Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 3 : 1

Samen bouwen aan de muren van Jeruzalem

de priesters en de tempeldienst
de verscheidenheid van de werkers
de manier van werken
ons werk en Gods werk
Deze prekenserie over Nehemia is eerder in boekvorm uitgegeven door uitgeverij Boekhout. Nu worden deze preken, met wat kleine correcties, opnieuw gepubliceerd.

Nehemia 3 : 1

Nehemia 3
1
En Eljasib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broederen, de priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hananeel.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 5 en 4
Lezen : Nehemia 3
Zingen : Psalm 133: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 119: 83 en 84
Zingen : Psalm 108: 1

Het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in Nehemia 3. We lezen daarvan nu alleen vers 1:

 

En Eljásib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broederen, de priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hanáneël.

 

Ons thema voor de prediking is: het samen bouwen aan de muren van Jeruzalem.

We letten op vier aandachtspunten:

  1. de priesters en de tempeldienst;
  2. de verscheidenheid van de werkers;
  3. de manier van werken;
  4. ons werk en Gods werk.

 

  1. De priesters en de tempeldienst

Gemeente, we hebben samen Nehemia 3 gelezen. Misschien dacht u: Moet dat nou? Het lijkt wel op een geslachtsregister, al die namen en al die opsommingen.

Veel mensen slaan zo'n hoofdstuk bij de Schriftlezing over. Op het eerste gezicht lijkt het allemaal een beetje zinloos. Maar dat is het niet. Als je het gaat bestuderen, zie je zoveel rijkdom in dit hoofdstuk dat je jezelf moet beperken in wat je daarvan wil doorgeven.

Duidelijk wordt dat iedereen z'n eigen plaats kreeg in het opbouwwerk. Als een voortdurend refrein lezen we: 'en aan zijn hand bouwden', of 'daarnaast bouwden'. Je ontdekt een geweldige coördinatie in het werk. De mensen werden bij hun eigen woningen tewerkgesteld, ieder bij zijn eigen huis, tegenover zijn huis, bij zijn eigen kamer en dergelijke. Zo waren ze heel goed gemotiveerd, want het ging om hun eigen veiligheid. Ze waren geen reistijd kwijt en als ze werden aangevallen, zouden ze minder snel in de verleiding komen om hun post te verlaten. De mensen van buitenaf werden tewerkgesteld aan die delen van de muur waar weinig woningen waren.

Nehemia zette de mensen ook in op plaatsen die te maken hadden met hun speciale beroep. Ook vrouwen kregen een functie bij de bouw. Van tijd tot tijd bemoedigde Nehemia de werkers, om ze met des te meer ijver aan het werk te houden.

Zomaar een greep van de zaken die na een enkele keer goed doorlezen duidelijk worden. Maar het wordt tijd dat ik er dieper op inga.

 

Waarom moet er van God een muur zijn om Jeruzalem en om de christelijke gemeente?

Wel, voor de veiligheid. Die muur is nodig, omdat de wereld (de vijand) er anders in en uit kan lopen. Dan zouden we zo gemakkelijk door de wereld beïnvloed kunnen worden dat de gemeente niet meer 'heilig' is – apart gezet door God en voor God – maar wereldgelijkvormig. Die muur is nodig, omdat God zegt: ‘Gij geheel anders.’ De ingestorte of bouwvallige muur moet dus wel hersteld worden. We zagen al dat die muur de beschermende muur van Gods heilige en heilzame geboden is, waarvan de liefde de grondtoon is: de liefde tot God en tot elkaar.

Hoofdstuk 3 vertelt ons dat de Joden aan de slag gaan. Nehemia heeft een goed doordacht bouwplan. Hij is een goede organisator en een krachtige persoonlijkheid. Hij mag door Gods genade zoveel geestkracht uitstralen dat de mensen erdoor worden aangestoken en actief gemaakt.

