Ds. D.W. Tuinier - Zacharia 14 : 7

Gods zwaard

Gods zwaard ontwaakt
Gods zwaard slaat
Gods zwaard verstrooit
Gods zwaard overwint

Zacharia 14 : 7

Zacharia 13
7
Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 8
Lezen : Zacharia 13
Lezen : Mattheüs 26: 31 - 35
Zingen : Psalm 141: 1, 8 en 9
Zingen : Psalm 40: 4 en 8
Zingen : Psalm 23: 1

Gemeente, onder biddend opzien of de Heere wil helpen in luisteren en in spreken, wil ik met Zijn hulp uw aandacht vragen voor de woorden van onze tekst die u voor deze voorbereidingspreek op het Heilig Avondmaal kunt vinden in de profetieën van Zacharia, het dertiende hoofdstuk vers 7. Ik stel voor dat we dit vers nog eens met elkaar lezen.

 

Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.

 

We hopen de verzen 8 en 9 er ook bij te betrekken, gemeente.

Het gaat over Gods zwaard.

  1. Gods zwaard ontwaakt;
  2. Gods zwaard slaat;
  3. Gods zwaard verstrooit;
  4. Gods zwaard overwint.

 

Ontwaakt, slaat, verstrooit en overwint; en ook dat laatste gedeelte: Maar Ik zal Mijn tot de kleinen wenden.

 

1. Gods zwaard ontwaakt

Gemeente, Zacharia moet als een getrouwe Gods- en boetgezant het volk Israël de ontzaglijke oordelen aankondigen. Dat begint in hoofdstuk 11 en loopt door tot en met ons teksthoofdstuk. Het meest ingrijpende van het komende gericht is dat valse herders, huurlingen – zo is ons zojuist voorgelezen – zullen worden geslagen, maar dat ook dé Herder, de door God Zelf aangestelde Herder, in moordenaarshanden zal vallen. Hij zal worden gedood door het zwaard.

 

En iedereen weet wat er gebeurt met een kudde als de herder er niet meer is. Als de herder afwezig is, als de herder geslagen wordt, als de herder dood is, komt er van de kudde niets meer terecht. Dan worden de schapen als kaf voor de wind verstrooid. De kudde valt uit elkaar. De schapen worden verjaagd, ze verdwalen, ze raken de weg kwijt. Verward en verstrooid, ziek, moedeloos en terneergeslagen zullen ze uiteindelijk in de handen vallen van stropers of van wolven. Zij zullen de kudde uitroeien.

 

Gemeente, ik las eens: Het voortbestaan van de kudde hangt af van de trouw en de liefdevolle zorg van de herder. Dus alle schijnwerpers zijn gericht op de herder. Het voortbestaan van de kudde hangt af van de trouw en de liefdevolle zorg van de herder. Valt de herder weg, is hij er niet meer, dan ziet het er niet best uit voor de schapen. Tegen die achtergrond, met die gedachte, profeteert Zacharia van Godswege de woorden van onze tekst. Dé Herder, de Goede Herder, zal worden geslagen, zal worden gedood en de schapen zullen worden verstrooid.

 

Zacharia gaat dit verder in vers 8 uitwerken. Hij zegt: En het zal geschieden in het ganse land, dat twee derde deel zal worden uitgeroeid, zal bezwijken.

Máár… Hij heeft niet alleen een oordeelsprediking – wat een heerlijke troost! – één derde deel, zegt hij in vers 8, zal er overblijven. Dat derde deel zal door veel beproevingen en door veel louteringen worden verlost. Én – wat een heerlijke belofte! – dat derde deel zal Mijn Naam aanroepen, staat in vers 9: en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De Heere is Mijn God.

 

En u begrijpt nu wel waarom ik die paar verzen uit Mattheüs 26 heb laten voorlezen. Dat is toch wel duidelijk, gemeente? Ik hoef eigenlijk niet eens veel meer te zeggen.

