mag u schuilen, met al uw schulden en tekorten, met heel uw verloren leven. Als u heden in de preek ontdekt bent aan uw gebrek en schuld, mag u heden de toevlucht nemen onder de schaduw van Zijn gekruiste borgarmen. Hij nam de schuld op zich; Hij droeg de zonde der wereld. Dus het kan voor u ook nog – voor het eerst als u ziet dat u voor God niet bestaan kunt, maar ook in de weg van heiligmaking als u voor de zoveelste keer gestruikeld bent. Naar Jezus heen, gemeente, naar die bloedende Zaligmaker, Die de vloekdood stierf en van God verlaten werd, maar Die het ook uitriep: Het is volbracht, Die Koning is en Heere in Zijn verhoging.

 

Is Hij al volledig de baas in uw leven? Dat wil Hij. Ik las bij Spurgeon het volgende: ‘Als u verlangt dat Christus een blijvende gast zal zijn in uw leven, geef Hem dan de sleutels van uw hart. Laat geen kast voor Hem gesloten zijn; geef Hem de vrije toegang tot elk vertrek en de sleutel van elke kamer. Zo zal Hij bij u blijven en Koning zijn in uw leven.’

Aan de voet van Zijn kruis mag u de vreze des Heeren dagelijks leren. Daar wijst de ene balk omhoog, naar God: de weg van vergeving en verzoening. Daar wijst de andere balk zijwaarts, naar de naaste: de weg van zelfverloochening en dienstbetoon. En daar houdt u maar één ding over: het gebed. ‘Gun door het geloof in Christus krachten om Uw geboden te doen uit dankbaarheid.’

Amen.

 

Slotzang: Psalm 146 vers 5

 

’t Is de Heer’, die ’t recht der armen,

der verdrukten gelden doet;

Die, uit liefderijk erbarmen,

hongerigen mild’lijk voedt;

Die gevang’nen vrijheid schenkt,

en aan hun ellende denkt.

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in de verzen 1 tot en met 11 van Nehemia 5. We lezen daarvan nu alleen vers 7:

 

En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert een last, een iegelijk van zijn broeder. Voorts belegde ik een grote vergadering tegen hen.

 

Als thema voor de prediking zien we hoe Nehemia oog in oog staat met interne problemen. We letten op drie aandachtspunten:

  1. de klachten die Nehemia te horen krijgt (vers 1-5);
  2. de reactie die Nehemia geeft (vers 6-7a);
  3. de maatregelen die Nehemia neemt (vers 7b-11).

 

  1. De klachten die Nehemia te horen krijgt

Gemeente, we nemen een kijkje bij de muren van Jeruzalem. De herstelwerkzaamheden vorderen gestaag bij de poorten en de muren van Jeruzalem. Dag in dag uit zijn de bouwvakkers bezig. Met man en macht wordt er gesjouwd en gemetseld, terwijl de wachters nauwlettend uitkijken of er niet ergens gevaar dreigt. Ze werken met troffel en zwaard en de hoornblazer is gereed om bij het eerste teken van onraad op zijn sjofar te blazen. Het werk nadert zijn voltooiing. Met enthousiasme en eensgezindheid wordt er gewerkt; althans, zo lijkt het. Maar ondergronds broeit het.

En op een dag komt het eruit ook. Als een steekvlam uit een kruitvat klinken de verwijten op. Er zijn mannen die niet langer genoegen nemen met de gang van zaken. Zelfs vrouwen doen mee in een vlammend protest tegen de wantoestanden. Het eerste vers tekent de situatie in felle kleuren; leest u maar mee in vers 1: Maar het geroep des volks en hunner vrouwen was groot, tegen hun broederen, de Joden.

 

Een geladen geschreeuw, een opgewonden geroep klinkt op vanaf de muren. Dezelfde gemeenschap die onder de druk van de vijand de gelederen sloot, kraakt nu in al zijn voegen vanwege onderlinge verwijten.

Er is een ‘groot geroep’ van het volk, waarin de huismoeders samen met hun echtgenoten hun protesten uiten over de manier waarop hun huizen en gezinnen bedreigd worden. En hoewel de inhoud van hun grieven te maken heeft met problemen die al geruime tijd bestaan, lijkt het op een plotselinge uitbarsting van een stuk gemeenschappelijke wrok die als een strovuur oplaait en Nehemia min of meer verrast. Het wordt een nieuwe crisis voor Nehemia, een probleem dat wel het laatste is wat hij op dit moment gebruiken kan.

