Ds. H. Brons - Johannes 3 : 29

De vriend van de Bruidegom

Wat de vriend niet is
Wat de vriend wel is
Wat de blijdschap van de vriend is

Johannes 3 : 29

Johannes 3
29
Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1
Lezen : Johannes 3: 22 - 36
Zingen : Psalm 45: 5, 6 en 7
Zingen : Psalm 135: 12
Zingen : Psalm 115: 6

Gemeente,

Het Woord dat ik u, met de hulp van de Heere, mag prediken, vindt u in het Schriftgedeelte dat we samen lazen, Johannes 3. Ons uitgangspunt is vers 29.

Johannes 3 vers 29:

 

Die de bruid heeft, is de Bruidegom, maar de vriend des Bruidegoms, die staat en Hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des Bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.

 

We staan stil bij: De vriend van de Bruidegom.

We letten daarbij op drie aandachtspunten:

  1. Wat de vriend níet is.
  2. Wat de vriend wél is.
  3. Wat de blijdschap van de vriend is.

 

We lezen in vers 29a: Die de bruid heeft, is de Bruidegom. Dus de vriend is níet degene die de bruid heeft.

We lezen vervolgens wat de vriend wél is: de vriend des Bruidegoms, die staat en Hem hoort, en hij verblijdt zich.

Wat de blijdschap van de vriend is, lezen we ook: Hij verblijdt zich met blijdschap om de stem des Bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.

 

  1. Wat de vriend niet is

 

Wie is er blij op een bruiloft, jongens en meisjes? Ja, natuurlijk, de bruid is blij! Straks mag ze voor altijd bij haar man, haar bruidegom, zijn. Wie is er blij op een bruiloft? Ook de bruidegom is heel blij, omdat hij zijn bruid in zijn huis mag nemen. En natuurlijk, de gasten zijn blij. En alle mensen die verder een taak hebben op de bruiloft.

We lezen hier dat iemand de vríend is van de bruidegom. Dat was een speciale taak, die op een bruiloft in het Midden-Oosten aan iemand werd gegeven. In onze tweede punt hopen we erbij stil te staan wat dat is. Maar nu gaat het in ons eerste punt vooral om wat het niet is.

De reden om hier bij stil te staan is, omdat er in de Bijbel over gesproken wordt en omdat dit woord ons spreekt over het werk dat de Heere op schouders van mensen legt: een vriend van de Bruidegom.

Laat ik dit vast zeggen: de Bruidegom is Christus. En de vriend van de Bruidegom is degene die de Heere een taak geeft om voor Zijn bruid te zorgen. Dat zijn in het bijzonder de ambtsdragers.

De aanleiding is dat Johannes de Doper er zo over spreekt. Waarom spreekt Johannes hier in dit gedeelte over de vriend van de Bruidegom? O, om hem heen zijn mensen heel bezorgd.

We lezen: Na dezen. Nadat de Heere Jezus in Judea, in Jeruzalem is geweest, en gesprekken heeft gevoerd in de nacht. Na dezen… komt de Heere Jezus in een ander gebied. In het land van Judea, waar ook Johannes de Doper is.

Johannes de Doper doopt daar, in Enon bij Salim. Dat is aan de Jordaan. Maar de Heere Jezus is ook in die buurt, en Hij doopt ook. Dat is nu precies waarom mensen naar Johannes de Doper toekomen: om hun zorg uit te spreken.

 

‘Enon’ komt van een Hebreeuwse naam, dat ‘waterbron’ betekent. Er is dus veel water: genoeg om mensen te dopen.