Eeuwen daarna loopt daar dé goede Herder, de Herder van God en van Zijn kudde, hier op aarde met Zijn jongeren vanuit de opperzaal in Jeruzalem, naar de Hof van Gethsémané. We hebben zojuist in Mattheüs 26 gelezen dat Hij al lopend onderweg tegen Zijn jongeren heeft gezegd: In deze nacht wordt vervuld wat Zacharia heeft geprofeteerd. Jullie zullen allemaal aan Mij geërgerd worden. De Herder zal geslagen worden en de schapen van de kudde zullen worden verstrooid. Maar, nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea (Matth. 26:32).

Twee derde deel zal vergaan, maar één derde deel zal blijven. Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.

 

Zwaard. Het gaat in onze tekst over een zwaard. Zacharia voegt hier God sprekend in. Want Wie spreekt er hier? Spreekt de Heere der heirscharen, zo staat er midden in onze tekst. Gemeente, zo moeten we het ook vandaag verstaan, en ook aanstaande rustdag. Het is geen menselijke inzetting. O, nee, het komt bij God vandaan. Daarom: ons past eerbied en diep ontzag. Zoals Mozes bij het brandende braambos: Trek uw schoenen uit van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig land (Ex.3: 5).

Spreekt de Heere der heirscharen. Het is God de Vader, Die hier beeldend ingevoerd wordt. Zacharia gebruikt hier een beeld, het beeld van een zwaard. U moet weten dat met een zwaard in de Bijbel vaak het Woord van God wordt bedoeld. Het zwaard des Geestes. Maar, hier niet. Hier gaat het over het zwaard van Gods gerechtigheid. Want God is recht. Hij is heilig, vlekkeloos rein. Hij kan met de zonden en de zondaren, zoals u en ik en jullie, jongens en meisjes, geen gemeenschap hebben. Hij kan onze zonden niet door de vingers zien. Onze zonden maken scheiding tussen Hem en ons.

 

Wanneer wordt er in de Bijbel voor de eerste keer gesproken over een zwaard? Help eens, jongens en meisjes, denk eens mee! Direct na Genesis 3. Precies.

God stelde cherubs tegen het oosten des Hofs van Eden en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde om te bewaren de weg van den Boom des Levens (Gen. 3:24). Niemand, Adam en Eva en hun nakomelingen, kunnen uit en van zichzelf meer tot God komen. Die weg loopt dood. Dat is ten enenmale onmogelijk. Want dan kom je in aanraking met dat zwaard. En onder dat zwaard zul je worden weggedaan. Dat zwaard moet je treffen. Dus er is bij ons vandaan geen weg meer terug tot God.

 

Gemeente, het is voorbereiding. U en ik, wij zijn mensen van het verbroken werkverbond. Wij proberen in een week van voorbereiding op alle mogelijke manieren nog een weg te zoeken, of wegen te zoeken, om het met God goed te maken. Op één of andere manier willen we God te behagen, Hem tevreden stellen. Maar het kan niet. En het mag niet. En het hoeft ook niet. Want dan komt u in aanraking met dat zwaard. Dan moet u omkomen, dan moet u verloren gaan. Alles wat van ons is, is ten enenmale ongenoegzaam om God te behagen en om tot Hem te kunnen naderen. Want dat zwaard is er. Het is nodig dat we dát leren.

Iedere avondmaalganger – de één in meerdere mate en de ander in mindere mate – is in zijn leven weleens in aanraking gekomen met dat zwaard. Ik heb dat verdiend. Niet alleen Adam en Eva, Abraham, Izak en Jakob. Maar ook David, die zondigde met Bathséba. En Lot, die door zijn verkeerde verlangens een onjuiste keuze deed. En niet alleen Jona, die zijn eigen zin doordreef en niet de weg ging die God hem wees. En niet alleen Petrus, die zijn Meester verloochende, heeft dit zwaard verdiend. Maar ook ík. Ík, heel persoonlijk. En daar spreekt ook het formulier over. Over dat zwaard van Gods recht, Gods toorn. Aangezien de toorn van God tegen de zonde zo groot is.

