Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 34

De wet des Heeren

De bedoeling van de wet
De verdeling van de wet
Het begin van de wet; het eerste gebod
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 96: 1
Lezen : Exodus 19: 1 - 9
Zingen : Psalm 81: 10, 11, 12, 13
Zingen : Psalm 119: 83 en 87
Zingen : Psalm 73: 13

Aan de beurt is Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 92: Hoe luidt de wet des Heeren?

Antwoord: God sprak al deze woorden: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. En dan volgen de tien geboden.

Vraag 93: Hoe worden deze tien geboden gedeeld?

Antwoord: In twee tafelen; waarvan de eerste leert hoe wij ons jegens God zullen houden; de andere, wat wij onze naaste schuldig zijn.

Vraag 94: Wat gebiedt God in het eerste gebod?

Antwoord: Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede, en de enige ware God recht lere kennen, Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alle goeds verwachte, Hem van ganser harte liefhebbe, vreze en ere, alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe.

Vraag 95: Wat is afgoderij?

Antwoord: Afgoderij is in de plaats van den enigen waren Gods, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet.

 

Deze Zondag gaat over:

De wet des Heeren

 

Drie gedachten:

1. De bedoeling van de wet

2. De verdeling van de wet

3. Het begin van de wet; het eerste gebod

 

1. De bedoeling van de wet

 

Jongens en meisjes, jullie zijn natuurlijk al zo groot dat je meekomt naar de kerk. Toen je nog niet mee kon naar de kerk, toen je kleiner was, weet ik haast zeker dat mama wel eens tegen je gezegd heeft, als je in de tuin speelde: ‘Luister eens, hier blijven hoor! Ik doe het hekje dicht en je mag het niet opendoen. Je mag niet buiten het hekje, want dat is gevaarlijk. Je moet in de tuin blijven.’

Dat was voor jullie bestwil. Dat is veilig. Want stel je voor dat je zomaar opeens de straat oploopt en je kijkt niet goed uit en er komt een auto aan. Een ongeluk! Of je loopt zomaar naar buiten en je komt bij een sloot en je ziet het niet zo goed en je glijdt uit. Dan kun je in de sloot verdrinken. Het is maar goed dat papa en mama gezegd hebben: ‘Binnen het hekje blijven en niet erbuiten hoor!’ Dat is voor je eigen bestwil.

 

Dat heeft de Heere ook gezegd tegen Zijn volk Israël.

De Heere zegt:

‘Israël, Mijn volk, jullie moeten binnen het hekje blijven. Want daarbuiten is het gevaarlijk. Blijf binnen het hekwerk van Mijn geboden. Ik laat u niet zomaar loslopen in deze gevaarlijke, bedorven wereld. Ik plaats een veilige omheining om u heen.’

Die omheining is de Wet van de Tien Geboden. Daarbinnen is het goed, daar is God. Daarbuiten is het onveilig. Het kost ons leven als we daarbuiten gaan.

Wie Gods wet niet houdt, die loopt dood in de zonde, maar wie binnen die omheining blijft, is veilig.

God heeft in Zijn wet Zijn wil geopenbaard voor ons leven. Voor ons bestwil. Het is tegelijkertijd ook tot eer van Zijn grote Naam.

De wet is niet gegeven om ons aan banden te leggen, als een sta-in-de-weg voor onze vrijheid, maar de wet is juist gegeven om ons de echte vrijheid te geven.

De Heere heeft Zijn volk uit Egypte bevrijd. Hij brengt ze met Zijn wet niet opnieuw onder het juk van de dienstbaarheid, maar Hij zorgt dat ze in vrijheid leven.

 

Gemeente, de echte vrijheid ervaart u in de gebondenheid aan Gods wet. De ware vrijheid is leven naar Gods wet. Zou u die wet weghalen, dan zou het leven helemaal verwoest worden. God bedoelt met de wet geen kwaad, maar enkel goed.

Daarom, jongelui, er klopt niets van als je zegt, wat ik wel eens hoor: ‘Je mag niks!’ ‘Als je naar de kerk gaat en uit de Bijbel leest en christen bent, dan mag je niks!’ Maar dat is helemaal niet waar. Je mag alles. Echt waar! Je mag alles wat goed voor je is en wat tot je heil is. Je mag de drie-enige God liefhebben. Dat is toch alles? Wat is er meer dan de drie-enige God?

 

Dat God een beschermende omheining om ons leven plaatst, is een grote zegen. Dat deed Hij met Israël en met ons. Daarom wordt de wet ons iedere zondag weer voorgehouden. De Heere had ons aan ons lot over kunnen laten. Dan zou het een grote chaos geworden zijn in ons leven en ook in het maatschappelijk leven.

 

Dat ziet u ook gebeuren. Kijk maar om u heen in de wereld. Waar de wet van God wordt losgelaten daar wordt het een chaos, een puinhoop.

