Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 4 : 1 - 6

De bouw van Jeruzalems muur wordt tegengewerkt

het wapen van de spot
het wapen van het gebed
de voortgang van het werk
Deze prekenserie over Nehemia is eerder in boekvorm uitgegeven door uitgeverij Boekhout. Nu worden deze preken, met wat kleine correcties, opnieuw gepubliceerd.

Nehemia 4 : 1 - 6

Nehemia 4
1
Maar het geschiedde, als Sanballat gehoord had, dat wij den muur bouwden, zo ontstak hij, en werd zeer toornig; en hij bespotte de Joden.
2
En sprak in de tegenwoordigheid zijner broederen en van het heir van Samaria, en zeide: Wat doen deze amechtige Joden? Zal men hen laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in een dag voleinden? Zullen zij de steentjes uit de stofhopen levend maken, daar zij verbrand zijn?
3
En Tobia, de Ammoniet, was bij hem, en zeide: Al is het, dat zij bouwen, zo er een vos opkwame, hij zou hun stenen muur wel verscheuren.
4
Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land der gevangenis.
5
En dek hun ongerechtigheid niet toe; en hun zonde worde niet uitgedelgd van voor Uw aangezicht, want zij hebben U getergd, staande tegenover de bouwlieden.
6
Doch wij bouwden den muur, zodat de ganse muur samengevoegd werd tot zijn helft toe; want het hart des volks was om te werken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 62: 1 en 4
Lezen : Nehemia 4
Zingen : Psalm 135: 1, 9 en 13
Zingen : Psalm 139: 13 en 14
Zingen : Psalm 108: 1

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in de eerste zes verzen van Nehemia 4. We lezen daarvan nu alleen vers 6:

 

Doch wij bouwden den muur, zodat de ganse muur samengevoegd werd tot zijn helft toe; want het hart des volks was om te werken.

 

We gaan bezien hoe de bouw van Jeruzalems muur wordt tegengewerkt. Dat is het thema voor de prediking.

We letten op drie aandachtspunten:

  1. het wapen van de spot (vers 1 tot en met 3);
  2. het wapen van het gebed (de verzen 4 en 5);
  3. de voortgang van het werk (vers 6).

 

  1. Het wapen van de spot

Strijdend bouwen – dat is eigenlijk het onderwerp van Nehemia 4. Een indrukwekkend tafereel wordt ons voor ogen geschilderd: bouwvakkers, die met de troffel bezig zijn met het herstellen van de stadsmuur, terwijl er ook een zwaard aan hun zijde bungelt. Ze zijn op alles voorbereid. Al bouwend zijn ze paraat om mogelijke aanvallen van de vijand af te slaan.

Is dat nu echt nodig? Wat is er dan gebeurd dat de wapens eraan te pas moeten komen? Wel, er is felle tegenstand gekomen tegen de herbouw van de muur van Jeruzalem. Geleidelijk aan zijn de spanningen tot het kookpunt gestegen. Laten we het vierde hoofdstuk maar op de voet volgen.

Nadat de taken verdeeld zijn en iedereen z’n plaatsje aan de muur gevonden heeft, gaat het grote werk van start. En dan ben je geneigd om te denken: dat moet lukken; dat zal ongetwijfeld goed gaan. Het is immers Gods wil dat de muur van de heilige stad wordt herbouwd. En als God erachter staat, kan niets en niemand dat toch meer tegenhouden?

Dat is wel zo, maar dat betekent niet dat daarom nu alles van een leien dakje gaat. Integendeel: het verzet barst los.

 

Reken maar, gemeente, dat er ontzettend veel op afkomt als je de hand aan de ploeg mag slaan in het Koninkrijk van God, ook in je eigen hart en leven als het gaat om concrete bekering. Er zijn altijd mensen die ertegenop komen met spot, verdachtmaking of het zaaien van tweedracht. Weet echter dat daar uiteindelijk iemand anders achter zit: de satan, de tegenstander. Hij verschuilt zich altijd achter menselijke tegenstanders, critici en mopperaars. Maar het is de duivel die erachter zit. Hij is de permanente tegenstander van God en Zijn volk en van al het werk in Gods Koninkrijk. Hij zorgt voor oppositie op menselijk niveau – om mensen tegen te werken die God willen gehoorzamen, om de hoop te verstoren, om vrees in te boezemen en alle inspanningen te verlammen. Als u de vingerafdrukken van satan in bepaalde gebeurtenissen ziet, kunt u gevoegelijk aannemen dat satan zelf actief is om Gods plannen tegen te werken, ook als hij zichzelf uit het zicht houdt.