 

Gemeente, u mag vandaag horen: Dat zwaard van Gods recht is nog niet op u neergekomen. Het heeft u nog niet getroffen. Het is nog niet ontwaakt. En wat is het tegenovergestelde van ontwaakt? Het slaapt nog, of het rust. Maar het hangt wel boven uw hoofd. Want God, onze goede en volmaakte Schepper, is door onze diepe val in het paradijs onze Rechter geworden. Maar daar moeten wel je ogen voor opengaan. Dat zwaard van Zijn recht hangt boven uw hoofd. Het heeft ons nog niet neergeveld. Wij leven nog. U bent nog onder de middelen van Gods genade. We leven nog in het heden, het lieflijke heden van Gods genade, in de wel aangename tijd. En dan mag u nu horen: Dat zwaard van Gods recht is neergekomen op dé Goede Herder. Het zwaard heeft Adam niet getroffen. En ook Lot niet. En Jona niet. En Petrus niet.

 

Waarom niet? Omdat, vóórdat deze wereld er was, in de stilte van de eeuwigheid uit de mond van God de Vader al klonk: Ontwaak tegen Mijn Herder. Toen klonk het antwoord uit de mond van de Zoon: Ik kom, om Uw wil en om Uw welbehagen te doen (Hebr. 10: 5). Nog vóór de volheid van de tijd heeft God Zacharia uitgezonden, en Gods Geest inspireert hem, De Geest is in de raderen. Nu mag hij de komende Messias, Sions betalende Borg, als de geslagen Herder aankondigen, te midden van de oordelen, te midden van de gerichten. Zult u daaraan denken, zult u daarover mediteren deze week?

 

Het zwaard ontwaakt. Op Wie? En dan zijn we bij de kern van de bediening. Zwaard, ontwaak tegen Míjn Herder. Het is niet zomaar een herder. Er had eigenlijk moeten staan: Zwaard, ontwaak tegen dat schaap, dat dwarse, dat onwillige, dat weerbarstige, dat eigenwijze, dat dwaalzieke schaap. Zo is het toch? Zwaard, ontwaak tegen Adam. Ontwaak tegen mij. Tegen zijn nakomelingen.

Zwaard, ontwaak tegen Míjn Herder. God de Vader spreekt hier. Het is de echo vanuit de eeuwigheid die klonk in de profetie van Zacharia. En die wordt overgenomen door de geslagen Herder, Die op het punt staat om in de Hof van Gethsémané te gaan lijden en te gaan sterven. In het diepst van Zijn lijden zal deze profetie worden vervuld: Sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden.

 

Míjn Herder. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Herder, Zijn Leidsman gegeven heeft.  Hij noemt Hem: de Man – dat is de Herder in Zijn menselijk natuur. Hij noemt Hem: Mijn Metgezel, Mijn Kameraad, Mijn Medewerker. Dat is de Herder In Zijn Goddelijke natuur. De Man, de Mens. Eigenlijk staat hier: de Immanuel, de God met ons.

Tegen de Man, en tegen Hem, Die Mijn Metgezel is. Dé Herder.

Waar zal ik beginnen, gemeente, en waar zal ik eindigen­ om de grootheid, de heerlijkheid, de liefelijkheid en de dierbaarheid van deze Herder te schilderen. Hij is de Metgezel van God, de Man met mannelijke kracht, een mannelijke Zoon, de Leeuw uit de stam van Juda. Waar zal ik beginnen, waar zal ik eindigen om Hem voor uw ogen te schilderen? Het is niet in woorden uit te drukken dat deze goede Herder Zijn leven moet afleggen. Hij is de goede Herder in de diepste zin van het woord.

Wat zijn er al veel herders geweest! Daar heeft Zacharia het ook over. Dat zijn mannen die de naam van herder eigenlijk niet mogen dragen. Dat zijn huurlingen. Als er gevaar komt, hollen ze weg; dan slaan ze op de vlucht. Maar déze Herder niet!

