Ds. C. Harinck - Jesaja 21 : 11 - 12

Juda's morgenstond en Edoms nacht

Jesaja 21
Een angstige vraag
Een aangrijpend antwoord
Een dringende oproep

Jesaja 21 : 11 - 12

Jesaja 21
11
De last van Duma. Men roept tot mij uit Seir: Wachter! wat is er van den nacht? Wachter! wat is er van den nacht?
12
De wachter zeide: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder, komt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 37: 3
Lezen : Jesaja 21: 1 - 12
Zingen : Psalm 124: 1, 2, 3 en 4
Zingen : Psalm 130: 3
Zingen : Psalm 97: 7

Gemeente, het is een heerlijke belofte die Maleachi doet aan het volk dat maar kortgeleden uit de ballingschap is teruggekeerd. Hij zegt: Ulieden daarentegen die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan (Mal.4:2).

Het is een belofte, een profetie met een ‘daarentegen’. In tegenstelling tot anderen. Ulieden daarentegen zal de Zon der gerechtigheid opgaan. Over zo’n zelfde soort profetie wil ik met u spreken. De tekst kun u vinden in Jesaja 21, het elfde en twaalfde vers:

 

De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! Wat is er van den nacht? Wachter! Wat is er van den nacht?

De wachter zeide: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder, komt.

 

Het gaat in deze profetie over Juda’s morgenstond en Edoms nacht:

1. Een angstige vraag.

2. Een aangrijpend antwoord.

3. Een dringende oproep.

 

  1. Een angstige vraag

 

De last van Duma, zo begint deze profetie. Last, dat is hier opdracht. De opdracht om te profeteren. Jesaja zegt welke opdracht hij van de Heere heeft gekregen om te profeteren over Duma. Jesaja heeft veel lasten ontvangen van de Heere. Hij heeft veel opdrachten ontvangen om te profeteren. We lezen in de profetie van Jesaja meer profetieën over andere volkeren dan over het volk van Juda. De profetie van Jesaja staat als het ware midden in de wereldgeschiedenis. Er wordt niet alleen aandacht besteed aan Juda of aan Israël, maar er wordt ook aandacht besteed aan Egypte, Syrië en andere volkeren. In een profetisch vergezicht ziet de profeet wat er met die andere volkeren rondom het volk van Juda in de toekomst zal gebeuren.

In het begin van het hoofdstuk dat u is voorgelezen, zit in dat spreken over al die andere volken iets angstaanjagends. De profeet ziet de opkomst van een geweldig machtig leger. Een leger dat een verwoestend spoor door de wereld zal trekken. Het zijn de Assyrische legers, die gekomen zijn tot aan de oevers van de Middellandse Zee. Daarna ziet hij Babel opkomen. De Assyriërs worden door de Babyloniërs verslagen. Dan ziet hij het rijk van de Perzen opkomen. De Perzen overwinnen de Babyloniërs. Al deze dingen ziet Jesaja als het ware voor zijn ogen gebeuren. In een profetisch perspectief spreekt hij daarover.

Hij ziet machten opkomen en hij ziet machten vallen. Als u thuis aan tafel uit Jesaja leest en u komt bij Jesaja 14, lezen we tot Jesaja 28 veertien hoofdstukken lang niets anders dan profetieën over allerlei andere volkeren dan het volk van Juda. Ze passeren allemaal de revue: Syrië en Egypte, Ethiopië, Babel, Tyrus, Moab, Meden en Perzen. Wanneer we dat zo lezen in de profetieën, zeggen we: Wat heeft dat nu met het Koninkrijk van God te maken?

Het leert ons dat God regeert. Dat Hij het is Die machten doet opkomen en andere machten doet ondergaan. Vooral laat de Heere ons bij monde van Jesaja zien dat al die wisselingen meewerken aan de komst van het Koninkrijk Gods. Alles werkt mee aan de verlossing van het volk van Juda uit de ballingschap van Babel en de komst van Christus.