 

In Nehemia 4 komen we ze opnieuw tegen: Sanballat, Tobía en Gesem, de tegenstanders van de herstelwerkzaamheden en van de herbouw van Jeruzalems muur. Ze zijn al eerder actief geweest. We herinneren ons nog dat Nehemia onder die druk zijn toevlucht nam tot God: ‘De God van de hemel zal het ons doen gelukken en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen’ (Neh.2:20). Hier is de vijand opnieuw actief. Lees maar eens mee in vers 1: Maar het geschiedde, als Sanballat gehoord had, dat wij den muur bouwden, zo ontstak hij, en werd zeer toornig; en hij bespotte de Joden. Sanballat wordt werkelijk woedend. Hij wordt kwaad en agressief.

Dat moet ons niet verbazen. Uiteindelijk zit daar de briesende leeuw achter die zoekt te verslinden. Waar God Zijn kerk bouwt, daar zet satan onmiddellijk zijn kapel naast. Daar moet u op rekenen, bij alle werk in de kerk, maar ook in de opvoeding van de kinderen. Juist als God aan het werk is, wordt de grote tegenstander actief. Waar geleefd wordt in afhankelijkheid van de Heere en mensen worden ingeschakeld om mee te bouwen aan Zijn Koninkrijk, daar krijg je de poppen aan het dansen; daar zet de duivel zijn tegenoffensief in en mobiliseert hij al zijn handlangers om te verstoren.

 

Zoals God mensen inschakelt om te bouwen aan Jeruzalems muur, zo weet ook de boze zijn mannetjes te vinden om dat bouwen tegen te gaan. Daar zijn ze al: Sanballat, Tobía en Gesem. Zonder ophouden proberen zij het werk aan de muur tegen te werken. Ze zijn willige werktuigen in de hand van satan om Nehemia en de zijnen te dwarsbomen. En hoe doen ze dat? Sanballat roept zijn leger bij elkaar – het heir van Samaria – en houdt een brallende toespraak waarin hij de Joden openlijk bespottelijk maakt. We lezen dat in vers 2: En sprak in de tegenwoordigheid zijner broederen en van het heir van Samaria, en zeide: Wat doen deze amechtige Joden? Zal men hen laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in een dag voleinden? Zullen zij de steentjes uit de stofhopen levend maken, daar zij verbrand zijn?

Het heeft alles weg van een soort psychologische oorlogvoering waarin mensen worden aangevallen op het moreel. Bespotting en verachting, waarbij ze je laten zien dat ze je een grote dwaas vinden.

Sanballat doet een rechtstreekse aanval op het moreel van de bouwlieden. Wat denken die amechtige Joden wel? Zo’n miezerig volkje. Moeten die machteloze lui gaan bouwen? Dat is gewoon belachelijk. Dat krijgen ze nooit voor elkaar. Ze denken wel dat ze straks zullen offeren voor de inwijding van de muur, maar daar komt niets van terecht. Moet je ze aan het werk zien. Ze doen alsof ze het in één dag klaar krijgen. Zullen ze de verbrande stenen weer tot leven wekken? Verbrande stenen vallen toch zo uit elkaar? Over kwaliteit gesproken!

Eigenlijk overschreeuwt Sanballat zichzelf. Want in feite waren alleen de poorten verbrand en de muren gewoon omver gehaald. Hij weet drommels goed dat de Joden niet zo zwak zijn als hij zegt en dat het heel reëel is dat de muur klaarkomt. Ten diepste is hij alleen maar verontrust en bang.

Tobía doet er nog een schepje bovenop. Hij praat hem naar de mond, zo lezen we in vers 3: En Tobía, de Ammoniet, was bij hem, en zeide: Al is het, dat zij bouwen, zo er een vos opkwame, hij zou hun stenen muur wel verscheuren. Er hoeft ‘s nachts maar een vos te komen die in de stad een kip of duif wil verschalken en tegen de muur opspringt, en er blijft geen steen op de andere.

Wat een grootspraak. Ze weten drommels goed waar de Joden mee bezig zijn. En ze zijn bang genoeg voor de krachtige leiding van Nehemia.

De vijand hoont en spot. Die wil innerlijke onzekerheid teweegbrengen, faalangst en gebrek aan zelfvertrouwen.