Maar het probleem is: er zijn steeds mínder mensen om gedoopt te worden. Daarom komen de volgelingen, de discipelen van Johannes de Doper, bij Johannes. Er is teleurstelling. Eerst gingen er al discipelen weg bij Johannes de Doper: Johannes en Andreas zijn weggegaan, want ze volgden de Heere Jezus. Maar daar is het niet bij gebleven. Er gaan steeds méér mensen weg. Het is steeds minder druk! Dan zeggen ze tegen Johannes de Doper: ‘Gaat het wel goed? Zij komen allen tot Hem!’ (Joh.3:26). Zij gaan allemaal naar de Heere Jezus en niet naar jou, Johannes! En, Johannes, je hebt zoveel mensen langs zien komen, langs de Jordaan, die bij jou stil stonden om te luisteren en die je mocht dopen, maar nu zijn het er steeds minder.’

 

Misschien herkennen we een dergelijke situatie wel. Dan komen je vrienden, de mensen die je helpen, en die zeggen: ‘Gaat het wel goed?’ Dan kun je je gestreeld voelen als mens: dat is iemand die met me meeleeft! Die ziet dat het, naar de mens gesproken, eigenlijk steeds minder gaat, met het werk, net als bij Johannes de Doper. Wat fijn dat mensen aan me denken!

 

Johannes de Doper spreekt ánders. Hij is niet teleurgesteld en hij heeft geen behoefte aan eer van mensen.

Dat is wonderlijk! Dat is niet iets wat mensen zomaar hebben, ook ambtsdragers niet. Ambtsdragers kunnen hun teleurstellingen hebben en ambtsdragers kunnen – dat is wel erg – uit zijn op eer van mensen.

Bid dat uw ambtsdragers, uw kerkenraadsleden, daar niet op uit zijn! Bid om de gestalte die je hier ziet bij Johannes de Doper. Het gaat hem niet om de eer van mensen. Bid daar om in uw eigen leven, om deze gestalte!

 

Dan antwoordt Johannes: in het Koninkrijk van God ligt het anders. Hij komt met het beeld van de vriend van de Bruidegom. Maar eerst zegt hij nog dit. Eigenlijk zegt hij twéé dingen: ík heb een taak van de Heere en die Ander, Die daar doopt, heeft dat óók. Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet geven is (Joh.3:27). Johannes zegt daarmee: ik heb een opdracht, een taak van de Heere. En die Ander heeft dat ook. Die opdracht is niet van mensen ontvangen, maar vanuit de hemel. De Heere geeft Johannes de Doper werk te doen, hier, bij de Jordaan: om voorloper te zijn van de Heere Jezus.

 

Wat een wonder als je mag zeggen dat de Heere werk, een taak, op onze schouders heeft gelegd. Uit de hemel ontvangen. Wat een voorrecht als u dat mag weten. Dan is het niet een moeten, maar een mogen dienen. Ook al zijn er wel grenzen aan wat we kunnen.

Geldt wat Johannes hier zegt niet alle dingen in de dienst van de Heere: Geen ding kan een mens aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven is? (Joh.3:27). Wij kunnen niets doen en wij betekenen niets in de dienst van de Heere, als we het niet uit Gods hand ontvangen. Dan pas dienen we als uit kracht door God verleend.

 

Johannes spreekt over aannemen. Dat is met lege hand, een leeggemaakte hand, een open hand. Aannemen. Dat is met een hand die eerst vol opstand was tegen God. Maar God veranderde het hart.

Al degenen die de Vader gegeven heeft, zullen tot Mij komen: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37). De Heere gééft dat. Hij geeft genade en verheerlijkt genade, doordat Hij harten nieuw maakt.

Daar heeft de Heere in de nacht in het gesprek met Nicodemus van getuigd: Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh.3:3). Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan (Joh.3:5).

Maar met een níeuw hart, het nieuwe leven, is er ingang in dat Koninkrijk. En dan wil de Heere zóveel schenken.