Achter dit alles zit natuurlijk de satan, die alle middelen te baat neemt om het werk van God te verstoren en te verbreken. Als het hem van buitenaf niet lukt, zal hij het van binnenuit proberen. En hij maakt gretig gebruik van het feit dat de onderlinge verhoudingen onder de Joden niet in orde blijken te zijn. Op het juiste moment slaat de duivel zijn slag, juist nu de omstandigheden in het legerkamp van de stad en alle bloed, zweet en tranen bij het werken aan de muren al die onvriendelijke gevoelens tot een uitbarsting brengen.

 

Niets wordt Nehemia in Jeruzalem bespaard. Nu de actie van Sanballat en zijn bondgenoten voorlopig van de baan lijkt te zijn, komen er interne spanningen, die in feite nog veel bedreigender zijn. Door het verzet dat nu opeens losbreekt, komt de herbouw van de muur zelfs op losse schroeven te staan. Lang had het onderhuids al gebroeid, maar nu slaat opeens de vlam naar buiten. ‘Het geroep van het volk en hun vrouwen was groot, tegen hun broeders, de Joden.’

En dan te weten dat die klagers behoren tot families die vanaf het begin het project van de herbouw van de muur enthousiast hebben begroet en hun mannen en zonen op de muren aan het werk hebben gezet. Maar nu de eerste golf van het enthousiasme voorbij is, komen er niet mis te verstane klachten.

 

Wat is er dan aan de hand? De honger nijpt. Er zijn gezinnen die niet meer aan eten weten te komen. Ouders kunnen hun kinderen amper meer in leven houden. Althans, bij de armen stijgt het water tot aan de lippen. Het werk op de muren gaat ten koste van het werk op de velden. Als het blijft gaan zoals nu, zal er het komende jaar geen oogst zijn en de gezinnen zullen dan echt honger gaan lijden. In vers 2 staat: wij zijn velen. Dat wijst op voedseltekort. Ze willen koren hebben om te eten en te leven.

In de tweede plaats komt openbaar wat we lezen in vers 3: Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden, en onze huizen, opdat wij in dezen honger koren mogen opnemen. Echte honger heeft sommigen van het volk – vooral de kleinere boeren – al genoodzaakt om gedeelten van hun land als pand, als onderpand te geven om geld voor zaaikoren bij elkaar te krijgen.

Anderen moeten geld opnemen om de verschuldigde belasting te kunnen betalen. Dat lezen we in vers 4: Desgelijks waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend tot des konings cijns, op onze akkers en onze wijngaarden. Ze moeten hiervoor echter een enorm hoge rente betalen aan hun Joodse broeders.

Alles bij elkaar betekent het dat ze al gevaarlijk dicht bij een catastrofe beland zijn. Als de slechte tijden zullen aanhouden en ze niet in staat zijn het geld terug te betalen, ziet hun toekomst er heel slecht uit en zullen ze hun land helemaal verliezen.

 

Kunt u zich een beetje voorstellen wat voor sfeer er heerst en hoe brandend deze sociale kwestie is die Jeruzalem verdeeld houdt? De tegenstelling tussen rijk en arm is snijdend scherp. De armen worden door de rijken uitgebuit en geknecht. Echt sociale wantoestanden. Een hoge rentestandaard, zeg maar gerust: woeker. De rijken worden steeds rijker en de armen steeds armer. Er is schrijnend onrecht. Je zal er maar bij staan en toe moeten kijken hoe de rijken volop koren kunnen kopen en alles voor zichzelf houden. Ze denken er niet aan om van hun overvloed te delen aan degenen die tekortkomen.

Dat kunnen de armen niet verkroppen. Ze lopen er allang mee, maar tot nog toe hebben ze gezwegen. Nu nemen ze echter niet langer meer een blad voor de mond. Zij dragen toch ook hun steentje bij aan de wederopbouw van de muur. Waarom dan dit onderscheid? Waarom is er voor de rijken wel voedsel en moeten zíj creperen van de honger? Sommigen van hen zijn van heinde en ver naar de heilige stad gekomen om de handen uit de mouwen te steken. Dat hebben ze graag gedaan, maar de ellende die ze thuis achtergelaten hebben, zit hen dwars.

 

U ziet het voor uw ogen gebeuren. De oogst mislukt. Je moet je eigen huis verpanden om nog aan een beetje eten te komen. Of je moet je wijngaard of akker afstaan om aan geld te komen.

Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen wat het voor een boer betekende om zijn akker of wijngaard kwijt te raken. Dat was het erfdeel dat aan zijn geslacht was toevertrouwd.

Het werken aan de muur verhindert hen bovendien om iets terug te verdienen. Weken achtereen ligt hun bedrijf plat ter wille van de goede zaak. Hoe moet dat straks als ze thuis komen en de schuldeisers weer op de stoep staan? Waarom schelden de rijken hun deze schulden niet kwijt? Ze zijn toch broeders en zusters van elkaar? Ja, maar de rijken zijn onverbiddelijk.

Vindt u het gek dat ze ten einde raad hun nood klagen aan Nehemia? Ze kunnen het niet langer meer voor zich houden; ze móeten kwijt hoe naar ze eraan toe zijn. Ze mogen dan wel samen met de rijken aan de muur bouwen, maar de diepere gemeenschapszin ontbreekt door al dat sociale onrecht.

 

En daar kwam voor sommige allerarmsten nog iets vreselijks bij. Dat lezen we in vers 5: Nu is toch ons vlees als het vlees onzer broederen, onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochteren tot dienstknechten; ja, er zijn enige van onze dochteren onderworpen, dat zij in de macht onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden.

De armsten moeten niet alleen hun bezittingen verkopen, maar ze worden er zelfs toe gebracht om hun kinderen als slaven te verkopen. Dat is wat. Het moet je kind maar zijn. En u moet de vader of moeder maar zijn!

Hun zonen en dochters zullen als slaven moeten werken bij de welgestelden. Sommige meisjes hebben de vernedering die slavinnen ondergaan, al moeten meemaken. En door de woeker die er geëist wordt, is er geen enkele kijk op dat ze hun kinderen terug zullen krijgen.

Kunt u zich voorstellen hoe die mensen zich voelen? Een kind is toch het liefste wat je hebt, en dan dat kind als slaaf of slavin te moeten afstaan ... Dat is toch een zwaard dat door je moederhart gaat. Dat kan een vader toch niet verkroppen? Maar ze moesten wel.

 

Wat vindt u daar nu van, Nehemia? Is het niet verschrikkelijk?

Het geroep van het volk is groot. Lang hebben de onderdrukten zich stilgehouden. Maar nu ze samen bouwen aan de muur, schouder aan schouder, en intussen uitgebuit worden door de rijken onder hun eigen volksgenoten, nu barst het verzet los. Wat een vernedering, wat een wantoestanden. De ene bouwer staat naast de andere, die z’n dochter uitbuit als slavin. Dat kan toch niet. Dat is toch schrijnend onrecht.

Scherp klinken hun klemmende klachten in de oren van Nehemia.

Echt een kritieke fase voor de herbouw van de muur, deze interne spanningen – minstens zo gevaarlijk als de vijandschap van Sanballat en consorten. Wel is duidelijk dat niet Nehemia het voorwerp is van hun woede, maar hun eigen Joodse volksgenoten, hun ‘broederen’ (vers 1), de rijken, de edelen en de leiders (vers 7). Die hebben het geld aan hen geleend, hun land in beslag genomen en met het grootste gemak hun dochters als slaven geaccepteerd. En wat zo’n geweldige weerstand oproept, is de onbekommerdheid waarmee de rijken hun voordeel behalen op de armen, op basis van de gedachte: zaken zijn zaken. Dat komt nu aan de oppervlakte en daar moet iets aan gedaan worden. De steen des aanstoots is het harteloos gedrag van de rijken.

 

Israël klaagt.

Het gebeurt wel dat mensen die klagen te horen krijgen: ga toch naar huis met al dat geklaag. Maar kijk eerst eens goed naar jezelf. Lees eens wat de profeet Jeremia gezegd heeft bij de puinhopen van Jeruzalem: Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden (Klaagl.3:39). Dat is het belangrijkste.

Inderdaad. Waar die klacht niet gekend wordt, loopt alles ten slotte op niets uit. Bij die klacht gaat het immers niet over het onrecht dat ons is aangedaan, maar over het onrecht dat wij God hebben aangedaan. Dat is pas onrecht. We hebben Gods heilige wet overtreden en onze Schepper verlaten. We hebben gezondigd tegen een God Die ons zegent. Als je dat echt ziet, dan zeg je: ‘Heere, mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn ze mij te zwaar geworden.’

Veel geroep en geklaag over onrecht gaat aan dit grootste onrecht voorbij. Dan blijft het bij het verlangen naar wat aardse verbetering en wat aardse welvaart. En we mogen elkaar best wel ernstig en dringend waarschuwen tegen zulk geklaag. De geest van onze eeuw is er vol van.