Het gaat zowel om restauratie als om nieuwbouw: 7 keer is er sprake van bouwen en 35 keer van herstellen. Nehemia heeft de muur in 42 gedeelten of percelen verdeeld. En in ieder perceel is een groep bouwers tegelijkertijd aan het werk.

 

Ons teksthoofdstuk trekt in de beschrijving van het werk een kring om Jeruzalem. Het gaat uit van het noordoosten van de stad; daarna volgt het werk aan de westkant, om dan via het zuiden en het oosten weer naar het beginpunt terug te keren. Wat betekent dat?

Wel, Nehemia begint de herbouw van de muur bij de Schaapspoort. Dat lezen we in vers 1: En Eljásib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broederen, de priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hanáneël.

Dáár beginnen hogepriester Eljásib en de priesters: bij de Schaapspoort, aan de noordoostkant. Dat is het zwakste punt van Jeruzalem. Daar is de muur helemaal ingestort. Restauratie is niet voldoende; volledige nieuwbouw is nodig. Er staat: zij bouwden.

En waarom begint het hier? Omdat deze muur de tempelgebouwen ommuurt. Die muren moeten de tempel beschermen. De tempel en de tempeldienst zijn toch het hart van het bestaan van Israël, van de dienst van God – de eredienst, de dienst van de verzoening. Het hart van Jeruzalem is de tempel, zoals nu het hart van de kerk de prediking van het Woord is, de bediening van de verzoening.

Het is echt niet zomaar dat ons hoofdstuk met de tempel begint en eindigt. Dat wijst ons op de verzoening met God en de dienst van God. Dat is dan je een en al. Wie de kerk wil liefhebben, moet het Woord liefhebben. En wie het Woord wil liefhebben, moet Christus liefhebben, het Lam van God, dat de zonde der wereld weggedragen heeft.

 

Jongens en meisjes, de Schaapspoort, daar kwamen al die schapen, de offerlammeren doorheen om in de tempel geslacht te worden. Ga eens even mee naar de tempel. Kijk, daar worden de offers gebracht: brandoffers, schuldoffers, zondoffers. Zie je al die schaapjes gaan van de Schaapspoort naar de tempel?

Bij de Tempelberg stroomde de beek Kidron en dat water was helemaal rood gekleurd van het bloed. Eén keer per jaar ging de hogepriester met het bloed van de verzoening naar het heilige der heiligen en sprenkelde het op het verzoendeksel.

Die offers spreken van de straf van God op de zonde en van de vergeving die de Heere schenken wil. Wij hebben gezondigd ... Maar er is verzoening en vrede met God, door het bloed van het Lam van God: de Heere Jezus Christus. Er heeft een kruis op Golgotha gestaan. Wie in de gekruiste Christus gelooft, zal niet verloren gaan, maar eeuwig leven.

Kent u dat, gemeente? Hebt u door het geloof iets leren verstaan van deze verzoening met God? Kent u dat uitgedreven worden tot Christus, als een arme, verloren zondaar in uzelf? Jongelui, heb je daar de Heere Jezus voor nodig?

En wat gebeurt er nog meer in de tempel? Daar wordt Gods lof gezongen en daar zegenen de priesters het volk. Zij leren het volk ook Gods geboden.

Stel je voor dat Israël die offerdienst zou kwijtraken. Dan weten de Israëlieten niet meer dat God vergeving nodig acht en dat ze in de schuld staan bij God. Dan kennen ze Gods geboden niet meer. Dan worden ze gelijk aan de wereld. En daarom begint het bij de Schaapspoort; Israël moet bewaard worden bij de offerdienst, bij het wonder van de vergeving, bij Gods geboden en Zijn lof en zegen.

 

En Eljásib, de hogepriester, maakte zich op. Hij en de priesters gaan voorop.