 

Nehemia wist beter dan wie ook dat de Joden inderdaad weinig ruggengraat hadden en dat het een enorme klus was. Amechtige Joden, hijgend naar lucht – wat moet je daar nu van verwachten?

Een beeld van velen in de kerk. Wat moeten we tegen de machten om ons heen? Politieke ideologieën, de media, de leugenprofetie van vreemde religies die ons land binnenkomen, het newage-denken, het moderne hedonisme: eten, drinken en vrolijk zijn – wat een benauwende atmosfeer. En dan dat handjevol christenen. Wat moeten deze amechtige Joden? De kerk in de eenentwintigste eeuw snakt naar lucht.

Joden zijn ‘Godlovers’. Bent u dat ook? Is het u om de Heere te doen, om Zijn eer en aanbidding? Mijn aanbidding is voor U.

Jij een christen ...? De kerk is toch allang failliet.

Het evangelie een kracht van God tot zaligheid? Kijk eens naar de verdeeldheid binnen de kerken. En voor de Bijbel zijn zoveel verklaringen. Welke moet je geloven?

Het aanvalswapen van de spot, dat is de strategie van satan. De kinderen van Bethel zeiden tegen Elisa: ‘Kaalkop, ga op.’

Jezus zei: ‘Zalig bent u als u de mensen smaden en vervolgen en liegende alle kwaad van u spreken.’ Hoe is de Heere Jezus Zelf niet bespot aan het kruis. ‘Anderen heeft Hij verlost. Zichzelf kan Hij niet verlossen.’ Maar ook de jonge gemeente op Pinksteren werd bespot toen de discipelen Gods grote daden verkondigden: ‘Zij zijn vol zoete wijn.’ Een stelletje dronkenlui; ze hebben te diep in het glaasje gekeken.

 

Spot is zo’n venijnige dolksteek. Met iemand spotten betekent dat je hem niet serieus neemt. Met die persoon hoef je geen rekening te houden, want die telt echt niet mee. Herken jij dat als jongere? Dat kan pijn doen, als iemand je belachelijk maakt op school of op je werk, omdat je voor je principes uitkomt. Je wordt voor achterlijk en ouderwets versleten en je staat te kijk als een vrome refo of een softy. Dat komt best hard aan.

Spot kan des te gemener zijn als het om mensen gaat die van huis uit niet vreemd zijn van de dingen van Gods Koninkrijk, die erbij opgevoed zijn. Zo was het bij Sanballat. De Samaritanen waren half Joods, half heidens. Van zulke tegenstanders heb je nog het meest te duchten. Wie een kerkelijke achtergrond heeft, is soms nog hatelijker dan een echte buitenkerkelijke. De boeken van Maarten ‘t Hart en Jan Wolkers zijn wat dat betreft onthutsend en onthullend.

 

Laat Nehemia zich door die spot van Sanballat uit het veld slaan?

Nee, en dat hoeven wij ook niet te doen. Want waarom maken die mensen zich eigenlijk zo druk? Als het bouwen aan de muur toch niets voorstelt, waarom lopen ze dan zo zenuwachtig rond om te kijken hoe het met de bouw gaat?

Spot kan wel pijn doen, maar in feite is het een bewijs van onmacht. Het bezorgt Nehemia geen slapeloze nachten. Hij wordt niet moedeloos door al die hoon die over hem uitgegoten wordt.

Dat is wel een wonder, gemeente, want in onszelf zijn we inderdaad zo zwak dat we niet één ogenblik kunnen bestaan. En de vijand treft precies in de roos met die uitdrukking ‘amechtige Joden’. Die zuchten onder hun zonde en zien verlangend uit naar de verzoening met God door het bloed van Christus. De vorige keer stond dat thema centraal: de dienst van de verzoening. Bent u daarmee bezig? Hebt u de handen uitgestrekt naar het Lam van God? Hoopt u op Zijn verlossing? Mag u zich overgeven in Zijn handen? Wie is Jezus voor u? Hoort u ook bij die ‘amechtige Joden’? Ze zijn moe van de zonde en dorsten naar God zoals een hert dorst naar het water. ‘Amechtige Joden’ snakken naar lucht en ruimte en bevrijding.

Maar die ís er: bij God in Christus. En tot Hem mogen we met onze nood gaan.

 

Nehemia wordt niet boos, zodat hij gaat terugslaan. Geen lik-op-stukmethode: Zij schelden? Dan wij ook. Zij een grote mond? Wij een nog grotere mond.

