Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 33

De waarachtige bekering

Een ingrijpende verandering van levensrichting
Een hartelijk leedwezen over de zonde
Een hartelijke vreugde in God door Christus
Een lust en liefde om voor God te leven
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 86: 6
Lezen : Efeze 4: 17 - 32
Zingen : Psalm 25: 3, 6 en 7
Zingen : Psalm 26: 7 en 8
Zingen : Psalm 128: 3

Aan de beurt is Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 88: In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering des mensen?

Antwoord: In twee stukken: in de afsterving des ouden, en in de opstanding des nieuwen mensen.

Vraag 89: Wat is de afsterving des ouden mensen?

Antwoord: Het is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.

Vraag 90: Wat is de opstanding des nieuwen mensen?

Antwoord: Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en een ernstige lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven.

Vraag 91: Maar wat zijn goede werken?

Antwoord: Alleen die uit waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter ere geschieden, en niet die op ons goeddunken of op menseninzettingen gegrond zijn.

 

 

Zondag 33 spreekt over:

De waarachtige bekering

 

Aan de hand van de vier vragen vier hoofdgedachten:

1. Een ingrijpende verandering van levensrichting

2. Een hartelijk leedwezen over de zonde

3. Een hartelijke vreugde in God door Christus

4. Een lust en liefde om voor God te leven

 

1. Een ingrijpende verandering van levensrichting

 

Gemeente, jongens en meisjes, misschien heb je wel eens een compagnie soldaten zien marcheren. Daar gingen ze, allemaal in de maat! Opeens riep de commandant: ‘Halt, rechtsomkeert!’ En wat gebeurde er? Alle soldaten stopten. Ze draaiden 180 graden om en ze stonden met hun rug in de richting waar ze eerst met hun gezicht naar toe stonden. Als de commandant verder niets gezegd zou hebben, zou die compagnie wel gedraaid zijn, maar ze zouden op dat punt zijn blijven staan. Maar opnieuw klinkt een bevel: ‘Voorwaarts, mars!’ En jawel, de groep zet zich in beweging en daar gaan ze weer. Precies in omgekeerde richting als zo straks. Ze lopen de weg terug. En als ze doorlopen, komen ze uiteindelijk bij het punt vanwaar ze vertrokken zijn, bij het startpunt.

Dit beeld kan ons helpen om Zondag 33 te begrijpen. Want in Zondag 33 gaat het over de waarachtige bekering.

 

Als het gaat over de waarachtige bekering, moeten wij onderscheid maken tussen wat wij noemen ‘de eerste bekering’ en ‘de dagelijkse bekering’. De eerste bekering noemen we vanuit de Bijbel de wedergeboorte, de levendmaking. En de dagelijkse bekering is de heiliging, de dankbaarheid.

De oproep tot bekering in de Bijbel komt tot alle mensen.

U kent de tekst toch wel:

Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer.?

Dat is het adres, wie hij of zij ook moge zijn, waar ook ter wereld.

In het bijzonder komt de oproep tot bekering tot Gods afgedwaalde volk, tot Israël. De Heere roept hen toe: ‘Mijn zoon, geef Mij uw hart.’ Israël is Gods zoon. Maar wat gebeurde er? Ze gaven hun hart aan de heidense afgoden.

Daarom zegt de Heere:

Bekeert u! Keert u om! Wendt u af van de afgoden af en keert u tot Mij.

 

God legt in de wedergeboorte het beginsel van het nieuwe leven in het hart van de mens. Dan krijg je een nieuw hart, jongens en meisjes. Maar dat nieuwe leven, dat zaadje, dat moet ontkiemen. Dat moet groeien. Dat moet zich ontwikkelen.

De wedergeboorte is een verborgen werk in het hart van de mens, maar in de bekering komt het nieuwe leven openbaar in de vruchten. Anderen hunnen het zien.

 

Je kan nooit zeggen: ‘Ik ben bekeerd’, in de zin van: ‘Ik ben klaar met de bekering.’

Een meisje vroeg op Catechisatie aan de ouderling, een godvrezende man die veel van de Heere had geleerd: ‘Meneer, bent u bekeerd?’ Hij zei: ‘Ja, mijn lieve kind, een klein beetje.’ Misschien vindt u dat wel een raar antwoord. Maar als u goed meeluistert, wordt het u misschien wel duidelijk dat die man de waarheid sprak. De wedergeboorte, dat u een nieuw hart krijgt, dat is een moment, dat is het ‘Halt! Rechtsomkeert!’ Maar de bekering is een proces. Dat is het ‘Voorwaarts, mars!’, de weg terug naar God. Dat duurt heel ons leven.