Later zullen we nog zien dat hij een relatie heeft met Jeruzalems vijanden. Hij heeft immers aan Tobía, de Ammoniet, een kamer gegeven in de voorhof van de tempel. Maar hier zien we dat hij zich aan de invloed en zeggingskracht van Nehemia niet kan onttrekken. En als de hogepriester in eigen persoon meedoet, dan kunnen de priesters niet achterblijven. Ze hebben hun lange priestergewaden opgeschort en in plaats van naar het offermes grijpen ze nu naar de hamer, de beitel en de troffel. Een inspirerend voorbeeld. Nu durft niemand zich meer te onttrekken.

Gemeente, als het om de eer van God gaat, is er geen werk te min of te gering, ook al ben je ambtsdrager of heb je het witte boord om. We staan met elkaar in het gewone leven om dat te heiligen en te wijden aan God. Dat is heel belangrijk. We bouwen zo vaak zonder ons bouwsel te wijden aan de Heere. Dan ligt het gevaar van 'eigen eer' op de loer. Als het goed is, hebben we toch alleen Gods eer op het oog. Daarom staat hier in vers 1: En zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze. Bouwen en heiligen, dat is de inzet van de priesters. Zo staat het hele werk onder het motto: ‘Uw Koninkrijk kome’. De poort wordt aan God gewijd, voor God bestemd.

Dat is een zegen, als we zo ons werk en onze krachten aan de Heere mogen wijden, dat alles mag zijn tot eer van Hem. ‘Mijn hart, o Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid.’

 

Om ons eerste aandachtspunt af te sluiten, trekken we de lijn door van de hogepriester en de priesters naar onze grote Hogepriester, Jezus Christus. Al die lammetjes en die schapen die de Schaapspoort doorgingen, wezen op Hem. Heel Zijn leven heeft gestaan in het teken van de bereidheid om Zijn Vader te dienen. Als twaalfjarige jongen in de tempel zei Hij al tegen Zijn moeder: Wist gij niet, dat ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders? (Luk.2:49). In Johannes 17 horen we de Hogepriester bidden voor Zijn volk: ‘Vader, Ik heilig Mij voor hen.’

Hij is het Offer, het Lam en de Hogepriester. Hij verlost mensen om God te dienen en om hun leven aan God te wijden. Hij hing aan het kruis. ‘Mijn Verlosser hangt aan 't kruis.’ Wat een liefde. Hij bouwde de dienst van God door middel van de heilsfeiten. De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden (Ps.118:22). Dat gaat over Goede Vrijdag en Pasen, over kruis en opstanding.

Is uw levenshuis gebouwd op het vaste fundament van Zijn verdiensten, gewijd aan de dienst van de Heere?

Dat was ons eerste aandachtspunt: de priesters en de tempeldienst. We gaan nu letten op ons tweede aandachtspunt:

 

  1. De verscheidenheid van de werkers

We lezen vers 8: Aan zijn hand verbeterde Uzziël, de zoon van Harhója, een der goudsmeden, en aan zijn hand verbeterde Hanánja, de zoon van een der apothekers; en zij lieten Jeruzalem tot aan den breden muur.

De priesters gaan voorop en beginnen bij de tempel. De Levieten doen ook mee, zelfs de Nethínim, de tempelslaven. Maar ook het gewone volk, van allerlei rangen en standen: goudsmeden, handelaren, kruideniers, ambtenaren, apothekers, vrouwen, zelfs mannen uit Jericho, Thekóa, Gíbeon en Mizpa. Welvarende mensen: goudsmeden en apothekers. Die zullen een druk bestaan gehad hebben, maar ze deden wel mee. Daar hebben ze hun winkel dus ook weleens voor moeten sluiten. Maar de dienst van de Heere gaat voor.

Hoort u dat, u met uw drukke zaak, u die geen tijd hebt? Nee, zegt u, ik kan niet helpen, want ik heb geen tijd. Alles moet wijken voor de zaak – mijn zaak immers.

