Ds. J.J. van Eckeveld - 1 Thessalonicenzen 5 : 17 - 18a

Twee gouden schakels aan de ketting des geloofs

De schakel van het bidden
De schakel van het danken

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 48: 4
Lezen : 1 Thessalonicenzen 5
Zingen : Psalm 25: 2 en 3
Zingen : Psalm 72: 8
Zingen : Psalm 30: 2 en 3

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in 1 Thessalonicenzen 5, en dan het 17e en het eerste gedeelte van het 18e vers.

Daar schrijft Paulus: Bidt zonder ophouden. Dankt God in alles.

Het gaat hier over: Twee gouden schakels aan de ketting des geloofs.

 

1. De schakel van het bidden, want er staat: Bidt zonder ophouden.

2. De schakel van het danken: Dankt God in alles.

 

1. De schakel van het bidden

 

We zijn vandaag samen om dankdag te houden. Maar we moeten beseffen dat de twee schakels, danken en bidden, onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Wie niet weet wat bidden is, weet ook niet wat danken is. Het is goed op de dankdag daarbij stil te staan, bij de schakel van het bidden en de schakel van het danken.

 

Paulus heeft deze eerste brief aan de Thessalonicenzen geschreven, nadat hij tijdens zijn tweede zendingsreis Thessaloníca bezocht had. Hij had daar te maken gehad met de bittere vijandschap van de Joden. Zo bitter zelfs, dat Paulus en Silas haastig vertrokken zijn vanuit Thessaloníca naar Beréa.

Korte tijd later hebben verontrustende berichten de apostel bereikt - berichten ten aanzien van de situatie in de jonge gemeente van Thessaloníca. Paulus heeft toen tevergeefs gepoogd om die gemeente opnieuw te bezoeken. De satan heeft ons belet, schrijft de apostel (1 Thess.2:18). Daarom heeft Paulus zijn geestelijke zoon Timótheüs gezonden om de gemeente te bezoeken.

Timótheüs komt na dat bezoek met bemoedigende berichten over de gemeente van Thessaloníca terug bij de apostel Paulus. Er waren daar echter ook zaken die aandacht vroegen. Timótheüs ontdekte dat men in Thessaloníca een onjuiste toekomstverwachting had. Daarom heeft Paulus deze brief geschreven.

Hij spreekt in deze brief zijn blijdschap uit over het geloof en het geduld ten aanzien van de verdrukkingen in de gemeente van Thessaloníca. Maar vanwege de onjuiste toekomstverwachtingen die daar leefden, spreekt Paulus ook over de wederkomst van Christus.

 

In Thessaloníca dacht men dat men de wederkomst zo’n beetje berekenen kon: dan en dan zal Hij terugkomen. Maar Paulus wijst alle berekeningen dienaangaande af, want hij zegt in het tweede vers: Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen gelijk een dief in den nacht. Denken we daar weleens aan, gemeente?

Als een dief komt inbreken, krijg je ’s avonds geen telefoontje: Vannacht om drie uur kom ik bij u inbreken. Je wordt ’s morgens wakker en je schrikt: er is een dief geweest, alles is overhoopgehaald! Als een dief in de nacht, dat wijst op het plotselinge, op het onverwachtse van de komst van Christus. Als niemand erop rekent, en dan ineens, dan zullen de hemelen opgerold worden als een boekrol, en dan zal Christus komen met de wolken.

 

Er werd eens een keer een gesprek gevoerd tussen een aantal kerkmensen, en ze vroegen aan elkaar: Wat denkt u, zou Jezus vannacht terugkomen? Nou, zei de een, dat geloof ik niet. De ander: Nou, de tekenen der tijden wijzen erop dat het dichterbij komt, maar vannacht, nee, dat geloof ik niet. Uiteindelijk geloofde niemand dat Jezus die nacht zou terugkomen. Toen was er een die zei: Juist in zo’n nacht zal Jezus terugkomen.

Dat is helemaal in lijn met wat hier staat. Hij zal komen als een dief in de nacht. Zijn we dan bereid voor de grote dag van Zijn komst? Paulus vermaant de Thessalonicenzen tot waakzaamheid. Hij zegt hier in vers 6: Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchter zijn.

En hij geeft de Thessalonicenzen ook allerlei praktische vermaningen mee voor een waarachtig christelijk leven. En daartussenin de woorden van onze tekst: Bidt zonder ophouden. Dankt God in alles.