Dat is ‘wandelen naar het vlees’. En hoe vaak gaat het niet zo, ook wel onder ons. We nemen te weinig een voorbeeld aan de grote Meester, Die, toen Hij gescholden werd, niet terugschold en toen Hij leed niet dreigde, maar Hij gaf het over in de handen van Hem Die rechtvaardig oordeelt.

Welnu, dat doet Nehemia ook. Tegenover het wapen van de spot gebruikt Nehemia het wapen van het gebed; dat gaan we zien in onze tweede gedachte:

 

  1. Het wapen van het gebed

We lezen de verzen 4 en 5: Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land der gevangenis. En dek hun ongerechtigheid niet toe; en hun zonde worde niet uitgedelgd van voor Uw aangezicht, want zij hebben U getergd, staande tegenover de bouwlieden.

Uit het voorafgaande in Nehemia weten we hoe belangrijk voor Nehemia het gebedsleven was. Biddend heeft hij dat verslag van Hanáni over de ellende en versmaadheid van Jeruzalem bij de Heere gebracht. Biddend vroeg hij aan de koning verlof om naar Jeruzalem te gaan voor de herbouw van de muur. Biddend zijn ze aan het werk gegaan. En nu de tegenwerking zulke grote vormen aanneemt, brengt Nehemia dat in gebed bij de Heere. In vers 9 staat weer dat ze bidden en we zullen dat tijdens de bouw van de muur in het boek Nehemia nog vaak tegenkomen.

Zo alleen gaat het werk in Gods Koninkrijk voort. Denk aan de strijd van Israël tegen Amelek: niet de dapperheid van de soldaten was bepalend voor de overwinning, maar de biddende handen van Mozes op de berg.

‘God is een toevlucht voor de Zijnen, hun sterkt’ als zij door droefheid kwijnen.’ De Heere hoort het geroep van Zijn ellendigen. Hij weet ervan af als u het moeilijk hebt en smaadheid dragen moet om Jezus’ wil, in uw gezin, op school of op het werk. Breng het maar bij Hem. Geef alles maar in Zijn handen. Niet terug schelden; niet weglopen. Bal de vuisten niet, maar vouw de handen en buig de knieën. Ga jezelf niet verdedigen en neem ook geen wraak. Doe wat Hizkía deed met al die dreigbrieven: spreid ze uit voor het aangezicht van de Heere. Hem komt de wraak toe. Als er wat te vergelden is, dan zal Hij dat wel doen.

Wat een genade om je zaak in alle stilte en vertrouwen over te geven in de handen van de Heere. Dan word je bewaard voor de heftigheid van je eigen vlees. Heere, twist Gij mijn twistzaak (Ps.43:1). Je kunt het zo gerust aan de Heere overlaten.

 

Nehemia weet dat de bouw van Jeruzalem naar wereldse maatstaven gemeten een armoedige indruk maakt. Hij weet dat er alle reden is om vraagtekens te zetten bij het welslagen van die grootse onderneming, met ongeschoolde krachten en materiaal dat niet van de beste kwaliteit is. Nehemia weet echter ook dat het niet zíjn zaak is, maar Góds zaak. God heeft hem in Perzië geroepen om de herbouw ter hand te nemen. God is zo almachtig. De goede hand van God was tot dusver over hem en zijn werk. Zou de psychologische oorlogvoering van Sanballat nu alles nog kunnen verijdelen? Nee, Heere, ik kom tot U. Hoor naar ons gebed. En neemt U het voor ons op.

Nehemia pleit op de belofte van steun, die God heeft gegeven. ‘Heere, ónze God, hoor hoe wij gehoond worden.’ Nehemia vraagt of de Heere het verzwakkende effect van Sanballats woorden wil omkeren door frisse krachten en vertrouwen te schenken aan de bouwteams.

 

Maar ... misschien bent u ook wel geschrokken van Nehemia’s gebed, want hij zegt: Keer hun versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over tot een roof (…). En dek hun ongerechtigheid niet toe; en hun zonde worde niet uitgedelgd.

Hoe kan dat? Bidt Nehemia nu om wraak over zijn vijanden? Mag je zo bidden? Bidt hij om de eeuwige ondergang van zijn vijanden?

Hebt u daar geen moeite mee, gemeente? Huivert u hier niet bij? Mag je zo wel bidden, om wraak over je vijanden, om vergelding van hun zonden? Is dat niet typisch oudtestamentisch?

Inderdaad, daar kom je zulke gebeden wel vaker tegen, het meest nog in de psalmen: vloekpsalmen, wraakpsalmen waarin de dichters de straf van God over de vijanden afbidden. Mogen wij dat ook doen?

