Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 32

Het leven der dankbaarheid

vindt zijn grond in het werk van Christus
bewijst zich uit de vruchten
is de enige weg tot de zaligheid
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk. Te bestellen via: heterensr@wxs.nl www.bethelkerkrotterdam.nl www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 116: 1
Lezen : Mattheus 5: 1 - 16
Zingen : Psalm 145: 3, 4 en 7
Zingen : Psalm 122: 1 en 3
Zingen : Morgenzang: 3

Gemeente, Zondag 32 van onze Catechismus is aan de beurt. Er gaat een nieuw deel beginnen, het derde deel:

Van de dankbaarheid, die men Gode voor de verlossing schuldig is.

We lezen Zondag 32:

 

Vraag 86: Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?

Antwoord: Daarom dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door Zijn Heilige Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor Zijne weldaden bewijzen, en Hij door ons geprezen worde.

Daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij, en dat door onze godzalige wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden.

Vraag 87: Kunnen dan die niet zalig worden die, in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren?

Antwoord: In generlei wijze; want de Schrift zegt dat geen onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, geldgierige, dronkaard, lasteraar, noch rover, noch dergelijke, het Konikrijk Gods beërven zal.

 

Zondag 32 van onze Catechismus spreekt over:

Het leven der dankbaarheid

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Het leven van de dankbaarheid vindt zijn grond in het werk van Christus

2. Het leven van de dankbaarheid bewijst zich uit de vruchten

3. Het leven van de dankbaarheid is de enige weg tot de zaligheid

 

Jongens en meisjes, ik heb een raadsel voor jullie. Wat is het dankbaarste schepsel op de wereld? Het dankbaarste schepsel op heel de wereld is… de hond. Want een goede hond blijft altijd bij zijn meester, ook als hij geslagen wordt. Dan doet hij zijn staart tussen zijn poten, maar hij blijft bij zijn meester.

Gemeente, daarover gaat in deze Zondag: dat we altijd bij onze Meester blijven en voor Hem leven. Ook als we geslagen worden, als het heel anders gaat dan wij graag hadden gewild of ons hadden voorgesteld.

 

Het leven van de dankbaarheid is het derde stuk in de Catechismus.

Iemand denkt: ‘Het eerste stuk over de ellende hebben we nu wel gehad!’ Nee, je kunt niet zeggen dat we de ellende gehad hebben, evenmin als dat de verlossing voorbij is. Misschien weet u het nog uit Zondag 1: óf je kent ze alle drie óf je kent ze geen van drieën. Ze horen alle drie bij elkaar. Ze gaan in het leven van Gods kinderen samen op, steeds weer en steeds meer. De kennis van de ellende is een doorgaand proces, maar ook de kennis van de verlossing. Steeds meer worden ze verdiept. Steeds meer heerlijkheid gaan we zien in onze Verlosser.

En toch gaat het God uiteindelijk om het derde stuk, want daarin komt een mens weer tot zijn doel.

 

God heeft ons geschapen om Hem te dienen, Hem te vrezen, Hem lief te hebben, Hem gehoorzaam te zijn. Het leven van de mens stond in de gemeenschap met God. Dat zijn we kwijtgeraakt door onze zondeval, door onze vader en moeder, Adam en Eva. Daar komt dat allemaal door. Maar door Zijn herscheppende werk werkt de Heere er weer op aan dat Zijn beeld wordt vernieuwd in ons leven en dat er weer oprechte dankbaarheid komt jegens God, onze Schepper.

 

Een dankbaar mens blijft dicht bij zijn Heere, zoals een hond bij zijn baas. Ook als hij geslagen wordt. Daarover gaat het in deze Zondag. God maakt Zijn volk klaar voor de hemel, voor het leven op de nieuwe aarde. Om Hem altijd te loven en te danken.

Het doel van de genade die de Heere verheerlijkt in ons leven is dat wij goede werken, die aangenaam zijn voor God, zullen doen, als voorbereiding op wat er komen gaat.