Wat is dat ook voor ons vandaag een troost! Want ook wij zien in de wereld allerlei wisselingen. Wat is er de laatste jaren veel veranderd. Er zijn machten gevallen en nieuwe machten zijn er opgestaan. Er komen dreigingen op ons af, die ons met zorg vervullen. Hoe zal het gaan met onze kinderen en vooral met de kerk in West-Europa en in ons land? Maar Jesaja wil ons leren dat God al die dingen regeert en regelt, hoe verwarrend het ook voor ons kan zijn. De Heere gebruikt en bestuurt al die machten en ontwikkelingen om Zijn Godsrijk te laten komen.

 

Onze tekst spreekt over de last van Duma. Dat wil dus zeggen: een opdracht die Jesaja ontvangen heeft betreffende Duma. Duma is de naam van een volk. In de Bijbel wordt dat volk ook wel genoemd Idumea. Idumea is eigenlijk het volk van Edom, maar hier in de profetie heet het Duma.

Er is in de naamswisseling iets bijzonders gebeurd. Er zijn twee letters weggelaten. Daardoor verandert Idumea in Duma. Duma betekent ‘stilte’ en dan niet zomaar de afwezigheid van lawaai, maar de stilte van het graf, de stilte van de dood. Zo vinden we dat woord Duma in Psalm 94. Daar staat: Ten ware dat de Heere mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond (Ps.94:17). Dat wil zeggen: Ik was bijna in de stilte van het graf terechtgekomen. Duma, Edom, Idumea zal Duma worden. Edom zal het land van stilte worden. Het land van de dood en het graf.

Edom is een broedervolk van Israël. Het zijn nakomelingen van Ezau, de broer van Jakob, een kleinzoon van Abraham dus. Ezau droeg het teken van het verbond in zijn vlees. Zijn nakomelingen woonden in het gebergte Seïr, ten zuiden van de Dode Zee. De Edomieten zijn een volk dat gekenmerkt wordt door strijdlust. Een oorlogszuchtig volk, een volk van soldaten, vooral soldaten die roven. Ze waren de rovers van de woestijn. Ze woonden in het gebergte Seïr. Daar in dat rotsgebergte hadden zij enorme vestingen voor zichzelf uitgehouwen. Hoog in dat gebergte, in die vestingen waanden zij zich veilig en onoverwinnelijk. De Edomieten waren vooral grote vijanden van Israël. De wortel van die vijandschap is gelegen in het feit dat God Jakob boven Ezau heeft verkoren. Jakob is Ezau te slim af geweest en heeft hem het eerstgeboorterecht ontfutseld. Dit alles hebben de nakomelingen van Ezau nooit kunnen verwerken. Er heerste in dat volk een haat, een afgunst, een jaloezie ten opzichte van de nakomelingen van Jakob, ten opzichte van Israël. Dat blijkt op verschillende tijdstippen.

Toen Israël uit de woestijn kwam waarin zij veertig jaar gezworven hadden en ze moe en dorstig waren, vroegen ze aan hun broedervolk: Mogen wij door uw land trekken en mogen wij water van u kopen? Edom weigerde dat. In de profetie van Obadja, een kleine profeet, lezen we dat tijdens de wegvoering van de Joden naar Babylon de Edomieten op de kruispunten de gevluchte Joden opwachtten, hen beroofden van hun goederen en hen weer terugdreven in de richting van de legers van de Babyloniërs. Zij hebben zich verheugd in de ondergang van de stad Jeruzalem. We lezen in Psalm 137: HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze tot haar fundament toe (Ps.137:7).

De Edomieten waren een volk vervuld met een diepe, duivelse haat ten opzichte van Israël. Nu krijgt Jesaja een last, een opdracht omtrent Duma, omtrent Edom. Zijn boodschap is dat ook Edom zijn deel ontvangen zal van de Babylonische veroveringszucht. Eerst heeft Babel de Edomieten nog vijf jaar met rust gelaten, maar daarna hebben ze hen uit het gebergte verdreven. Ze zijn totaal vernietigd en nooit meer een volk geworden.