Jawel, maar hoe zit het dan met 'Míjn zaak', zegt de Heere. Als u sterft, moet u toch ook alles loslaten. Is er nu echt geen deel van uw tijd voor de Heere beschikbaar? Hij is het toch zo waard, meer dan het fijnste goud op aard’!

 

In vers 12 lezen we over de dochters van een zekere Sallum. De vrouwen doen dus ook volop mee. Zij dienen in het Koninkrijk Gods, naar de aard die God hen gaf bij de schepping.

De wereld spreekt over vrouwenemancipatie en feminisme. In het koninkrijk Gods dienen de vrouwen op de hun door God gegeven plaats.

En de jongelui doen ook mee. Kijk eens in vers 30: Na hem verbeterden Hanánja, de zoon van Selémja, en Hanun, de zoon van Zalaf, de zesde, een andere maat. Na hem verbeterde Mesullam, de zoon van Beréchja, tegenover zijn kamer. Die Hanun was de zesde zoon van zijn vader, de enige jongen uit een gezin die meedeed. Misschien ben jij de enige uit jullie gezin. Houd vol. En schep vooral vreugde in de dienst van God.

U hoort het, gemeente, het zijn niet allemaal bouwvakkers; er zijn ook juweliers (goudsmeden) en gewone mensen uit Thekóa, ambtenaren en kooplui, vrouwen en jongelui, maar ze werken eendrachtig aan de muur van Jeruzalem. Een rijke verschei­denheid. Ze helpen allemaal mee. Het werk mag niet te lang duren in verband met de vijandelijke acties. Snel en beslist moet de muur herbouwd worden. Nehemia kan iedereen gebruiken.

 

Dat vind ik hier ook zo mooi: ieder met zijn eigen gaven. U moet niet zeggen: ik ben ongeschikt. Vele handen maken licht werk. De goudsmid is gewend om met klein en fijn precisiewerk om te gaan. Het scheelt nogal wat of je met een edelsteen omgaat of met een gehouwen steen voor de muur. Het scheelt nogal wat of je als vrouw huishoudelijk werk doet, als priester catechiseert of als jongen naar school gaat. Maar de Heere wil van al die verschillende gaven gebruikmaken. En als dat gebeurt, gaat u het werk voor Jeruzalem, voor Gods gemeente, nog belangrijker vinden dan uw eigen werk.

Dat hebben die goudsmeden gemerkt in hun portemonnee, en die apothekers en kruideniers ook. Want toen ze aan de muur werkten, was hun zaak gesloten. Daaruit blijkt nu of de liefde tot God in je hart echt is.

Ik denk aan bid- en dankdag. Hebt u daar nog tijd voor? Wat hebt u ervoor over? Een atv‑dag? Of werkt u gewoon door? Is er dan geen liefde en geen geloof en geen leven uit Christus? Dan mis je eigenlijk nog alles. Je geloof moet toch ergens uit blijken.

 

Hier is ook duidelijk dat God die verscheidenheid van gaven in Zijn dienst stelt. Er is verscheidenheid van gaven, maar het is dezelfde Geest Die aan ieder een plaats en een taak geeft. De een heeft de gave van het spreken, een ander de gave van het luisteren, weer een ander de gave van het bidden, het dienen, het onderwijzen, of de gave van het meeleven. Er zijn ook creatieve gaven die God in Zijn dienst wil nemen tot de opbouw van Zijn gemeente. Alles tot opbouw van het lichaam van Christus.

Als u de Geest hebt ontvangen en Christus kent, wilt u graag meebouwen. De muur om de gemeente, de onderhouding van Gods heilzame geboden – en de hoofdinhoud is de liefde.

Er is zoveel te doen: geestelijk werk, vrijwilligerswerk, kerkelijk opbouwwerk, werk voor de school, in het gezin, op de vereniging. Weet u wie er in de gemeente werkloos zijn, wie er ziek zijn, wie er psychisch lijden, wie er te maken hebben met rouwverwerking, met eenzaamheid, met een ontspoord huwelijk, met zorg om de kinderen? Wie dwalen er van de gemeente af? Welke jongelui mis je in de kerk en op de vereniging? Wat is er allemaal niet te doen in het evangelisatiewerk; zoveel mensen gaan verloren.