Dan komen alle dingen op zijn kop te staan. Hetero’s gaan hokken en homo’s trouwen. Dat is toch de omgekeerde wereld? Dan moeten omaatjes van vijfenzestig jaar nog een kind kunnen krijgen. Een man, die niet tevreden is met zijn man-zijn, moet opeens omgebouwd kunnen worden tot een vrouw, en andersom. Vindt u het gek dat alles op zijn kop gaat als we de wet van God loslaten? Dan wordt het leven een grote chaos.

Daarom, gemeente, laten wij de Heere dankbaar zijn dat Hij Zijn wet heeft gegeven en dat die wet van Israël ook nog voor ons geldt. De Heere waakt over ons leven met Zijn wet, opdat onze voet zich aan geen steen zal stoten.

U voelt best in uw hart dat dat waar is. Als u Gods gebod overtreedt, dan is het onveilig, dan hebt u onvrede en bent u God kwijt.

 

Zondag 33 behandelt ging over de dankbaarheid. De Catechismus onderwees ons over de waarachtige bekering. Het is een lust en een liefde om naar de wil van de Heere te leven. Weet u het nog ‘Rechtsomkeert!’, waar de wedergeboorte mee vergeleken werd? En dan ‘Voorwaarts mars!’, de weg terug naar God, zoals de weg van de verloren zoon, terug naar zijn vader. Die weg‑terug van de wedergeboorte is de bekering die loop je in de dankbaarheid.

 

In de wet geeft God aanwijzingen voor het wandelen op de weg van de bekering. De wet is het beschermende hekwerk langs die weg, zodat we niet ter linker- of ter rechterzijde zullen afwijken. Want dan gaan we van God af en dat is niet tot Zijn eer.

De wet geeft leiding aan ons leven, op de weg naar de zaligheid.

De wet is het beginselprogramma op de smalle weg naar de zaligheid.

’k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

Is er hier iemand die zeggen kan: ‘Ik heb er spijt van dat ik God ben gaan dienen.’? Dat is onmogelijk. De wet is een leidsman die ons leert hoe we naar de wil van God wandelen moeten. God heeft iets van Zich blootgegeven in Zijn wet.

Als iemand regels maakt, dan ligt daar iets in uitgedrukt van hoe die persoon is, want hij maakt regels die bij hem horen. Zo is het ook met God. God heeft iets van Zich kenbaar gemaakt in Zijn heilige wet.

Alles wat Hij tot ons heil te zeggen heeft, zegt Hij in die Tien Woorden.

In dat beginselprogramma staat één woordje centraal. Dat weet u wel vanuit Zondag 2, dat is ‘liefde’. De liefde, die het richtsnoer moet zijn voor ons handelen. Niet als een dwingende wet, als een scherpe gebieder, die zegt: ‘Gij zult!’ en ‘Gij zult niet!’, maar de wet staat in het stuk van de dankbaarheid, als een wet die leiding geeft aan het leven van bekering, aan een leven in heiligmaking, aan het leven van een christenmens.

 

De wet staat in het stuk van de dankbaarheid. Zo was het ook al bij Israël. ‘Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypte, uit het diensthuis uitgeleid heb.’ Na hun verlossing uit Egypte kregen ze de wet in het kader van het genadeverbond.

Zo doet de Catechismus het ook. In het tweede stuk is de verlossing behandeld, de uitleiding uit het diensthuis van de zonde. Christus heeft Zijn volk vrijgemaakt van de vloek van de wet en van de verdoemende kracht van de wet. Hij heeft de vloek gedragen, een vloek voor ons geworden zijnde.

Ik draag Uw heil’ge wet,
Die Gij den sterv’ling zet,
In ’t binnenst’ ingewand.

Daarom is de wet in het leven van alle gelovigen geen dwingende wet meer. De wet is voor hen uiting van dankbaarheid.

 

Voor wie de verzoening met God in Christus gevonden heeft, heeft de wet niet afgedaan. Er zijn mensen die vinden dat de wet afgedaan heeft. Dat is niet bijbels. Maar weet u wat wel afgedaan heeft? Voor wie in Christus is, wie bevrijd is uit het diensthuis van de zonde, heeft de veroordelende kracht van de wet afgedaan. De dwingende en de vloekbrengende macht heeft afgedaan, omdat de Heere Jezus het oordeel en de vloek gedragen heeft. Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel. Die wil voor de Heere leven.

Dan komt de wet weer terug, niet in de hoofdsom, zoals in Zondag 2, maar zoals hier in de afzonderlijke geboden om het nieuwe leven van de dankbaarheid te zuiveren, te leiden en te richten.

Om die te doen uit dankbaarheid.  

Zo heeft God de wet gegeven tot bestwil van Zijn volk. De Heere wil Zijn volk dichtbij Zich houden. Daarom: ‘Niet buiten het hekje gaan!’