Heeft de Heere Jezus ons niet iets anders geleerd? Dat botst toch met Zijn eigen woorden: ‘Zegent hen die u vloeken en bidt voor degenen die u geweld aandoen’? Zelfs aan het kruis heeft Hij gebeden voor Zijn vijanden: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen (Luk.23:34). En bad Stéfanus niet in navolging van zijn Meester voor zijn stenigers: Heere, reken hun deze zonde niet toe! (Hand.7:60)? Is dat niet meer onze roeping: bidden voor de spotters en smeken om hun bekering in plaats van om hun verderf? Moeten we niet hun behoud op het oog hebben in plaats van hun ondergang?

 

Ja. En toch, gemeente, moeten we wel even goed opletten waarover het hier gaat. Wie denkt dat Nehemia hier uit is op persoonlijke wraak, vergist zich. Niet Nehemia is hier de beledigde, maar de God van Israël. Ze hebben Hem getergd met hun laster en spot. En dat kan Nehemia niet verdragen. Kijk nog eens naar het slot van vers 5: want zij hebben U getergd, staande tegenover de bouwlieden. Nehemia komt op voor de eer van zijn God. Het ging ten diepste niet om Nehemia en zijn werk en om Jeruzalems bouwlieden, maar het ging om de Heere. Sanballat en zijn vrienden hebben zo’n intense haat tegen Jeruzalem, omdat zij de God van Jeruzalem haten. Ze zijn dus vijanden van God. En daarom bidt Nehemia om de vernietiging van die duivelse machten die zich keren tegen God en Zijn volk. Hij bidt om de ontkrachting van alle vijandschap en tegenwerking van God en de stad van God.

Het kernprincipe van de wraakpsalmen wordt uitgedrukt in Psalm 139: O God! dat Gij den goddeloze ombracht! (…) Zou ik niet haten, Heere! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.

U begrijpt dat we hier wel heel erg moeten oppassen. Ons vlees zit er zo gauw tussen. Onze vijanden zijn nog niet altijd Góds vijanden. Wel andersom. David gaat na die ernstige woorden van haat en wraak in Psalm 139 onmiddellijk verder met: Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart. Het gaat om de eer van God, ook in Zijn vergeldende oordelen.

 

Nehemia bidt niet om de ondergang van zijn vijanden, maar hij bidt om rechtvaardige vergelding. Het gaat om de Naam en de zaak van de Heere.

Daar is best een groot geloof voor nodig, gemeente, om zo te worstelen om het recht van God. En zulk bidden is niet verkeerd. Als de Heere Jezus in het volmaakte gebed Zijn discipelen leert bidden ‘Uw Koninkrijk kome’, geeft de catechismus daar ook de volgende uitleg bij: ‘Verstoor de werken van de duivel en alle geweld dat zich tegen U verheft en alle boze raadslagen die tegen Uw heilig Woord bedacht worden.’ Dat is een les voor ons. Misschien lijden wij wel te weinig aan de bespotting van Gods Naam en de bestrijding van Gods zaak.

Wij mogen vragen of God genade wil betonen aan onze vijanden door hen te bekeren. En tegelijkertijd weten we dat Hij Zijn vijanden zeker zal oordelen. Die gebeden sluiten elkaar niet uit, maar in. Bij allebei gaat het om de eer van God. Tegenover alle geweld van de boze in onze tijd moeten we meer onze kracht zoeken in de gevouwen handen, in het gebed, om het in de geestelijke strijd biddend op te nemen tegen de anti-krachten en ‑machten.

 

Nehemia bidt tot God: Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn (…); want zij hebben U getergd, staande tegenover de bouwlieden. Nehemia bidt hier in profetische verlichting. De priesterlijke liefde wordt begrensd door het profetisch licht. Nehemia onderscheidt dat deze geesten niet uit God zijn. Juist hun verharding maakt hun zonde zo erg.

Nehemia is hier net als Petrus, die het hart van Ananias en Saffira doorziet. Het blinkend licht van Gods majesteit omgrenst ook daar de priesterlijke liefde. Zo bidt Nehemia in profetische verlichting en heilige bewogenheid: Hun zonde worde niet uitgedelgd van voor Uw aangezicht. Hun ongerechtigheid mag niet worden bedekt onder de mantel van de liefde. Ze hebben God getergd. God is liefde, maar Zijn liefde is wel heilige liefde.