 

Het is wel van belang om erbij stil te staan op dankdag, wanneer we terugzien op de weldaden die de Heere ons het afgelopen seizoen gaf, ondanks onze zonden. Het is goed om dan stil te staan bij het feit dat bidden en danken bij elkaar horen. Men zou over onze tekst op biddag kunnen preken, en ook nu op dankdag. Die twee schakels van de ketting des geloofs worden hier in één adem genoemd. Bidt zonder ophouden. Dankt God in alles.

Als we onze tekst goed lezen, zien we dat het allereerst een oproep is. Het is een wonder dat we mogen bidden en mogen danken. Als de Heere er Zelf de oproep niet toe gaf, waar zouden we de vrijmoedigheid vandaan halen? Maar onze tekst is ook een bevel, een heilige eis van God. Hij heeft recht op ons bidden en recht op ons danken.

Wij zijn het Hem diep verschuldigd. Is het bij u werkelijk weleens biddag geweest? En dan bedoel ik dat in de diepe, volle zin van het woord, naar de bevindelijke inhoud van het woord. Want als het bij u nooit biddag is geweest, dan weet u ook niet wat dankdag is.

 

Gods kinderen moeten altijd weer vragen om Gods genade en bijstand. Daarom kijk ik allereerst naar die eerste schakel: Leer ons bidden. Dat is een gebed óm een gebed. Ook na ontvangen genade kunnen we vaak zo biddeloos, behoefteloos en geesteloos onze weg gaan. Dan kan de verborgen omgang met de Heere zo gemist worden. Dan blijft de binnenkamer van het gebed leeg. Ook na ontvangen genade kunnen Gods kinderen heel ver bij de Heere vandaan leven. Dan droogt het gebedsleven ook op, en blijft er alleen maar een uiterlijk en vormelijk bidden over. Aan de andere kant: hoe dichter we bij de Heere leven, hoe meer er sprake is van een biddend leven.

Daarom is het helemaal juist wanneer gezegd wordt dat het gebed de thermometer is van het geestelijke leven. Aan een thermometer kun je aflezen hoe hoog de temperatuur is; aan het gebedsleven is af te lezen hoe het met het geestelijke leven staat. Op deze dankdag is het ons gegeven te mogen terugzien op alles wat het seizoen bracht. Moeten we onszelf dan niet aanklagen bij God, dat we veel te weinig gebeden hebben, dat we de binnenkamer zo vaak leeg lieten.

 

En daarboven: ook hier geldt dat we in de heiligste verrichtingen nog met zonde zijn bevlekt. Wat een eigenliefde is er vaak in ons bidden! We houden de Heere zo graag een verlanglijstje voor, dat Hij maar zo gauw mogelijk moet vervullen. Wat een zoeken van onszelf in ons bidden! Ik, ik en nog eens ik. Wat een onverenigdheid met de wegen die de Heere met ons gaat!

Wat kunnen we bezig zijn met naar onszelf toebidden. Ik-gerichte gebeden. Het gebed dat Jezus Zijn discipelen geleerd heeft, is een God-gericht gebed. Begrijpt u het verschil? Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede. Steeds U, U, U! God-gericht, en dan pas: Geef ons heden ons dagelijks brood.

Kinderen van God, wees nu eens eerlijk, als u uw knieën buigt om te bidden, of te danken, op dankdag. Wanneer gaat Gods eer ons nu eens boven alles? Moeten we dan niet zeggen: O Heere, verzoen toch de schuld van mijn bidden en danken? En moet daarom niet altijd weer het gebed zijn: Heere, leer ons bidden?

Maar weet u wat zo’n wonder is, gemeente? Er is een Leermeester, Die biddeloze zondaren leert wat bidden is. Dat is de Heilige Geest, de Geest van Christus, Die het neemt uit de volheid van de biddende en dankende Hogepriester. De Geest, Die niet voor niets de Geest der genade en der gebeden wordt genoemd. Wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.

 

Ik denk aan dat prachtige gedicht van Guido Gezelle: ‘Gij badt op enen berg alleen.’ Dan heeft hij het over de biddende Jezus op de berg. En in datzelfde gedicht: ‘Leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet.’ En vanuit onze tekst kunt u eraan toevoegen: Ik weet niet hoe ik danken moet. Ik ben zo biddeloos, zo behoefteloos, ik heb zo weinig behoefte om voor de Heere te buigen en mijn hart voor God te openen.