 

Gemeente en jongelui, u die eens belijdenis hebt gedaan, u hebt dat beloofd. U hebt voor in de kerk, gezworen dat u uw leven met goede werken zult versieren. Dat hebt u beloofd toen u belijdenis deed. Daar mag ik nu op terugkomen.

Dankbaar zijn, goede werken doen, je leven daarmee versieren, komt dat wel uit de verf?

Bent u niet geneigd om u nu even terug te trekken en te denken: ‘Ja, wat breng ik daar nu eigenlijk van terecht?’ Ik denk dat ook. Want ik kan niet dankbaar zijn en dat kun jij ook niet en niemand hier.

Dankbaar zijn is genade en tegelijkertijd een opgave. Dat is nu juist het moeilijke en tegelijkertijd het mooie. Het is een gave van God en een opgave. Christus heeft ons verlost en Hij vernieuwt. Dat is ten diepste het leven van de dankbaarheid.

 

Weet u waar de Heere ons vindt? In slavernij aan de zonde, als gebonden mensen. We zijn geboren als kinderen des toorns. Maar als u dan bedenkt dat Christus kwam en dat Hij uit louter genade Zijn bloed gestort heeft, zouden we dan niet in jubel uitbreken en zeggen: ‘Heere, als U dat hebt gedaan, wat zal ik U dan voor al Uw weldaden vergelden, aan mij bewezen?’ We worden geroepen om tot onszelf te komen.

We moeten samen beschaamd het hoofd buigen en zeggen: ‘Wat komt er nu eigenlijk van terecht in mijn leven? Wat komt de Heere veel aan mij tekort!’ Want, gemeente, een mens blijft altijd schuldenaar voor de Heere God, in alle drie de stukken. Ook in het stuk van de dankbaarheid.

 

Schuldig aan al Gods geboden, door onze zonden, groeien we op. Maar als we mogen weten dat onze zonden vergeven zijn door het bloed van Christus en dat de Heere God al onze schuld en zonden uit Zijn boek heeft weggedaan, dan komt er weer een andere schuld. Je zou kunnen zeggen: een ereschuld, een liefdeschuld. Dan zijn we dankbaarheid verschuldigd.

Zo blijf je altijd schuldenaar. Of aan Gods recht, als je nog niet met God verzoend bent, óf aan Gods liefdesbevel. Over dat laatste gaat het hier. Net als een hond die altijd bij zijn meester blijft, moeten wij in gemeenschap met Christus leven, door de levenssappen uit Hem, als de Wijnstok te trekken, om als een rank goede vruchten voort te brengen, tot eer van God.

 

In onze eerste gedachte zien we:

 

1. Het leven van de dankbaarheid vindt zijn grond in het werk van Christus

 

Had Hij niet verlost, wij zouden niet dankbaar kunnen zijn. Zou Hij niet vernieuwen door de Heilige Geest, wij zouden evenmin dankbaar kunnen zijn.

Vraag 86 is best begrijpelijk. Zullen we hem nog eens lezen?

Aangezien wij uit onze ellende, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?

Waar is dat dan voor nodig? Als Christus voor de zaligheid betaald heeft, dan hoeven wij toch niet meer te betalen, te werken? Inderdaad. Dat wil de Catechismus hier duidelijk maken. Wij kunnen en behoeven de hemel niet te verdienen, want dat heeft Christus gedaan. Tot drie keer toe wordt dat in de vraag uitgesloten. Er staat: ‘zonder enige verdienste’, ‘alleen uit genade’ en ‘door Christus’. Het is alles uit Hem.

Hoe zit het dan met de goede werken? Die leggen geen gewicht in de schaal bij de verlossing. De rechtvaardiging is door het geloof, alleen om de verdienste van Christus’ wil, omdat Hij is gestorven en opgestaan.

Goede werken hebben hun plaats in het stuk van de dankbaarheid. Daardoor kun je laten zien Wiens eigendom je bent en voor Wie je leeft. Ze zijn niet de weg naar de verlossing, maar ze zijn vrucht van de verlossing. We zingen: ‘Om die te doen uit dankbaarheid.’