Een betere Herder is er niet. Een uitnemender Leidsman en Gids en Metgezel en Kameraad en Man is er niet. Hij heeft tijdens Zijn omwandeling op aarde niet anders gedaan dan goed. Dat weten Christus’ jongeren. Daar zijn ze getuigen van geweest.

Ze hebben alles gezien en gehoord. Hij is altijd bewogen geweest met het lot van de scharen. Hij heeft niet anders dan goed gedaan, genezende van alle kwalen en ziekten. Hij heeft het verlorene, het weggedrevene opgezocht. Hij verkondigde armen het Evangelie en gaf blinden het gezicht. Hij deed kreupelen lopen en wekte zelfs doden op. Hij is de Herder Die de  kinderen in Zijn armen heeft genomen.

Welk een goede Herder is Hij. David zingt van Hem: De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken (Ps. 23:1).

 

2. Gods zwaard slaat

 

Kunt u nu begrijpen dat deze Herder geslagen moet worden? Dat is toch onbegrijpelijk? Verstaat u het dat er aanstaande rustdag mensen aan de bediening komen, die het maar niet kunnen begrijpen – het wonder wordt steeds groter – dat de Herder geslagen wilde worden in hún plaats? Ik heb dat verdiend. O, God, ik, ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog en daarom ben ik Uw gramschap dubbel waardig. En ook na alle ontvangen genade ben ik nog zo’n dwaalziek schaap! Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ’t rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren. Daarin herkent u zich toch wel?

 

Sla dien Herder. En dat moet, omdat God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiedt. Dat geschonden recht moet worden verheerlijkt. Hij heeft van eeuwigheid een weg van zalig worden uitgedacht, maar ook uitgewerkt. Daarom, het kost Hem wel Zijn Zoon. Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon –de Zoon van Zijn eeuwige liefde en welbehagen – gegeven heeft (1 Joh. 4: 9).

Sla dien Herder. Er is een weg waarin Zijn recht verheerlijkt wordt. Maar dan wel in de dood van de Herder. Kunt u het begrijpen? En dan zit u hier. Dan wordt u genodigd. Dan zit u hier aan de dis des Verbonds, aan de tafel van Hem, Die dat zichtbaar laat verkondigen: Ik voor u. Ik ben getroffen door dat zwaard. Ik ben voor u de dood ingegaan. Ik ben voor u geslagen. Dan zit u zich hier toch te verwonderen over die eeuwige, eenzijdige liefde van een drie-enige God voor u. Dan verstaat u het: het is vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. Dit is welbehagen tot het behoud van de kudde.

 

Jesaja heeft ervan geprofeteerd. Probeert u Jesaja 53 eens te onderzoeken, gemeente, deze week. Dan volgt u – biddend om licht en om waarheid – dan volgt u de Middelaar in de gangen van Zijn vernedering. Om dan zo toe te leven naar de bediening.

Maar, zegt Jesaja, – Hij is om onze overtredingen verwond – dan zit u midden in de bediening. Want Hij is om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53: 5).

 

Zwaard, ontwaak. Zwaard, sla! De Herder is geslagen. De beste voorbereidingspreek is het formulier. De Herder is geslagen. Volgende week gaan we het samen lezen: Waar Hij gebonden werd…, ontelbare smaadheden geleden heeft…, onschuldig ter dood veroordeeld is…; Zijn gezegend lichaam aan het kruis heeft laten nagelen…; en heeft alzo de vervloeking van ons op Zich geladen. Hij, Die Zich vernederd heeft tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der hel, met lichaam en ziel, aan het hout des kruises… Hij, van God verlaten.

Tot zes keer toe zeggen onze vaderen: Sla dien Herder. Sla dien Herder. Drie en dertig jaar lang is Hij geslagen, in het bijzonder in Gethsémané, op Gabbatha en Golgotha. Wat heeft Hij daar geleden! Wat heeft het Zijn Vader gekost! Wat heeft het Hem gekost!