Ik mag het u prediken, gemeente: op de school van de Heilige Geest is nog plaats. Er is nog plaats op de school van het gebed. Dat is een wonderlijke school. Je komt er nooit uitgeleerd. Je komt nooit in de hoogste klas. Je haalt nooit een tien.

Ik denk weleens – en we zeggen het soms zo makkelijk: Gods kinderen zijn mensen die bidden geleerd hebben. Ik begrijp wel wat ermee bedoeld wordt. Maar wat denkt u, zou een kind van God dat eerlijk voor God is, vrijmoedig kunnen zeggen: Ik heb bidden geleerd? Ik denk het niet. Ik denk dat zo’n kind van God zal moeten zeggen: Ik moet altijd weer vragen: Leer het mij. Maar op de leerschool van de Heilige Geest is nog plaats. Die Geest wil nog lesgeven op de school van het gebed.

En als die Geest der genade en der gebeden ons onderwijst, wat leren we dan? Weet u het met uw hart? Dan denk ik aan die eerste schakel, de schakel van het bidden. Dan leren we drie dingen.

 

In de eerste plaats gaan we leren Wie het is tot Wie wij bidden. Gemeente, als u uw knieën buigt, beseft u dan wel tegen Wie u spreekt? De enige, ware God, de heilige en de rechtvaardige God, voor Wie u niet bestaan kunt. Maar ook de goedertieren en barmhartige God, Die Zich in Christus openbaart als een ontfermend God. O, beseffen we wel Wie de Heere is?

Hij is een alwetende God, Hij kent al onze noden en behoeften oneindig veel beter dan dat wij het weten. Bent u er weleens blij mee geweest? Heere, ik weet niet wat ik zeggen moet, maar U weet toch waar het me om te doen is? Kijkt U maar op de bodem van mijn hart.

De God tot Wie wij bidden, is ook de almachtige God. De God voor Wie niets te wonderlijk is. De God, Die doet boven bidden en boven denken.

Maar de God tot Wie we bidden, is ook de vrijmachtige God, de God Die ons niets verplicht is. Wat is dat een les op de school van het gebed! Niet alleen kinderen, maar ook volwassenen – laten we eerlijk wezen – denken vaak: Ik heb er al zo vaak om gebeden, nu moet de Heere me toch wel verhoren. Maar beseft u wel wat het is dat Hij de vrijmachtige God is, Die ons niets verplicht is? Wat is het een les op de school van de Heilige Geest om God God te laten. Uw wil geschiede. Mag ik achter U aan komen?

De God tot Wie we naderen, is ook de rechtvaardige God. Gemeente, op de school van het gebed word ik een rechteloos mens. Heere, als U mij verstoot, ik heb het verdiend. Ik heb niets te zeggen, en toch kan ik niet loslaten. Denk maar aan de Kananese vrouw. De Heere zei tegen haar: Je hoort niet bij de kinderen Israëls, je hoort bij de honden, het is niet voor jou. Maar ze greep Hem vast op Zijn eigen woord, ze kon Hem niet loslaten en pleitte: De hondekens eten ook van de brokskens die er vallen van de tafel hunner heren. En dan zegt Jezus: Groot is uw geloof.

Spurgeon schrijft ergens dat hij in huis bezig was. Hij keek zo op zijn tuin, en in die tuin was een hond bezig om die tuin te vernielen. Hij maakte alles kapot. Spurgeon ging naar buiten, hij nam een stok en hij gooide die stok naar de hond toe. Wat deed de hond? Hij nam de stok in zijn bek, en legde die aan de voeten van Spurgeon. Dat ontroerde hem zo dat hij die hond niet meer kon wegjagen. Dát deed de Kananese vrouw. De stok waarmee Jezus haar sloeg – je hoort niet bij het volk van God, je hoort bij de honden – die stok nam ze en legde ze aan Jezus’ voeten.

Gemeente, dat is nu gebedsoefening. Dat is nu een groot geloof. Als we zouden vragen: Wat is een groot geloof? Dan zouden wij die Kananese vrouw er wellicht niet bij rekenen. Maar dát is een groot geloof: de stok waarmee je geslagen wordt, aan Zijn voeten leggen.

De God tot Wie we naderen, is ook de genadige God. Dat geeft vrijmoedigheid om Hem aan te roepen: Heere, U hebt het toch Zelf gezegd: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. O, de Heere wordt ons gepredikt als een Hoorder van het gebed, maar Hij hoort en verhoort op Zijn wijze, nooit zoals wij het willen.