Maar nu hoort de profeet in een visioen een stem uit Edom, uit Duma, die roept: Wachter! Wat is er van de nacht, Wachter! Wat is er van de nacht? De Edomieten roepen tot de profeet Jesaja: Wachter! Wat is er van de nacht? Ze vragen of de nacht nog lang zal duren. Ze noemen Jesaja een wachter. Steden en dorpen kenden toen wachters. Zij bewaakten ’s nachts de stad of het dorp. Maar die wachters kondigden ook de nieuwe morgen aan. Zodra de zon aan de kim verscheen, bliezen ze op de bazuin. Het dorp en de stad wisten dan: de nieuwe dag is aangebroken. Jesaja is door de Heere als wachter gesteld op de muren van Sion. Maar nu hoort hij uit Edom roepen: Wachter! Wat is er van de nacht? Het wordt herhaald: Wachter! Wat is er van de nacht? Het is een dringende vraag. Een vraag waar vrees en angst achter zit. De vraag is: Wanneer houdt het oordeel op? Wanneer komt er verlossing? Is er voor ons nog toekomst? Wachter! Wat is er van de nacht?

 

Gemeente, het is een vraag die nu heel wat mensen stellen. Want er is een donkere nacht over onze wereld gevallen. De wereld is vol van onrust, dreiging en spanning. Er is bloedvergieten overal. Er gebeuren dingen die wij niet voor mogelijk hadden gehouden. Regimes worden omvergeworpen en nieuwe machten ontstaan. Vooral de opkomst van de radicale islam komt op ons af als een angstig gevaar.

De tegenstellingen onder de volkeren zien wij toenemen. We horen steeds meer van oproer, omverwerping van regimes, bewapening met kernwapens, vervolging van de christenen en jagen naar de wereldheerschappij. Wanneer we aan al die dingen denken, vragen we ons af: Wachter! Wat is er van de nacht? Wat staat ons in de toekomst nog te wachten? Is er nog hoop, nog toekomst en licht in de duisternis?

 

Een stem kwam tot Jesaja uit Edom. Wachter! Wat is er van de nacht? Het is een vraag die gesteld wordt wanneer de nacht over een volk of over mensen valt. Dan zoeken mensen de profeet weer op. Dan vragen ze aan de profeet: Wachter! Wat is er van de nacht?

Dat vragen we als we ziek worden. Dat vragen we als er duisternis over ons leven valt, de duisternis van de eenzaamheid en van de ouderdom. Dan vragen we ons af: Is er nog hoop en is er nog uitzicht, wanneer zal de nacht verdwijnen? Wanneer verschijnt het licht van de nieuwe morgen? Wachter! Wat is er van de nacht?

Het was ook de vraag van het volk van Juda dat in de ballingschap in Babel verkeerde. Ze waren vreemdelingen in het land van Babel, ze werden er onderdrukt. Als ze aan Jeruzalem dachten, werden ze vervuld met droefheid en neerslachtigheid. Er waren diepe zorgen over de Joodse identiteit. We merken in de profetieën uit die tijd dat hun kinderen nauwelijks meer de eigen Joodse taal spraken. De jeugd nam steeds meer de Babylonische cultuur over en begon ook het Babylonisch als taal te gebruiken. Men vroeg zich af: Is dit het einde van het volk van Juda? Is er nog wel toekomst voor Juda? Niet alleen Edom, maar ook Juda vroeg: Wachter! Wat is er van de nacht?

 

Wat zijn er veel ouders die de vraag stellen. Wat zal er van mijn kinderen worden? Wat zal er worden van mijn gezin? Wat wordt er van hen wanneer we zien hoe ze beïnvloed worden door de cultuur van Babylon? Hoe velen van hen zullen God en Zijn dienst de rug toekeren? Dan vragen wij ons af wat de mensen in Juda zich afvroegen: Wachter! Wat is er van de nacht?