 

Toch wil dat niet zeggen dat we niet zouden mogen opkomen tegen onrecht dat ons wordt aangedaan, vooral als Gods Woord zo duidelijk anders leert over de behandeling van de armen, over woekergeld en over slavendienst onder Israël. Nehemia zegt niet: ga maar weg en klaag maar over je zonde. Hij neemt hun klachten heel serieus. Hij is er helemaal door geschokt.

Het is wel waar dat het belangrijkste is dat de verhouding met God niet meer verstoord is, maar de onderlinge verhoudingen zijn ook heel belangrijk. Juist daar probeert de duivel vaak zijn slag te slaan. Naar buiten toe zijn maatregelen nodig om de vijand te weren, maar naar binnen toe niet minder. Een vijand bínnen de poort kan nog veel gevaarlijker zijn. We kunnen een hechte zuil vormen als het gaat om de verdediging van Gods Woord, om de kerk, de christelijke gemeente en ons anders zijn dan de wereld, maar zíjn we dat ook echt? Hoe is het als we naar de binnenkant kijken?

Hoe gaan we met elkaar om? Hoe gaan we met ons geld om? Wat leeft er in ons hart? Heeft satan soms daar zijn slag geslagen? Doen we elkaar soms ook bitter onrecht aan – misschien niet financieel, maar geestelijk?

Wat kunnen we soms onrechtmatig en lichtvaardig over iemand oordelen. En wat te denken van laster en verdachtmaking? Niets is zo schadelijk voor de kerk dan interne tegenstellingen en conflicten. Twist en tweedracht zijn als kevers die de zware steunbalken van de kerk doorknagen. Het werkt allemaal zo verlammend. De vitaliteit en de weerbaarheid van een gemeente worden dan ondermijnd. En wat kan het werk van ambtsdragers daardoor onnoemelijk zwaar worden. Problemen van buitenaf zijn moeilijk te vermijden, maar als broeders en zusters met elkaar overhoopliggen, maakt dat de taak om leiding te geven nog veel moeilijker.

Dat zien we bij Nehemia. Hij gaat recht doen, maar we letten eerst even op zijn eerste reactie als hij al deze klachten hoort.

 

  1. De reactie die Nehemia geeft

We lezen vers 6 en 7: Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer. En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert een last, een iegelijk van zijn broeder.

Nehemia wordt boos, ontzettend boos. Hij is diep verontwaardigd: Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer. Zijn toorn ontsteekt. Allereerst natuurlijk vanwege dat bittere onrecht dat de armen wordt aangedaan, maar hij is vooral boos op die rijken die de armen zo uitbuiten. Hij is verontwaardigd over hun zelfzuchtigheid, hun hebzucht en hun harde instelling.

 

Vindt u dat geen begrijpelijke reactie? Psychologisch helemaal verklaarbaar. Het was de druppel die voor Nehemia de emmer deed overlopen. Wat heeft die man allemaal niet te verduren en te verwerken gekregen. Hij was ook maar een mens.

Toen alle Israëlieten bij de pakken neerzaten, had hij de moed om het werk weer aan te vatten. Hij vertrouwde op God en wees hen op God: Onze God zal voor ons strijden (Neh.4:20).

Toen iedereen moedeloos was en bang vanwege uitputting en vooral vanwege die vijandelijke samenzwering, bleef Nehemia sterk. Hij liet niets merken van zijn eigen vermoeidheid en moedeloosheid.

En dan nu dit: vaders, moeders en kinderen lijden honger. Gezinnen raken hun bezittingen en zo de bron van hun inkomsten kwijt. Kinderen worden als slaven verkocht. En in al die ellende buiten de Joden ook elkaar nog eens uit. Dat was wel het toppunt. ‘Mijn toorn ontstak zeer.’

Geen wonder toch dat de stoppen nu doorslaan en dat hij in woede uitbarst. Ieder mens heeft toch een grens aan zijn incasseringsvermogen, aan zijn draagkracht.

 

Inderdaad, zo gaat dat maar al te vaak bij ons. We raken geïrriteerd als we de zaken niet meer aan kunnen. Of we worden driftig als het gedrag van anderen ons teleurstelt.

Herkent u dat niet? Ja? Nou, dat is helemaal verkeerd. Want later krijg je er spijt van dat je jezelf zo liet gaan omdat je jezelf niet meer in de hand had.