Hij is ook de alwijze God. Zijn wil is altijd wijs, heilig en goed. Wat is het een genade om het aan Hem over te laten!

 

Bidt zonder ophouden. Die eerste schakel. Gemeente, weten we Wie het is tot Wie wij bidden? Dan wil ik nog iets zeggen. Weten we dat wij het niet waardig zijn dat God naar ons zou horen? Op de school van het gebed, waar de Heilige Geest de grote Leermeester is, daar leer ik me kennen in mijn verlorenheid, in mijn onwaardigheid: Heere, ik ben het niet waardig dat U naar mij zou luisteren. Dan komt het gebed altijd op uit de diepte.

Uit de diepten roep ik tot U. Uit de diepte van het schuldbesef, uit de diepte van de verootmoediging, zodat we leren buigen voor God en onder God en de Heere ons geen kwaad meer kan doen. Dan wordt God zo groot en dan word ik zo klein. Dan heeft de Heere alle recht en dan heb ik helemaal geen recht. Beseffen we Wie het is, Die we aanroepen? Een God Die ons gebed alleen verhoren kan om Christus’ wil.

 

Wie kan bidden? En ik zeg tegelijk op dankdag: Wie kan danken zoals het behoort? Mozes? Nee, Mozes vroeg of hij toch het land binnen mocht, maar de Heere zei: Nee Mozes, spreek er niet meer over. Kon Johannes volmaakt bidden, Paulus, Petrus? Ach, er is er maar Eén. ‘Leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet.’

Maar daar is er Eén, dat is de biddende en ook de dankende Hogepriester, Jezus Christus.

Als we aan Christus denken, beseffen we dat Hij een biddend leven had. Steeds weer heeft Hij gebeden, op de berg, waar Hij niemand anders bij kon hebben; waar Hij samen over wilde blijven met Zijn Vader. Hij heeft ook gebeden in de tegenwoordigheid van Zijn discipelen. Ik denk aan Johannes 17, het Hogepriesterlijke gebed. Zo indrukwekkend! Dat heeft Jezus gebeden in de paaszaal, waar de discipelen bij waren, kort voordat Hij naar Gethsémané ging.

Als je dat leest, moet je zeggen: De schoenen van de voeten, want de plaats waarop ik sta, is heilige grond. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt (Joh. 17:11). U hebt ze Mij gegeven. Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt (Joh. 17:9). Wat is dat een ontzaglijk diep en inhoudsvol hoofdstuk! En de discipelen hebben het gehoord. Ik denk dat ze er nog weinig van begrepen hebben.

Hij heeft gebeden in de hof van Gethsémané: Indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. Hij heeft gebeden op Golgotha, toen Hij de Vadernaam niet meer op de lippen kon nemen en de hemel boven Hem gesloten was en Hij het uitriep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

 

Gemeente, Zijn bidden is volmaakt, ook Zijn danken. We horen Hem zeggen: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde. Christus’ bidden was volmaakt. En nu is Hij de grote Voorbidder bij de Vader. Waar bidt Hij om, en wat doet Hij nog meer? Ik heb de oude Bart Roest, die zo kinderlijk bidden kon, weleens horen zeggen: ‘Heere Jezus, wilt U mijn zondige gebedje overnemen en wilt U het leggen op het reukaltaar van Uw gebeden, dan zal het verhoord worden.’

Hij is de grote Voorbidder bij de Vader. Hij reinigt, Hij heiligt de schuldige gebeden van Zijn kinderen, en Hij brengt ze bij de Vader, en Hem hoort de Vader altijd. Als dat praktijk is, als dat leeft in je hart, ga je begrijpen dat bidden en danken bij elkaar horen. Wie zal Hem dan als die grote Voorbidder bij de Vader naar waarde kunnen danken? Maar het wordt wel het verlangen, en daar zal de eeuwigheid voor nodig zijn.

Gemeente, twee schakels, twee gouden schakels in de ketting van het geloof: bidden en danken.

 

Dan zegt Paulus over bidden: Bidt zonder ophouden. Wat betekent dat? Je kunt toch niet de hele dag op je knieën blijven liggen, dan zou je dagelijks werk tekortkomen. Nee, dat kan de betekenis niet zijn. Nergens neemt de Heilige Schrift het op voor het verwaarlozen van ons dagelijks werk. Het is een zegen, ook het afgelopen seizoen, als u werk mocht hebben. Misschien zijn er hier wel werkeloos. U ziet uit naar werk, het mislukt, alle sollicitaties lopen op niets uit.

