Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 4 : 7 - 23

Beproevingen bij het bouwen van de muur

De samenzwering van de vijand
De moedeloosheid van Juda
Het bouwen en waken
Deze prekenserie over Nehemia is eerder in boekvorm uitgegeven door uitgeverij Boekhout. Nu worden deze preken, met wat kleine correcties, opnieuw gepubliceerd.

Nehemia 4 : 7 - 23

Nehemia 4
7
En het geschiedde, als Sanballat, en Tobia, en de Arabieren, en de Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer;
8
En zij maakten allen te zamen een verbintenis, dat zij zouden komen om tegen Jeruzalem te strijden, en een verbijstering daarin te maken.
9
Maar wij baden tot onzen God, en zetten wacht tegen hen, dag en nacht, hunnenthalve.
10
Toen zeide Juda: De kracht der dragers is vervallen, en des stofs is veel, zodat wij aan den muur niet zullen kunnen bouwen.
11
Nu hadden onze vijanden gezegd: Zij zullen het niet weten, noch zien, totdat wij in het midden van hen komen, en slaan hen dood; alzo zullen wij het werk doen ophouden.
12
En het geschiedde, als de Joden, die bij hen woonden, kwamen, dat zij het ons wel tienmaal zeiden, uit al de plaatsen, door dewelke gij tot ons wederkeert.
13
Daarom zette ik in de benedenste plaatsen achter den muur, en op de hoogten, en ik zette het volk naar de geslachten, met hun zwaarden, hun spiesen en hun bogen.
14
En ik zag toe, en maakte mij op, en zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Vreest niet voor hun aangezicht; denkt aan dien groten en vreselijken HEERE, en strijdt voor uw broederen, uw zonen en uw dochteren, uw vrouwen en uw huizen.
15
Daarna geschiedde het, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was geworden, en God hun raad te niet gemaakt had, zo keerden wij allen weder tot den muur, een iegelijk tot zijn werk.
16
En het geschiedde van dien dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen, en de schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren achter het ganse huis van Juda.
17
Die aan den muur bouwden, en die den last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer.
18
En de bouwers hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijn lenden gegord, en bouwden; maar die met de bazuin blies, was bij mij.
19
En ik zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Het werk is groot en wijd; en wij zijn op den muur afgezonderd, de een ver van den ander;
20
Ter plaatse, waar gij het geluid der bazuin zult horen, daarheen zult gij u tot ons verzamelen; onze God zal voor ons strijden.
21
Alzo waren wij doende aan het werk; en de helft van hen hielden de spiesen, van het opgaan des dageraads tot het voortkomen der sterren toe.
22
Ook zeide ik te dier tijd tot het volk: Een iegelijk vernachte met zijn jongen binnen Jeruzalem, opdat zij ons des nachts ter wacht zijn, en des daags aan het werk.
23
Voorts noch ik, noch mijn broederen, noch mijn jongelingen, noch de mannen van de wacht, die achter mij waren, wij trokken onze klederen niet uit; een iegelijk had zijn geweer en water.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 48: 1 en 6
Lezen : Nehemia 4: 7 - 23
Zingen : Psalm 46: 1, 3 en 4
Zingen : Psalm 138: 2 en 4
Zingen : Psalm 3: 2

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in de verzen 7 tot en met 23 van Nehemia 4. We lezen daarvan nu alleen de verzen 16 tot en met 18:

 

16. En het geschiedde van dien dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen, en de schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren achter het ganse huis van Juda.

17. Die aan den muur bouwden, en die den last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer.

18. En de bouwers hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijn lenden gegord, en bouwden; maar die met de bazuin blies, was bij mij.

 

‘De beproevingen bij het bouwen van de muur van Jeruzalem’ is het thema voor deze prediking. We letten op drie aandachtspunten:

  1. de samenzwering van de vijand (vers 7‑9);
  2. de moedeloosheid van Juda (vers 10‑15);
  3. het bouwen en waken (vers 16‑23).

 

  1. De samenzwering van de vijand

Jongens en meisjes, wat zou je doen als je zou horen dat verschillende kinderen uit de straat of de wijk een plan gemaakt hadden om met jou te gaan vechten en je te schoppen en te slaan? Dat kun je alleen nooit winnen.

Je zegt: ik zou het direct tegen mijn vader of moeder gaan vertellen.

Goed. En verder?

Nou, je zou goed op de uitkijk gaan staan om te kijken of ze er al aankomen en je zou je broers en zusjes vragen om je te helpen. Misschien schrikken ze daarvan en gaan ze terug.

Dat doet Nehemia ook. Als er een samenzwering komt tegen de Joden gaan ze het eerst aan hun Vader vertellen – ze gaan bidden tot God – en daarna zetten ze een wacht uit. Luister maar.