Maar goede werken kunnen niet achterwege blijven. Als je geen goede werken doet, heb je geen geloof. Dan heb je een dood geloof, zegt Jakobus. Er is geen andere manier om je dankbaarheid aan de Heere te tonen.

 

Voor onze jongens en meisjes zal ik een voorbeeld geven om duidelijk te maken dat het genade is en toch opgave.

Stel dat papa of mama jarig is. Zelfs de kleinste hummels staan met een pakje in hun handen, om een cadeautje te geven aan papa of mama. De grotere kinderen doen het van hun zakgeld. De kleine kinderen hebben misschien niet eens zakgeld, hun cadeau komt uiteindelijk uit de portemonnee van mama of uit die van papa. Die krijgen uiteindelijk cadeautjes van het geld dat ze zelf hebben verdiend. Toch straalt hun gezicht en zijn ze blij en zeggen ze: ‘Dank je wel, wat ben ik daar nu blij mee!’

Is dat huichelen? Nee, helemaal niet, Waarom niet? Daarin proeft vader, daar proeft moeder de liefde van de kinderen. Uit liefde geef je terug wat vader en moeder eerst zelf hebben verdiend.

 

Zo is het ook in het leven van de dankbaarheid. God krijgt Zijn eigen werk terug. Wij kunnen van onszelf, zonder de genade van God, geen goede vruchten voortbrengen.

In antwoord 86 lezen we twee dingen. Christus heeft met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt en door Zijn Heilige Geest vernieuwt Hij naar Zijn evenbeeld.

Het is Zijn werk. Alles uit Hem. Gekocht en vrijgemaakt. Dat is hetzelfde als rechtvaardiging en heiliging, vergeving en vernieuwing. Die zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het zijn schakels in dezelfde keten van het heil, van de heilsorde.

In de heiligmaking, in het leven van de dankbaarheid, wordt de mens zelf actief. Niet in eigen kracht, maar in afhankelijkheid van God. Uw vrucht is uit Mij.

Hoe dichter bij je Meester, hoe meer vruchten je zult dragen.

 

Gemeente, de vernieuwing van een zondig mens begint als iemand wederom geboren wordt en het gaat heel je leven lang door.

Je raakt bedroefd over je zonden. Je strijdt ertegen. Het is ook heiligmaking, als je strijdt tegen de zonden.

Je krijgt vreugde in God. Er komt nieuw leven in je hart.

Je krijgt een nieuwe wil. Je wil wordt vernieuwd. Je gaat willen wat God wil.

Je verstand wordt verlicht.

Je genegenheden en je verlangens, alles wordt gericht op de Heere en op Zijn dienst en op Zijn Woord.

Je levenswandel wordt ook geheiligd.

 

Christus heeft betaald met Zijn bloed. ‘Zijt heilig, want Ik ben heilig.’ Zijn bloed nam de schuld weg van de zonde.

Maar daar blijft het niet bij. Hij is een hele Zaligmaker. Hij vernieuwt ook. Door Zijn Geest neemt Hij de smet weg. Je wilt heilig voor de Heere leven. Die levensvernieuwing, hier in beginsel, loopt uit op de eeuwige zaligheid. We worden hier al een ander mens, vernieuwd naar het evenbeeld van Christus.

 

Als de Heilige Geest begint in uw leven en in mijn leven, dan treft Hij een totaal vernield beeld van God aan. Dat noemt de Bijbel de oude Adam. De Heilige Geest gaat stukje bij beetje dat beeld van de oude Adam afbreken en vernieuwen.

 

Ik las in één van de verklaringen een mooi beeld. De Heilige Geest gaat met een fijn penseel, streek voor streek, het beeld van Christus, de tweede Adam, over het beeld van de oude Adam heen schilderen. Zijn reine ogen over onze onreine ogen heen. Zijn vriendelijke mond over onze hatelijke mond. Zijn zegenende handen over onze zondige handen. Zijn bereidwillige voeten over onze onwillige voeten. En dan niet zo, dat het er als een verfje aan de buitenkant opzit. Nee, dan bakt Hij dat er helemaal in.