De Heere heeft ons niet geschapen om te luieren, we hebben ons dagelijks werk, en daarin moeten we getrouw zijn. Dat moesten we ook het afgelopen seizoen. En toch, bidt zonder ophouden. Weet u wat Paulus daarmee bedoelt? Hij heeft het over een biddend leven. Een leven dat gedragen wordt door de gebeden.

 

Denk aan Daniël. Daniël had een hoge positie in het toen machtigste rijk op de wereld, het Perzische rijk. Hij was de tweede in het land. Hij stond midden in de wereld en in de politiek van die tijd. Maar zijn vijanden wisten het, driemaal daags lag hij met open vensters in de richting van Jeruzalem te bidden. Ook al hoorde hij in de verte de leeuwen van de leeuwenkuil brullen, hij kon het niet laten.

En denk erom dat hij in zijn dagelijks werk getrouw geweest is. Een leven gedragen door het gebed. Het geheim van zijn leven waren die open vensters naar Jeruzalem. Daar waar de Heere woonde, daar waar de Heere Zich openbaarde in Zijn genade, in de komende Christus.

Daar hebt u het, bidt zonder ophouden. Een leven dat gedragen wordt door het gebed, en ook door danken; die beide schakels horen bij elkaar. Dat is niet een leven in een klooster. Dan kun je toch getrouw zijn, dan bén je getrouw in je aardse taak en roeping, en dan zeg je op dankdag: Heere, wat een wonder dat ik ook het afgelopen jaar mijn werk weer iedere dag heb mogen doen, en dat U me ook nog arbeidsvreugde hebt gegeven.

 

Bidt zonder ophouden. Er is een oude uitdrukking: Er zijn mensen die bidden met de pet op. Misschien weten de jongelui en de kinderen niet wat dat betekent: bidden met de pet op. Dat wil zeggen: zómaar bidden onder je dagelijks werk. Een boer had vroeger een pet op onder zijn werk, zo bad hij wel eens met de pet op.

Er is nog niet zo lang geleden in het Nederlands een boek verschenen met een aantal preken van Ralph Erskine over het gebed. Hij spreekt in dat boek over ‘schietgebeden’, zoals hij dat noemt, gebeden zomaar onder je werk. Dan schiet vanuit de nood van je ziel, vanuit de behoefte van je hart het gebed naar boven. Dat kan achter het stuur van je auto, dat kan achter je computer, dat kan op het land, en waar de Heere je ook een plaats gegeven heeft.

 

Bidt zonder ophouden. O, wat schieten we erin tekort, gemeente. Wat kunnen we de Heere aan Zijn plaats laten! Maar nu is er Een Die niet nalatig is, Jezus. Hij bad op de berg alleen, in de hof van Gethsémané, in de paaszaal, op Golgotha. De discipelen sliepen, ze konden niet wakker blijven, maar Jezus waakte en bad.

Bidt zonder ophouden. De volkomen vervulling van deze woorden vindt u in de gezegende Zaligmaker. Zijn gebed gaat altijd door. Mijn gebeden stokken, mijn gebeden houden op, maar van Hem geldt: Alzo Hij altijd leeft om voor hen (dat is: Zijn volk) te bidden (Hebr. 7:25). Ook als ze niet kunnen bidden, als ze niet durven bidden, als ze niet willen bidden. We worden op dankdag gewezen op de grote Voorbidder aan de rechterhand van de Vader, Die al ons zondige bidden heiligen en reinigen kan met Zijn dierbaar bloed, maar Die ook de dankende Hogepriester is aan de rechterhand van de Vader.

 

‘Danken’ is de tweede schakel, en daar willen we op deze dankdag verder op letten, maar we gaan eerst met elkaar zingen Psalm 72, het achtste vers. Dan gaat het over de biddende en dankende Hogepriester:

 

Zo moet de Koning eeuwig leven!

Bidt elk met diep ontzag;

Men zal Hem ’t goud van Scheba geven;

Hem zeeg’nen dag bij dag.

Is op het land een handvol koren,

Gekoesterd door de zon,

’t Zal op ’t gebergt’ geruis doen horen,

Gelijk de Libanon.

 

2. De schakel van het danken

 

Er is dus de schakel van het gebed, van het bidden, maar er is ook de schakel van het danken.