 

De Heere voert ons terug naar het begin.

Waar ligt ons begin? Als we onze Bijbel lezen, zien we dat ons begin daar ligt, waar God ons goed geschapen heeft, waar we de Heere liefhadden en dienden en vreesden, in het paradijs.

Adam leefde daar tot eer van God, zijn Schepper. Maar door de zondeval is hij van God afgevallen. Toen heeft de mens en de mensheid zich in één slag 180 graden omgedraaid. In één keer stonden we met de rug naar God en met het gezicht naar de wereld en naar de zonde, om die te dienen. Toen zijn we de satan toegevallen. Die leerde hoe we zondigen moesten en daarin had hij ons hart mee.

Maar als u een nieuw hart krijgt, dan gaat het in ons leven rechtsomkeert. Dan komt er een ingrijpende verandering van levensrichting. Dat wordt zichtbaar. Dan staat u met het gezicht naar God. Dan ziet u wie God is en hoe heilig Hij is en hoe goed Hij is.

 

In dat licht van God zien we ons schuldig, verloren, verwerpelijk; we worden zondaar voor God. We zien de afstand die er vanwege de zondeval gekomen is tussen God en ons. Maar in de wedergeboorte wordt er een nieuwe begeerte in het hart gelegd. We willen terug naar God, Die we verlaten hebben.

Die weg terug naar de gemeenschap met God, naar de zaligheid, noemt de Bijbel de waarachtige, dagelijkse bekering. De eis tot bekering komt dagelijks terug, om zo steeds heiliger voor de Heere te leven.

Steeds klinkt:

Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken. De weg terug naar Vader.

 

Net als de verloren zoon. Hij kwam tot inkeer bij de varkenstrog. Dat was het ‘rechtsomkeert’.

Hij voelde de trekkracht van de liefde van zijn vader. Hij zag dat hij een dwaas was. ‘Wat had ik het goed bij vader!’

Hij zag ook wie zijn vader was en bleef en wie hij geworden was en wat hij gedaan had. Toen kwam het moment van ‘rechtsomkeert’. Toen zei hij: ‘Ik zal opstaan en ik zal tot mijn vader gaan, teruggaan naar vader, om te leven zoals vader het wil, om voor vader te leven. Want vaders wil is goed en vaders wil is wet.’

Daar hoort u hem zijn zonden belijden: ‘Vader, ik heb gezondigd.’

 

Gemeente, de weg terug duurt ons hele leven, vanaf de wedergeboorte tot ons sterven. Pas dan zijn we helemaal terug bij God. Dan zullen we nooit meer afwijken. Dan zal niet één traan over de zonde meer in onze ogen opwellen. Begrijpt u waarom je nooit zeggen kan: ‘Ik ben bekeerd.’? Begrijpt u nu waarom die ouderling zei: ‘Ja, mijn kind, een klein beetje.’? Het is een voortgaande zaak. De dagelijkse bekering moet iedere dag opnieuw gestalte krijgen.

 

Christus vernieuwt ons door Zijn Geest en tot Zijn evenbeeld, opdat wij met ons ganse leven dankbaarheid voor Gods weldaden bewijzen.

In Zondag 33 gaat het niet over de eerste bekering, maar over de dagelijkse, voortgaande bekering, over het leven van de dankbaarheid op het smalle pad van Gods geboden.

Dat is heiligmaking. De dagelijkse bekering is een levenshouding door de genade Gods. Het is te zien als iemand daar vordering in maakt. En het is ook te zien als iemand verachtert in genade en als hij zich weer omdraait en met zijn gezicht naar de wereld gaat staan. Het is te zien als iemand met zijn ogen lonkt naar de zondedienst.

Dan komt de oproep opnieuw, zoals onder Israël:

‘Bekeer u! Bekeer u! Draai u met uw rug naar de zonde en de wereld en met uw gezicht naar God.’

 

De waarachtige bekering is eigenlijk de uitwerking van Zondag 32:

Dat we met ons ganse leven Gode dankbaarheid bewijzen voor Zijn weldaden.

Dat blijkt uit onze levensrichting. We gaan de tegenovergestelde richting van vroeger, van voor onze omkering. Er is een loslaten, een afsterven van het oude leven, maar er is ook een opstaan, het aandoen van de nieuwe mens uit het leven met God.