 

In onze handel en in onze wandel gaan we lijken op onze Meester. Het was ook Zijn spijze om te doen de wil van Zijn hemelse Vader. Dat wordt dan ook onze spijze. Hij, Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed niet dreigde. Zo komt het beeld van God weer terug in het leven van een christen. Dan ga je weer beantwoorden aan het doel dat de Heere met je leven heeft. Dan ga je weer beantwoorden aan je roeping.

Dit volk heb Ik Mij geformeerd; zij zullen Mijn lof vertellen.

 

We hebben in de eerste gedachte gezien dat het leven van de dankbaarheid zijn grond vindt in het werk van Christus. Hij kocht. Hij vernieuwt. Hij doet dat, maar door ons heen.

 

Nu de tweede gedachte:

 

2. Het leven van de dankbaarheid bewijst zich uit de vruchten

 

We lezen in het tweede gedeelte van antwoord 86: ‘

Opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor Zijn weldaden bewijzen, en Hij door ons geprezen worde.

Dat is het eerste.

Het tweede:

Daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij.

En ten derde:

Dat door onze godzalige wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden.

Tot Gods eer, tot onze eigen troost en tot heil van onze naaste.

 

Het eerste:

Opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor Zijn weldaden bewijzen en Hij door ons geprezen worde.

 

Prijst u de Heere vaak? Je hebt mensen die roepen heel hun leven: ‘Prijs de Heer!’ De vraag is dan natuurlijk: Is dat een gewoonte geworden of is dat echt? Vindt dat zijn diepe weerklank in ons hart?

Het is wel de bedoeling dat ons leven zo is. De ellende moet gekend worden en de verlossing ook, maar het gaat om het stuk van de dankbaarheid. Dat is de kroon op het werk van de Heilige Geest. God komt weer tot Zijn doel met de mens als we Hem verheerlijken.

Dat is door de zonde onmogelijk geworden. Wat is dat erg, als je dat ziet bij jezelf! Als je ziet wat God van je vraagt en wat je ervan terecht brengt. Gaat u daar nooit eens onder gebukt? We zijn geschapen als Godlover. Niet als vloeker of als echtbreker of als dief.

Een hond blijft nog bij zijn baas en wij, wij kunnen de Heere verlaten. Jesaja zegt: ‘Een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe van zijn heer; maar Mijn volk verstaat niet.’

We zijn wel mens gebleven, verantwoordelijk schepsel in relatie tot God, onze Schepper. Het is heerlijk als God ons oog opent voor de verlossing die in Christus Jezus is. En dat voor een mens die alles heeft verzondigd.

Maar dan zijn we nog niet waar de Heere ons hebben wil. We zijn geschapen om Hem te prijzen en Hem te loven. Hij wil ons klaarmaken voor de taak die wacht in de eeuwigheid, in het hiernamaals, waar gerechtigheid woont.

 

Het is niet alleen nodig dat we God prijzen en danken met onze mond. We moeten spreken met ons leven. De Catechismus zegt dat ook met nadruk: Met ons ganse leven.

Kijk, dat is moeilijker dan alleen maar zeggen ‘Prijs de Heer!’ Het is moeilijker om met je ganse leven dankbaarheid te bewijzen. Daders des woords, zegt Jakobus, en niet alleen hoorders.

Het geloof heeft niet alleen een hart, maar ook handen en voeten. Dat kan een ander zien en daar worden we op beoordeeld. Daarom hebben we gelezen in Mattheüs 5: Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat ze uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

Zijn wij zulke lichtdragers? Wat komt er van de dankbaarheid terecht in ons leven?

 

Er zijn mensen die dat van zichzelf niet durven zeggen. Van die mensen zeggen we weleens: ‘Die dragen het lantaarntje op de rug.’ Zelf zien ze dat niet zo. Zelf klagen ze soms over gebrek aan heiligheid, dat ze die veel meer zouden willen hebben. Maar anderen zien hun goede werken en ze verheerlijken God in hun leven. En daar gaat het om.