Het wordt hier in één adem genoemd: Bidt zonder ophouden. Dankt God in alles. We moeten op deze dankdag er vanuit de tekst de nadruk op leggen dat die twee dingen bij elkaar horen, bidden en danken. Twee schakels aan de ene ketting des geloofs. Als we oprecht met het hart geloven, is er altijd stof om te bidden en stof om te danken.

Bidden en danken zijn aan elkaar verbonden. Weet u waarom? Het geloof richt zich op de Heere, dat is God-gericht. Dat vlucht met de noden, met de zorgen, met de vragen tot de Heere. Dat is bidden. Maar het keert ook met de zegeningen tot de Heere terug en dat is danken.

Het geloof komt met alles wat de Heere geschonken heeft, weer bij Hem terecht. In het zaligmakende geloof horen bidden en danken bij elkaar. Gemeente, hoe komt dat? Weet u wat een vrucht is van het zaligmakende geloof? Ootmoed. Calvijn heeft het Augustinus nagezegd: Noem mij drie kenmerken van het geestelijke leven. En dan zegt hij: Het eerste kenmerk is ootmoed; het tweede kenmerk is ootmoed; het derde kenmerk is ootmoed.

Gemeente, ook in dat opzicht horen die twee, bidden en danken, bij elkaar. Het gebed komt als het goed is, altijd op uit de diepte van de ootmoed. Maar het danken niet anders, dat komt ook altijd op uit de diepte van de ootmoed. Gemeente, dan wordt het een dankend bidden en een biddend danken.

 

O God, wat een wonder dat ik nog bidden mag! Wat bent U onuitsprekelijk goed dat ik tot U mag naderen! Dan kunt u dat wonder niet op; en zo wordt bidden danken, en danken wordt bidden. O, als we dan terugzien op het seizoen dat achter ons ligt, zijn er dan niet veel redenen om biddend te danken en dankend te bidden? Heere, wat bent U goed geweest voor zo een als ik, ook al ging de weg door de diepte. Geeft U een dankbaar hart, opdat ik het bij U mag terugbrengen. Dan wordt danken bidden, omdat ik niet danken kan zoals het hoort. En dan wordt bidden danken, omdat God zo wonderlijk goed is dat ik mijn mond mag openen om tot Hem te spreken. Voelt u dat die twee onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden? En daarom zijn er veel redenen om op dankdag, wát er ook achter u ligt, tot God te vluchten. O, als de Heere gedaan had naar mijn zonden, ik was er niet meer geweest.

 

En dan staat er hier uitdrukkelijk: Dankt God in álles. Daar moet u ook eens over nadenken: in alles. Dat wil zeggen: in voorspoed, voor de ontvangen zegeningen, ook van het afgelopen seizoen. Daar zijn vele onverdiende zegeningen. Je zou het voor jezelf eens moeten nagaan. O, dan is er zoveel reden om de Heere te danken. Wat vergeten we de zegeningen van God toch ontzaglijk gauw.

Of wat vinden we het vanzelfsprekend dat we ook het afgelopen seizoen iedere dag weer mochten opstaan en ons werk weer mochten doen! Misschien zit u uren in de week achter het stuur van uw auto en hebt u nooit een ongeluk gehad, bent u altijd weer bewaard. En u vindt het maar zo vanzelfsprekend. O, hebben we wel oog voor Gods onverdiende zegeningen? Wie was de Heere het afgelopen seizoen? Kunt u het zeggen? Heeft Hij u kwaad gedaan?

Ja maar, ik heb toch een ernstige boodschap van de dokter gekregen, ik heb zoveel verdriet over kinderen of kleinkinderen, ik heb zoveel moeite met de weg die ik moet gaan, en dat komt op dankdag zo op me af. Dan zeg ik nog: Zou u durven zeggen dat de Heere u kwaad gedaan heeft? We zeggen weleens: Een mens moet een helwaardig zondaar worden.

En ik geloof zeker dat dat waar is, maar dít is ook zeker: als je dat werkelijk worden mag, houd je altijd over. Alles boven de hel, is Gods onverdiende goedheid. Ook al ging het dit seizoen anders dan ik gewild heb.

 

En kinderen van God, wie was de Heere voor u het afgelopen seizoen? Was de Heere een land van uiterste duisternis? Nee toch, ook al kan de Heere het nodig achten het licht van Zijn vriendelijk aangezicht voor Zijn kind verborgen te houden, omdat dat kind het nodig heeft, omdat dat kind weer gebracht moet worden tot het vluchten naar Hem, omdat dat kind geoefend moet worden.