 

Als de vijanden merken dat al hun spottende woorden geen vat hebben op Nehemia en het volk, en dat de bouw van de muur snelle vorderingen maakt, besluiten ze tot daden over te gaan. Ze sluiten met elkaar een coalitie, een complot om tot een verrassingsaanval over te gaan. De bouw van de muur moet gestopt worden.

We lezen vers 7 en 8: En het geschiedde, als Sanballat, en Tobía, en de Arabieren, en de Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer; en zij maakten allen te zamen een verbintenis, dat zij zouden komen om tegen Jeruzalem te strijden, en een verbijstering daarin te maken.

De vijand beraamt een samenzwering met de andere volken om tegen Israël op te trekken. Ze verzamelen alle medestanders voor het complot. Van vier kanten willen ze de Joden aanvallen: Sanballat en de zijnen uit het noorden, Gesem met zijn Arabische strijdmakkers uit het zuiden, de Filistijnen uit het westen en de Ammonieten onder leiding van Tobía uit het oosten. Zo willen ze Jeruzalem letterlijk omsingelen, zodat de bouwers als ratten in de val komen te zitten.

 

Een merkwaardige coalitie. Er zijn tijden geweest dat ze elkaar niet konden luchten of zien. Voormalige vijanden worden opeens gezworen kameraden.

We komen dat vaker tegen in de Bijbel. In het Nieuwe Testament lezen we bijvoorbeeld dat Herodes en Pilatus, die eerst felle tegenstanders van elkaar waren, in confrontatie met Jezus opeens vrienden van elkaar worden. Als het gaat om het verzet tegen het werk van God slaan mensen en machten de handen ineen. De vijandschap tegen Christus en Zijn Evangelie, tegen Zijn Rijk en Zijn toekomst, verbindt de tegenstanders met elkaar.

Wonderlijk is dat soms. Verbeten bestrijders van elkaar veranderen plotseling in vurige bondgenoten. Dat komt in onze tijd nog wel voor. In de haat tegen het Joodse volk weten Arabische landen, die sinds jaar en dag met elkaar overhoop liggen, elkaar te vinden. In confrontatie met de christelijke normen en waarden slaan de meest uiteenlopende politieke partijen de handen ineen. Vijandelijke machten vormen een gezamenlijk front tegen de gemeente van Christus. Wat kan dat moeilijk zijn. Zeker als zelfs binnen de kerk partijen elkaar vinden in de tegenstand tegen een bepaalde ontwikkeling of persoon.

 

Dat de wereld zo doet, hoeft ons niet te verbazen. De dichter van Psalm 2 heeft er al voor gewaarschuwd: De vorsten beraadslagen te zamen tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde (Ps.2:2). Waarin de vijanden ook mogen verschillen, ze zijn één in hun haat tegen God en Christus. Dat geldt Jeruzalem en dat geldt ook nu nog voor de kerk.

Gelukkig weet Psalm 2 nog meer te vertellen. Het laatste woord is niet aan welke aardse coalitie dan ook, maar aan de levende God: Die in den hemel woont, zal lachen; de Heere zal hen bespotten (Ps.2:4). Per slot van rekening zal Hij alle vijandelijkheden weten te overwinnen en alle verzet krachteloos maken.

Dat heeft Nehemia ook mogen ervaren. En laten wij eruit leren om in samenbindende liefde tot Christus de ware eenheid te zoeken met allen die de Heere Jezus in onverderfelijkheid hebben lief gekregen. Als kerk staan we op de laatste schansen en de vijand rukt vast aan.

 

Het kwaad over Jeruzalem is ten volle besloten. En wat doen de Joden? Twee dingen. We lezen dat in vers 9: Maar wij baden tot onzen God, en zetten wacht tegen hen, dag en nacht, hunnenthalve. Bid en werk.

De plannen van Sanballat zijn vroegtijdig uitgelekt, zodat een verrassingsaanval uitblijft. Eerst lezen we echter dat ze bidden tot God en dag en nacht wachtposten uitzetten rondom Jeruzalem. Waak en bid.

Maar wij baden tot onzen God. Tot nu toe was het steeds Nehemia geweest die tot God bad. Nu bidt het gehele volk, de hele gemeenschap.

Ziet u ze bidden in hun nood? Bent u soms in nood? Wordt u aangevallen? Wordt u ontmoedigd? Weet u niet meer hoe het verder moet in uw leven, in uw gezin, in uw verhouding met de Heere? Bid – en ge zult ontvangen. Het gebed kan bergen verzetten. ‘Er zijn geen grenzen aan Jezus’ macht, voor elk die wond’ren van Hem verwacht.’