Gemeente, wat hebben we de Geest van de gaven nodig om een bewogen hart te ontvangen en het voortdurende zicht op Christus en van daaruit het letten op elkaar en de beoefening van de liefde. Je moet in dat alles wel leren kiezen, heel concreet, want het werk in Gods gemeente is geen bijzaak, maar hoofdzaak.

U zegt: ik ben oud en gehandicapt; hoe kan ik meebouwen? Door de gebeden. Dan zult u ook daarin echte blijdschap ervaren, want God dienen geeft blijdschap.

 

Maar we moeten wel beseffen dat het hier niet gaat om activisme zonder wortel. We kunnen proberen hele muren om de gemeente heen te bouwen, maar 1 Korinthe 13 zegt: al zou ik me helemaal inzetten en ik had de liefde niet, dan ware ik niets. Het geheim van alle opbouwwerk in de gemeente is de liefde die zichzelf niet zoekt.

Tot zover ons tweede aandachtspunt over de verscheidenheid van de werkers.

 

  1. De manier van werken

We lezen in vers 2: En aan zijn hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijn hand Zacchur, de zoon van Imri.

Eendracht maakt macht. Als je al die mensen tegelijkertijd bezig ziet, overal om Jeruzalem heen – want Nehemia heeft het werk in 42 stukken geknipt en ieder heeft de verantwoordelijkheid voor z'n 'eigen stuk' – als je ze bezig ziet, dan ga je zingen: ‘Ai, ziet, hoe goed, hoe lief’lijk is het dat zonen van hetzelfde huis als broeders samenwonen’ en samenwerken. Ze zijn een van hart en een van ziel. Ze werken samen, schouder aan schouder. Ze bedoelen zichzelf niet, maar de heerlijkheid van God in Sion.

Het is een gesloten cordon van bouwers. Als één man werken ze onder leiding van Nehemia. Wat een onderlinge eensgezindheid en vriendschap. Mooi om zo samen de schouders eronder te zetten. Dat heeft wat.

 

Hoe weten we dat eigenlijk, van die eensgezindheid?

We lazen in vers 2: aan zijn hand. Dat staat er telkens weer. ‘Aan zijn hand’ betekent: naast het eerste of bovengenoemde perceel – schouder aan schouder. Ze werken niet tégen elkaar, maar mét elkaar. Het is niet zo dat op het ene perceel hard wordt gewerkt en op het andere gestaakt. Nee, naast elkaar. Vanaf vers 16 lezen we: na hem. Dat is: ‘naast hem’, of ‘daarnaast’. Niet individualistisch of op eigen houtje, of voor het eigen belang, maar met elkaar hebben ze het grote doel voor ogen.

Hoe keurig is alles geordend. Er wordt hard gewerkt. Er zit een heilige drang achter. Binnen twee maanden is het karwei geklaard.

Waar komt toch die eendracht vandaan? Het zijn immers niet alleen Joden uit Jeruzalem. Het is dus geen nationalisme. Ook uit andere steden komen ze: uit Jericho, Thekóa en Mizpa. Rijk en arm. Wie geeft die eendracht? De Heilige Geest, want God zoekt het goede voor Jeruzalem. De God van de hemel doet het gelukken. Als je elkaar in de haren zit, fnuikt dat de werkkracht. En het doet de naam van de Koning geen goed. Maar met elkaar, samen buigend voor de grote Koning, dat werk wordt gezegend. Vanwaar die eendracht? Omdat ze allen hetzelfde doel hebben: de eer van God. Ze verloochenen zichzelf.