 

En nu wij! Gemeente, de zonde roept om straf. Hebt u dat weleens bedacht voor uzelf? Dat is een ernstige zaak. Als je zonden niet vergeven zijn, roepen ze om wraak. Als je schuld nog niet betaald is, moet er voldoening komen. Als het woord ‘voldaan’ niet met bloedrode letters over onze schuldbrief heen geschreven is, rust de toorn van God nog op ons en hebben we niets te wachten dan verderf en ondergang.

Hoe leeft u daaronder, u die nog niet met God verzoend bent? Leeft u daar nog rustig onder verder? Dan leeft u eigenlijk op de rand van een vulkaan die ieder moment kan uitbarsten. Buiten het ware geloof in de Heere Jezus Christus leven we zo gevaarlijk. Dan kun je verontwaardigd zijn vanwege Sanballat, maar wie ben je eigenlijk zelf? Voor ons allen geldt: we hebben God getergd. Kreeg u die schuld weleens naar u toe? Dan is daar uw hart onder gebroken en dan hebt u om genade leren roepen: ‘'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’

Ons leven is zo broos. Het moet goed komen tussen God en uw ziel. Haast u dan toch om uws levens wil. Laat u met God verzoenen. Anders geldt ook voor u dat uw zonde niet is uitgedelgd voor Gods aangezicht. We moeten allen geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus. Zie toch op de gekruisigde Zaligmaker, op de Goede Herder, Die Zijn leven gaf voor Zijn schapen.

 

De zonde is zo erg, zo godonterend. Als je voelt dat je onder Gods toorn ligt, kan het je zo vreemd te moede zijn. Je voelt de ernst en je wil anders gaan leven. Je wordt een ‘amechtige Jood’, een mens die Gods eer op het oog krijgt, en je hunkert en zucht naar de verlossing door het bloed van Christus. Je wil breken met je oude leven, maar hoe kom je uit die macht vandaan? Je voelt je besloten en je kunt niet uitkomen.

Roep dan de Heere aan en zeg: Heere, ontferm U mijner! Ik ben zo arm en ongelukkig; ik geef me over in Uw handen. Heere Jezus, Uw bloed reinigt toch van alle zonde. Hier ben ik. Heer’, ik kom tot U, zondig en onrein, vergeef mijn zonden nu, van U wil ik zijn. Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor U en ik ben het kindschap niet meer waard, maar toch kan ik U niet langer missen.

Wie z’n zonde belijdt, zal het niet vergaan zoals Sanballat. Wie zoekt, die vindt; wie klopt, wordt opengedaan.

Tot zover ons tweede aandachtspunt, over het wapen van het gebed. We zingen nu eerst een wraakpsalm, namelijk Psalm 139, de verzen 13 en 14:

 

Zou ‘k hen niet haten in mijn hart,

wier snode haat Uw goedheid tart?

Zou ik hen, die U weerstand biên,

niet met verdrietig’ ogen zien?

‘k Zal hen altijd volkomen haten,

die trots’lijk Uwen dienst verlaten.

 

Doorgrond m’, en ken mijn hart, o Heer’!

Is ‘t geen ik denk niet tot Uw eer?

Beproef m’, en zie of mijn gemoed

iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt,

en doe mij toch met vaste schreden

den weg ter zaligheid betreden.

 

  1. De voortgang van het werk

We lezen vers 6: Doch wij bouwden den muur, zodat de ganse muur samengevoegd werd tot zijn helft toe; want het hart des volks was om te werken.

Wat is dat mooi. Door het gebed van Nehemia wordt de spot van de vijanden krachteloos gemaakt. De bouwers grijpen weer moed om door te gaan, hoewel alle verzet nog niet is gebroken, nog lang niet. Immers: als blijkt dat de spot niet kan ontmoedigen, grijpen de tegenstanders naar andere middelen. Dat zullen we in het vervolg zien, hoe hun woede toeneemt als ze zien dat het werk gestaag vordert. Ik noem het alleen kort. De vijand gaat een coalitie aan om tot de aanval over te gaan.

Dan bidden ze opnieuw (vers 9) en stelt Nehemia bewaking in (vers 13). Hij bemoedigt ze ook (vers 14): Vreest niet voor hun aangezicht; denkt aan dien groten en vreselijken Heere, en strijdt voor uw broederen. Dan gaan ze weer aan ‘t werk. We lezen ook dat Nehemia het volk bewapent. De helft werkt en de helft waakt, en degenen die aan de muur bouwen, werken met troffel en zwaard. Afspraak was ook dat er op de bazuin geblazen zou worden als er gevaar dreigde en dan zouden ze samenkomen. Zeker van zijn zaak bevestigt Nehemia nog eens: Onze God zal voor ons strijden.