Wat wordt die vraag eigenlijk dikwijls door ons gesteld. We stellen die vraag als we ziek zijn. We stellen die vraag als we oud en eenzaam zijn geworden. Dan vragen we ons af: Is er nog beterschap te verwachten en is er nog toekomst voor mij? Wachter! Wat is er van de nacht?

Inderdaad, dat mogen we ons wel afvragen. Er komt een donkere nacht op ons af. Dan denk ik niet alleen aan zorgen van economische en financiële aard. De dreiging van het verlies van je baan, je pensioen of het werkeloos worden. Maar vooral moeten we ons afvragen als we zien op de morele ontwikkeling onder ons volk: Wachter! Wat is er van de nacht? Wanneer we zien hoe het christendom steeds verder wijken moet voor een nieuw heidendom. Zoveel kerken worden afgebroken, zoveel verval is te zien in de kerk, zo weinig echt christenleven is er nog. Dan dringt de vraag zich aan ons op: Wachter! Wat is er van de nacht?

 

Wat was het antwoord van de wachter op die roep? De wachter zeide: De morgenstond is gekomen en nog is het nacht. We letten erop in onze tweede gedachte.

 

2. Een aangrijpend antwoord

 

De profeet mag zeggen: De morgenstond is gekomen. Vanaf zijn hoge uitkijkpost zag hij de nieuwe morgen aanbreken. Jesaja mag het prediken: Er komt een nieuwe dag, er komt verlossing. Jesaja mag een goede boodschap brengen. Juda zal dan wel weggevoerd worden naar Babylon, maar niet voorgoed. Er komt een nieuwe dag. De nacht van Babel zal voorbijgaan. Het volk van Juda zal wederkeren in het land Kanaän. Stad en tempel zullen worden gebouwd. In Jesaja 45 zegt de profeet dat de Heere daar een zekere Kores, de koning van de Perzen, voor gebruiken zal. Hij zal Israël vrijheid geven. Dan zal het volk van Juda terugkeren naar Palestina. De morgenstond is gekomen zo mag de profeet roepen. Het licht van de nieuwe dag zal weldra aanbreken.

 

Jesaja ziet nog meer dan de terugkomst uit Babel. Jesaja ziet een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï. Uit dat diep vernederde koningshuis van David ziet hij een nieuwe Koning voortkomen. Hij ziet de Messias geboren worden. De lang beloofde Christus zal in de wereld komen. Hoor maar, hoe hij daarvan jubelt: Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op Zijn schouder (Jes.9:5).

Ja, de profeet ziet in Jesaja 53 hoe de Messias de schuld van Zijn volk zal verzoenen. Hoe Hij als een Lam ter slachting zal worden geleid. De ongerechtigheid zal Hem aangerekend worden, maar ook zal Hij uit de doden opstaan. Hij zal de dagen verlengen en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan (Jes.53:10). Kortom, Jesaja mag het prediken: De morgenstond is gekomen!

Er komt een dag van verlossing. Er breekt een nieuwe dag aan. God heeft in Christus verlossing teweeggebracht. In Bethlehem is de Zon der gerechtigheid opgegaan. Er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen (Mal.4:2). Hij Die rijk was, is arm geworden om door Zijn armoede zondaren rijk te maken (2Kor.8:9). Op Golgotha is de schuld van de zonde verzoend en de toorn Gods weggedragen. Met Pasen is de dood overwonnen en met Hemelvaart de gesloten hemel geopend. De morgenstond is gekomen. Een nieuwe morgen is aangebroken. Een morgen van redding, een morgen van verlossing. Wat een goede boodschap mag Jesaja prediken! Wat een goede boodschap voor dat volk van Juda dat straks in Babel zal zuchten. Een goede boodschap voor de vromen, die treurden over de verwoesting van Jeruzalem en vroegen: Wachter! Wat is er van de nacht? Is er nog toekomst, is er nog verwachting? Nu mogen zij het horen: De morgenstond is gekomen.