Wat is dat een zegen, om zo een van hart en een van ziel te mogen zijn. Daar gebiedt de Heere Zijn zegen. Onderlinge verdeeldheid en haat en nijd verzwakt de gemeente, maar de liefde bindt samen. Zo moeten ouders samenwerken aan de muur om hun gezin, de leerkrachten als het gaat om de school en wij allen moeten samenwerken voor de muur om de gemeente. Gods geboden, daar ligt ons heil en het heil voor de maatschappij. Heb Christus toch vurig lief. Strijdt niet met elkaar, maar steun elkaar.

 

Dat niet alles goud is wat er blinkt, lezen we in vers 5: Voorts aan hun hand verbeterden de Thekoïeten; maar hun voortreffelijken brachten hun hals niet tot den dienst huns Heeren. De eenvoudigen uit Thekóa werken hard, maar de rijken 'brengen hun hals niet tot de dienst van de Heere'. Dat betekent: die steken hun nek er niet voor uit. Zij willen geen vuile handen maken; zij voelen zich er te goed of te voornaam voor. Blijkbaar hebben zij geen liefde en betrokkenheid bij het werk en de stad van God. De landadel van Thekóa laat het erbij zitten.

Daar heb je de hoogmoed. Eigenliefde gaat boven Gods eer. Geen hart voor de zaak van God en Zijn volk. Hebt u dat wel? Bent u bereid om het vuile werk op te knappen, uw krachten en gaven aan te wenden voor God? Als u 'nee' zegt, bedenk dan dat u eenmaal alles verliezen zult: uw leven, uw eer en uw bezit. Buig toch uw hals onder het juk van Christus. Wie hier zijn geloof niet laat zien in de werken, die valt straks eeuwig buiten de boot. En dan mist u ook heden al de vreugde die aan de dienst van God verbonden is.

 

We lezen gelukkig ook andere dingen. Er zijn zelfs mensen die twee stukken, twee percelen voor hun rekening nemen. Leest u maar mee in vers 27: Daarna verbeterden de Thekoïeten een andere maat; tegenover den groten uitstekenden toren, en tot aan den muur van Ofel. Anderen werken dubbelhard. Lees maar in vers 20: Na hem verbeterde zeer vuriglijk Baruch, de zoon van Zabbai, een andere maat; van den hoek tot aan de deur van het huis van Eljásib, den hogepriester. Baruch werkt vurig.

Wat een zegen om zo met ijver en lust bezig te zijn in de dingen van het Koninkrijk Gods. En dan mogen we hierbij zeker denken aan Christus. Hij is de bron van alles. De ijver voor Gods huis heeft Hem verteerd. Hij heeft zijn nek uitgestoken voor schuldige zondaren en zijn schouders aangeboden om de zware last van Gods toorn te dragen. Hij heeft Zijn leven afgelegd, zichzelf doodgeliefd aan het kruis. Hij wilde zelfs de gunst van Zijn Vader ontberen om ons in die gunst te herstellen. Hij hing aan het kruis, tot spot en smaad van iedereen. Hij verwierf de zaligheid. Om onzentwil is Hij arm geworden, om ons door Zijn armoede rijk te maken. Hij heeft het vuilste werk gedaan: de zonde gedragen.

Wat een gewillige Zaligmaker. Hebt u Hem lief? De dichter van Psalm 119 zingt daarover: ‘Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.’ We zingen dat samen uit Psalm 119, de verzen 83 en 84:

 

Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint;

zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.

Ik, Heer’, die al mijn blijdschap in U vind,

hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;

‘k doe Uw geboôn oprecht en welgezind,

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

 

Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis;

dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen.

Uw woord kan mij, ofschoon ik alles miss’,

door zijnen smaak, én hart én zinnen strelen.

Gij weet mijn weg en hoe mijn wandel is:

‘k wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.

 

  1. Ons werk en Gods werk

Toch maar goed dat we dit hoofdstuk met al die namenregisters niet hebben overgeslagen. Wat een onderwijs. Ja, Gods Woord heeft ons altijd iets te zeggen.