De Heere wist hoe gevaarlijk het buiten die omheining was. Daar zou het volk weer gaan afdwalen. Daarom grifte de Heere God de wet voor Mozes en voor Israël in stenen tafelen. Dat wijst op de blijvende betekenis van de wet voor Israël en voor ons.

 

De ceremoniële wetten vonden hun vervulling in het werk van de Heere Jezus. Alle offers uit het Oude Testament, al de feesten, al de ceremonieën, wezen heen naar het Lam Gods, Dat geslacht is op Golgotha tot verzoening der wereld. Het gescheurde voorhangsel wijst ons erop dat de ceremoniële eredienst is afgelopen.

De burgerlijke wetten die de Heere aan Israël gegeven heeft, hebben hun geldingskracht verloren toen Israël staatkundig uiteengevallen is.

Maar de zedenwet of de Wet van de Tien Geboden blijft altijd gelden. Die moest Israël doorgeven aan alle volken.

 

De vorm van de Tien Geboden draagt wel een Israëlitisch karakter. Denk maar aan de sabbatdag. Wij vieren nu de zondag.

Denk aan het vijfde gebod, waarin de Heere één van de beloften, het komen in het beloofde land, in het vooruitzicht stelt. Dat verandert Paulus in de Efeze‑brief met het zinnetje: Opdat het u welga en dat gij lang leeft op de aarde.

Denk ook aan de os en de ezel.

Maar inhoudelijk geven die stenen tafelen de blijvende betekenis en de blijvende geldingskracht van de goede, volmaakte, heilzame wet van God weer.

 

We moeten de wet laten staan op de plaats waar de Catechismus haar neerzet: in het derde stuk, in het stuk van de dankbaarheid. God openbaart Zijn Tien Woorden immers binnen het kader van het genadeverbond. Dat hebben we samen gelezen uit Exodus 19 de verzen 4 tot 6.

Gijlieden hebt gezien wat Ik den Egyptenaars gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb. Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijne. En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn.

Mijn verbond.

We hebben zo straks ook vers 8 gelezen.

Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zij zeiden: Al wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den Heere.

Hier spreekt God, Die Zijn verbond opricht, en het volk dat in dat verbond bewilligt. En dan volgt de wetgeving.

 

Als u nog een bewijs wilt hebben dat de Heere de wet heeft gegeven in het kader van het genadeverbond, dan mag ik u wijzen op het opschrift boven de wet. We hebben het net nog gelezen dat God zegt: ‘Ik de ben de Heere, uw God.’ Uw God, de Heere, de Jahweh.

Toen Israël de wet kreeg, hadden ze het al behoorlijk verbruid. Als u dat stukje woestijnreis neemt, van de doortocht door de Rode Zee tot aan de Sinaï, de plaats van de wetgeving, hoe vaak hebben ze al niet gemopperd? Dan is het vlees niet goed en dan het eten niet. Dan is het water weer niet goed. Iedere keer is er wat en ze mopperen aan alle kanten. Wat zegt de Heere dan? Komt Hij in de donder en de bliksem naar hen toe en zegt Hij: ‘Ik zal jullie wegdoen.’? Nee!

Hij zegt:

‘Ik ben de Heere. Ik ben Jahweh, de Getrouwe, de God van het verbond in Christus Jezus.’

‘Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.’

‘Ik ben de Heere, uw God, Israël. Daarom heb je geen andere goden nodig en daarom heb je geen gesneden beeld nodig. Daarom moet je Mijn Naam met eerbied gebruiken.’

Dan volgen de andere geboden, daaruit voortvloeiend.

 

De verbondsnaam, Heere, Jahweh, Die het volk Israël tot Zijn eigendom heeft aangenomen, overkoepelt heel de wet.

            ‘Daarom, Israël, zal je Mij dienen en geen andere goden.’

God wijst op de weldaden die Hij geschonken heeft.

Hij zegt:

‘Ik heb je uitgeleid uit Egypte. En daarom, Mijn volk, geef Ik je de regel om te leven tot eer van Mijn Naam, om je dankbaarheid te tonen voor de grote verlossing die Ik heb teweeggebracht, toen ik jullie heb uitgeleid uit Egypte en bewaard heb in de Rode Zee.’

 

Dat ‘gij zult’ en ‘gij zult niet’ wijst op de God van het verbond, Die Zijn genade geeft. Het ‘gij zult’ en ‘gij zult niet’ komt pas nadat God eerst gezegd heeft: ‘Ik ben’ en: ‘Ik zal’.

Zijn verbondsnaam is Jahweh, de ‘Ik zal zijn Die Ik zijn zal’. Ik ben de Getrouwe. Ik ben de genadige God van het verbond. Het hele verbond van de verlossing ligt opgesloten in: ‘Gij zult Mijn eigendom zijn.’ (Ex 19:5) De grond is het bloed van Christus, Die met al Zijn wonden volkomen heeft betaald, wat oudtestamentisch werd afgeschaduwd in de offeranden die gebracht werden. Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen.