 

Wat wil de Heere dan schenken, Johannes? Johannes zegt het: ‘Ik heb ervan gesproken.’ Dat is het tweede wat Johannes meegeeft: ‘Mijn taak heb ik van God, vanuit de hemel gekregen. Díe taak doe ik, en niets meer dan dat. Niets meer dan wat de Heere mij opdraagt, doe ik in de dienst van Zijn Koninkrijk. Je hebt het toch van mij gehoord? Je bent zelf getuige geweest dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet. Hij, Die nu zoveel doopt – al lezen we in Johannes 4 dat het Jezus’ discipelen zijn die dopen in Zijn Naam – ‘Die nu zoveel dopelingen en volgelingen krijgt, Hij is Degene Die na mij komt. Die meer is dan ik! Ik ben de Messias niet! Ik ben de Heere Jezus niet! De Messias is gezalfd, door God gezalfd. Die heeft die taak uit de hemel gekregen. Die ben ik niet.’

 

In Johannes 1 lezen we van Johannes de Doper: ik ben de Christus niet (Joh.1:20). Velen waren daar toen getuigen van, van diezelfde woorden die Johannes hier herhaalt: ik ben de Christus niet. Daar was je toch getuige van? Ik kán de Christus niet zijn. Ik ben een mensenkind, uit de aarde genomen. Ik ben een zondig mens. Ik heb het wel geprobeerd. Dat is wat Johannes de Doper ons wil leren: ik heb wel geprobeerd om zelf de Christus te zijn, om mezelf te verlossen en anderen te verlossen.

Dat kan zo de ervaring zijn, ook in het leven van Gods Kerk, Gods Bruidskerk. Dat u probeert uw eigen verlosser te zijn. Dat u de Heere voor de vóeten loopt. Dat u zegt: ‘Heere, U bent het zo waard, dat ik heel mijn leven in Uw dienst geef!’ Dat u het zó gaat proberen, maar dan merkt: mijn handen zijn tekort en mijn verstand is te klein, ach, mijn gedachten glippen zomaar alle kanten op. En tóch maar weer jezelf bedoelen. En dan de Heere in de weg lopen. Dat geldt niet alleen voor ambtsdragers, maar voor ons allemaal.

 

Als de Heere door het profetisch licht van Zijn Woord laat zien dat wij onszelf niet verlossen kunnen, dat wij de Christus niet kúnnen zijn, dan weet u ook dat de Heere leren wil, wat Johannes leerde: ik wíl de Christus niet zijn, ik wíl de Messias niet zijn, ik wil het niet. Geef mij mijn plaats maar, Heere. Als het in Uw dienst mag zijn, dan van harte. Als Ú maar méér wordt, Heere, als Uw grote Naam maar meer wordt. Als dit Lam Gods, op Wie Johannes gewezen heeft, Die de Messias is, maar volgelingen krijgt. Als Hij maar Alles wordt.

 

Daarom gebruikt Johannes hier het beeld van de vriend van de Bruidegom.

Die de bruid heeft, is de Bruidegom. Ik ben de vriend van de Bruidegom, bedoelt Johannes. En niemand heeft de bruid dan Wie de Bruidegom is. Van al die mensen die langskomen, waarvan velen zijn gedoopt door Johannes, zijn er die van harte behoren tot de bruid, de bruidskerk. En die Kerk is niet van mij, zegt Johannes hier. Ik ben de Bruidegom niet en de kerk is niet van mij.

 

De kerk is niet van ambtsdragers. Dat mogen we keer op keer leren en belijden voor het aangezicht van de Heere: de Kerk is niet van mensen, maar van God; de Kerk is van Hem. We gunnen de gemeenten ambtsdragers die zichzelf niet in het middelpunt plaatsen, die zeggen: ‘Ik kán de Christus niet zijn en ik wíl het ook helemaal niet.’ Dat kan bij ambtsdragers tegen hun eigen vlees, hun eigen naam ingaan. Als de Heere maar aan Zijn eer komt.

Dan kan het zo zijn dat de ambtsdrager die worsteling in zijn hart kent. Een zondig mens voor het aangezicht van de Heere. Niet om nu zelf in het middelpunt te staan, maar hoe groot de Heere wil zijn voor een arm, verloren mensenkind. Hoe de Heere genade heerlijk maakt. Hoe de Heere Zijn Zoon alles maakt, voor een nietig mensenkind.