Gemeente, bekering vraagt om een besliste keus. Veel mensen willen wel bekeerd worden, maar ze willen niet breken met hun oude leven. Ze willen niet breken met de zonde. Dat kan niet, want zich-bekeren is kiezen tegen de zonde.

Als de innerlijke vernieuwing niet heeft plaatsgevonden, dan kunt u niet lopen in de richting van God. Dan loopt u steeds verder van de Heere af. Dan kiest u iedere dag opnieuw, zoals Adam koos: ongehoorzaam-zijn aan God.

 

Als u dit hoort, past u het dan toe op uzelf? ‘Waar bent u eigenlijk mee bezig?’

God roept u heden tot bekering. U wordt nu ‘Halt’ toegeroepen. U loopt de verkeerde kant op! ‘Stop, u loopt u dood!’

 

Gemeente, na dat ‘rechtsomkeert’ lopen we toch nog zo gauw de verkeerde kant op, als God niet dagelijks genade schenkt om Hem te zoeken.

Dat is bekerende genade. Die hebben we nodig, voor de eerste keer, maar ook telkens opnieuw.

We hebben een totale vernieuwing van ons leven nodig, tot in de wortel toe.

De Catechismus zegt: het ene moet helemaal afsterven en het andere moet helemaal opstaan. Het leven van de zonde moet sterven en het leven van de genade moet opstaan. Dat noemt de Catechismus ‘de oude mens’ en ‘de nieuwe mens’. Dat vindt u in de brief aan Efeze, zoals we dat met elkaar gelezen hebben.

 

Zoals we geboren zijn, zijn we de oude mens. De nieuwe mens is het leven uit God. Het is het nieuwe hart. Dat is leven naar Gods geboden. Dat is de vernieuwde natuur. Dat is het leven uit genade. Dat is alles wat door de tweede Adam, door Christus, in ons leven gekomen is.

 

De oude en de nieuwe mens zijn eigenlijk omgekeerd evenredig. U kent mogelijk van vroeger nog zo’n ouderwetse weegschaal met twee van die schaaltjes. Als de ene omhoog gaat, gaat de andere naar beneden. Dat is omgekeerd evenredig. En zo is het ook met de oude en de nieuwe mens. Komt de oude mens boven, dan zien we de nieuwe mens niet. Als de nieuwe mens zich verheft, dan gaat de oude ten onder. Het is een voortdurende strijd in het leven van een christen.

 

Dat was onze eerste gedachte: Een ingrijpende verandering van levensrichting.

 

Nu de tweede gedachte:

 

2. Een hartelijk leedwezen over de zonde

 

We herhalen vraag en antwoord 89:

Wat is de afsterving des ouden mensen?

Het is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.

 

Als u het antwoord goed leest, ziet u dat het gaat over drie dingen: een droefheid over de zonde, een haten van de zonde en een vlieden van de zonde.

 

Een hartelijke droefheid.

We hebben gezien dat bekering altijd vanbinnen begint. U krijgt een nieuw hart en dat nieuwe hart wil wat God wil. Er komt verandering van gezindheid. U krijgt een hartelijk leedwezen, een berouw, een boetvaardigheid; zo sterft de oude mens.

Gemeente, een hartelijk leedwezen gaat niet aan de bekering vooraf. Nee, boetvaardigheid is vrucht van het geloof.

Het is niet zo dat de Heere zegt:

‘Je moet eerst maar eens zorgen dat je behoorlijk ontdekt wordt aan je zonden, dat je berouw hebt. Als je er genoeg last van hebt en genoeg schuldgevoel hebt, kom dan maar terug, want dan kan je bekeerd worden en is het Evangelie voor jou.’

Nee, dat hartelijk leedwezen is juist het eerste waar de waarachtige bekering mee begint en het blijft u heel uw leven parten spelen. Als u in de zonde gevallen bent, wat u eigenlijk helemaal niet wilt, dan bent u daar bedroefd over. Niet om de straf die u dan misschien krijgt of de nare gevolgen die het heeft, maar vanwege de zonde zelf, vanwege het Godonterende karakter, omdat u er God verdriet mee doet. Het is net als bij de verloren zoon. Hij proefde iets van het verdriet van zijn vader.

 

Het is geen droefheid zoals bij Kaïn of Judas, een soort wroeging. Nee, dat lijkt meer op wanhoop. Daarover zegt de Bijbel: ‘Maar de droefheid van de wereld werkt de dood.’