 

En nu is het Zijn opdracht, deze week en aanstaande rustdag, dat bitter lijden en sterven van Hem te gedenken. Te gedenken in stilte, in de verborgenheid, of samen, biddend. O, dat die gedachtenis aan Hem toch zoet en zalig zal zijn! Met op de achtergrond uw verdorven bestaan. Met op de achtergrond: ik kan zelf niet voor God bestaan. Dat zwaard van Gods recht, dat ik heb verdiend, is op Hem neergekomen. O, u dan die gelooft, is Hij dierbaar (1 Petr. 2: 7). Gemeente, ik kan er maar iets van zeggen.

 

Ik moet naar mijn derde punt. Gods zwaard ontwaakt, Gods zwaard slaat, Gods zwaard verstrooit.

We gaan er eerst samen van zingen: Psalm 40: 4, 8

 

Brandofferen, noch offer voor de schuld,

Voldeden aan Uw eis, noch eer;

Toen zeid’ Ik: Zie, Ik kom, o Heer’!

De rol des boeks is met Mijn Naam vervuld.

Mijn ziel, U opgedragen,

Wil U alleen behagen;

Mijn liefd’ en ijver brandt;

Ik draag Uw heil’ge wet,

Die Gij den sterv’ling zet,

In ’t binnenst’ ingewand.

 

Verheug het volk, verblijd hen allen, Heer’,

Die naar U zoeken t’ elken stond;

Leg steeds Uw vrienden in den mond:

‘Den groten God zij eeuwig lof en eer!’

Schoon ‘k arm ben en ellendig,

Denkt God aan mij bestendig;

Gij zijt mijn hulp, mijn kracht,

Mijn Redder, o mijn God,

Bestierder van mijn lot,

Vertoef niet, hoor mijn klacht.

 

3. Gods zwaard verstrooit

 

Het is wat geweest, gemeente! In dezen nacht, klinkt er uit de mond van de goede Herder – en Hij is zo goed en zo lief, zo dienenswaardig en lievenswaard – In dezen zelfde nacht zult gij allen aan Mij geërgerd worden (Matth. 26:31). De Herder zal worden geslagen in de Hof van Gethsémané, en de schapen zullen worden verstrooid. Ja, dat zal gebeuren. Na Gethsémané en na Golgotha, dan zal de kudde opnieuw worden verstrooid. Dan begint er een nieuwe diaspora. U moet weten, gemeente, heel de geschiedenis door, ook onder het Oude Testament al – altijd, al de eeuwen door – is het Joodse volk veracht, geminacht, verjaagd, verdrukt en verstrooid. Zij hebben het altijd tot op de dag van vandaag als een straf, als een oordeel, ervaren.

 

Maar, zegt Zacharia - en dat gaat in vervulling als de Herder naar Gethsémané gaat – dan zal opnieuw Mijn kudde, Mijn kudde schapen, worden verjaagd en verstrooid. Zo zal het zijn. Twee derde deel van het volk zal bezwijken, de geest geven, heeft Zacharia gezegd. En dat is ook in de loop van de eeuwen gebeurd. Er zal altijd een overblijfsel blijven, naar de verkiezing van Gods genade. Een derde deel, dat zal blijven. En ook die zullen verstrooid worden. En ook dat gebeurt.

Als Jezus straks in de Hof van Gethsémané gevangen genomen wordt, vluchten de discipelen alle kanten uit. Ontredderd en wanhopig, radeloos en terneergeslagen, moedeloos en verjaagd vinden ze elkaar na Goede Vrijdag in een huis in Jeruzalem. En daar zitten ze bij elkaar, achter gesloten deuren. De schapen zullen verstrooid worden.