Hoe staat het met de eerste vrucht? Is ons leven één dankoffer en lofprijzing aan God, vanwege de verkregen verlossing? Of hebt u de verlossing nog niet eens gekregen? Ontvang de Heere! Hij biedt het aan. Het ligt niet aan Hem. Er is zóveel verworven.

 

Christus is een gewillige Verlosser, een gewillige Zaligmaker. Past ons hier geen verootmoediging, juist ook onder hen die de Heere vrezen? Een slordige levenswandel is zo erg. In het vergeten van de Heere wordt Hij niet geprezen. Waar is de eerste liefde? Zegt Jezus niet tegen de gemeente van Efeze: ‘Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten.’?

 

Nu het tweede aspect:

Dat elk bij zichzelf van zijn geloof, uit de vruchten verzekerd zij.

 

Dat is best een moeilijk punt, vindt u niet? Er is ook heel wat kritiek op gekomen. Want je zou kunnen denken: ‘Ja maar, ligt dan de grond van de zaligheid in de goede werken?’

Nee, dat bedoelt de Catechismus niet. Daar staat ook niet dat ik ‘van mijn zaligheid’ verzekerd zij, maar ‘van mijn geloof’. De zekerheid van het geloof rust in het Woord en in het getuigenis van de Geest in onze harten, dat we kinderen Gods zijn.

Ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord.

Ik roem in God en ik prijs het onfeilbare woord.

Toch heeft nooit iemand zijn leven verbonden aan de Heere en Hem verheerlijkt, of hij werd daar zelf geestelijk rijker door. Want de rank die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.

 

Gemeente, de zekerheid ligt in het Woord. Maar het geloof openbaart zich in de vruchten.

Het valt niet te ontkennen dat een voorzichtige levenswandel en een aangebonden leven aan de troon der genade meer vrijmoedigheid geeft in het geloven. Dat gaat samen op. U mag het ook omkeren: een slordig en een zondig leven veroorzaakt vaak de verberging van Gods aangezicht en geestelijke duisternis en onzekerheid in uw hart.

Een vruchtdragend leven, een leven dicht bij de Heere, geeft vrede in je hart en vrijmoedigheid in het getuigen en zekerheid in het geloven en een innerlijke gerustheid, waardoor het geloof wordt gesterkt. Dat leven geeft innerlijke verrijking van het geloof.

Wij zijn vanuit de Reformatie zo geneigd zijn om te zeggen: ‘Alleen maar de rechtvaardiging door het geloof.’ Dat is het ook. Maar de Bijbel zegt méér. De Bijbel spreekt ook over loon op de goede werken.

‘Maar goede werken zijn toch van de Heere?’ Ja, alles uit Hem. Maar ondertussen gaat het wel dwars door ons heen. Het is wel een vernieuwing van ons hart en ons leven.

Het loon op de goede werken is een goed geweten voor God. Een slecht geweten geeft onvrede. Als er iets tussen God en ons hart ligt, is de vrijmoedigheid weg. Een slecht geweten geeft onvrede, verhindert de gebeden.

De zekerheid van het geloof is een werk van de Heilige Geest, Die getuigt met onze geest. Maar de zekerheid van het geloof neemt toe, naarmate ook de vruchtbaarheid toeneemt.

De weg van de geloofsgehoorzaamheid is tegelijkertijd ook de weg naar de geloofszekerheid. ‘Wat vreê heeft elk die Uwe wet bemint!’

 

Wie onvruchtbaar leeft, heeft zijn doel gemist. De onvruchtbare vijgenboom beslaat nutteloos de aarde. Die moet omgehakt worden en in het vuur geworpen.

Nou, bent u dan niet bang dat de boom van uw leven eraan gaat? En jullie, jongelui? Wat voor vruchten mag je voortbrengen voor de Heere? Onderzoek je er eens op, want aan de vruchten kent men de boom.

 

Om welke vruchten gaat het dan? Je kunt beginnen met die hele mooie vruchten die Paulus noemt in zijn brieven: geloof, hoop en liefde. In Galaten 5 vers 22 staat de vrucht van de Geest. Allemaal aspecten van één en dezelfde vrucht, namelijk het werk van de Geest: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Als die vruchten er zijn, mag je zeggen: ‘Kijk, de wortel is goed.’