 

Wat is het Evangelie een goede boodschap voor al die zondaren, die de bange vraag van hun ziel stellen: Mijn ziele doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?

Zij zien de eeuwigheid voor zich en de ontmoeting met God en Zijn gericht. Een grote schuld rust op hun ziel, zij bezitten niets om te betalen. Dan wordt het de roep van ons hart: Wachter! Wat is er van de nacht?

Jesaja mocht roepen: De morgenstond is gekomen! Het Evangelie brengt ons de boodschap. De morgenstond is gekomen. Verlossing is teweeggebracht. Er is betaald aan het kruis, er is voldaan door het bloed van Jezus. Redding en zaligheid is verworven. Het Evangelie brengt de boodschap dat ieder, wie hij ook is en wat hij ook misdaan heeft, ieder die in de gekruisigde Jezus gelooft, niet zal verderven, maar het eeuwige leven zal hebben (Joh.3:16). De morgenstond is gekomen, de nacht is overwonnen!

 

Op Golgotha is de nacht op Jezus neergedaald. Hij heeft de duisternis van de eeuwige verlating gedragen. Hij is afgedaald in de vesting van het rijk der duisternis. Hij is afgedaald tot in het graf. Hij heeft overheden en machten die ons willen verderven, gevangengenomen en heeft aan het kruis over hen getriomfeerd. Nu mag de boodschap zijn: De morgenstond is gekomen, verlossing is teweeggebracht.

Christus is het antwoord op de bange vraag van een schuldig mensenhart: Wachter! Wat is er van de nacht? Zondaren die in hun duisternis uitzien naar de morgen. Zondaren die in hun ellende en veroordeling uitzien naar verlossing en redding, aan hen mag het Evangelie verkondigd worden. De morgenstond is aangebroken! De Zon der gerechtigheid is opgegaan! Er is verzoening aangebracht. Het bloed van Jezus Christus, het Lam dat God voorzien heeft, is een verzoening voor al onze zonden! Ja, al waren uw zonden als scharlaken, indien je slechts komt, arm, schuldig en mat, zal God ze witter maken dan de sneeuw (Jes.1:18).

Wanneer dan ook Christus als de Zon der gerechtigheid in onze duisternis opgaat, breekt er een nieuwe morgen aan. Dan mag ons worden toegeroepen: De morgenstond is gekomen! De zondaar mag opstaan uit zijn bedruktheid en uit zijn verslagenheid en zeggen: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods. Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Rom.8:34).

 

Wachter! Wat is er van de nacht? Jesaja mag het boodschappen: De morgenstond is gekomen, de nieuwe dag breekt aan. Verlossing is teweeggebracht. Maar, tegelijkertijd zegt hij: Het is nog nacht.

Voor Juda komt er een morgenstond, maar voor Edom blijft het nacht. Dat is zijn boodschap aan de mensen die uit Edom roepen: Wachter! Wat is er van de nacht? Zijn boodschap is: Er komt een morgenstond voor Juda, maar voor Edom blijft het nacht. Edom zal nooit meer een volk worden. Er staat in Jesaja 34 dat het land het deel zal worden van de roerdomp en van de nachtuil en dat de raaf daarin zal wonen. Een woestijn blijft er over, meer niet. Het zal voor altijd nacht en duisternis zijn voor Edom.

Wat een onderscheid, gemeente! Morgenstond voor Juda en een blijvende nacht voor Edom. Wat maakt dit onderscheid? Waarom is er zo’n verschil tussen Juda en Edom? Natuurlijk, Gods soevereiniteit. Maar aan de kant van Edom en wat u betreft: omdat Edom en u zich niet van hun zonden tot God bekeren. Daarop letten we in de laatste gedachte als we spreken over een dringende oproep.