Zou dat zo bij Nehemia ook geweest zijn? Een zondige opwelling van boosheid? Impulsieve toorn? Een van zich afslaan omdat de problemen hem boven het hoofd groeien?

Nee, zo is het bij Nehemia niet. Dat kunnen we opmaken uit vers 7: En mijn hart beraadslaagde in mij. Eer hij tot handelen overgaat, voordat hij lucht geeft aan zijn verontwaardiging, overweegt hij alles eerst heel goed. Het Hebreeuwse woord betekent: jezelf adviseren, bij jezelf te rade gaan, de dingen op een rijtje zetten.

Dat is heel wijs. Eerst tot tien tellen voor je iets zegt. Nehemia neemt er langer de tijd voor. Hij neemt even afstand van de zaak en dat stelt hem in staat om af te koelen en nuchter na te denken.

Breng het in het gebed bij de Heere voor je reageert. Want dit is allemaal uit het leven gegrepen.

 

Nehemia denkt eerst diep na. En ik denk dat hij wel bij de Heere om raad geweest is, al staat dat er niet bij. Stel dat hij direct gereageerd had, dat hij gezegd had: Jullie moeten eens goed luisteren. De herbouw van de muur is nu het belangrijkste. Nog een maand en dan zijn we klaar. Dat is zo belangrijk dat ik nu geen tijd heb om aandacht te besteden aan jullie klachten. Denk er maar niet te veel over na. Kom later, als de muur voltooid is, nog maar eens terug.

Dat zou net zo harteloos geweest zijn als het gedrag van die uitbuiters. Dan zou hij net als de priester en de leviet in die gelijkenis van de barmhartige Samaritaan met een grote boog om hun nood heen gegaan zijn. En als Nehemia zo geen aandacht voor hun klachten had gehad, zouden ze het werk aan de muur voorgoed neergelegd hebben. Hij zou gefaald hebben, want een goede leider aanvaardt de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de mensen die hij leidt.

 

‘Mijn toorn ontstak zeer, en mijn hart beraadslaagde in mij.’ Zijn toorn is gerechtvaardigd en hij overlegt de dingen eerst zorgvuldig; hij zet de feiten op een rijtje.

En wat zijn de feiten?

Dat de wet van God, die Hij op Sinaï gegeven heeft, gruwelijk overtreden wordt. Niets meer en niets minder. Had de Heere niet keer op keer gezegd dat armoede en honger onder Zijn volk niet mochten voorkomen? Was het in Israël niet uitdrukkelijk verboden om rente op te leggen aan een arme die geld moest lenen? Was het niet algemeen bekend dat een Jood bij een andere Jood geen slavenarbeid mocht verrichten?

Wie de wet van Mozes erop naleest, merkt hoezeer al deze misstanden een gruwel waren in de ogen van God. In Israël mocht het er niet aan toegaan zoals bij de heidenen, waar het recht van de sterkste gold. Die wetten van het verbond had God gegeven opdat iedere Israëliet eten en drinken zou hebben en in vrijheid zou kunnen leven. God heeft ze niet uit Egypte uit het slavenhuis uitgeleid om weer opnieuw in de slavernij terecht te komen.

En daar ligt de oorzaak van Nehemia’s heilige verontwaardiging: ze overtreden de wet van God. Nehemia’s toorn is net als de boosheid van Mozes toen hij zag dat het volk danste rond het gouden kalf. Zijn verontwaardiging is als die van de Heere Jezus toen Hij merkte dat de kooplieden handel dreven in de tempel, het heilige huis van Zijn hemelse Vader. Nehemia’s boosheid is geen geprikkelde reactie omdat zijn persoonlijke plannen gedwarsboomd worden, maar het is een heilige toorn over het overtreden van Gods wet.

 

Bent u weleens boos, gemeente? Zeg maar niet ‘nee’, want dan liegt u naar alle waarschijnlijkheid.

Overweeg dan eerst of u zich persoonlijk gekwetst en bedreigd voelt, of dat uw toorn echt gerechtvaardigd is in het licht van de Bijbel. En als u boos bent, sla er dan niet direct op los met woorden of daden. Neem even de tijd om na te denken. Nehemia overwoog in het licht van de Schrift of zijn visie op de problemen in overeenstemming was met Gods visie. Impulsieve woede bezorgt alleen maar meer problemen. Span God niet voor uw karretje om gelijk te krijgen. Praat er eerst over; dat doet Nehemia ook. Laat het niet ondergronds voortwoekeren. Laat de zon ook niet ondergaan over een opwelling van uw toorn.