Als een ambtsdrager zó mag dienen, zó ambtsdrager mag zijn, dan mag hij zeggen: Ik kan de Christus niet zijn, ik wíl de Christus niet zijn, en daarom ben ik ook de Bruidegom niet. De Kerk is van de Bruidegom. De Kerk is van Christus.

 

We gaan naar ons tweede punt. Voordat we dat doen, zingen we, en wel Psalm 135:12.

 

  1. Wat de vriend wel is

 

We staan stil bij de vriend van de Bruidegom. Ons eerste punt was wat die vriend niet is: hij is niet de Bruidegom. Maar nu, wat die vriend wel is.

In ons tekstvers lezen we over de vriend, dat hij staat en Hem hoort. We zouden erop terugkomen, wat een vriend van de Bruidegom is. In het Engels bestaat er ook een woord voor de vriend van de Bruidegom. Daar heet hij de ‘best friend’. Die heeft bepaalde taken op de bruiloft. Op onze bruiloften zijn er soms bruidsjonkers en bruidsmeisjes, die bepaalde taken hebben.

Zo was er in Israël een vriend die een bepaalde taak had: op de dag van de bruiloft zelf, maar ook al eerder. De bruidegom vertrouwde deze vriend. Hij gaf die vriend de taak om vooruit te gaan en naar de bruid toe te gaan. Voor haar te zorgen, totdat de bruidegom bij haar kwam, op de dag van de bruiloft.

Maar die vriend deed meer. Hij had ook daarvóór een taak. Voordat een huwelijk gesloten werd, waren er eerst gesprekken: gesprekken met de familie van de bruid over de bruidsschat, over het verlaten van haar huis, het huis van haar vader. We zongen uit Psalm 45 dat de bruid het huis van haar vader zal verlaten, om intrek te nemen in het huis van de bruidegom. Waar woonde de bruidegom dan? Die woonde in het huis van zíjn vader. Dat kon een woning zijn met verschillende wooneenheden. Daar konden verschillende familieleden met hun gezin wonen. In dat huis van de vader van de bruidegom was ook plaats voor de bruidegom en zijn bruid.

De vriend van de bruidegom sprak met de vader van de bruid over de bruidsschat die betaald moest worden. Hij bracht brieven mee, brieven van de bruidegom aan zijn bruid. Wat een wonderschone taak had die vriend van de bruidegom! En daarmee vergelijkt Johannes de Doper nu zijn werk: ik mag een vriend van de Bruidegom zijn. Waarom dan Johannes? O, ik mag bij de bruid zijn. Ik sta bij de bruid. De vriend is waar de bruid is. Om de bruid op te zoeken en te winnen voor de Bruidegom.

 

Daarom staat Johannes hier ook bij de Jordaan. Hij ziet veel mensen langskomen. Hij kent het hart niet, de Heere wél. Hij probeert wel dat hart te bereiken. Hij weet dat de Heere uit die mensen Zijn Kerk bouwt. Zijn bruid komt voorbij, daar langs de Jordaan bij Salim, waar hij doopt. En hij probeert die bruid te winnen: voor een ander Vaderhuis, voor een ander land. ‘Verlaat, vergeet, wat ooit u kon bekoren, uws vaders huis, uw volk, en wat voorheen U dierbaar en beminnenswaardig scheen’, zongen we uit Psalm 45.

Hij spreekt tot die bruid. En dat doet hij met scherpe woorden. En ook in de andere Evangeliën lezen we hoe scherp hij spreekt over waar de bruid vandaan komt.

 

Dat is anders dan bij een gewoon huwelijk. Hier wordt die bruid geworven uit een vaderhuis dat onwaardig is, in alles. Uit het verloren mensengeslacht. Uit kinderen van Adam werft Christus Zijn bruid. En daar gebruikt Hij de vriend voor – om te wijzen op de onwaardigheid van die afkomst. Adamskind, een zondig mens, een verloren mensenkind.