Alleen vanuit het werk van de Middelaar van het verbond leren wij de wet van het verbond verstaan. In gemeenschap met Hem kunt u het zingen: ‘Hoe lief heb ik Uw wet!’ Want dan ziet u in die wet iets van Gods karakter, van Wie de Heere is in Zijn trouwe zorg voor ons en Zijn sparende liefde.

‘Hoe lief heb ik Uw wet!’ Dat komt in het natuurlijk hart niet op. U bent geneigd om het van de totaal verkeerde kant te bekijken. ‘Je mag niks!’, hoor je dan.

De vrucht van het werk van Christus, de vervulling van Gods belofte, is: ‘Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen.’

Zo is de wet geen zwaar juk. Zijn juk is zacht en Zijn last is licht.

 

2. De verdeling van de wet

 

In vraag 93 lezen we:

Hoe worden deze tien geboden gedeeld?

In twee tafelen; waarvan de eerste leert hoe wij ons jegens God zullen houden; de andere, wat wij onze naaste schuldig zijn.

 

Ik wil eerst even wat over die twee tafelen zeggen. U moet weten dat in de cultuur van die tijd ieder verbond in duplo werd opgemaakt. Dat betekent dat de wet op twee tafelen als in tweevoud is opgeschreven. Naar alle waarschijnlijkheid hebben op allebei de tafelen de tien geboden gestaan. Maar dat is verder niet belangrijk.

De geboden worden verdeeld in: hoe we ons jegens God zullen houden en hoe we ons jegens de naaste zullen houden. Dat noemt Jezus geen twee tafelen, maar twee geboden. Aan deze twee geboden, deze verdeling in de geboden, hangt de ganse wet en de profeten. Laten we het gemakshalve maar hebben over de eerste tafel en de tweede tafel, want dat is ingeburgerd en daarin hebt u een verdeling die wezenlijk is in de wet van God.

De dienst aan Hem, dat is de bron en als gevolg daarvan de dienst aan elkaar, de dienst naar de mensen.

 

De hoofdsom van de wet is liefde tot God en liefde tot de mensen. Het één is onlosmakelijk verbonden aan het ander. Wij zijn gevallen mensen. Wij zijn het rechte zicht op God kwijtgeraakt en daardoor hebben we ook onze naaste uit het oog verloren. Dat hangt met elkaar samen. Daarom hebben we aan één tafel niet genoeg, maar hebben we ze allebei nodig, opdat God Zijn beeld in ons weer herstellen zal en wij zo Zijn beeld mogen vertonen, levend naar Zijn geboden.

 

U weet dat in onze tijd de woorden naastenliefde en medemenselijkheid erg ín zijn. Dat zijn modewoorden geworden en dat leidt tot eenzijdigheid. Alles draait om de mens en alles is gericht op de naaste. Men zegt: ‘U dient God in uw naaste.’ Dan krijgt u activisme. Dat is goed, als het maar niet losgemaakt wordt van de wortel, van de kennis van God en van de liefde tot God. Het is heel eenzijdig om te zeggen dat u God dient in uw naaste. Want als dat waar was, zou de eerste tafel van de wet niet nodig zijn.

Daarom zegt de Catechismus: ‘Mensen, denk erom: naast die tweede tafel is er een eerste tafel.’ God liefhebben boven alles, dat is de wortel. Dat is de verborgen bron. Daar komt alles uit voort. Wat u in het verborgen doet, kan een ander niet zien, wat u voor uw naaste doet is zichtbaar.

 

Het gaat niet alleen om een verschil tussen de vier geboden van de eerste tafel en de zes geboden van de tweede tafel, maar het gaat ook om een volgorde.

Voor ons besef wegen de geboden van de tweede tafel zwaarder dan van de eerste. U zegt misschien: ‘Bewijs dat maar eens.’ Kijk maar om u heen en kijk maar naar uzelf. U hoort wel eens zeggen: ‘Die man is een dief; die heeft een ton achterover gedrukt. Erg hè!’ Of: ‘Die is niet eerlijk in het zakenleven. Verschrikkelijk!’ Of: ‘Die vrouw houdt het met een ander. Dat is ook erg!’ Of: ‘Hij is een moordenaar. Erg hè!’ Maar hebt u wel eens horen zeggen: ‘Zeg, die man vreest de Heere niet. Erg hè!’ Of: ‘Die vrouw is nog onbekeerd. Erg hè!’

Ziet u wel dat het waar is. Wij vinden de tweede tafel belangrijker dan de eerste, terwijl de Heere ze juist in deze volgorde heeft gegeven. De band of verhouding met God is uiteindelijk het belangrijkste.