Maar laten we eerst zingen Psalm 130: 3

 

Ik blijf den Heer verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord;

Ik hoop, in al mijn klachten,

Op Zijn onfeilbaar woord;

Mijn ziel, vol angst en zorgen,

Wacht sterker op den Heer,

Dan wachters op den morgen;

Den morgen, ach, wanneer?

 

3. Een dringende oproep

 

De morgenstond is gekomen, zo mag de profeet verkondigen. Voor het volk van Juda komt de morgenstond. Zij zullen uit Babel wederkeren, maar voor Edom blijft het nacht. Zij zullen nooit meer een volk worden. Beide volken zullen in ballingschap gaan. Ze zullen beide weggevoerd worden uit hun eigen land. Maar wat een verschil! Juda zal wederkeren en Edom zal volledig verwoest worden.

Waarom? Omdat er in Edom geen bekering tot God was. De profeet beklemtoont dit aan het einde van zijn profetie en zegt: Wilt gijlieden vragen, vraagt, keert weder, komt!

Met andere woorden, zouden wij zeggen: Wanneer je nog eens vragen wil, kom dan gerust met je vragen, maar ik zal nooit een ander antwoord voor jullie hebben dan dit. Er komt een morgenstond voor hen die God zoeken en een nacht voor hen die God versmaden. Indien jullie je niet bekeren, zal het antwoord altijd hetzelfde zijn. De morgenstond is gekomen, maar ondanks het aanbreken van de morgenstond, zal het - indien je je niet bekeert - voor jullie nacht blijven. Dat is het antwoord van Jesaja op die bange vraag uit Seïr: Wachter! Wat is er van de nacht?

 

Gemeente, we krijgen nooit een ander antwoord. Het is het antwoord van al de wachters, al die trouwe wachters op Sions muren dat er slechts hoop en uitzicht is, slechts een morgenstond te verwachten is, wanneer we ons tot God bekeren. Keert weder, komt. Zo roept Jesaja. Het is een ernstige en dringende oproep tot bekering. De profeet zegt als het ware: Bekeert u en kom dan weer tot mij. Keer tot God terug, breek met je zonden en kom dan weer met vragen. Als je dán vraagt, zal ik een ander antwoord voor je hebben. Dan mag ik u prediken dat voor u de morgenstond is gekomen.

 

Een oproep tot bekering en een nodiging. Een onvoorwaardelijke nodiging, zelfs tot dat boze volk van Edom. Keer weder, kom, bekeer u van uw boze wegen. Breek met uw zondige praktijken. Keer weder tot de Heere en tot Zijn dienst en kom dan! Zo roept God zelfs tot Edom.

Vreselijke vijanden van Israël waren het. Maar als ze zich bekeren en als ze komen, is er ook voor hen de morgenstond, redding en verlossing.

Wilt gijlieden vragen, vraagt, zegt de profeet. Kom gerust met je vragen, zegt de profeet. Maar bekeer je tot de Heere, anders zal ik nooit een andere boodschap voor je hebben dan dat het nacht zal blijven. Jesaja roept in de naam des Heeren ons toe: Keer weder, komt! Een ernstige, een dringende oproep tot bekering. Maar vooral ook een nodiging, een uitnodiging tot het beloofde heil. Komt! Dat is de stem van het Evangelie!

 

Gemeente, dat is alles wat het Evangelie zegt. Dat is het zwaarste woord dat het Evangelie spreekt. Kom bij mij terug, zegt God. Wendt u tot mij en wordt behouden, o alle gij einden der aarde. God opent als het ware Zijn armen en roept het ook dat volk van Edom toe: Keert weder en kom, breek met je zonden. Zoek de Heere met hartelijke droefheid en berouw en kom dan. Al waren je zonden als scharlaken, Ik maak ze witter dan de sneeuw (Jes.1: 8).