 

Tot zover ons tweede aandachtspunt: Nehemia’s eerste reactie. Voor we overgaan tot ons derde aandachtspunt zingen we eerst uit Psalm 82 de verzen 2 en 3:

 

Toont aller goden God te vrezen;

doet recht aan armen en aan wezen;

rechtvaardigt hem, die billijk klaagt,

verdrukt of arm uw hulpe vraagt;

verlost geringen uit hun lijden,

en wilt behoeftigen bevrijden;

rukt z’ uit der goddelozen hand;

gerechtigheid verhoogt een land.

 

Maar ach, hier is het recht vergeten;

men heeft noch kennis, noch geweten;

men wandelt in de duisternis;

het wankelt al wat zeker is;

dies ziet men ’s aardrijks grondvest beven.

‘k Heb wel voorheen u d’ eer gegeven,

dat Ik u goden heb genoemd,

en als Gods kinderen geroemd!

 

  1. De maatregelen die Nehemia neemt

Gemeente, nog even nadenkend over die boosheid van Nehemia: het zou goed zijn als wij daar iets meer van hadden. We zijn soms veel te laks en te vriendelijk. Als we ons persoonlijk geraakt voelen, schreeuwen we moord en brand. Maar als we zien dat Gods wetten met voeten getreden worden in onze samenleving, waar blijven we dan? Waar zijn de protesten tegen de duizendvoudige moord die abortus heet? Moet alleen stichting ‘Schreeuw om leven’ dat doen?

De kloof tussen arm en rijk wordt ieder jaar groter. In grote delen van de wereld wordt bittere honger geleden. Onze samenleving verloedert. Ouderen voelen zich niet veilig meer op straat, kinderen en meisjes ook niet. Boulevardbladen en de filmindustrie verlagen de seksualiteit tot koopwaar en de moderne media brengen het bij de mensen in huis. Organisatoren van houseparty’s en drugshandelaren vernietigen het lichaam en de geest van onze jongeren. Het egoïsme neemt hand over hand toe.

Raakt dat ons nog diep in ons hart? Doet het ons nog pijn dat de geboden van God zo openlijk, zo flagrant en uitdagend terzijde geschoven worden? Waar is onze heilige verontwaardiging? Of zijn we er zo aan gewend geraakt dat de aanklacht en het appel tot bekering uitblijft?

 

Nehemia doet iets aan al die misstanden. Hij is niet alleen verontwaardigd, maar hij neemt ook krasse maatregelen.

Eerst past hij wederhoor toe. De armen hebben geklaagd; hij spreekt nu met de rijken en de edelen. We lezen dat in vers 7: En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert een last, een iegelijk van zijn broeder. Voorts belegde ik een grote vergadering tegen hen.

In die persoonlijke gesprekken wijst hij hen ook op het verkeerde van hun handelswijze. En dan vat Nehemia de koe bij de horens. Hij zwijgt niet, bang om ze aan te pakken. Nee, in Gods Naam klaagt hij ze aan. Hij belegt een massale vergadering en roept die uitbuiters publiekelijk ter verantwoording: Jullie vorderen lasten – woekerrente – om jezelf te bevoordelen. Dat moet afgelopen zijn. Waar zijn jullie eigenlijk mee bezig? Hoe kun je je eigen broeders en zusters zo vernederen? Wij hebben er alles aan gedaan om de Joden die gevangen waren, vrij te kopen van hun heidense meesters. Daar hebben wij alles voor over gehad, geld uit eigen zak. En nu gaan jullie ze weer verkopen, omdat ze aan de armoede vervallen zijn, zodat we ze voor de tweede maal moeten loskopen – van jullie nota bene.

Dat is de betekenis van vers 8.

Deze zaak is niet goed. We lezen vers 9: Voorts zeide ik: De zaak is niet goed, die gijlieden doet; zoudt gij niet wandelen in de vreze onzes Gods, om de versmading der heidenen, onze vijanden?

 

Merkt u wat er hier gebeurt? Nehemia grijpt de zaak meteen in de kern aan. Hij probeert geen medelijden op te wekken met de armen. Hij speelt niet op het gevoel van de rijken. Hij beroept zich niet op mensenrechten of medemenselijkheid. Regelrecht verwijst hij naar God Zelf. Wat jullie doen, verdraagt zich niet met de ‘vreze des Heeren’. Dit is het erge: je benadeelt niet alleen je volksgenoten, maar je doet God er zo’n ontzettend verdriet mee. Wie de Heere vreest, kan en wil zoiets niet doen. Die wil juist leven naar Zijn inzettingen, ook die ten behoeve van de armen.