De Herder is geslagen, maar de schapen zullen ook de littekens van de Herder gaan dragen. Houdt u daar wel rekening mee? En straks, na Goede Vrijdag en na Pasen en Hemelvaart en Pinksteren, dan barsten de vervolgingen los. Dan wordt Stéfanus gestenigd. En Jakobus onthoofd. En Saulus en Silas worden gegeseld in de gevangenis.

 

Tot op de dag van vandaag geldt het woord van de geslagen Herder ook voor dat derde deel, voor Zijn schapen: de weg van de Herder, de geslagen Herder, is ook de weg is van de kudde. In de wereld zult gij verdrukking hebben (Joh. 16:33). Weet dat zij Mij eer dan u gehaat heeft (Joh.15:18). Ze hebben Mij bespot, dat zullen ze u ook doen. Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer (Joh. 15:20). Dat hebben de apostelen, Zijn getuigen, ondervonden. En elk van Gods kinderen - in meer of mindere mate - ervaart dat ook.

De voetstappen van de Herder drukken, dat zijn bloedstappen. Dat zijn stappen, waarin je meer en meer moet leren afzien van alles wat van jezelf is. In die weg word je afgebroken. In die weg moet je zelf aan het kruis. De oude mens moet worden gekruisigd, opdat u zult leren leven uit de Gekruisigde, uit het Offer. Maar ook… de geslagen Herder zal opstaan. En dan zal Hij, ook al worden de schapen verstrooid, Zijn hand tot de kleinen wenden.

 

4. Gods zwaard overwint

De strijd blijft hun niet bespaard. Wat kunnen de schapen van de kudde – ook in een week van voorbereiding – verward zijn en verstrooid. En wat kunnen ze bij de pakken neerzitten. Maar, Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus (Filipp. 1:6). Hij is de Getrouwe: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste (Openb. 22:13). En daarom, verwacht het van Hem. Hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 16:33). Niet één van Mijn kudde zal achterblijven.

 

Maar, er is een andere kant: twee derde deel heeft nooit voor Hem leren buigen. Zij hebben zich niet bekeerd. Twee derde deel heeft de Messias nooit beleden. Zij hebben Zijn bloed onrein geacht. Twee derde deel zal sterven, en vroeg of laat worden ze geconfronteerd met het zwaard van Gods recht. Dan zullen ze voor eeuwig de volle last van de toorn van God tegen hun zonden moeten dragen. Vreselijk zal het zijn, gemeente, als we bij dat twee derde deel horen.

Nog gaat de nodiging uit. Nog wordt u gewaarschuwd. Die geslagen Herder wordt u verkondigd, vandaag, en aanstaande rustdag, hoorbaar en zichtbaar. En nog roept Hij het u toe: Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal – van dat één derde deel – niet zijn (Joh. 10:16). Nog andere. U moet er nog bij. Jij moet er nog bij. Andere schapen, die moet Ik ook nog toebrengen. Mijn schaapskooi is nog niet vol. En zij zullen Mijn stem horen, en het zal worden één kudde en één Herder (Joh. 10:16).

 

Maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. Wat het Joodse volk altijd als een oordeel en een straf heeft ervaren, de diaspora, heeft God als een zegen in Zijn raadsplan van eeuwigheid besloten en uitgevoerd. Want door de verstrooiing van de Joden is Zijn Evangelie, de blijde boodschap van Gods genade voor zondaren, wereldwijd verspreid. Internationaal. Na Pinksteren is de middelmuur des afscheidsels gebroken, en dat derde deel is verspreid over Jood en heiden. Daarom schrijven de apostelen later in hun brieven aan de verstrooiden. De twaalf stammen die in de verstrooiing zijn: Zaligheid (Jak.1: 1).

 

Ik zal Mijn hand, dat is het laatste. U voelt wel: Máár Ík… En dat: Maar Ik – dat laatste stukje van onze tekst – heeft betrekking op het laatste gedeelte van vers acht en negen. Dat heeft betrekking op Mattheüs 26 vers 32: Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. Eigenlijk staat er: wederbrengen, verzamelen, vergaderen, zoals een hen haar kuikentjes vergadert onder haar vleugels en vertroetelt en koestert en warmte en liefde geeft.