 

Dat moet iets geweldigs voor Nehemia zijn. We lezen niet dat hij het volk tot gebed heeft opgeroepen. Kennelijk heeft zijn eigen goede voorbeeld tot gevolg dat ze nu in de nood van die dreigende aanval in gebed tot God gaan. Wij baden tot onzen God – onze God, krachtens het verbond.

Laten we toch bij alle aanvallen die op ons afkomen, tot God gaan in de gebeden.

We lezen niet wat ze gebeden hebben, maar het is zeker een gebed om hulp geweest, een gebed om bewaring en bescherming. Ze pleitten op Gods beloften. Ze hebben God Zijn eigen werk voorgehouden. Het is toch Uw wil niet, Heere, dat het werk dat U zo gezegend begonnen bent, nu zal worden afgebroken. Help ons, Heere, onze God. In ons is geen kracht tegen deze viervoudige coalitie, maar we hopen op Uw Woord. Wees ons genadig en laat deze boze vijand niet toe dat hij ons enig’ hinder doe.

Zo alleen krijgen ze rust. Bidden is weten dat God het weet. Dan sta je er niet alleen voor. Dan is het Zijn zaak geworden. En als we onze nood uit onze handen in Gods handen mogen leggen, zal Hij het zo maken dat we ons verwonderen moeten.

 

Tegelijkertijd lezen we in vers 9 de nuchtere mededeling: ‘en wij plaatsten dag en nacht een wacht tegen hen’. Het gebed maakt niet roekeloos. Het sluit het gebruik van de middelen niet uit. Woord en daad zijn een twee-eenheid; bidden en werken.

Het gaat om Gods zegen ... en onze verantwoordelijkheid. Wie voor het ene kiest en het andere loslaat, houdt niets over. Bidden, en doen wat je hand vindt om te doen. Dat is de kracht van Nehemia’s optreden geweest. De hand van de vlijtige zal gezegend worden. Biddend bouwen. Wakend bidden. Naar het voorbeeld van de grote Bouwmeester, de Heere Jezus Christus, Die door Zijn lijden en sterven Zijn Kerk heeft gebouwd, biddend en wakend tegen de aanvallen van de duivel.

 

Tot zover ons eerste aandachtspunt over de samenzwering van de vijand. We gaan naar het tweede aandachtspunt:

 

  1. De moedeloosheid van Juda

We lezen vers 10 tot en met 12: Toen zeide Juda: De kracht der dragers is vervallen, en des stofs is veel, zodat wij aan den muur niet zullen kunnen bouwen. Nu hadden onze vijanden gezegd: Zij zullen het niet weten, noch zien, totdat wij in het midden van hen komen, en slaan hen dood; alzo zullen wij het werk doen ophouden. En het geschiedde, als de Joden, die bij hen woonden, kwamen, dat zij het ons wel tienmaal zeiden, uit al de plaatsen, door dewelke gij tot ons wederkeert.

De verzen 11 en 12 laten zien dat die moedeloosheid te maken heeft met al die beangstigende berichten over de geplande verrassingsaanval om hen te doden en het werk stop te zetten. Dat bericht kwam van de Joden, die bij hen woonden (vers 12) – Joodse kolonisten en boeren, die in een straal van zeg maar 50 kilometer rondom Jeruzalem woonden en dus dicht bij de centra van de vijandige activiteiten. Zij vertelden het ‘ons’, schrijft Nehemia, en niet ‘mij’. Dat wil zeggen: de bezoekers van het platteland vertellen iedereen uitgebreid over de concentratie van de troepen en de voorraden die worden aangelegd.

Het woordje ‘ons’ wijst erop dat ze zichzelf als de medestanders van Nehemia zien. Intussen verspreiden ze met hun wanhoopspraatjes wel op grote schaal verontrusting onder het volk. Nehemia is het goed zat. Uit dat gezegde ‘wel tienmaal zeiden ze het’ blijkt een stuk irritatie: minstens tienmaal.

Al die verhalen over grote troepenmachten die optrekken naar Jeruzalem en dat het verzet daartegen tot mislukken gedoemd is, is wel het laatste wat de bouwlieden nodig hebben. Het is begrijpelijk dat door al die geruchten over de vijand het volk steeds banger wordt. De moed begint hen in de schoenen te zinken. Herhaaldelijk komen die boodschappers naar Jeruzalem met dat alarmerende nieuws. Tot tien keer toe moeten ze aanhoren hoe hachelijk hun zaak ervoor staat. Is het dan vreemd dat de arbeiders er ten slotte geen gat meer in zien?