Toets uzelf maar, gemeente. Wie God vreest, houdt Zijn geboden.

Bovendien zal de Naam van de Heere gelasterd worden als de heidenen horen hoe het eraan toegaat onder Gods volk. Nehemia spreekt over de ‘versmading der heidenen’ in vers 9. En dat is toch nog wel het ergste. De Naam van de Heere wordt erdoor bezoedeld.

Daar kunnen Sanballat en Gesem zo de vinger op leggen. De vijanden zullen deze interne misstanden aangrijpen om Israël te smaden en zo krijgen ze een stok in de hand om naar de God van Israël te slaan. Ze zullen zeggen: Die Joden een bijzonder, uitverkoren volk? Dat is ook niet te zien. Ze zijn geen haar beter dan wij. Het gaat hun ook om het geld en de rijkdom.

 

Gemeente, dat is nog steeds actueel. Wij hebben als christenen een dure opdracht: gij geheel anders. Het moet toch te zien zijn dat we het lichaam van Christus zijn. Adeldom verplicht. Anders doen we de zaak van God in deze wereld veel schade aan, als onze leer en ons leven met elkaar vloeken. Hoe schadelijk om als christen alleen voor jezelf te leven, even egoïstisch en materialistisch als de wereld.

Christenen zondigen niet goedkoop. Denk erom dat er naar u gekeken wordt. Al komt u alleen maar in de kerk en al wilt u van uzelf zeggen dat u nog onbekeerd bent. Erg is dat, na zoveel roepstemmen van God. Daar snappen buitenstaanders helemaal niets van. Die zeggen: Wat? Ga je wel naar de kerk en heb je God niet lief? Hoe kan dat?

Hoe makkelijk geven wij door ons gedrag aanleiding tot het lasteren van de Naam van de Heere. Niet doen, zegt Nehemia; wandel in de vreze des Heeren. Geef er geen aanleiding toe dat buitenstaanders uw levenswandel lasteren.

 

Het omgekeerde is evengoed waar: waar geleefd wordt naar Gods geboden, in liefde en zelfverloochening, daar gaat ook echt iets van de gemeente uit. Dat was de grote kracht van de eerste christengemeente. Ze hingen niet als los zand aan elkaar. Ze hielden niet alles krampachtig voor zichzelf. Ze hadden oog voor elkaar. De rijken lieten de armen meedelen in de zegeningen die God hen had geschonken. Niet gedwongen, maar vrijwillig. Niet om er iets mee te verdienen, maar uit liefde tot God en de naaste.

Dat bleef niet onopgemerkt. Daar ging iets van uit. De buitenwacht moest getuigen: zie hoe lief ze elkaar hebben. Ze hadden genade bij het ganse volk.

 

En hoe reageren de edelen en de rijken op Nehemia’s aanklacht? Dat lezen we in het slot van vers 8: ze zwijgen en vinden geen antwoord. Met andere woorden: ze staan met een mond vol tanden. Nehemia heeft gelijk. Niemand kan tegen deze redenering iets inbrengen. Ze hebben geen excuus.

Nehemia doet hun een heel ingrijpend voorstel; lees maar mee in vers 11: Geeft hun toch als heden weder hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen; en het honderdste deel van het geld, en van het koren, den most en de olie, die gij hun hebt afgevorderd.

Dat is nogal een voorstel. In plaats van uitbuiting roept Nehemia op tot broederlijke vrijgevigheid. Scheld de armen al hun schulden kwijt en geef hen vandaag nog hun velden en wijngaarden, hun olijfbomen en hun huizen terug. En ook de rente van het geld, ook het koren, de most en de olie die u hun hebt uitgeleend. Nehemia zegt eigenlijk: laten we hier en nu een jubeljaar vieren, waarin alle verpande en in beslag genomen eigendommen weer teruggegeven worden aan de oorspronkelijke eigenaren. Het voorstel betreft de goederen, het geld en de kinderen.

Nehemia heeft zelf hierin het goede voorbeeld gegeven. En vele jaren later vertelt Jezus aan Zijn discipelen ten diepste hetzelfde. Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart mijn geboden (Joh.14:15). Discipelschap blijkt uit vrucht dragen. Zo alleen wordt de Vader verheerlijkt. Het gaat om de liefde tot God en tot de naaste.