 

De Catechismus wil ons leren dat de zonde tegen de naaste niet erger is, maar dat de rechte verhouding tot de naaste alleen maar kan voortkomen uit de rechte verhouding tot God. De rechte ethiek, hoe u leven moet, naar uw naaste toe, kan alleen maar voortkomen uit de rechte godsvrucht.

Wie de Heere vreest, en daarover gaat de eerste tafel van de wet, zal zonder meer eerbied hebben voor het leven. Dat is de tweede tafel. Die zal de goede naam van zijn naaste niet willen bekladden. Die zal graag gehoorzaam zijn. Die zal met zijn handen van andermans spullen afblijven.

Ziet u, de eerste en de tweede tafel is geen kwestie van meer of minder, maar van godsvreze en liefde. De wet is de liefdevolle omheining van God om Zijn volk heen. De wet is het richtsnoer voor ons handelen op de weg terug naar God, op de weg in het leven voor Gods aangezicht.

 

Hoe staat u daartegenover? En jullie, jongelui? Hoe staat u tegenover de wet van God? Durft u nog te zeggen: ‘Ik mag niks!’, als u hoort hoe goed God is?

Gemeente, leeft u nog onder de veroordeling en de vloek van de wet? Want dat kan.

Wie niet is uitgeleid uit het diensthuis van de zonde,

wie niet verlost is door het bloed van het lam dat geslacht werd,

bij wie het bloed niet gestreken werd aan de deurpost van het huis,

wie het bloed van Jezus niet gestreken heeft gekregen aan de deurpost van zijn hart,

die is nog onder de vloek van de wet, die is nog onder de veroordeling van de wet.

Voor wie wel dat bloed aan de deurpost van zijn hart heeft, voor diegene is de wet zijn beginselprogramma.

Wat is de wet voor u? Een programma ter veroordeling of een beginselprogramma?

Kunt u het zingen:

‘k Doe Uw geboden oprecht en welgezind;

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.?

 

Weet u ervan dat de Heere Zijn wet schreef in de vlezen tafelen van uw hart? Die wet, die u veroordeelde en schuldig stelde voor de Heere. En tóch had u die wet lief.

Weet u ervan dat die wet u uitdreef naar Christus, de Vervuller van de wet, dat u gerechtigheid en eeuwige vreugde in Hem mocht vinden? Niet de gerechtigheid die uit de wet is, maar de gerechtigheid die door het geloof in Christus is. Dat u het mocht zien en zeggen: ‘Jezus droeg de vloek voor mij.’

U kon de prijs der ziele, dat rantsoen, aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen.

Maar toen zei God:

‘O arme zondaar, dat hoeft ook niet. Want die prijs is betaald en dat rantsoen is aangebracht. Jezus is voor u gestorven, heeft genade voor u verworven. U bent van schuld en zonde vrij. Ik ben de Heere, uw God. Ik heb verlossing teweeggebracht, toen Christus is gekomen.’

U kreeg de wet lief toen u mocht zien dat Hij die wet heeft vervuld en de vloek heeft gedragen en dat God niets meer van u te eisen had, omdat Hij alles heeft ontvangen van Zijn lieve Zoon. Hij is om de vloek van de wet gestorven op Golgotha, aan het kruis, in de diepste verlatenheid.

Hoe lief kreeg u de Vervuller van de wet, de Heere Jezus Christus. Hoe vervulde verwondering uw hart, dat Hij dat voor u heeft willen doen.

O, wat is de openbaring van Gods heerlijkheid en genade groot, als we het zo mogen leren zien!

 

De wet is dus een spiegel van God. Zo is Hij. Zo zorgt Hij voor ons. Zo is Hij bekommerd over ons leven.

Als u de gerechtigheid van de Heere Jezus mag omhelzen, eens voor het eerst, maar telkens weer opnieuw, dan bent u niet meer onder de wet, maar onder de genade. De wet verliest zijn veroordelende kracht en zijn verdoemende betekenis. Zo is er geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

De wet komt terug, maar heel anders dan in het stuk van de ellende, zij wordt uw vuistregel, uw richtsnoer, uw leidsman.

‘O Heere, help me toch om de wet van U te doen! Niet om daarmee te verdienen. Niet om daarmee iets van mijn schuld af te lossen, want die is betaald door Uw Zoon. Geef toch dat ik heilig voor Uw aangezicht mag leven. O God, geef toch dat ik U zo de eer mag geven!’

Dan wordt de wet uw leidsman.

 

We gaan samen zingen over die wet van God, uit Psalm 119 vers 83 en 87:

 

Wat vree heeft elk die Uwe wet bemint!

Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.

Ik, Heer’, die al mijn blijdschap in U vind,

Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;

’k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

 

Kom mij te hulp; mijn ziel, die U verbeidt,

Heeft Uw bevel met lust en liefd’ ontvangen.