 

En daar komt nog iets bij. Dat is uitputting. Wie al hard werkt en er dan nog een schepje bovenop doet, zal daar ongetwijfeld de lichamelijke en psychische gevolgen van ondervinden. Zo is het ook met de Joden. Ze hadden al een maand lang al hun energie ingezet voor de herbouw van de muren. Nu worden ze van alle kanten bedreigd en moet er niet alleen overdag gewerkt worden, maar ook ‘s nachts gewaakt. Daardoor komt er een zware vermoeidheid over hen, uitputting.

Dat houdt geen mens vol: overdag werken en ‘s nachts waken. En als daar dan nog eens dat negatieve demoraliserende spreken bij komt – we winnen het toch niet; de vijand komt eraan – dan wordt het te veel voor de lichamelijke en geestelijke kracht van de Joden. Dan klinkt bij de half afgebouwde muur het treurige lied dat we lezen in vers 10: Toen zeide Juda: De kracht der dragers is vervallen, en des stofs is veel, zodat wij aan den muur niet zullen kunnen bouwen. ‘Juda’ is de verzamelnaam voor de teruggekeerde ballingen.

Een golf van moedeloosheid komt over hen, een gevoel van defaitisme, van gelatenheid. Ze kunnen er niet meer overheen zien. Er is te veel tegenwerking, te veel werk, te veel puin en te weinig mankracht. De een steekt de ander aan en de stemming slaat helemaal om.

 

Dat is ernstig; dat is gevaarlijk. Die moedeloosheid speelt de vijand in de kaart. Eerst leek het of het enthousiasme niet stuk kon en iedereen was met lust aan het werk. En nu zien ze opeens bergen van stof en puin. Er is geen doorkomen aan. Ze kunnen niet meer. Ze zijn aan het eind van hun krachten. Wij kunnen de muur niet bouwen, Nehemia; je vraagt te veel van ons.

Ze hebben de moed verloren. Hun prestaties nemen af en een matheid komt over hen. De voortdurende inspanning en die harde arbeid eisen hun tol. Doordat die vermoeidheid de overhand krijgt, lijkt het karwei veel zwaarder dan het in werkelijkheid is. De kleine hopen puin lijken groter dan ze zijn. Ze zien er als een berg tegenop. De tweede helft van de muur lijkt veel moeilijker dan de eerste helft. We geven het op, Nehemia.

 

Herkent u het? Uitputting, aan het eind van je krachten, en dan komt er nog eens een grote moeilijkheid bij. Ja, dat kan ik nu net niet gebruiken. Ik kan niet meer. Ik zie het niet meer zitten. Ik ben moedeloos en hopeloos. Wij zouden zeggen: burn-out.

Als u uitgeput bent en depressief, moet u eerst een paar gewone praktische maatregelen nemen. Eerst naar de dokter. Rust nemen. Goede voeding is belangrijk. Zo ging het ook bij Elia, die moedeloos onder de jeneverstruik lag. God liet hem uitrusten; hij had slaap nodig. En Elia kreeg een goede maaltijd.

U moet zorgen voor voldoende ontspanning en lichaamsbeweging. Gebrek daaraan is funest voor onze lichamelijke en emotionele energie. Je moet je ‘stress’ kwijt kunnen raken op een natuurlijke manier, anders blijf je kwetsbaar. Ga een eindje skeeleren of zwemmen, een balletje trappen met de kinderen, of gewoon wandelen. Zoek bovendien niet het gezelschap van mensen die ook moedeloos zijn, maar ga naar positieve en enthousiaste mensen. Als je in de put zit, kan een bezoek aan een hard persoon funest zijn.

Bedenk trouwens ook wat Paulus zegt in Romeinen 8 vers 28: alle dingen moeten medewerken ten goede degenen die God liefhebben. Geef uw leven biddend in de handen van God. Hij regeert. Er gebeurt niets voor niets, ook in uw leven niet. Leer er iets van. Spreek uzelf toe: hoop op God en ik zal Hem nog loven.

 

‘De kracht van de dragers is vervallen en het stof is te veel!’ Ze zijn moedeloos.

Hoe vaak gaat het zo niet in ons leven, ons gezin, in de kerk en in de gemeente. Er kunnen perioden zijn van grote moedeloosheid. Daar hebben ‘grote mannen’ als Spurgeon en M’Cheyne ook last van gehad. De problemen zijn te groot en de zorgen te veel. Je kunt er niet meer tegenop. Nog even en de vijand heeft je verslagen. Hoe menselijk is dat. Maar het verlamt wel je krachten. Er komt niets meer uit je handen. Het werk lijdt eronder.

Zelfs Christus begon beangst en bedroefd te worden in Gethsémané. Toch werd Hij niet moedeloos. Hij heeft het werk gedaan dat de Vader Hem had opgedragen. Hij heeft volgehouden. En Zijn volharding is ons behoud.