 

Gemeente, daarheen wijzen de twee balken van het kruis van Golgotha. Kom nog eens mee naar de kruisheuvel. Daar is de verticale balk, die wijst op de verzoening met God, de liefde tot God, de kruisdood van Christus. Maar daar is ook de horizontale balk van het kruis en die wijst op de verhouding naar de naaste toe.

Je naaste liefhebben als jezelf, dat is meer dan weleens aardig en lief zijn. Hier horen we welke consequenties dat kan hebben. Wie werkelijk God liefheeft en dankbaar is voor wat de Heere schonk in de verzoening door Christus’ bloed, die houdt zich aan Zijn voorschriften, ook al kost dat zelfverloochening en geld. De macht van het Woord is zo groot dat ons geweten daarmee instemt.

En dan kijk je niet nog eens de kat uit de boom. Nehemia zegt: geef het vandaag nog terug. Doe er meteen iets aan. Maak vandaag nog schoon schip. Stel niet uit tot morgen wat je vandaag kunt doen. Want ... van uitstel komt vaak afstel.

 

Hebt u het begrepen, gemeente? Ga heen en doe gij desgelijks.

Wat zouden er veel misstanden op allerlei terrein, in het gezin, in de maatschappij en in de kerk, opgeruimd kunnen worden als we allemaal echt gaan buigen onder Gods Woord. U moet dat boekje van Sheldon eens lezen: ‘In Zijn voetspoor’. Alles verandert in de praktijk van ons leven als we ons steeds laten leiden door de vraag: wat zou Jezus doen? Het vraagt een radicale keus van ons en ook een totale zelfverloochening. Dat is moeilijk, maar door genade mogelijk. En de vrucht ervan is heerlijk.

Ik weet niet wat u in orde moet maken met uw huwelijkspartner, uw kinderen, met ouders, met andere gemeenteleden of met armen die u om hulp vroegen, maar: ga heen en vervul alzo de wet van Christus. U zult zien dat u er wel bij vaart – geen groter vrede dan de vrede met God en de naaste, en de vrucht van een goed geweten waar geen lasten op drukken.

 

Wat een dag: een dag van algehele kwijtschelding, een jubeljaar. Dan geldt het naar twee kanten: ‘de schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan’. En dat komt allemaal door Hem, de Heere Jezus Christus, Die zo gewillig was om de wil van Zijn Vader te doen. Het was Zijn eten en drinken om de wil van de Vader te doen. En zo maakte Hij ruimte, leefruimte voor zondaren bij God.

Bij Hem mag u schuilen, met al uw schulden en tekorten, met heel uw verloren leven. Als u heden in de preek ontdekt bent aan uw gebrek en schuld, mag u heden de toevlucht nemen onder de schaduw van Zijn gekruiste borgarmen. Hij nam de schuld op zich; Hij droeg de zonde der wereld. Dus het kan voor u ook nog – voor het eerst als u ziet dat u voor God niet bestaan kunt, maar ook in de weg van heiligmaking als u voor de zoveelste keer gestruikeld bent. Naar Jezus heen, gemeente, naar die bloedende Zaligmaker, Die de vloekdood stierf en van God verlaten werd, maar Die het ook uitriep: Het is volbracht, Die Koning is en Heere in Zijn verhoging.

 

Is Hij al volledig de baas in uw leven? Dat wil Hij. Ik las bij Spurgeon het volgende: ‘Als u verlangt dat Christus een blijvende gast zal zijn in uw leven, geef Hem dan de sleutels van uw hart. Laat geen kast voor Hem gesloten zijn; geef Hem de vrije toegang tot elk vertrek en de sleutel van elke kamer. Zo zal Hij bij u blijven en Koning zijn in uw leven.’

Aan de voet van Zijn kruis mag u de vreze des Heeren dagelijks leren. Daar wijst de ene balk omhoog, naar God: de weg van vergeving en verzoening. Daar wijst de andere balk zijwaarts, naar de naaste: de weg van zelfverloochening en dienstbetoon. En daar houdt u maar één ding over: het gebed. ‘Gun door het geloof in Christus krachten om Uw geboden te doen uit dankbaarheid.’

Amen.

 

Slotzang: Psalm 146 vers 5

 

’t Is de Heer’, die ’t recht der armen,

der verdrukten gelden doet;

Die, uit liefderijk erbarmen,

hongerigen mild’lijk voedt;

Die gevang’nen vrijheid schenkt,

en aan hun ellende denkt.