Het bouwtempo wordt nog opgevoerd. Ze werken van zonsopgang tot de sterren verschijnen; ze slapen bij het werk en komen niet eens meer uit de kleren. Schitterend staat het allemaal beschreven in Nehemia 4.

Later gaan we daarop letten; nu alleen nog het 6e vers.

 

Nehemia mag alles in Gods hand leggen. Er gaat rust en bezieling van hem uit, zoveel zelfs dat het volk gewoon verder bouwt. Het staat er zo simpel: de vijand spot, Nehemia bidt tot God en dan: Doch wij bouwden den muur. Je zou bijna zeggen: hoe meer spot, hoe harder ze werken. De bressen beginnen zich te sluiten. Geen openingen zijn er meer; ze zijn allemaal dicht. De muur is inmiddels op halve hoogte gekomen.

Wat is dat mooi, dat we dat zo lezen: ‘Doch wij bouwden aan de muur.’ Er zijn mensen die bang zijn, bidden en dan verder maar afwachten, totaal lamgeslagen. Dat doet Nehemia niet. We kennen het spreekwoord ‘Bid en werk’. Niet alleen bidden. Ook niet alleen werken. Ook nu, in deze omstandigheden, combineert Nehemia weer het goddelijke en het menselijke. Niet alleen het gebed, maar ook hard werken.

Jongelui, net als op school, bij je examens. Bidden, ja, maar ook hard werken. Want je bidt juist om Gods zegen over je werk.

 

De Heere weet nu van hun problemen af en nu vertrouwen ze erop dat God hen zal helpen om hun doel te bereiken. Al biddend bouwen ze de muur. En … hij is al dicht en tot de helft van de hoogte. Het werk nadert zijn voltooiing. En dan staat er nog iets moois in dit vers: Want het hart des volks was om te werken. Hun hart ontbrandt in liefde tot de dienst van de Heere.

Wat is het toch nodig dat ons hart daarbij is, dat het ook echt uit ons hart komt als we bezig zijn met de dingen van Gods Koninkrijk. Het volk had lust om te werken. Hun hart was erbij. In ons hárt worden de zaken beslist. Alle argumenten pro en contra halen op zichzelf niets uit. Als je hart ‘ja’ zegt, dan volgen de argumenten.

Wat een werklust heeft de bouwers aangegrepen. Ten diepste omdat ze beseft hebben: de Heere wil het. En de manier waarop Nehemia antwoordt op de spot, bindt hen samen en doet hen des te ijveriger werken. Ze weten dat ze niet hun eigen zaak behartigen en hun eigen plannen uitvoeren, maar Gods zaak. Ze zijn met Gods werk bezig. Dat heeft hun hart gegrepen. En Nehemia weet zo duidelijk dat de Heere hem ertoe geroepen heeft en de weg gebaand heeft en alle dingen heeft geleid. Door zijn enthousiasme en vertrouwen op God blijven de Joden gemotiveerd en bezield. Dat is ten diepste hun innerlijke kracht.

 

Gemeente, jongelui, zo is het toch nog. Als je je werk met heel je hart doet, kan er veel tot stand komen. Wat een werklust. Niet omdat het moet of omdat de tijd gevuld moet worden, of omdat er een slavendrijver achter je staat, maar omdat je het zelf zo graag wilt. Dat is eigenlijk het geheim van alle arbeid in Gods Koninkrijk. Zijn dienst is een liefdedienst. Herkent u dat, en jij? Zou u graag iets willen doen in Gods Koninkrijk, werken voor de Heere?

Om jaloers op te zijn, wat hier gebeurt in Jeruzalem. De tegenstand was groot; de vijanden hadden een grote mond; de moeilijkheden waren enorm; maar hun hart klopte warm voor dit werk.

Je komt zo vaak tegen dat mensen geen zin hebben om iets te doen in de kerk. Het werk komt zo vaak neer op een beperkt aantal vrijwilligers. Bij iedere klus zie je weer dezelfde mensen. Blijkbaar hebben die zo’n hart met lust om te werken voor de Heere. Dan ga je geen uren tellen, geen cao afsluiten, en je wordt niet ingeschaald, want dan is het hart er niet bij. Prachtig. Het vat geeft uit wat erin zit. Wie God liefheeft, laat dat – zonder dat hij dat zelf in de gaten heeft – zien in zijn doen en laten.