In het zien op Hem en Zijn overwinning krijg je weer moed om het vol te houden. We zien veel te veel op het puin en we luisteren veel te weinig naar Zijn belovend en bemoedigend spreken, ook in onze verhouding met de Heere. Zoveel mensen missen een stuk zekerheid. Ze zeggen: als ik maar eens zeker zou weten dat Christus ook voor mij Zijn leven gegeven heeft. Daar verlang ik zo naar, maar als ik op mezelf zie ...

Dat moet u niet doen.

 

Ik kwam een mooi stukje tegen bij Spurgeon. Hij laat iemand zeggen: wist ik maar dat Christus ook voor mij de wet heeft gehouden en de schuld betaald.

Hij antwoordt: ‘Stil maar, dan zal ik het u vertellen. Bent u zich er heden van bewust dat u schuldig bent, verloren en verdorven? Belijdt u met tranen in uw ogen dat niemand anders dan Jezus u kan helpen? Wilt u alle hoop opgeven en u alleen toevertrouwen aan Hem Die stierf aan het kruis? Kunt u uw blik richten naar Golgotha en daar de bloedende Jezus zien, geheel rood door Zijn bloed? Zo ja, dan heeft Hij voor u de wet gehouden en uw schuld betaald. De wet kan u niet meer veroordelen, omdat Christus u vrijgesproken heeft.’

 

Gemeente, er is nóg iets te leren uit wat hier in Nehemia 4 gebeurt, en dat is dat we niet zo negatief en demoraliserend tegen elkaar moeten spreken. Het is zo belangrijk hoe wij met elkaar spreken, vooral tegenover jongeren. Ook al is niet alles rozengeur en maneschijn, maar niets is zo verlammend als al die pessimistische verhalen over de kerk. Sommige christenen doen niet anders dan klagen over het verval en de geesteloosheid. Ze meten de tegenkrachten breed uit en voorspellen permanent het ergste. Daar moet je zo mee oppassen. Voor je het weet, kom je in een negatieve spiraal terecht. Hoeveel zorgen er ook zijn, laten we toch waken voor een dodelijk doemdenken.

Zeker, de reactie van de bouwers is goed te begrijpen. Wie heeft er nooit eens last van een inzinking? En toch is onze moedeloosheid niet goed te praten. Welke fout maken we dan? We gaan te veel af op de omstandigheden en we rekenen te weinig met God. We letten meer op onze eigen onmogelijkheden dan op Gods mogelijkheden. We zien meer op eigen machteloosheid dan op Zijn almacht. En als we dan bij de pakken neer gaan zitten, is dat heel vaak een gevolg van kleingeloof, gebrek aan vertrouwen. Wie ziet op de levende God, op Zijn Woord en beloften, hoeft het hoofd niet te laten hangen. Want er is verwachting, bij God vandaan.

 

Daar wijst Nehemia zijn broeders en zusters op. Luister maar hoe hij hen bemoedigt in vers 14: En ik zag toe, en maakte mij op, en zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Vreest niet voor hun aangezicht; denkt aan dien groten en vreselijken Heere, en strijdt voor uw broederen, uw zonen en uw dochteren, uw vrouwen en uw huizen.

Nehemia maakt duidelijk dat moeilijkheden er zijn om overwonnen te worden. Hij wist dat God hem naar Jeruzalem had geleid om de muur te herbouwen en hij was niet van plan om die taak half afgemaakt te laten liggen. Als God Arthahsasta tot andere gedachten kon brengen zodat hij Nehemia naar Jeruzalem liet gaan, zal Hij Zijn volk zeker helpen en de vijand op een afstand houden zodat de muur kan worden voltooid.

Het bouwen wordt tijdelijk gestaakt om Jeruzalem te verdedigen. Op de laagst gelegen gedeelten – de meest kwetsbare stukken – van het terrein achter de muur laat hij het volk zich opstellen, geordend naar hun geslachten, met zwaarden, speren en bogen. Lees maar mee in vers 13: Daarom zette ik in de benedenste plaatsen achter den muur, en op de hoogten, en ik zette het volk naar de geslachten, met hun zwaarden, hun spiesen en hun bogen.

Dit verhoogt hun zelfbewustzijn. Bij een aanval kunnen ze niet anders dan standhouden en vechten voor en met hun gezin. Het gaat erop of eronder. Er zit niets anders op om in leven te blijven en de bouw van de muur te voltooien. Zo kan Nehemia een staking voorkomen.

We krijgen de indruk dat hij alleen staat. Maar God geeft hem kracht om als een rots in de branding te staan. Hij doet er alles aan om weerstand te bieden tegen een aanval. Maar toch is dat niet het voornaamste. Hij bemoedigt hen: Vreest niet voor hun aangezicht.