We zien Nehemia bezig als de biddende bouwer, een man die de binnenkamer kent, maar ook een man die van aanpakken weet. Bid en werk. En als we dit rapport in hoofdstuk 3 nagaan, moet het een lieve lust geweest zijn om deze mensen aan het werk te zien.

Dat werkt toch aanstekelijk, hoop ik. Zoveel mensen zeggen: 'Ik heb geen tijd', als er een beroep op hen gedaan wordt om iets te doen in Gods Koninkrijk. Wat een werkdruk vaak, wat een stress. En toch, waar de oprechte wil is om iets te doen in Gods Koninkrijk, daar vindt u ook een weg. ‘Geen tijd’ betekent meestal ‘geen zin’, niet gegrepen door de liefde tot God. Het is toch altijd weer een kwestie van prioriteiten stellen. Er is zo machtig veel te doen. De velden zijn wit om te oogsten. En als nu de goudsmid in Jeruzalem ging timmeren en metselen, mag u dan achterblijven?

 

Je deelname in het opbouwwerk van de gemeente laat ook zien wie je bent. Jezus zegt: ‘Waar uw schat is, daar is uw hart.’ Waar ligt jouw schat? Heb je gaven van de Heere gekregen op het gebied van studie, muziek, creatief zijn, vertelkunst en leiderschap? Besteed je die krachten en gaven ook ten dienste van de gemeente, tot eer van God? Wij krijgen onze gaven niet om die voor onszelf te houden, maar juist om daar anderen mee te dienen. Kun je dan rustig zeggen: Nee, daar heb ik nu geen zin in. Daar heb ik geen tijd voor. Mijn werk of mijn hobby gaat voor.

Dat kan een bewijs zijn dat je eigen ik je afgod is. Je kunt ook van je gaven of je bezittingen je afgod maken. Dan zeg je: eerst mijn carrière, mijn wil, mijn huis, mijn baan, mijn bezit, mijn ..., noem maar op.

God roept ons om te dienen, om te bouwen aan de muur: de onderhouding van Gods geboden. Een muur om de kerk, om verwereldlijking tegen te gaan, om eendrachtig de duivel tegen te staan.

En met welke stenen bouw je dan? Ik heb er al heel wat genoemd toen ik sprak over de verschillende gaven. Maar ik zal er nog een paar noemen.

 

Ons hoofdstuk begint met de muur rond de tempel. We moeten beginnen met de bewaring van het Woord tegen alle Schriftkritiek. En het bewaren van Gods Woord door er zelf naar te leven. De bediening van de verzoening is heilig. Als die verdwijnt, is er niets meer te bewaren binnen de muur. Dan is de kerk uitgeleverd aan allerlei wetenschappelijke ongeloofstheorieën. Het gaat om de verzoening. Bent u met God verzoend? De apostel roept ertoe op: Laat u met God verzoenen (2Kor.5:20).

Op dat fundament van Gods Woord worden de andere stenen gelegd. De steen van de liefde als de vervulling van de wet. Aan de liefde is de gemeente herkenbaar. Die steen verhindert jaloezie en eigenwilligheid. De liefde denkt geen kwaad. De steen van de gemeenschap der heiligen, zoals onze catechismus het zegt: dat we onze gaven ten nutte en ter zaligheid van de ander aanwenden. Geen groepsvorming is er te zien. Nehemia sluit niemand buiten om mee te doen. Denk ook aan de steen van het gebed, de nederigheid, de steen van de zelfverloochening, het meeleven en de belangstelling voor de ander, de steen van dienstbaarheid in nood en ziekte, maar ook trouw in de onderlinge samenkomsten.

 

Welk steentje hebt u, heb jij bij te dragen? Ben je bereid om te bouwen aan de kerk? Wat rijk om eendrachtig de muren te herstellen en de bressen te dichten, elkaar vermanend en opwekkend. Wat een zegen om zo beschermend bezig te mogen zijn voor elkaar, toeziende dat niet iemand verachtert in de genade. Maar Gods Woord is het fundament. ‘Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast.’