 

Het zou weleens kunnen zijn dat ook het vrijwilligerswerk in de kerk ten diepste samenhangt met onze houding tegenover Christus. Vanuit de liefde tot Hem is er zoveel lust om iets te doen voor de zaak van God. En er is zoveel te doen. Bouwen en bewaren. Werk in de kerk, naar binnen toe: in leiding geven, verenigingswerk, bezoekwerk en noem maar op. Maar ook naar buiten toe: in dienst aan de naaste, getuigenis onder kinderen en volwassenen, bezoek en meeleven. Het gaat er maar om: waar gaat je hart naar uit? Want daar vallen de beslissingen. Waar ons hart ‘ja’ zegt, zijn onze handen en voeten ook gewillig; daar gaat ons hoofd naar het werk staan en daar wordt de werklast een vreugde.

Toets uzelf er maar aan. Zo praktisch is het in dit gedeelte. Ik vraag nu niet naar wat u beleefd hebt, maar naar uw bereidheid om iets voor God te doen. Daar ligt het zwaartepunt. En dan zing je het van harte mee: ‘Mijn hart, o Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid.’

Waarom? Wel, ik zei het al: het diepste geheim is Christus. Onze ijver om iets voor God te doen, hangt samen met onze houding tegenover Hem. Zijn hart was bereid om te werken en de zaligheid te verdienen. Het kostte Hem alles, Zijn leven en Zijn Naam, maar Zijn hart was bij dit werk, elke minuut, elke dag en elke nacht. Hij heeft de strijd gestreden en de overwinning behaald.

 

Gemeente, mag ik u aan het eind van de preek nog eens wijzen op Jezus, Die letterlijk een ‘amechtige Jood’ werd? Daar hangt Hij, aan het kruis, bespot en verlaten. Hij hijgt naar lucht en ruimte onder de toorn van God vanwege onze zonde. Zijn borstkas wordt ingedrukt, omdat Hij aan Zijn doorspijkerde handen hangt. En Hij zou de verstikkingsdood gestorven zijn als Hij niet Zelf de geest had gegeven.

Hij wordt bespot en veracht: ‘Hij heeft het op God gewenteld, dat Die Hem nu uithelpe.’ Zijn bloed stroomt uit Zijn wonden; de pijnscheuten gaan door Zijn lichaam en Zijn ziel is gebroken onder Gods afwezigheid. Als Hij steun zoekt om zich heen en een beroep doet op Zijn God, wordt Hij van God verlaten. Machteloos hangt Hij daar.

Maar juist als Hij zwak is, is Hij machtig! Dan vindt Hij ruimte en kan Hij weer adem scheppen. De duisternis wijkt en Gods zonlicht schijnt weer. De verzoening is aangebracht. Het is volbracht.

 

O, zie op deze amechtige Jood, als uw leven u lief is. Wie in Hem gelooft, zal leven. Hij behaalde de overwinning op alle vijanden: de zonde, de duivel en de dood. Deze Borg en Zaligmaker is gewillig om u te redden. Leg uw schuldige handen op het Lam, om met God verzoend te zijn. De geloofsomhelzing van Hem volgt op het zien van Zijn heerlijkheid. Daar gaat zoveel trekkracht van uit dat je niet anders meer kunt dan vluchten tot Hem en je overgeven aan Hem. Wie geborgen is in deze Jezus, is voor eeuwig geborgen.

En u die God vreest, hoe vaak zijn we niet amechtig. Maar we weten: Hij is onze God en wij zijn ‘t volk van Zijn heerschappij. Christus is een echte Jood, een Godlover. Wij zijn zwak in onszelf, maar we vermogen alles, door Christus, Die ons kracht geeft. Gods kinderen weten: als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Amechtig, jawel, hijgend naar adem in deze door de zonde bedorven dampkring, maar toch verlost en bevrijd. We ademen in de ruimte van Gods eeuwige liefde in de Heere Jezus Christus. Onze God zal voor ons strijden. En zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Niets en niemand, om Jezus’ wil.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 108 vers 1

 

Mijn hart, o Hemelmajesteit,

is tot Uw dienst en lof bereid;

‘k zal zingen voor den Opperheer,

‘k zal psalmen zingen tot Zijn eer.

Gij zachte harp, gij schelle luit,

waakt op, dat niets uw klanken stuit’.

‘k Zal in den dageraad ontwaken

en met gezang mijn God genaken.