Maar was de Heere voor u een land van buitenste duisternis? Nee toch? Is er geen reden om op dankdag te zingen: Hoe menigmaal hebt Ge ons Uw gunst betoond? Waar is dan uw dankbaarheid? Ja gemeente, het geldt ons allen. Wie is de Heere voor u geweest, in uw gezin, op uw werk, op school, en ga zo maar door? Heeft de Heere het verkeerd gedaan? Beseft u dat er zoveel onverdiende zegeningen zijn? Maar waar is dan uw dankbaarheid?

 

Bidt zonder ophouden. Dankt God in alles. Dan wordt het een bidden om te leren danken. O God, ik kan het niet, maar wilt U het mij leren? Het zijn wezenlijke lessen, gemeente, de Heere leren danken, ook in tegenspoed.

Ziet u hen, Paulus en Silas in de donkere kerker van Filippi, hun voeten in de stok, in verschrikkelijke omstandigheden, want zo waren de gevangenissen in die tijd. En ze zongen Gode lofzangen! Ziet u hem zitten, Job, op de ashoop? Al zijn bezittingen is hij kwijt, al zijn kinderen kwijt, tien tegelijk! Je zult toch tien kinderen tegelijk moeten verliezen. En zijn vrouw zei: Maak maar een eind aan je leven, het heeft geen zin meer. We zeggen weleens: O verschrikkelijk, die vrouw van Job; maar vergeet niet, zij was óók tien kinderen kwijtgeraakt. Maar wat zegt Job dan? De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd. Ook al heeft Hij genomen. Gegeven, genomen, en toch: Zijn Naam geloofd.

Heere, wat is dat een wonder, als ik dat leren mag! Leer het mij op Uw school. Ik denk aan een oude christen die me eens het volgende vertelde. Hij was al in de negentig. Hij was dertig jaar toen hij zijn vrouw verloor, en hij bleef met een paar kleine kinderen achter. En toen hij met die kinderen bij de kist van zijn vrouw stond, zei hij tegen hen: Kinderen, dat heeft de Heere gedaan, laten we nu samen een versje zingen:

 

Heilig zijn, o God, Uw wegen;

Niemand spreek’ Uw hoogheid tegen!

Wie, wie is een God als Gij?

 

De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd. Als God dat niet geeft, gemeente, dan begrijpen we daar niets van. Daarom is het gebed zo nodig, zelfs voor de meest geoefende in de genade: Leer mij danken. En dan niet alleen danken in tegenspoed, en zelfs ook in verdrukkingen. Paulus spreekt over roemen in verdrukkingen.

Dat is geen roemen en danken over de smart en over het verdriet heen. Integendeel, gemeente, maar dat is wel: in de smart aan God genoeg hebben, God overhouden, leunen en steunen op Hem, achter Hem aankomen. Inderdaad:

 

Heilig zijn, o God, Uw wegen;

Niemand spreek’ Uw hoogheid tegen!

 

Danken in tegenspoed, in verdrukkingen, in kruiswegen. Ik noemde al de doorn in het vlees, die Paulus houden moest. Paulus moest een dagelijks kruis dragen, maar hij mocht het dragen in lijdzaamheid. Gij hebt lijdzaamheid van node, staat er (Hebr. 10:36). En lijdzaamheid is geen doffe berusting. Mensen zeggen ook weleens: Ja, mensen doen het je niet aan, je kunt er toch niets aan doen, je moet het maar nemen zoals het komt. Nee, lijdzaamheid wil zeggen dat je het eens wordt met het kruis dat je dragen moet.

En waarom? Omdat de alwijze God het op je schouders gelegd heeft, en omdat Zijn raad zal bestaan. Je hebt dan genoeg aan Zijn Woord: Alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten. Wat denk je wel, mens, dat je die hoge God zou kunnen begrijpen? Als dat werkelijk leven mag, dan wil je liever kruis dragen mét God dan geen kruis zónder God.

 

Gods kinderen leren op de leerschool van lijden en beproevingen dat in de diepste wegen de diepste dankensstof wordt geleerd. Dat leren ze op de school van de Heilige Geest.