Wie worden met die kleintjes bedoeld? Wat denkt u? Blijft u maar dicht bij het beeld, het beeld van de herder met de kudde. Wie worden er met de kleintjes bedoeld? Precies, de lammetjes, de jonge dieren van de kudde.

Nadat Ik zal opgestaan zijn – jongeren – zal Ik, de geslagen Herder, de opgestane Levensvorst, u voorgaan naar Galilea. Ik zal jullie opzoeken. Ik zal jullie vertroosten en bemoedigen. Ik zal jullie licht geven, nader licht, over alles wat er is gebeurd. Jullie mogen meer van God leren en jullie zullen meer van jezelf gaan leren. Maar jullie mogen ook dieper worden ingeleid in Mijn werk, Mijn Borgwerk. Want Ik ben niet alleen de geslagen Herder – de dood hééft niet het laatste woord – Ik ben de Levensvorst.

 

Dan zal Ik jullie voorgaan naar Galilea. Dan zal Ik dwars door die gesloten deuren op de Eerste Paasdagmorgen bij jullie binnenkomen. Ik zal tegen jullie zeggen: Vrede zij ulieden (Joh.20:19). En Ik zal de tekenen in Mijn doorboorde handen, Mijn doornagelde voeten, Mijn doorstoken zijde aan jullie laten zien. Dan zal Ik jullie verstand openen, jullie licht geven. En de zalige vrucht zal zijn: De discipelen dan werden verblijd als zij den Heere zagen (Joh. 20:20). Ik zal jullie geloof oefenen. Ik zal jullie verkwikken. Ik zal jullie ziel verlevendigen en Ik zal jullie leren af te zien van alles wat van de mens is. Maar Ik leer jullie met ogen van het geloof óp te zien tot Mij, zodat jullie in Mijn offer, in Mijn volbrachte werk alleen jullie reinigmaking, jullie zaligheid en leven zoeken en vinden.

 

Ik, de grote Ik – dat gebeurt aanstaande zondagmorgen, gemeente. Ik zal Mijn hand … Mijn hand… Mijn hand…  U moet deze week eens nadenken over de handen van de Borg met littekens, bebloed, doorwond, doornageld; die handen die alleen maar goed hebben gedaan. En Hem trof het zwaard.

Maar na de dood is het leven Hem bereid, en ook Zijn Kerk. Ik zal Mijn hand tot dat kleine wenden. Míjn hánd. Zo liefdevol, zo vertroostend, zo koesterend, zo onderwijzend, maar ook kastijdend.

Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. Weet u, deze goede Herder begint bij de kleintjes, bij de lammetjes, bij die tere diertjes.

Wie heeft Hij nu het eerst opgezocht, jongens en meisjes, op de Paasmorgen? Wie zocht Hij als één van de eersten op? Wij zien misschien heel erg hoog tegen hem op – en dat kan ik begrijpen – hij is een grote in het Koninkrijk van God, toch? Zó kijken wij naar hem. Maar de Goede Herder zegt: Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.

De Herder zoekt als eerste Petrus op. Petrus is zo’n lammetje. Dat is wel gebleken. Hij dacht op eigen benen te kunnen staan en hij dacht zijn Meester wel voor de voeten te kunnen lopen. Hij dacht Zijn Meester de weg te kunnen voorschrijven – het is ons zojuist gelezen. Petrus met zijn mooie woorden en zijn grote beloften: En ik dit, en ik dat… Maar juist hij is het diepst gevallen. Hij is het meest en het verst afgedwaald.

 

Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. Petrus, de Emmaüsgangers, Maria Magdalena, Zijn discipelen met Thomas en zonder Thomas.