En wat zijn slechte vruchten? Keert u het dan maar om. Hoogmoed, roddelzucht, een materialistische levenshouding, onverzoenlijkheid. Herkent u dat niet? ‘Hij moet eerst maar eens…’ Dat is onverzoenlijkheid!

Leest u verder maar in antwoord 87. Daar vind je die slechte vruchten.

Geen onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, geldgierige, dronkaard, lasteraar, noch rover, noch dergelijke, kan het Koninkrijk van God beërven.

Dat zijn allemaal vruchten van de oude boom, van Adam. De wortel deugt niet.

We kunnen die kwade vruchten wel heel behoedzaam verbergen achter het gebladerte van ons godsdienstig leven, maar ze komen toch voort uit de oude wortel van ons bestaan.

Als we in de spiegel kijken, wat ontdekken we dan? Goede vruchten of kwade vruchten? Wat is dan de conclusie die we trekken? Zijn we niet zondig tot in de wortel van ons bestaan? Als we de vruchten van ons leven aandachtig gaan bekijken, is dat helemaal niet zo opwekkend. Integendeel! Weet je waarom? Omdat er niet één vrucht helemaal gaaf is. Dat ziet een ander soms niet, maar onze beste werken zijn met zonde besmet. Er zitten nog zoveel doorns en distels tussen.

Hoe langer we naar de vruchten kijken, hoe mismoediger een mens wordt. Als je een leven dicht bij de Heere hebt, kun je je eigen vruchten niet in de hoogte steken. Maar dan zeg je:

‘Heere, ik wil het toch zo graag. Ik wil het goede en ik probeer het ook. Maar soms val ik weer zo diep in de zonde. Er komt niets van terecht.’

 

Het blijft een strijd. U hebt nog niet tot den bloede toe tegengestaan, strijdende tegen de zonde. Herkent u dat niet?

Misschien kunt u maar geen goede vruchten bij u ontdekken. Naakt en kaal steekt uw levensboom zijn takken omhoog. Herkent u dat? Dan heb ik toch nog een kleine troost voor u. Uw verootmoediging en schuldbesef en het zien van gebrek aan vruchten, is een bewijs dat je niet zonder vruchten bent. Want dan zie ik toch nog de vruchten van ootmoed hangen en van zelfvernedering.

Stel dan je vraag maar aan de Heere. Belijd uw onvruchtbaarheid maar aan Hem. En steek uw levensboom met zijn naakte takken maar omhoog. Naar Wie dan? Naar Christus Jezus, die vruchtdragende Borg en Hogepriester, Die gezegd heeft: ‘Uit u geen vrucht in der eeuwigheid, maar uw vrucht wordt uit Mij gevonden.’

Als u met Mij verbonden bent door het geloof, als de levenssappen stromen, dan komen er vruchten, al kun je het er soms niet voor houden. Dan loop je met het lichtje op je rug.

 

De derde vrucht waaruit dat leven met de dankbaarheid voor God blijkt:

Dat door onze godzalige wandel onze naaste voor Christus gewonnen worde.

 

Zou het geen blijdschap geven als u ziet dat u door uw levenswandel wel eens een ander mag meetrekken, dat een ander jaloers gemaakt wordt op het geluk van hen die de Heere vrezen? Zou dat geen blijdschap geven? Zou dat geen zekerheid in het geloven geven? Het tere leven nabij de Heere wordt vaak door de Heere gebruikt om anderen tot jaloersheid te verwekken.

 

Daar zijn veel voorbeelden van. Ruth mocht zoveel heerlijkheid van de dienst van God zien in het leven van Naomi, dat ze alleen al op grond daarvan de onberouwelijke keus heeft gemaakt: ‘Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God mijn God.