Kunt u het verdragen als die woorden klinken vanaf de kansel? Als die woorden komen, ook in de bezoeken? Kunt u het hebben dat de Heere ons door de mond van anderen, door middel van Zijn eigen Woord, zegt dat wij zondaren zijn, in zonden ontvangen en geboren? Kunt u het verdragen als Johannes de Doper zo scherp spreekt: de bijl ligt aan de wortel van de boom van uw leven?

Kunt u het verdragen dat wij, mensen, geen leven hebben tot in het oneindige, maar eenmaal sterven moeten? En zijn we dan voorbereid om de heilige God te ontmoeten, Die nu vol goedheid tot ons komt en van Zichzelf wil spreken? Dáárom is Johannes zo eerlijk en zo scherp. Omdat hij weet dat wij, mensen, zonder tussenkomst van een Ander niet voor God verschijnen kunnen.

 

Johannes is eerlijk over hun afkomst, maar hij spreekt ook zo heerlijk over dat andere Vaderhuis. Johannes maakt ons in het 14e hoofdstuk ook deelgenoot van de woorden die de Heere Jezus heeft gesproken: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen;) anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben (Joh.14:2). Daar mag de vriend van de bruidegom over spreken: over dat Vaderhuis, over hoe goed het is om dat oude huis te verlaten en het nieuwe huis te vinden.

 

Dat mogen de ambtsdragers doen in hun ambtelijk werk, keer op keer: God verheerlijken, God groot maken. Ook als woorden tekort schieten. Dan mogen zij bidden om woorden te ontvangen, waarmee zij licht kunnen laten vallen op Wie de Heere is, die goede en heilige God. Woorden die goed van de Heere spreken, Hem groot maken en daarmee bij de bruid staan en die bruid lokken met woorden, waarin over dat Vaderhuis gesproken wordt.

Maar ook woorden over de Bruidegom. Weet u, de Bruidegom geeft brieven mee! Een hele Bijbel vol, waar overal over de Naam van de Bruidegom gesproken wordt. En wat mag zo’n vriend dan doen? Die mag de Bijbel open doen.

Dan is een ambtelijk bezoek geslaagd. Mag je dat zó zeggen? Mensen kunnen zo tegenvallen, ook ambtsdragers. Dat kan zo zijn, maar dít mag je zeggen: als Gods Woord opengaat, dan heeft een ambtsdrager toch het beste meegegeven, wat er in de wereld te vinden is: Gods eigen Woord.

Een brief van de Bruidegom. Als de Bijbel open mag gaan en als de Heere Zijn licht daarop laat vallen, dan kan Hij daarmee een hart lokken: hoe goed Zijn dienst is! Hoe goed is het God te eren, God te kennen! Hoe goed het is Christus te kennen, van Hem te weten. Uit Hem te ontvangen en van Zijn genade te leven!

 

Die Bruidegom, Hij komt. De vriend staat bij de bruid, lokt de bruid tot de Bruidegom, om haar hart te neigen. En dan komt de Bruidegom. Het is belangrijk, dat de vriend van de Bruidegom zelf de Bruidegom kent. Als deze vriend zonder kennis van de Bruidegom naar de bruid toegaat, is dat verdrietig voor de bruid. Dan spreekt de vriend geen woorden van waarheid. Dan spreekt hij maar na. Dan spreekt hij er niet uit. Die kennis van de Bruidegom is noodzakelijk.

 

Hoe nodig is het dat er een biddende gemeente is, die bidt om Gods hulp en leiding voor de ambtsdragers. Hoe nodig is het om ons te oefenen in het herkennen van de stem, van de woorden van de Bruidegom. Om ingeleid te worden in de verborgen omgang met deze Bruidegom, die staat en Hem hoort. Dan staat daar de bruid. En de vriend van de Bruidegom staat naast Hem.

De vriend des Bruidegoms, die staat en Hem hoort (Joh.3:29). De vriend hoort in de verte de stem van de Bruidegom komen. Hij komt dichterbij. Hij hoort Hem zingen. Liederen, zoals Psalm 45. Uit Gods eigen Woord. Christus zong de psalmen. Ze waren op Zijn lippen.