En dan Thomas! Ook al zo’n eigenwijs schaap. Dat is een preek apart. Dan dan komt de Meester en Hij zoekt hem op. Ja, en dan gaat in vervulling wat hier staat: Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: Hij is mijn Heere God. Want als de goede Herder Zijn hand tot de kleine Thomas wendt, dan hoor je het uit de mond van Thomas: Mijn Heere en mijn God (Joh. 20:28). Dan mag hij avondmaal houden.

 

Veertig dagen lang heeft de goede Herder Zijn kleintjes opgezocht met vele gewisse kentekenen. Hij heeft met hen gesproken en zo heeft Hij hen voorbereid op hun toekomstige taak om Zijn getuigen te zijn.

Hij wendt Zijn hand tot de kleinen. Calvijn schrijft: ‘Zo voorkomt Jezus dat Zijn jongeren geheel en al een prooi der wanhoop worden.’ Mijn hand tot de kleinen. Dat, wat in de wereld klein is, een kleine minderheid, dat één derde deel.

 

Maar ook, wie zijn nu die kleinen? Bent u dat? Schoon ik arm ben en ellendig…

Zulken komen aanstaande rustdag. Zij zijn door God klein gemaakt. Wij willen van onszelf altijd maar groot zijn. Maar de Borg wordt groot als ik klein ben.

 

Denkt God aan mij bestendig;

Gij zijt mijn hulp, mijn kracht,

Mijn Redder, o mijn God!

Bestierder van mijn lot,

Vertoef niet, hoor mijn klacht.

 

Gemeente, bent u te groot om aanstaande rustdag te komen? Hebt u nog wat op zak? Hebt u het nog goed met uzelf getroffen? Blijft u nog rechtop staan? Kunt u nog wat op uw eigen rekening schrijven en daarmee voor God bestaan?

Ik zal Mijn hand tot de kleinen, de ellendigen, de nooddruftigen, de doodschuldigen wenden. Ik zal hen bijeen verzamelen. Ze zijn zwak van moed en klein van krachten. Ze kunnen niet op eigen benen staan. Ze zijn vaak ook eigenwijs. Ze worden bestreden en aangevochten. Ze hebben een dwaalziek hart. Maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.

 

Wat is de bedoeling van de goede Herder met Zijn kudde? Het gaat erom door Hem geleid, door Hem gevoed, door Hem verzadigd te worden.  Dan mogen ze straks instemmen met Psalm 23: ‘De God des heils wil mij ten Herder wezen.’ Hij roept dat derde deel toe: Vrees niet, gij klein kuddeken; want het is Uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven (Luk. 12:32). Hij heeft bijzondere zorg voor de kleinen. U bent toch niet te groot voor Hem?

De kleintjes… Er werd eens aan een herder gevraagd, een herder met een grote kudde van allemaal forsgebouwde en vette en sterke schapen: ‘Herder, hoe kom je toch aan zo’n kudde? Het zijn allemaal sterke dieren, een lust voor het oog. Geweldig!’ Het was even stil, en zijn antwoord was: Het geheim ligt in de extra zorg voor de lammetjes. Al jarenlang verzorg ik de lammeren met extra zorg en liefde. Die loop ik nog eens extra na. En na verloop van jaren krijg ik de meest vette en sterke beesten.

 

Jezus’ kudde is klein. Aan de andere kant: het is een schare die niemand tellen kan. Maar Hij maakt hen klein, Hij houdt hen klein, opdat Hij groot wordt. Want juist door Zijn bijzondere zorg, ook aan de bediening van het Avondmaal, wil Hij de lammetjes of de schapen die wat zwakker zijn, extra veel liefde en zorg – melk! – geven. Opdat er een opwas mag zijn in de genade en in de kennis van Hem, Wiens werk volkomen is.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 23 vers 1:

 

De God des heils wil mij ten Herder wezen;

‘k Heb geen gebrek, ‘k heb geen gevaar te vrezen,

Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden,

Aan d’ oevers van zeer stille waat’ren leiden.

Hij sterkt mijn ziel, richt, om Zijn Naam, mijn treden

In ’t effen spoor van Zijn gerechtigheden.