 

Gemeente, dat was de stem die tot de vraagstellers kwam. Dat was de boodschap die kwam tot mensen die vroegen: Wachter! Wat is er van de nacht? Hoe dikwijls stellen ook wij die vraag. In ziekte, in zorgen, in pijn en verdriet: Wanneer komt er licht? Hoelang zal mijn duisternis nog duren? Hoelang zal mijn beproeving nog aanhouden? Gods antwoord is: Keer weder, kom.

Zo roept de Heere door Zijn dienaren tot een van Hem afgevallen mensenwereld: Bekeert u en gelooft het Evangelie (Mark.1:15). Want de morgenstond is gekomen! Daar mochten we ons wel over verwonderen. De morgenstond is gekomen. In Christus is verlossing teweeggebracht. Hij heeft redding en zaligheid verworven.

Alleen wanneer je je bekeert en wanneer je komt, zul je daar het nut en de zegen van ervaren. Dat is de boodschap van deze profeet. De morgenstond is wel gekomen, maar als je je niet bekeert en niet tot God wederkeert, dan blijft het nacht voor je.

 

Wat zal ons de toekomst brengen? Komt er straks voor ons een morgenstond of blijft er alleen maar een eeuwige nacht over? Die zich verharden en volharden in hun zonden, die weigeren met het kwaad te breken, die niet tot God wederkeren, ja allen die voortgaan in hun onbekeerlijkheid, wacht een eeuwige nacht. Wat is dat verschrikkelijk!

Indien er nu geen morgenstond was, dan was het nog wel verschrikkelijk. Maar nu is het dubbel verschrikkelijk. De morgenstond is gekomen, in Christus is verlossing verschenen, genade voor de grootste van de zondaren, en toch blijft het voor ons nacht als we ons niet bekeren. Hoor dan deze boodschap van de profeet: Wilt gij vragen, vraagt, keert weder, komt. Keert weder, dat roept God u toe. Keer tot mij terug. Al had gij met vele boeleerders gehoereerd. Komt, keer weder.

Wij vragen het: Wachter! Wat is er van de nacht? Dit is het antwoord, gemeente. Het antwoord van alle wachters van het Oude en Nieuwe Testament. Het antwoord van God, alle eeuwen door: Keer weder en kom.

 

Voor Gods kinderen komt de morgenstond. Zij moeten wel door veel verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk der hemelen. Zij moeten dikwijls donkerheid en strijd ervaren, zoals de apostel zegt: Altijd de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragende (2 Kor.4:10). Dikwijls vragen ook Gods kinderen: Wachter! Wat is er van de nacht? Maar de Heere roept het hun toe: De morgenstond is gekomen. Ze zijn toch op weg naar de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Kunstenaar en Bouwmeester is (Hebr.11:10). Aldaar zal geen nacht zijn (Openb.22: 5).

Gods kinderen kennen iets wat de wereld niet kent. Gods vriendelijk aangezicht geeft hun reeds nu vrolijkheid en licht. Het verspreidt licht voor alle oprechte harten in alle kruis en leed. Ze gaan de weg door dit leven nooit alleen. De wolk- en vuurkolom is bij hen. Zij kunnen zeggen: Tenware de Heere bij ons is geweest, wij waren vergaan. Eens zal het echt waar worden: De morgenstond is gekomen. Dan is het nooit meer nacht.

 

De last van Duma. Een last was het. Van die last moest de profeet zich getrouw kwijten. Ook Gods dienaars moeten zich daarvan getrouw kwijten. Daarom moet en mag de boodschap nooit ontbreken: Bekeert u en geloof het Evangelie!

Amen

 

Slotzang: Psalm 97:7

 

Gods vriend'lijk aangezicht,

Heeft vrolijkheid en licht

Voor all' oprechte harten,

Ten troost verspreid in smarten.

Juicht, vromen, om uw lot;

Verblijdt u steeds in God;

Roemt, roemt Zijn heiligheid;

Zo word' Zijn lof verbreid

Voor al dit heilgenot.