Hij hoort Hem komen. Hij komt dichterbij. Dan komt alles goed. Dan zal er nu die ontmoeting zijn, die grote ontmoeting. Hij hoort Hem komen. Hij herkent Hem, omdat de Bruidegom Zelf tot de vriend gesproken heeft. De Bruidegom komt dichterbij. Herkent de bruid Hem al? Zolang de vríend van de Bruidegom zijn woorden sprak, waren het nog woorden van de vriend zelf. Nog niet de woorden van de Bruidegom. Johannes zegt het: Hij komt van boven, ik ben maar van de aarde, vers 31. Mijn woorden zijn maar mensenwoorden. De Heere kan die woorden wel gebruiken als Hij Zijn Geest eraan verbindt.

Maar nu komt de Bruidegom steeds dichterbij. Nu hoor je Hem zingen. En de vriend zegt: hoor je het wel? Hij komt steeds dichterbij. Hoort de bruid het nu ook?

 

Het is wel indringend wat Johannes hier zegt. Hij zegt: Die uit de hemel komt, is boven allen (Joh.3:31). Hij is boven iedereen. Hij komt uit de hemel, uit Zijns Vaders huis, naar de aarde. Het is Kerstfeest geweest. Hij is geboren in Bethlehem. Maar Hij weet alles van de hemel. Daar komt Hij vandaan. En wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij (Joh.3:32). Dat zegt de Heere Jezus, al die dingen.

Maar ook hier geldt: Zijn getuigenis neemt niemand aan. Is dat niet verdrietig? Dan staat daar de bruid, dan staat daar de vriend. Dan horen ze beiden die stem. De vriend herkent die stem, maar… de bruid neemt dat woord niet aan. Het zal toch gebeuren! Maar dat komt níet door de vriend.

Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37).

De Heere Jezus zegt het Zelf in Johannes 12, enkele hoofdstukken verder: En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken (Joh.12:32). Hij zal van de aarde verhoogd worden aan het kruis. Juist vanaf het kruis zal Hij mensen tot Zich trekken. Denk aan die moordenaar voor wie het niet meer kon. Die teveel gezondigd had, en nu rechtvaardig Zijn straf kreeg. En na de kruisiging en de opstanding zal de Heere dat werk voortzetten. Daar gebruikt Hij Zijn Woord voor en Hij voegt Zijn Geest daarbij. En dan gebeuren er wonderen.

 

Johannes, de vriend van de Bruidegom, zegt: Nu is de Heere Jezus nog aan het dopen, door middel van Zijn discipelen, maar eenmaal zal dat voorbij zijn. Hij zal verhoogd worden.

In het begin van ons teksthoofdstuk zegt de Heere Jezus over Zichzelf: De Zoon des mensen moet verhoogd worden (Joh.3:14). Waarom dan? Dat is Evangelie! Wonder van genade! Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

Gods Zoon wilde naar deze wereld komen. Hij wilde in de diepste diepte van de menselijke verlorenheid komen en indalen. Hij wilde de ongerechtigheden op Zich nemen om ze weg te dragen. Om aan het kruis verhoogd te worden: als Ik eenmaal verhoogd zal zijn, als Ik aan het kruis verhoogd zal zijn, zoals eenmaal de slang, o, dan zal Ik door Mijn ‘Het is volbracht’ de prijs volkomen betalen! Ik betaal de prijs der ziel, dat rantsoen. Ik voldoe aan de eis van Gods wet, van Gods heiligheid, van Gods rechtvaardigheid. Dat doe Ik, wanneer Ik zó verhoogd zal zijn en de prijs betaald zal hebben. Dan zal ik allen tot Mij trekken. En dan zal de bruid het horen door dat machtswoord van het kruis: Het is volbracht.