Ik haak, o Heer’, naar ’t heil mij toegezeid;

Bestier in gunst naar Uwe wet mijn gangen;

Al mijn vermaak stel ik, met rijp beleid,

In Uw gebod, dat is mijn hoogst verlangen.

 

3. Het begin van de wet

 

Het eerste gebod, Vraag 94:

Wat gebiedt God in het eerste gebod?

Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede, en de enige ware God recht lere kennen, Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harte liefhebbe, vreze en ere, alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe.

 

Er zitten twee stukken in dit antwoord:  

Eén negatief: Alle afgoderij mijde en vliede.

En de ander heel positief: En de enige ware God dienen, vertrouwen, liefhebben.

 

Eerst die negatieve kant.

Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

Waarom niet? Wel, dat zegt God uit liefde. Hij heeft toch gezegd: ‘Ik ben de Heere, uw God.’? En daarom duldt Hij geen andere goden naast Zich. Hij wil Zijn volk alleen hebben. Geen kapers op de kust.

Net als in een goed huwelijk. Als u veel van uw vrouw houdt, dan kunt u het toch niet verdragen als er andere minnaars in het spel komen? Of als u veel van uw man houdt, dan kunt u het toch niet uitstaan als hij met meer dan gewone belangstelling naar andere vrouwen kijkt? Zo is het ook met God.

Hij is een God jaloers op Zijn eer. Hij is een na-ijverig God. Bovendien is Hij bezorgd voor ons. Wij zouden de liefde van ons hart kunnen wegschenken aan iets wat geen god is en helemaal niet goed voor ons is, wat ons juist ten gronde voert. God wil dat niet.

 

Wat zijn die andere goden, die mensen zouden kunnen dienen?

Voor Israël betekent dat de goden van de omringende volken. In Egypte de nijlgod, de zonnegod. Of het gouden kalf. Dat was ook een Egyptische god. Maar u kunt ook denken aan de goden van Kanaän. Baäl, de vruchtbaarheidsgod. Astarte, de maangodin, die voor het koren en de most en de olie zorgde. Astarte zou u ook de seksgod kunnen noemen, want de dienst van Astarte ging vaak gepaard met prostitutie.

 

‘Neem me niet kwalijk,’ zegt u, ‘maar dat is al zo lang geleden. Wie gelooft er nog in de Baäl of wie heeft er een gouden kalf om zich voor te buigen?’ Dat zou ik niet te hard roepen als ik u was. Nooit heeft het bijgeloof meer getierd dan vandaag de dag. Nooit deden waarzeggers betere zaken dan in onze tijd.

 

Laten we ze maar eens noemen zoals de Catechismus ze opsomt: afgoderij.

Daarvan geeft vraag 95 nog een uitwerking. Wie kan zeggen dat hij daar helemaal vrij van is? Iets hebben in de plaats van God of naast God. Iets anders dat in ons leven een belangrijke plaats inneemt.

U zegt misschien: ‘In de plaats van? Dat is toch wel al te grof. Ik ben toch een net kerkmens?’ Iedereen die naar de kerk komt, heeft natuurlijk in zijn leven plaats voor God en de godsdienst. Anders zaten we hier niet.

 

Maar naast Hem, benevens Hem, dat kan voor God niet. Objectief bezien bestaan afgoden niet. Afgoden zijn niets. Voor God bestaan ze niet, maar voor de mensen wel. Want die dienen ze.

Is er niemand die heimelijk vertrouwt op zijn bankrekening en zegt: ‘Er mag nog eens wat gebeuren. Auto kapot of wat anders, dan ik heb altijd nog genoeg op de bank zodat ik het kan betalen.’

Of de mammon? De één heeft het uitgezet in aandelen. Hij heeft hem helemaal in zijn macht. Hij kijkt hele dagen in de krant naar de beurskoersen.

Gierigheid is ook afgoderij. Dan hebt u uw geld lief, meer dan God.

 

Of neem eens de sport. Jongeren en ouderen zijn eraan verslaafd. Ik bedoel niet ontspanning zoals een activiteitendag en gezonde lichaamsbeweging die iedereen nodig heeft. Maar echt dat wereldse van de sport, waardoor miljoenen mensen worden afgetrokken van God en Zijn dienst. Het is een tweede religie geworden voor velen. Het heeft een verslavende werking gekregen. Jongeren en ouderen offeren er alles voor op: hun tijd, hun geld, hun ziel en hun zaligheid. Ik hoef alleen maar het woordje ‘voetbal’ te noemen.

Als u op woensdagavond een gemeenteavond mist omdat u zonodig een voetbalwedstrijd op TV moet zien, dan bent u echt van het rechte pad. Dan bent u verslaafd. Dan kiest u iets wat u van God afbrengt, in plaats van iets wat u bij de Heere wil brengen.