Al moet je dan belijden maar een klein beginsel te hebben van die nieuwe gehoorzaamheid. Al moet je met Paulus zeggen: ‘Het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.’ Al moet u zich telkens opnieuw weg schamen. Het wonder is dat de Heere mensen gebruikt als slijk in Zijn handen, om anderen te winnen.

 

Wat is dat groot, als je zo een middel mag zijn! Als moeder voor je kinderen. Ouders, u verhindert ze toch niet? Ze kunnen toch in uw leven wel zien wat de dienst van de Heere u waard is? Je zegt toch niet: ‘Doe wel naar mijn woorden, maar kijk niet naar mijn leven?’ Dat werkt niet. Dat is gespletenheid. Dan worden onze kinderen in verwarring gebracht. Laat het in uw gezin maar zien wat de dienst van God u waard is. Het is zo’n heerlijk middel. Hoe meer parels er gehecht worden aan de middelaarskroon van de Heere Jezus, hoe groter de heerlijkheid van de Koning is.

 

Jongens en meisjes, mogen jullie al vruchten dragen? Je zult zeggen: ‘Ja maar, dan moet je toch minstens veertig jaar zijn?’ Niets daarvan! Een meisje van twaalf of van dertien, een jongen die de Heere vreest, die dragen vruchten. Zelfs zó, dat anderen het zien en dat het opvalt op school en in de klas. Dan kom je op voor de eer van God.

Als anderen dan dingen doen of moppen tappen die niet deugen, dan doe je niet mee. Als het even kan, zeg je eerlijk wat je ervan vindt.

Kom je ervoor uit? Kunnen ze het aan je zien? Of doe je mee? Dat is zo gevaarlijk. Er zijn zelfs jongens en meisjes die in hun hart de Heere liefhebben en als ze bij hun vrienden zijn doen ze mee. Daar heb je later echt spijt van. Als ze dan ‘s avonds hun knieën buigen, zeggen ze: ‘Heere, vergeeft U mij.’ Ja, dat mag je vragen, maar het is ook goed om te zeggen: ‘Dat doe ik niet meer. De volgende keer zal ik het toch anders doen.’

 

Kom je ervoor uit, dat je de Heere mag dienen? Of is juist in je leven te zien dat je Hem niet dient? Dat zou toch erg zijn! Wat erg als wij een sta-in-de-weg zijn voor onze omgeving! Op de fabriek, op het land, op het kantoor, in de pastorie en op school. Dan gaat er geen goede reuk uit voor het Koninkrijk van God. Zelfs in al onze godsdienstigheid kunnen we anderen verhinderen om in te gaan.

Het gaat om onze levenswandel. Leer en leven moeten met elkaar in overeenstemming zijn. Wat kunnen we soms barrières opwerpen voor anderen, hetzij door een onheilig leven, hetzij door onze woorden!

Wat wierpen de farizeeën barrières op voor de mensen in het komen tot de Heere Jezus Christus! Ze vormden zo’n dichte haag om Jezus heen, dat de geraakten niet eens bij Hem konden komen. Wee ons, als we zo handelen!

Niet iedereen is geroepen om het Woord van God te prediken. Maar het is wel onze levensroeping om zo te leven dat anderen voor de Heere gewonnen worden.

Als de Geest ons vernieuwt gaan we lijken op onze Meester en zoeken we wat verloren is, binnen de gemeente en ook buiten de gemeente.

 

Gemeente, de wereld heeft er schik in als wij uitglijden. Dan zeggen ze: ‘Kijk eens, die zware lui! Dat zijn ze nou!’ Dat is heel erg. Dan geven we oorzaak dat de Naam van de Heere gelasterd wordt. Jakobus zegt: ‘Niet doen!’ Toon uw geloof uit uw werken en vraag maar in ootmoed: ‘Heere, wilt U ook mij de genade schenken, zodat ik anderen tot zegen mag zijn.’

Word evangelist, daar waar de Heere u plaatst. Op school, op uw werk en waar dan ook. En zing het maar:

Kom, ga met ons, en doe als wij.

Jeruzalem, dat ik bemin,

Wij treden uwe poorten in.