 

De doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven (Joh.5:25). Dan mag de vriend spreken van de Bruidegom. Dan spreekt de Bruidegom Zijn woorden. Hij komt steeds dichterbij. En als het hart leeft, als een dode levend gemaakt is en zich verwondert over die woorden van de vriend: wat kan die bruid dan vrolijk worden! Hij kómt dichterbij! Hij is komende!

Hij komt om deze bruid te ontmoeten. Ga uit Hem tegemoet! Dan mogen de bruid en de vriend uitgaan om de Bruidegom te ontmoeten.

 

Ik mag Hem u verkondigen. Christus is verhoogd! In Hem alleen is het leven! Hij heeft het leven aangebracht! De Zoon des mensen wilde Zich vernederen en in de diepste vernedering aan het kruis Zich verhogen, om stervende zondaren tot Zich te trekken. Dan mag Hij in de dienst van de verzoening, ook nu onder de prediking, verhoogd worden. Zó hoog dat ieder Hem kan zien. En tegelijkertijd wordt die koperen slang zó laag gehouden, dat zelfs de meest verwonde, de stervende, er nog bij kan.

Zó vriend te zijn, zó goed te spreken van het Vaderhuis van deze Bruidegom. Wat is dat een leven in Hem!

 

We gaan naar ons laatste punt: Zijn blijdschap.

 

  1. Wat de blijdschap van de vriend is

 

De Bruidegom komt dichterbij, steeds dichterbij. Dan ontmoeten ze elkaar en is het werk van de vriend voorbij. Dan doet de vriend een stapje terug.

Blijdschap op de bruiloft. Wie zijn er blij? De Bruidegom natuurlijk: Hij ontmoet hier de bruid. De bruid, hoe blij is ze! Maar de vriend? Is de vriend nu wel blij? Want hij had zo’n belangrijke taak, bij de voorbereidingen, totdat de Bruidegom dichterbij kwam. En nu niet meer!

 

O, luister maar naar Johannes! Hij verblijdt zich met blijdschap om de stem van de Bruidegom. Nu de Bruidegom steeds dichterbij komt, nu de Bruidegom de bruid ontmoet, en bruid en Bruidegom zo verblijd zijn, verblijdt de vriend zich ook.

Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden (Joh.3:29). Johannes de Doper doet hier een stapje terug. Op de vraag of het niet erg is dat het steeds minder druk wordt, dat er steeds minder mensen bij Johannes komen, is zijn antwoord: ‘Ik ben de vriend van de Bruidegom. Niet minder, door de Heere als taak mij gegeven, maar ook niet meer. Ik kán niet meer zijn en ik wíl het ook niet.’ Ambtelijk doet hij hier een stapje terug.

 

Johannes de Doper is als de plant in de herfst, die gebloeid heeft en dan niet meer hoeft te bloeien. Want de Heere Jezus moet toenemen en Johannes moet minder worden. Hij moet wassen, maar ik minder worden. De plant in de herfst, die zo prachtig gebloeid heeft en dan minder wordt, sterft af. En dat geeft niet. Hij heeft geschitterd tot eer van de Schepper.

Zó heeft Johannes mogen dienen. Hij was maar een stem van Hem Die komen zal. En nu ís Hij gekomen. Nu hoeft de stem van Johannes niet meer te klinken.

Hij is als een ster aan de hemel, die verbleekt en uitdooft als de zon opkomt. Christus is de Zon der gerechtigheid. Johannes hoeft niet meer te schijnen, net als een kaars die gebrand heeft. Zoals Johannes Calvijn zei: ‘Laat mij maar verteerd worden als een kaars, als ik maar nuttig ben.’

 

Ambtelijke liefde, ambtelijke toewijding. Als Hij maar alles wordt, dan mag ik er tussenuit, dan mag ik een stap terug doen. Ik ben maar een schat in een aarden vat. Ik kom uit de aarde, maar Hij uit de hemel. Hij is boven alles. Ambtelijk minder worden en persoonlijk minder worden. Die twee zaken zijn nauw verbonden, dat geloof ik wel. Een werkelijke bereidheid om ambtelijk minder te worden en ambtelijk een stapje opzij te doen, een stapje terug - dat wordt door de Heere geleerd in het persoonlijk bereid zijn een stapje terug te doen. Laat mij maar minder worden, want Hij moet wassen; Hij móet. Hij moet toenemen.