 

‘Vrees niet.’ Die woorden klinken heel de Bijbel door. Gods spreekt ze vaak. Denk aan Abraham, de vader van alle gelovigen, toen hij moedeloos werd: ‘Vrees niet, Abraham, Ik ben uw Schild en uw Loon zeer groot.’ Nehemia wijst hen op God, die grote en vreselijke Heere, de Verbondsgod. Denk eens aan wat Hij in het verleden heeft gedaan. Die God staat ons terzijde. Hoe machtig is Hij. Zou voor de God van Israël iets te wonderlijk zijn? Uit zes benauwdheden heeft Hij gered. Zou Hij dan in de zevende ons laten zitten? Hij is de getrouwe. Gods trouw is wonderbaar. Gods beloften zijn zeker. Hij alleen kan helpen en redden. Richt uw oog op Hem. Onze God is zo groot en geducht.

Hier is Nehemia bij de Bron, de krachtbron van zijn volharding. Groot is God in wijsheid en liefde, in trouw en macht. Geducht is Hij in bescherming en redding. Wat is het toch heerlijk om deze God te dienen, om zoals David te mogen zeggen: ‘Met mijn God spring ik over een muur.’ Met mijn God bouw ik aan de muur.

 

Het werk kan zwaar zijn, maar als God bij ons is, als God voor ons is, wie is dan tegen? Samen met God ben je altijd in de meerderheid. Kom, mannen, de muur is half klaar. God zal ons helpen. Maar wij moeten ook strijden voor onze broeders, onze zonen en onze vrouwen.

Nehemia bemoedigt hen door te wijzen op God: ‘Vrees niet; mijn God is zo groot, zo sterk en zo machtig. Strijd met elkaar in Gods Naam. Het is Zijn zaak.’

Wat straalt er een geestelijke kracht uit van Nehemia. Hij spreekt vanuit de kracht van die God Wiens Zoon ooit sprak: ‘Heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.’ En wat gebeurt er? De vijanden blazen de aftocht als ze dit horen. We lezen dat in vers 15: Daarna geschiedde het, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was geworden, en God hun raad te niet gemaakt had, zo keerden wij allen weder tot den muur, een iegelijk tot zijn werk.

Ziet u? Hij zegt niet: ‘ik’, maar: ‘God’. God heeft hun raad teniet gemaakt. God haalt een streep door hun boze voornemens. Nehemia slaat zichzelf niet op de borst; Hij geeft God de eer. Dat is een teken van levend geloof.

De bouwers gaan weer terug naar de muur. Het werk moet af. Zo keerden wij allen weder tot den muur, een iegelijk tot zijn werk!

 

Gemeente, laten we bij alle puin en stof in de kerk toch positief blijven spreken over God, hoog opgeven van de Heere; daar helpen we elkaar mee. Wijzen op de grootheid van God, daar hebben onze jongeren veel meer aan dan aan al die klaagzangen over het verval en dergelijke. Jongelui, God is zo groot. Vrees niet. Hij is nog net zo machtig als toen. Hij wil ons dezelfde geestkracht en geloofstaal en eensgezindheid geven.

Hoop op God. Er is toekomst voor de kerk. Jezus heeft beloofd: ‘Ik ben met u, al de dagen, tot de voleinding van de wereld.’ Bedenk dat toch in de strijd tegen de zonde. Het lijkt onbegonnen werk om voor de Heere te leven en te werken. En we hebben de boze lusten van ons vlees tegen. We zijn zo zwak in onszelf en we worden soms aangevochten door moedeloosheid. Als je ziet op jezelf, zeg je: mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden. Maar Jezus leeft. Hij heeft de overwinning behaald. Vrees niet; wie in Hem gelooft, zal leven. De kerk gaat niet als een nachtkaarsje uit. Nee, Hij zal Zijn werk voor mij voleinden!

 

Tot zover ons tweede aandachtspunt, over de moedeloosheid van Juda. We gaan letten op ons derde aandachtspunt, maar we zingen eerst uit Psalm 138 de verzen 2 en 4:

 

Door al Uw deugden aangespoord,

hebt Gij Uw woord

en trouw verheven.

Gij hebt mijn ziel op haar gebed

verhoord, gered,

haar kracht gegeven.

Al ’s aardrijks vorsten zullen, Heer’,

Uw lof en eer

alom doen ho-ren,

wanneer de rede van Uw mond

op ‘t wereldrond

hun klinkt in d’ oren.

 

Als ik, omringd door tegenspoed,

bezwijken moet,

schenkt Gij mij leven.

Is ‘t, dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand

zal redding geven.

De Heer’ is zo getrouw als sterk,

Hij zal Zijn werk

voor mij volen-den.

Verlaat niet wat Uw hand begon,

o Levensbron,

wil bijstand zenden.