Nee, het is een droefheid omdat wij de goede God door onze zonden vertoornd hebben. God, Die nooit anders dan goed gedaan heeft in mijn leven en Die steeds voor mij zorgde en Die steeds hielp, die God heb ik verdriet aangedaan.

 

Hoe komt het dat ik dat voel en dat ik er bedroefd over ben? Dat komt door de liefde.

De verloren zoon nam kwam tot inkeer en besloot om terug te keren vanwege de trekkende liefde van zijn vader. Dat komt door de liefde tot God. Daardoor gaat het hart open, het breekt en het gaat uit naar God.

De zonde verbreekt die liefdesband. Niets is erger dan dat iemand die u oprecht liefhebt, boos op u is. Als er geen echte liefde is, dan kan ook geen echte droefheid zijn.

Als we een liefhebbend God vertoornd hebben, als u tegen een goeddoend God gezondigd hebt, dan doet dat pijn. Dat geeft een intense droefheid over de zonde.

Dat noemt de Catechismus een hartelijk leedwezen. Dan bent u zo verslagen over uw zonden, dat u het uit moet schreeuwen met David:

‘Heere, tegen U, ja U alleen, heb ik misdreven en gedaan wat kwaad was in Uw ogen. Ik ben Uw gramschap waardig. Ik heb Uw toorn verdiend.’

O, dat is de diepe droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid.

Kent u dat? Dit kenmerk van genade is zo belangrijk.

 

Als God ons rechtsomkeert laat lopen, dan doet Hij dat door Zijn liefde uit te storten in ons hart. Het gevolg is gehoorzaamheid aan God. Dan doet u wat Hij zegt. Rechtsomkeert!

Als de liefde van God niet in uw hart is, dan hebt u er geen boodschap aan. Dan blijft u hoogmoedige van hart. Dan bent u niet gehoorzaam. Maar met de liefde komt de gehoorzaamheid. Door de liefde trekt God mensen naar Zich toe. U krijgt God lief, Zijn wet lief, Zijn Woord lief en Zijn dag lief.

Het doet pijn als u tegen de wet van God gezondigd hebt en dat de Heere daarom boos en vertoornd op u is. Dat zien op al de zonden en de toorn van God maakt u onuitsprekelijke bedroefd, juist omdat we de Heere zo liefhebben.

 

Jongens en meisjes, als je iets ergs gedaan hebt en papa en mama, van wie je toch zoveel houdt, zijn boos op je, dan vind je dat heel erg. Dan wil je heel graag dat het weer goed komt. Dan kom je soms met tranen in je ogen zeggen: ‘Ik heb er spijt van; wilt u het mij vergeven?’ Dan komt het ook weer goed.

Zo is dat ook naar de Heere toe. God, Die ons het leven geeft, Die ons leven onderhoudt, Die recht heeft op ons leven. U hebt het niet verdiend dat God u nog draagt en spaart. U voelt dat u vol zit met zonden en ongerechtigheden. Dan is het niet meer zomaar in het algemeen dat God vertoornd is over de zonden. Nee, er staat: ‘Onze zonden’. Ik heb God vertoornd.

 

Als ik dat inleef en de diepe droefheid voel, gemeente, dan ga ik dat niet met smaak aan anderen vertellen. Dat bestaat niet. Dan meet ik dat niet breed uit waar jan en alleman bij is, maar dan kniel ik voor de Heere en dan vertel ik aan God hoe slecht ik ben en hoe goed Hij is. Dan vraag ik om vergeving. Dan ween ik daarover in het verborgene. Paulus zegt: Dat zijn de dingen waarover gij u nu schaamt. O, dat vertel ik aan de Heere. De droefheid maakt niet zalig. Nee, God maakt zalig. En daarom ga ik ermee naar God en zeg:

‘O God, U bent vertoornd op mij. Dat heb ik verdiend, maar ik kan niet verder leven als het niet goed komt. U hebt recht op mijn liefde. Mijn hart kermt erom.’

 

Gemeente, die droefheid gaat nooit meer weg. Dat is een levenslang kenmerk van de bekering. Hoe meer u God lief krijgt, hoe hartelijker u bedroefd bent over de zonde. Ja, het is zelfs zo: u bent er niet alleen bedroefd onder, maar u gaat de zonde haten. Dat zegt de Catechismus. Haten, dat is sterk gezegd. Maar zo is het.

Van nature hebben we de zonde lief. We hebben er lust en plezier in. Maar als die radicale omkeer plaatsvindt in uw leven, dan kunt u de zonde niet langer koesteren.