‘Dei’ staat er in het Grieks; dat betekent een Goddelijk ‘moeten’. Dat is Gods welbehagen. God wil dat Johannes minder wordt en dat Jezus méér wordt. Dat heeft met elkaar te maken. Hoe groter Hij wordt, hoe kleiner Johannes.

Dat moet, ambtelijk en ook persoonlijk, steeds weer en steeds meer geleerd worden. Ik kan de Christus niet zijn. Dan wordt geleerd dat ík het niet wil zijn, omdat Hij de Gezalfde is. Hij is het Tarwegraan, Dat uit de hemel gekomen is, om in de aarde te vallen en te sterven. En: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort (Joh.12:24).

 

Sterven, Johannes, dat moet, je moet minder worden, afsterven. Ervaren dat je een mensenkind bent, een zondig mensenkind, en dat ook voor de Heere blíjft. Dan mag u bidden voor de ambtsdragers, maar ook voor uzelf, om onderwijs van de grote Ambtsdrager. Hij wil dat leren aan zielen waar Zijn vrees in woont, in een persoonlijke omgang met Hem. Dan leren we af te zien van de wereld, van het hier en nu dat steeds weer trekt. Dan ervaren we dat ons thuis ergens anders ligt, en dat we hier maar op doorreis zijn. Zo wordt Hij meer.

 

Wanneer wordt Hij meer? Als een mens minder wordt en sterft voor de heilige God. Dan is een mens niet waardeloos, maar wel onwaardig. Niet waardeloos; hij heeft waarde als schepsel Gods. Ieder mens, klein of groot; dichtbij of ver weg.

Maar onwaardig, omdat wij gezondigd hebben. En dat ervaren, dat belijden, o, dat verbreekt het hart. En dat geeft het diepe verlangen naar de Bruidegom. Dan hoef ik geen eer te ontvangen, Heere, als Ú die maar krijgt. Het is pas goed als U meer, als U alles wordt.

 

En begrijpt u, juist zó wordt die Naam van Christus groot! Zo wordt de naam van Christus een wonder! Omdat er een weg is, een Naam onder de hemel gegeven. Geen mensenkind uit Adam geboren en in zonden ontvangen, maar Eén Die uit de hemel nedergedaald is, geboren is in de stal van Bethlehem, de Heere Jezus Christus. Hij wilde de menselijke natuur aannemen. Hij wilde komen voor verlorenen, voor onwaardigen. Laat mij dan maar minder worden, als Hij maar meer wordt. Ja, dat moet, zegt de Heere, dat moet. Hij moet meer worden, Hij moet toenemen. Hij moet Alles worden.

 

Kunt u daarvan vertellen als de broeders op huisbezoek komen? Vindt u het moeilijk om daar woorden voor te vinden? Of moet u zeggen: ‘Het is zo arm van binnen’? U mag die armoede bij de Heere brengen. Ook als u het moeilijk vindt om er woorden voor te vinden. Maar bid er ook om! Vraag maar aan de Heere of Hij u maar minder laat worden, als Christus maar méér wordt. Vraag of de Heere zó uw leven vervult, in het vinden van God, Zijn vrede en Zijn vreugde.

 

En als de Bruidegom tot de bruid komt, is dat een wonder voor de vriend! Een blijdschap voor de Bruidegom! En hoe verblijdt de bruid zich dan!

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 115 vers 6

 

Vertrouwt op God, gij allen die Hem vreest;

Hij is altoos hun Schild, hun Hulp geweest;

De Heer’ was ons gedachtig.

Zijn zegen blijft op Israël verspreid;

Aärons huis is die ook toebereid.

God is getrouw en machtig!