 

  1. Het bouwen en waken

Ondanks alle vermoeidheid en doorstane angst zetten de Joden met hun beperkte middelen de restauratie van de muur voort. Ze keren terug naar hun post en gaan weer goedsmoeds aan het werk. Maar ze zijn nu meer dan ooit op hun hoede. Lees maar mee in vers 16 en 17: En het geschiedde van dien dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen, en de schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren achter het ganse huis van Juda. Die aan den muur bouwden, en die den last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer.

Dat zijn drastische maatregelen. Heel opvallend. Ze hadden kunnen denken: het is de vijand niet gelukt; God heeft ze verhinderd, nu zal het wel goed gaan. Nee, dat zou roekeloos zijn. Hun werkzaamheid gaat gepaard met grote waakzaamheid. De terugtrekking van de vijand kan tijdelijk zijn. Waakzaamheid is geboden.

Nehemia verdeelt het volk in twee groepen. De ene groep moet doorgaan met bouwen en de andere helft wordt van wapens voorzien. Alles wat beschikbaar is, wordt ingezet: speren, schilden, bogen en pantsers. Niet alleen de wachters worden gewapend, ook de sjouwers en de bouwers worden bewapend. De opperlieden, die het puin in de korven wegdragen en het voor de bouw benodigde materiaal mee terugbrengen, moeten in de ene hand een spies dragen om zich tegen onverhoedse aanvallen te verdedigen. En de metselaars, die steeds beide handen nodig hebben voor het werk, dragen een zwaard aan hun zijde, zodat ze in een mum van tijd gevechtsklaar kunnen zijn. Zo wordt er voortaan in Jeruzalem gebouwd: met troffel en zwaard. Werkzaam en waakzaam.

 

Zo mogen wij ook vandaag bezig zijn. We leven immers in een nog onverloste wereld. Steeds worden we geconfronteerd met vijandschap, de macht van de vorst der duisternis en allerlei aanvallen op Gods werk, in de kerk en in ons persoonlijk leven. We mogen bezig zijn met troffel en zwaard, doen wat onze hand vindt om te doen: bouwen aan de kerk, aan je huwelijk, je gezin.

Maar niet zonder wapenrusting. Want altijd dreigen er gevaren. Constant liggen er vijanden op de loer die de gemeente willen ondermijnen door middel van tweedracht of verwereldlijking, vijanden die ons huwelijk willen ontwrichten of de christelijke opvoeding willen ontkrachten. Telkens moeten we de apostolische vermaning ter harte nemen: Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. Wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed (...) (Ef.6:11‑12).

Bouwen zonder wapens gaat niet. Dan zijn we veel te kwetsbaar en gemakkelijk een prooi van de vorst der duisternis. Gelukkig weet de Heere daarvan. Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten. En wat zijn we zwak. De geestelijke wapenrusting ligt klaar en Hij roept ons op om die aan te trekken.

Twee wapens moeten we iedere dag veel gebruiken, net als bij Nehemia: het gebed en het zwaard, het Woord van God. Dat is het zwaard van de Geest. Iedere dag hebben we het nodig om God te ontmoeten in onze stille tijd. Zo alleen kunnen we de samenzweringen van satan onderkennen. Met het Woord in de hand moeten we de aanvallen van de boze pareren. Dan zijn we volgelingen van de grote Meester. Toen Hij door de duivel verzocht werd in de woestijn, sprak Hij: Ga weg, satan, want er staat geschreven: (…) (Matth.4:10). Zo kreeg de duivel geen vat op Hem. Dat is ons behoud en onze kracht. Tegen het zwaard van de Geest is de vorst der duisternis niet opgewassen.

 

Gemeente, we laten nog één keer onze blik over Jeruzalems muren gaan. Het werk vordert nu in hoog tempo. Er wordt continu gewerkt, zolang het maar licht is: van zonsopgang tot de eerste sterren verschijnen. Het werktempo is opgevoerd en de bouwlieden gaan ‘s avonds niet eens meer naar huis. Ze overnachten in de stad. ‘s Nachts wordt er gewaakt.

Nehemia is dag en nacht in de weer. Constant loopt hij toe te zien of alles naar wens verloopt. Ze komen niet eens meer uit de kleren. Is Nehemia dan zo’n slavendrijver? Nee, want hij geeft zelf het goede voorbeeld. Een paar uur slapen met de kleren aan, zodat ze bij het minste gerucht van onraad paraat zijn. Nehemia vraag veel van de bouwers, maar hij geeft z’n bevelen niet op veilige afstand. Hij doet zelf even hard mee.