Door de trekkracht van Gods liefde krijgt u een afschuwelijke hekel aan de zonde. Niet aan één zonde of aan twee zonden, maar aan heel uw zondige bestaan.

U gaat de zonde haten. Haten betekent dat u de zonden volstrekt niet meer kan verdragen. U walgt ervan. U kunt dan ook niet stilletjes nog een zonde aan de hand houden.

U zegt eerlijk tegen de Heere:

‘Heere, geef U me er kracht voor en bekerende genade. O God, ik ben zo moe van de zonde en ik kan het niet meer en ik wil het niet meer. Het goede dat ik wil doen, doe ik niet; en het kwade dat ik echt niet wil, daar val ik steeds weer in.’

‘O, bekeer me toch, o God!’

Dat is bekerende genade.

 

Dan bent u niet alleen bedroefd over de zonde en u haat niet alleen de zonde, maar er is nog meer. Er staat: u vlucht er vandaan. U wilt in uw leven zo ver mogelijk uit de buurt van de zonde blijven. U zet soms heel wat om in uw leven en in uw programma.

U wil uit de buurt van de zonde blijven, want die is besmettelijk. U vlucht er vandaan. Er staat letterlijk ‘vlieten’. U loopt er met een boog omheen.

 

Gemeente, de zonde is een hellend vlak. Er hoeft maar iets te gebeuren en we worden weer meegezogen. Het is levensgevaarlijk!

Het is net als met een besmettelijke ziekte. U blijft erbij uit de buurt. Henen uit!

Denk eens aan Jozef. De vrouw van Potifar wil hem tot zonde verleiden, maar hij laat zijn jas in haar handen en zegt: ‘Ik ga weg! Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God? Ik doe het niet, ik vlucht weg.’ Wie in de buurt blijft van de zonde, speelt met vuur.

Als we de zonde doen, vluchten we van God vandaan. Maar als we uit de buurt blijven van de zonde, komen we dichter bij God. Dan vluchten we naar God, weg van de zonde.

─ Kent u dat? Als u voortdurend uw eigen hart en uw eigen leven ernaast legt, kunt u aan het eind van de dienst misschien ook wel zeggen: ‘Een klein beetje.’ ─

 

De macht van een stervende is gebroken. Zo is het ook met de zonde. Bij de afsterving van de oude mens is de macht en de kracht van de oude mens gebroken. De oude mens wordt gekruisigd, dat is een pijnlijke dood.

U doet dan alles, wat tot zonde verleiden kan, weg uit uw huis en uit uw leven.

U wordt kritisch op de vrienden met wie u omgaat en de lectuur die in huis komt en de programma’s en de muziek en de inkopen die u doet, als u loopt te winkelen.

U wordt overal kritisch op: ‘Zou ik daar wel goed aan doen?’

Daar geeft de Heere Zijn zegen over.

Misschien durft u niet te zeggen: ‘Ik ben bekeerd.’ Ik zei al aan het begin: ‘Ik zou het ook niet zo durven zeggen, zo op die manier.’ Maar u begrijpt wel wat ik bedoel: ‘Ik mag wel geloven dat ik wedergeboren ben en dat ik de Heere hartelijk liefheb.’

 

Gemeente, bekeerd bent u pas als u sterft.

Het gaat het over de droefheid. Kent u de droefheid om tegen een goeddoend God gezondigd te hebben? Hebt u de Heere lief gekregen? Hebt u vanuit de liefde tot God en uit respect voor de Heere en uit gehoorzaamheid aan Hem, van de zonde vandaan leren vluchten?

 

Misschien zegt u: ‘Maar ik word soms zo aangevallen met de vraag of mijn zondekennis wel diep genoeg is.’ Dan moet u eens kijken wat er staat in de Catechismus. Daar staat: ‘Hoe langer hoe meer…’ De droefheid en de zondehaat wordt steeds verdiept. Er moet wel vooruitgang te bespeuren zijn.

Hoe verder u loopt van het punt waar u rechtsomkeert gemaakt hebt, hoe dichter u bij God komt en hoe meer de zondekennis verdiept.

Hoe diep moet die dan zijn? Laten we het zo zeggen, gemeente: ‘Zo diep dat u de Heere Jezus niet kunt missen, dat u de Heere Jezus nodig hebt als Borg en Zaligmaker tot vergeving van al uw zonden.’

 

Droefheid. Maar het is niet altijd alleen maar zuchten. Het is ook zingen. Het is niet alleen maar droefheid. Er is ook blijdschap, een hartelijke vreugde in God door Christus. Dat is het derde punt.

Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 26 vers 7 en 8:

 

Daar wordt Uw lof verbreid,

O Oppermajesteit,

Door mij, die U bemin en acht;

Daar zal mijn stem U prijzen,

Voor al de gunstbewijzen,

Voor al de wond’ren Uwer macht.

 

Wat blijdschap smaakt mijn ziel,

Wanneer ik voor U kniel

In ’t huis dat Gij U hebt gesticht!

Hoe lief heb ik Uw woning,

De tent, o Hemelkoning,

Die G’, U ter eer, hebt opgericht!

 

We hebben gelet op de ingrijpende verandering van levensrichting en op het hartelijk leedwezen. We gaan naar onze derde gedachte:

 

3. Een hartelijke vreugde in God door Christus

 

Leest u vraag en antwoord 90 mee:

Wat is de opstanding des nieuwen mensen?

Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en een ernstige lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven.

 

Die vreugde is een tegenhanger van de droefheid, waarover we zo straks gesproken hebben.

Die twee zijn in het leven van een christen aanwezig. Allebei: droefheid en blijdschap.

Niet als twee opeenvolgende etappes in de reis van een christen naar God, maar tegelijkertijd. Soms overheerst de vreugde en soms overheerst de droefheid.

In de psalmen ziet u droefheid en blijdschap bijna altijd naast elkaar. Paulus zegt: ‘Doch droevig zijnde, doch altijd blijde.’

 

De grondtoon van het nieuwe leven van de dankbaarheid is de blijdschap. U kunt u daaraan toetsen hoever u gevorderd bent met de bekering, met de heiligmaking.

De kamerling, die gedoopt was in de Naam van Jezus Christus, reisde zijn weg met blijdschap.

De stokbewaarder verheugde zich dat hij met zijn gezin aan God gelovig geworden was.

 

De blijdschap heeft een grond. Het is niet zomaar een fijn gevoel. Het is ook anders dan levensvreugde. Dat is trouwens ook een grote zegen, als u die krijgt van God. Maar de blijdschap waar het hier over gaat, is een blijdschap in God, een hartelijke vreugde in het smaken van Zijn gemeenschap, in Zijn nabijheid, omdat het weer goed is tussen God en u. God is niet meer vertoornd over uw zonden.

 

God is de grond van die blijdschap. Daarom staat er ook dat het een hartelijke vreugde in God door Christus is.

Dat is een wezenstrek van de bekering: ‘Door Christus.’ Christus is het geheim van de vreugde in God. Hij heeft mij weer teruggebracht bij God. In Christus is God voor mij weer een liefdevolle Vader.

De grond van de blijdschap is de verzoening met God door Jezus Christus. Hij betaalde voor de zonden. Hij herstelde de gemeenschap. Daarom kan er weer rust, vrede, vreugde en blijdschap zijn in het leven van een christen.

 

Het hart springt op van vreugde en er komen tranen van vreugde in uw ogen, als u zien mag op God en op de Heere Jezus. Als je gelooft hoe Jezus de kloof heeft overbrugd door Zijn verzoenend lijden en sterven.

Ja, dan is het wat wij samen gezongen hebben:

Wat blijdschap smaakt mijn ziel,
Wanneer ik voor U kniel
In ’t huis dat Gij U hebt gesticht!

Hebt u het van harte meegezongen? Is er een snaar geraakt vanbinnen en hebt u gezegd: ‘Ja, zo is het! Wat ben ik blij dat ik hier mag zijn.’?

 

Blijdschap is niet iets dat zomaar plotseling uw leven binnenkomt.

Nee, daarvan geldt ook: ‘Hoe langer hoe meer…’ Het is niet zo, dat u zegt: ‘O, nu ben ik met God verzoend.’ Het is een proces.

De blijdschap begint daar, waar u als een veroordeelde zondaar buigt voor de Heere en berouw krijgt over uw zonden. Ze begint als u door de trekkende liefde aan Zijn voeten komt en u iets mag zien van de Heere Jezus en van Zijn gewilligheid om u zalig te maken.

Je ervaart dat Christus zo laag neerbuigt in het kleed van Zijn Woord, dat u de slip van Zijn mantel mag aanraken.

Dan bent u blij.

 

U bent dan in uw eigen waarneming nog niet met God verzoend, maar u weet wel dat u bij Hem moet zijn, omdat bij Hem het leven is. ‘Hij kan mij zalig maken.’