Misschien zegt u: ‘Ik ben niet voor de voetbal. Ik ben helemaal niet voor sport.’ Nou, de mode dan. U moet er wel netjes en stijlvol uitzien, zeker in de gemeente Gods, maar het gaat erom of uw hart erop staat. Staat uw hart op uw kleding en op wat met de mode te maken heeft?

 

Muziek kan ook een afgod worden in uw leven.

 

We horen van mensen, die naar een houseparty geweest zijn om te evangeliseren, dat ze mensen tegenkomen van de Gereformeerde Gemeente. Ze vragen aan de buschauffeur: ‘Hoe laat zijn we morgenochtend thuis?’ ‘Om acht uur.’ ‘Nou, dan kan ik nog mooi naar de kerk, want mijn ouders weten niet dat ik hier ben. Zij denken dat ik bij een vriend blijf logeren.’

 

Dat dringt verder door dan we denken. Muziek, u kunt er helemaal van in de ban zijn. Het werkt verslavend.

In dit rijtje horen natuurlijk ook de media zoals de computer met internet. We kunnen ze niet meer uit elkaar halen. Hoe gaan we ermee om? Hoeveel mensen zijn verslaafd aan zogenoemde onschuldige computerspelletjes? Onze jongelui zijn er uren mee bezig. Is dat geen verslaving?  

 

Ik noem nog een paar dingen. U kunt uw hart zetten op uw eigen man of uw eigen vrouw. Of op uw kinderen die goed studeren kunnen. Als u uw hart erop zet, naast God, of in de plaats van God, maakt u er een afgod van.

Van je surfplank, je zeilboot, je blinkende brommer, de drank en uw dikke sigaar.

Of van je jongen of je meisje. Want alles wat ons van de Heere aftrekt, is een afgod. En wie gaat er vrijuit? Niemand!

Het is nodig dat het steeds aan de orde komt en dat we ons allen bezinnen op ons leven.

 

De Catechismus gaat nog verder: toverij en waarzeggerij.

Toverij is het nabootsen van de almacht van God en waarzeggerij is het nabootsen van de alwetendheid van God.

We zien Saul staan bij de tovenares in Endor. Met knikkende knieën hoort hij het aan: ‘Morgen omtrent deze tijd zal je sterven.’

Hoevelen zijn er niet in deze tijd die een blik willen werpen in de toekomst, die de Heere gelukkig voor ons verborgen houdt? U zou toch geen leven hebben als u precies wist wanneer u een ongeluk zou krijgen of zou sterven? Het is goedheid van God dat Hij dat verborgen houdt.

Er zijn mensen die graag de toekomst willen weten. Zij gaan naar een waarzegger of ze proberen de sterren te lezen, horoscopen, omdat het daarin zou staan. Miljoenen mensen zijn ervan in de ban en miljoenen worden eraan verdiend.

 

Superstitie en bijgeloof. Superstitie is hetzelfde als bijgeloof. Bijgeloof is in. Niet dat wij in een zwarte kat geloven of in het onder een ladder lopen vermijden en het niet logeren op nummer 13. Maar witte en zwarte magie, daar is onze tijd vol van. Het occultisme, het spiritisme, de hekserij. De catechisanten zeggen tegen me: ‘Dominee, het is echt waar, daar in het Sitadorp in Lelystad zitten ze te zweven.’ Of beter: ‘Ze hangen te zweven.’

Weet u dat de satanisten bidden tot de demonen of ze hun werk willen doen, dat de knechten en kinderen van God op de aarde verdeeld zullen worden, zodat gemeenten uit elkaar geslagen worden?

Gemeente, ga maar op de knieën om eenheid, om liefde, om samenbinding, want Jezus, de Vervuller van de wet heeft alle krachten en machten overwonnen.

Wat bloeien er niet een wichelaars en oosterse sekten! Jonge mensen worden soms zomaar in één keer meegesleurd.

We moeten ook oppassen voor alternatieve geneeswijzen. Als u naar een magnetiseur gaat, in wie u moet geloven voordat zijn behandeling werkt, dan is het foute boel.

 

Het aanroepen van heiligen en andere schepselen. Dat is toch uit de tijd, of niet? Dat doen roomse mensen. Ja, maar er zijn ook protestantse heiligen. Die kring wordt steeds groter. Schepselen die aanbeden worden. Denk aan popsterren en voetbalsterren. Ze worden aanbeden. Doe er niet aan mee, jongelui!

Mijd en vlied deze dingen en dien de Heere!

 

Laten we eindigen met iets heel positiefs dat de Catechismus zegt. Er staat wat u níet moet doen, maar er staat ook wat u wél moet doen.

Dat ik de enige ware God recht kenne en vertrouwe.

 

Kijk, dat is de positieve kant van het gebod van God. De Heere kennen.