U moet ook goed beseffen dat het niet gaat om ons werk, maar om Gods werk. Daar loopt het allemaal op uit. Laten we eindigen in God. Hij maakte onderscheid waar het niet was. Dat wij onder het Woord mogen zitten, dat wij gemeente mogen zijn, geroepen heiligen, dat is een wonder, want in onszelf hebben we allen gezondigd en we derven de heerlijkheid van God. Maar de Heere heeft in Zijn ondoorgrondelijke genade zijn kerk gebouwd naar Zijn gemaakt bestek. Eerst een muur opgericht tussen Israël en de heidenen: de ceremoniële wet. Die muur is geslecht met Pinksteren.

God gaf in de volheid des tijds als fundament onder alle levende stenen Zijn eniggeboren Zoon. En op dat Fundament groeit de geestelijke tempel van Zijn gemeente, een tempel waarin God wordt gediend.

Christus bewaart Zijn kerk. Gelukkig hangt het niet van ons bewaren en ook niet van ons bouwen af. Toch wil God ons inschakelen; we zijn Gods medearbeiders. Wij kunnen de kerk niet beschermen tegen de invloed van de wereld, maar Christus, de grote Hogepriester, bidt voor Zijn kerk. Ze zijn wel ín de wereld, maar niet ván de wereld. En Hij kon zeggen: ‘Ik weet dat de Vader Mij altijd hoort.’

 

Gemeente, jongelui, ik eindig met een vraag: bouwt u, bouw jij al mee aan de muren van Jeruzalem, op de plaats waar God je heeft gesteld? Ieder bouwde bij zijn huis. Dat betekent nu: in je omgeving, in je gezin, op school, op je werk en in de gemeente. Dat kan alleen als de liefde van Christus in je hart woont. Bent u zelf al gebouwd op het enige fundament van Jezus' kruisverdiensten? Jezus zegt: ‘Ieder die Mijn woorden hoort en ze niet doet, die zal bij een dwaze man vergeleken worden die z'n huis op het zand gebouwd heeft. De slagregen is neergevallen en de waterstromen zijn gekomen en de winden hebben gewaaid en zijn tegen dat huis aangeslagen; en zijn val was groot.’

Een waarschuwing tegen activisme: denk eerst aan uw eigen levenshuis. Ben ik gered? Want al had ik allerlei bijzondere gaven en ik had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.

‘En een ieder die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, die zal ik vergelijken met een verstandig man die z'n huis op de steenrots gebouwd heeft.’ Toen het noodweer kwam – het oordeel van God – toen is dat huis niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond: op Christus' borgwerk. Dan hebt u verwachting. En dan zit je jezelf ook niet steeds vertwijfeld af te vragen of je wel toekomst hebt. Dan zeg je: ik weet in Wie ik geloofd heb. ‘Jezus, leven van mijn leven.’

Geloofszekerheid is de normale situatie van een christen. Wonderlijk – dan kun je bouwen en uitrusten, strijden en weten dat de overwinning behaald is door Christus. Dan is er verwachting: het nieuwe Jeruzalem, dat van God zal neerdalen, toebereid als een bruid die voor haar man versierd is. En het gebouw van haar muur is Jaspis. En in haar zal niet komen wat verontreinigt. God Zelf zal bij de mensen wonen en alle tranen van hun ogen afwissen. Hij maakt alle dingen nieuw. En Hij zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens om niet.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 108 vers 1

 

Mijn hart, o Hemelmajesteit,

is tot Uw dienst en lof bereid;

‘k zal zingen voor den Opperheer,

‘k zal psalmen zingen tot Zijn eer.

Gij zachte harp, gij schelle luit,

waakt op, dat niets uw klanken stuit’.

‘k Zal in den dageraad ontwaken

en met gezang mijn God genaken.