Het geloof groeit naarmate we de Heere Jezus mogen leren kennen als de Weg, de Waarheid en het Leven. Hij, Die Zich openbaart in Zijn Woord als de Schoonste van alle mensenkinderen.

 

Hij spreekt: ‘Ik ben de goede Herder. Ik heb Mijn leven gegeven voor Mijn schapen.’

Als u dat ziet en hoort, bent u vol verwondering.

U zegt dan:

‘Heere, mag ik daar ook bij zijn? Hebt U Uw leven ook voor mij gegeven?’

Als de Heere u daarbij insluit, is de blijdschap volkomen in uw hart en zegt u:

‘O God, wat bent U goed!’

Dan knielt u in aanbidding neer voor uw Zaligmaker Jezus Christus. Dan springt uw hart op van vreugde.

 

Herkent u dat: blijdschap, vreugde, bijvoorbeeld in het lezen van de Bijbel, omdat uw hart ernaar uitgaat? U doet uw Bijbel iedere dag open. U grijpt er iedere keer weer naar en soms bent u verwonderd over Gods goedheid.

De ene keer krijgt u een flinke tik. Dan bent u bedroefd, want u wordt ontdekt aan uw zonden. De andere keer, als de Heere iets oplicht van het zoenbloed van Jezus, bent u verwonderd over Gods goedheid.

 

Wat komt u dan graag naar de kerk! Wat een blijdschap om te luisteren naar de prediking, naar de verkondiging van het Woord! U leeft van de ene zondag naar de andere. Als de Heere Jezus wordt uitgestald in Zijn dierbaarheid, in Zijn gepastheid en als u Zijn Naam hoort noemen en Zijn werk hoort schilderen, dan springt uw hart op.

 

‘O, dat kruis van de Zaligmaker!’

‘O God, wat bent U goed! U gaf uit eeuwige zondaarsliefde Uw eigen Zoon in deze wereld.’

Dan kan er blijdschap zijn bij het zingen van de psalmen.

Dan zingen zij, in God verblijd,
Aan Hem gewijd,
Van ’s Heeren wegen

Want Hij gaf Zijn Zoon tot een verzoening van onze zonden.

Blijdschap in het bidden, in het zoeken van Gods aangezicht.

 

Geen groter blijdschap is er in God door Christus, dan wanneer u Hem door het geloof mag omhelzen als de Gegevene van de Vader.

O dierbare Heere Jezus, barmhartig God. Ik zal U eeuwig prijzen. Eeuwig zal ik U loven!

Dan mag u ‘halleluja’ zeggen, hoor! Prijst de Heere!

‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên.

Telkens als Hij tot u komt in het Woord en in Zijn middelaarsheerlijkheid, springt uw hart op van vreugde.

Wat blijdschap smaakt mijn ziel!

 

Gemeente, nu nog het vierde:

 

4. Een lust en liefde om voor God te leven

 

In antwoord 90b lezen we nog:

En lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven.

En vraag 91 zegt: Maar wat zijn goede werken?

Antwoord: Alleen die uit een waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter eer geschieden, en niet die op ons goeddunken of op menseninzettingen gegrond zijn.

 

Dat is de nieuwe gehoorzaamheid: lust en liefde om voor de Heere te leven.

Als u zo de rijkdom mag zien en de verzoening voor God mag beleven door het bloed van Christus, dan is uw enige hartenwens om voor God te leven, om Hem te loven, om tot eer van Zijn Naam bezig te mogen zijn.

Dan komen de vruchten als gevolg van de bekering in de dankbaarheid openbaar.

 

De droefheid heeft tot gevolg dat u de zonden hoe langer hoe meer gaat haten en vlieden.

De hartelijke vreugde heeft tot gevolg in alle lust en liefde naar Gods wil in alle goede werken te leven.

Niet uit dwang of omdat het moet, maar omdat u niet anders wilt. Niet tegen wil en dank, maar gewillig en met vreugde.

 

Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

Daar gaat het om. U krijgt vermaak in de wet Gods, naar de inwendige mens. U krijgt lust en liefde om voor de Heere te leven. Omdat de wortel goed is, is ook de vrucht goed.

 

Lust en liefde.

Dat is het hoogste doel van de bekering, dat ik ga leven voor God. Niet dat ik zalig word, maar dat God aan Zijn eer komt.

Deze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daarin strekt Gods eer, dat ik naar de wil Gods ga leven. Daar heeft God belang bij, want Hij heeft mij geschapen tot Zijn eer.