Kent u Hem? U kunt wel zeggen: ‘Ik doe aan al die dingen waar we het net over hadden, niet mee.’ Maar kent u de Heere? Als u ontkent, bent u dan niet schuldig aan dit positieve, schiet u daarin niet tekort? Als u Hem niet kent, kunt u Hem ook niet liefhebben en kunt u niet op Hem vertrouwen. Onbekend maakt onbemind.

 

De enige ware God kennen, niet alleen maar met uw verstand, maar met uw hele hart. De Heere recht kenne.

Er is niets rijkers dan dat, gemeente. Als u de Heere recht kent, hebt u de andere afgoden niet meer nodig. Dan volgt daaruit vertrouwen. Als u echt de Heere leert kennen en ziet Wie Hij is en wat Zijn deugden zijn en hoe Hij ons behoud op het oog heeft en hoe vergevingsgezind Hij is, dan gaat u aan Hem uw leven toevertrouwen.

 

Met God komt u nooit bedrogen en nooit teleurgesteld uit. God valt alleen maar mee. Mensen vallen vaak tegen. Dan mag u ook met lijdzaamheid onder het kruis gaan en zwijgen als de weg van de Heere anders gaat dan u had gewild of gedacht. Dan mag u de Catechismus nazeggen: ‘Van Hem alle goeds verwachten.’

Steeds meer afzien van uzelf en steeds meer opzien tot Hem. Met mensen loopt u vast. Vestig op prinsen geen vertrouwen. Zelfs met godzalige mensen kunt u omvallen, maar met de Heere nooit.

 

Tenslotte: Hem van ganser harte liefhebben, vrezen en eren.

Dat vat alles nog een keer samen. De Catechismus zoekt naar woorden om uit te drukken dat de Heere alles voor ons wil zijn. Dat de Heere voor ons de enige ware God wil zijn, de inhoud van ons leven, van onze dienst, van ons vertrouwen.

 

De Catechismus legt ook de nadruk op het ‘volkomen’ dienen van God. Niet dat halfhalf. Wie heeft dat niet, de Heere half vertrouwen en half dienen? God wil dat niet. Daarom staat er: volkomen dienen, Hem alleen vertrouwen, Mij aan Hem alleen onderwerpen. De Heere wil dat we ons hart volkomen geven aan Hem. Hij roept: ‘Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij uw hart!’

 

Het gaat vooral over de gezindheid van het hart. Dat blijkt uit de woorden: kennen, vertrouwen, onderwerpen, verwachten, liefhebben, eren, vrezen.

Als die gezindheid ontbreekt, dienen we de Heere slechts voor de vorm. En dat is arm. De Heere vraagt ons hart.

Daarom zegt de Catechismus ook:

dan zou ik nog liever van alle schepselen afgaan en hen laten varen, dan dat ik in het allerminst tegen Zijn wil doe.

 

Gemeente, is uw leven getekend door wat de Catechismus hier zegt? Kent u de Heere? Dan bent u gelukkig. Dan vertrouwt u op Hem. Dan verwacht u alles van Hem. Hoe moeilijk het ook kan zijn in uw leven, u geeft uw leven over aan Zijn leiding, in diepe afhankelijkheid en kinderlijke gehoorzaamheid. U wilt niet anders meer.

Als het anders is, dan zegt u: ‘Ach Heere, breng me er toch!’

Dan zingt u het van harte: ‘Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen!’

 

De dienst van God is een liefdedienst. Die kan ik u van harte aanbevelen, ook al breng ik er soms heel weinig van terecht. Maar dat weet de Heere ook. Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten, hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten.

Daarom houdt Hij iedere zondagmorgen opnieuw ons Zijn goede wet voor en Hij zegt:

‘Mijn kind, luister eens! Zet je oren eens open. Dat is de weg, wandel in dezelve!’

Dat mag ons brengen bij Hem, Die de wet volkomen heeft vervuld, de Heere Jezus Christus. Die álles ervan terechtgebracht heeft en Wiens bloed verzoent en reinigt van alle zonden. Ook van de zonden tegen het eerste gebod.

 

Tenslotte, één zinnetje is nog niet genoemd.

Er staat:

Zo lief als mij mijner ziele zaligheid is.

Dat geldt groot en klein. Is uw ziel en zaligheid u lief? Of staat u er nog onverschillig tegenover? Houden we er nog afgoden op na?

Als we meer van mensen verwachten dan van God, dan kost ons dat onze ziel en zaligheid. Dat is wat!

Laat toch liever alles varen, dan iets tegen de heilige wil van God te doen.

 

Wat baat het u, al waren alle mensen van heel de wereld vóór u en al was u beroemd en gevierd, maar u had God tegen?

De Heer’ is bij mij, ’k zal niet vrezen;
De Heer’ zal mij getrouw behoên;
Daar God mijn schild en hulp wil wezen,
Wat zal een nietig mens mij doen?

 

Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden en dien de Heere met uw ganse hart.

 

Amen.