Begrijpt u dat bidden en danken bij elkaar horen? Bidden om te leren danken. Want als mijn ‘ik’ aan het woord komt, mijn vlees en bloed, dan zeg ik: Heere, het gaat helemaal verkeerd. Dan verzet ik me tegen de weg die de Heere gaat. Dan komt opstand in het hart naar boven. Er kan ook een stille opstand zijn. Je zegt het niet, maar vanbinnen wroet het in je ziel, omdat je net als Naómi bij haar terugkeer naar Bethlehem niet onder God kunt komen. Maar als ik door genade geloven mag dat ook dat kruis, die moeite en dat verdriet persoonlijke bemoeienissen van de Heere zijn, dat het liefdeskastijdingen zijn – dan ligt in de diepste wegen de hoogste dankensstof. Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt. Maar indien gij zonder kastijding zijt, welker allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden en niet zonen (Hebr. 12:6, 8). Als ik dan aan de roede die mij kastijdt, ook de onuitsprekelijke liefde van God mag proeven wordt het tóch een danken. Hij keurt het immers nodig en Hij vergist Zich nooit. Dat lees ik in Jesaja 12:1: Ik dank U, HEERE, dat Gij toornig op mij geweest zijt.

Ik had het zo nodig, want ik moet gelouterd en geoefend worden. En … daar horen ook verdrukkingen, kastijdingen en moeiten bij. Mijn vlees, mijn eigen ‘ik’ moet gekruisigd worden. Dat valt niet mee, daar komt alles tegenop. De Heere gaat er dwars tegenin, want vlees en bloed zullen het Koninkrijk Gods niet beërven. Maar als uw hart goedkeurt wat God doet, is er dankensstof.

 

Welke vader is er die zijn kinderen niet straft? Een vader die net als Eli zijn zonen niet eens zuur aankijkt en ze hun gang maar laat gaan, dat is toch geen liefde?

Kastijdingen zijn de bewijzen van Zijn liefde. Wat is dat een heilgeheim, gemeente, maar het is het heilgeheim dat de Heere Zijn kinderen door verdrukkingen en moeiten heen, met vallen en opstaan gaat leren. En als ik die liefde proeven mag in de kastijdingen, mag ik het zeggen: Wat God doet, dat is welgedaan.

 

Jaren geleden was er eens een kleine jongen, van een jaar of zes, die met een grote vracht hout op zijn rug liep. Het was in de tijd dat men sprokkelhout uit het bos haalde om de kachel te stoken. Hij liep met een hele vracht hout op zijn rug, en de mensen die hem zagen lopen, zeiden: Jongen, dat is toch veel te zwaar voor je? Nee, zei hij, vader heeft het mij opgelegd. Toen liep hij verder.

Vader heeft het mij opgelegd. Dat kruis, die verdrukking, die kastijding, misschien ook het afgelopen seizoen. Aan de roede waarmee ik geslagen word, is Zijn liefde. Gemeente, dat is toch om jaloers op te worden. Daar heb ik van mezelf helemaal niets van. Maar als de Heere het geeft, is het wonderlijk goed en dan word ik in die weg toebereid voor de eeuwige zalige toekomst, om verlost van mezelf, niet meer te bidden, maar wel eeuwig te aanbidden en eeuwig te danken:

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,

Omdat Gij ’t hebt gedaan.

 

Gemeente, voelt u, we kunnen er maar iets van stamelen, maar voelt u hoe die twee schakels aan elkaar verbonden zijn? Bidt zonder ophouden. Dankt God in alles. De trouwe God weet volmaakt wat goed is voor ieder van Zijn kinderen, en Hij schikt hun dat alles toe uit Zijn liefdeshand. Gemeente, daar kun je gerust jaloers op worden, op dat leven uit de hand van God, Die Zich nooit vergist.

Onthoud het, op de school van de Heilige Geest is nog plaats. Laat het dan op dankdag ook uw gebed zijn: Zo doe Hij ook aan mij.

Hier blijft bidden en danken ten dele, met zoveel tekort, maar wat zal het straks zijn als het danklied van de eeuwige aanbidding zal klinken voor de troon en voor het Lam. Het Lam, Dat waardig is te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding en de dankzegging van nu aan tot in der eeuwigheid.

Amen.

 

Slotzang Psalm 30: 2 en 3

 

Mijn God, Gij hebt mij, op mijn klacht,

Genezen, en mijn smart verzacht;

Gij hebt mijn ziel, door angst beroerd,

Als uit het graf weer opgevoerd;

Gij hebt het leven mij geschonken:

Ik ben niet in den kuil gezonken.

 

Psalmzingt, Gods gunstgenoten, geeft,

Geeft lof den HEER, die eeuwig leeft;

Zijn vlekkeloze heiligheid

Zij ter gedachtenis verbreid.

Een ogenblik moog' ons doen beven;

Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.