In de bekering vernieuwt Hij mij naar Zijn evenbeeld. God wil Zijn mens weer terug hebben zoals Hij hem geschapen heeft in het paradijs. Leven tot eer van Zijn Naam kan alleen maar door de nieuwe levenswandel.

 

God verheerlijken, is dat ook uw hartelijke lust en liefde?

Zegt u:

‘Ja, dat is mijn begeerte. Dat is echt wat ik wil. Of het ervan komt en of het altijd lukt, daar zou ik zomaar geen ‘ja’ op kunnen zeggen, want er is zoveel strijd en het is zo onvolmaakt. Maar het is mijn lust en mijn leven om dat te doen.’?

Dan ervaart u steeds meer de droefheid over de zonde. En toch, hoe meer u God lief krijgt en hoe meer we mogen zien dat Jezus onze zonden droeg, is er toch ook de blijdschap dat Hij de wet Gods volmaakt vervulde en dat Hij de schuld betaalde.

 

Ik sluit af met een vraag.

Maar hoe weet ik dan precies of ik naar de wil van God leef in goede werken?

Er zijn toch ook ongelovige mensen die veel goede dingen doen?

Als ik naar mezelf kijk, wat zijn dan die goede werken?

 

Goede werken komen voort uit een oprecht geloof.

Die zijn in overeenstemming met Gods wet. Die hebben Gods eer tot doel. Daar moet u ze maar aan toetsen.

We hebben de vorige keer in Zondag 32 gezien dat de goede werken geen plaats hebben in het stuk van de verlossing, maar wel in het stuk van de dankbaarheid. En wel als vrucht van het nieuwe leven door Gods Geest.

Twee mensen kunnen op het eerste gezicht hetzelfde doen en toch is het niet hetzelfde. Kaïn en Abel brachten allebei een offer. U zou misschien zeggen: geen verschil. Beiden bouwen een altaar. Beiden geven van hun bezittingen. Maar het hemelsbreed verschil zit in hun hart. De één doet het in het geloof en de ander niet. Daarom is Abels offer aangenomen en dat van Kaïn niet. Want zonder geloof is het onmogelijk om Gode te behagen.

 

Het tweede criterium is: naar Gods wet.

Geen menselijke inzettingen. U kunt ook een eigenwillige godsdienst opbouwen. Saul vond het ook maar beter om zelf te offeren, maar Samuël bestrafte hem.

Nee, naar Gods wet! Dat is het enige richtsnoer. Het wezen van de wet is liefde, de liefde tot God en de naaste. Zonder de liefde zijn er geen goede werken.

Zelfs met uw geweten moet u oppassen, want dat is gevormd door uw opvoeding. De genade corrigeert dat natuurlijk, maar u moet er mee oppassen. U kunt niet zeggen: ‘Mijn geweten veroordeelt mij niet, dus het is goed.’ Nee, ons geweten moet telkens weer afgestemd worden op het Woord van God.

 

Gemeente, hoe vaak hebt u echt Gods eer op het oog? Doen u en ik alles uit het geloof? Kan het allemaal de toetssteen van de heilige wet doorstaan?

Als u heel eerlijk bent en ik vraag u: ‘Houdt u veel goede werken over?’, moet u dan zeggen: ‘Ik houd veel schuld over; ik houd veel gebrek en tekort over; ik houd zoveel zelfbedoelingen en bijbedoelingen over.’?

Laat het ons maar uitdrijven tot Christus, Die de wil van Zijn Vader volmaakt heeft gedaan.

 

Als God ons naar Zijn evenbeeld vernieuwt, kunt u ook een ander geen gebrek zien lijden en kunt u niet in ruzie leven. Dan wilt u ook de naam van de ander niet door de modder halen. Dan kunt u de minste zijn en ook schade en onrecht lijden door Hem uit genade.

 

Gemeente, wat de onvolkomenheid van onze bekering betreft, laten we bidden met Jeremia: ‘Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de Heere, mijn God!’ (Jer. 31:18).

‘Heere’ staat hier met hoofdletters. Jahweh, de Verbondsgod, Wiens teken en zegel u draagt.

God heeft Zich met u bemoeid en daar mag u op terugkomen. U mag de hand leggen op het genadeverbond van God:  

‘Heere, ik kom tekort en ik doe het vaak verkeerd. Het is zo onvolkomen en besmet met veel gebrek. Maar bekeer mij, Heere, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de Heere, mijn God.’

 

Amen.