Wij behoeven nu zo niet te werken. Gelukkig mogen wij aan het eind van dag onze werkkleren uittrekken en ons hoofd neerleggen om te gaan slapen. Wat een zegen, hè? Dankt u daar God weleens voor? Wel wordt onze totale inzet gevraagd. En zelfverloochening. Wie de kantjes eraf loopt, heeft het zicht niet op Christus, Die gezegd heeft: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook (Joh.5:17).

 

Kijk, daar gaat Nehemia langs de muren. Maar wie is die man toch die hem als een schaduw vergezelt? Dat is een hoornblazer. Hij draagt een ramshoorn bij zich, de sjofar, ook wel de bazuin genoemd – een bekend instrument voor de Israëlieten. Lees maar mee in de verzen 19 en 20: En ik zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Het werk is groot en wijd; en wij zijn op den muur afgezonderd, de een ver van den ander; ter plaats, waar gij het geluid der bazuin zult horen, daarheen zult gij u tot ons verzamelen; onze God zal voor ons strijden.

Normaal werd de bazuin gebruikt om het volk bijeen te roepen voor een volksvergadering. Ook bij belangrijke feesten bijvoorbeeld riep de langgerekte toon van de ramshoorn op tot bezinning. Maar de sjofar werd ook aan de mond gezet om te alarmeren bij het naderen van de vijand, om het volk op te roepen tot de strijd. En dat is nu ook de bedoeling. Zodra er ergens onraad opduikt, moet er luid geblazen worden. Ieder dient dan direct het werk neer te leggen om zich naar de plaats van het gevaar te begeven. Door zich op één plaats te verzamelen, kunnen ze een hecht front maken tegenover de vijand.

Samen staan we sterk, met God en met elkaar. Als ieder alleen aan zichzelf denkt, krijgen de tegenstanders alle kansen. Een gemeente die als los zand aan elkaar hangt, is heel kwetsbaar. In confrontatie met de vijand moeten we de gelederen sluiten. Daar loopt de vijand op stuk. En daarom klinkt ook vandaag de wekroep: verzamel u, achter Jezus, de overste Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij gaat voorop in de strijd. Hij heeft de overwinning behaald door Zijn kruis en opstanding. Hij heeft de wereld overwonnen. Gemeente, schuil bij Hem. Strijders, geef uw zaak in Zijn handen. U die met God verzoend wilt zijn, geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.

 

En nu het laatste. Nehemia zegt: Onze God zal voor ons strijden. Daar ligt Nehemia’s diepste vertrouwen: onze God. Niet van mensen verwacht hij het; ook niet van zijn maatregelen, maar alleen van zijn God. Mooi is dat. ‘Welzalig hij die al zijn kracht en hulp alleen van God verwacht.’ Onze God zal voor ons strijden. Het is tenslotte niet ons werk, niet onze strijd, niet ons plan, maar het is Gods werk. We staan in Zijn dienst en we bouwen voor Hem. Midden in de strijd belijdt Nehemia: Ik geloof in Gods hulp. Niet onze zaak staat op het spel, maar Gods zaak.

Dat is een echte bemoediging. Onze God, Die aarde en hemel schiep. De Verbondsgod, de Heere, Die in vers 14 genoemd is. En als deze God gaat strijden, wie zal dan overwinnen? Hij weet hoe het moet. Hij heeft de beste strijdmethodes en de sterkste wapens. Hij kent de zwakte van de vijand. Mannen, laat u niet ontmoedigen; weet dat onze God voor ons strijdt. Is dat geen sterke stimulans om vol te houden? Het is ook een blijvende belofte voor strijders op eenzame posten, net als Nehemia. Zie op Jezus. ‘Ons staat een sterke Held terzij, die God ons heeft beschoren. Vraagt gij Zijn Naam, zo weet dat Hij de Christus heet. De zege is Hem beschoren!’

 

Gemeente, straks klinkt de laatste bazuin. En dan komt Hij om voorgoed bij Zijn kerk te zijn. Bent u bereid? Verwacht u Hem? Verlangt u er weleens naar? Vanuit die verwachting kunnen we hier en nu getrouw zijn, strijden en bouwen. Zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere. Want we weten het: Hij komt, Die we niet gezien hebben en nochtans liefhebben. En we verheugen ons met onuitsprekelijke vreugde. Hij komt, de Overwinnaar in de strijd, en Hij geeft Zijn volk de overwinning.

Amen!

 

Slotzang: Psalm 3 vers 2

 

Maar, trouwe God, Gij zijt

het schild, dat mij bevrijdt,

mijn eer, mijn vast betrouwen!

Op U vest ik het oog:

Gij heft mijn hoofd omhoog,

en doet m’ Uw gunst aanschouwen!

‘k Riep God niet vrucht’loos aan;

Hij wil mij niet versmaân

in al mijn tegenheden.

Hij zag van Sion neer,

de woonplaats van Zijn eer,

en hoorde mijn gebeden.