 

We zingen dat samen uit Psalm 122, de verzen 1 en 3:

 

Ik ben verblijd, wanneer men mij

Godvruchtig opwekt: Zie, wij staan

Gereed, om naar Gods huis te gaan;

Kom, ga met ons, en doe als wij.

Jeruzalem, dat ik bemin,

Wij treden uwe poorten in;

Daar staan, o Godsstad, onze voeten.

Jeruzalem is wél gebouwd,

Wél saamgevoegd; wie haar beschouwt,

Zal haar voor ’s Bouwheers kunstwerk groeten.

 

Dat vreed’, en aangename rust,

En milde zegen u verblij’;

Dat welvaart in uw vesting zij,

In uw paleizen vreugd en lust.

Om vriend en broed’ren spreek ik nu:

De vrede zij en blijv’ in u;

Nooit moet haar nijd of twist verkloeken;

Om ’s HEEREN huis, in u gebouwd,

Waar onze God Zijn woning houdt,

Zal ik het goede voor u zoeken.

 

Gemeente, het leven van de dankbaarheid vindt zijn grond in het werk van Christus. Hij kocht, Hij vernieuwt door Zijn Geest. Het bewijst zich in de vruchten, tot Gods eer, tot onze troost en tot heil van de naaste.

Nu het laatste punt:

 

3. Het leven van de dankbaarheid is de enige weg tot de zaligheid

 

Vraag en antwoord 87:

Kunnen dan die niet zalig worden, die, in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren?

In generlei wijze.

De enige weg is de weg van de heiligmaking, want zonder heiligmaling zal niemand de Heere zien. Mensen die in een ondankbaar en goddeloos leven voortvaren, kunnen niet zalig worden.

Dat is even wat! Als je daar eens even bij stilstaat, dat er mensen zijn ─ en misschien zijn ze ook wel hier ─ die niet kunnen zalig worden. Dat is erg!

Hoe komt dat? Omdat ze niet uitverkoren zijn? Nee, u weet wel beter. Omdat ze niet willen. Omdat ze in hun goddeloos leven voortvaren en zich niet willen bekeren tot God.

Ze blijven voortvaren ─ neem dat ‘varen’ maar letterlijk ─ op de stroom van de goddeloosheid en de ondankbaarheid. Ze verzetten zich daar niet tegen en ze strijden daar niet tegen. Ze zijn in hun element in het leven in de zonde.

Hun geweten schrikt weleens even. Ze zien op de straf, als er eens een sterfgeval is in de familie of in de kennissenkring. Dan krimpt het hart weleens even ineen, onder druk van de gedachte aan het oordeel dat komt. Maar de zonde loslaten, nee, dát niet. Daarvoor is de zonde hen te lief. Ze leven in de zonde als een vis in het water.

 

Voelt iemand zich aangesproken? Wees nou eens eerlijk. Jongelui, onder jullie misschien? Of onder de ouderen? Ben je als een vis in het water van de zonde? O, breek er toch mee! De Heere zegt: ‘Bekeert u, want waarom zoudt gij sterven?’

De Bijbel zegt dat geen afgodendienaar, onkuise, echtbreker, dief, geldgierige, dronkaard, lasteraar, rover noch dergelijke het Koninkrijk van God beërven zal.

 

In het nieuwe Jeruzalem komt niets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt.

Maar David dan? Dat was toch een echtbreker en ook nog een moordenaar? Ja, dat is zo. Noach was een dronkaard. Hier wordt toch gezegd dat zulke mensen er niet komen? Jakob was een dief. Manasse was een wreedaard. Petrus was een loochenaar van Christus. En Paulus was een grote vijand. Hij vermoorde christenen.

 

Zijn die mensen niet bij de Heere? Ja, die zijn er wel.

Maar nu komt het: die zijn niet op de stroom van hun zonde en goddeloosheid voortgevaren, die hebben zich bekeerd. Die zijn onder God terechtgekomen. Die zijn daarvoor in de schuld gekomen. Die hebben berouw gehad. Zij hebben vergeving van zonden ontvangen.

Zij zijn wel in de zonden gevallen, maar ze zijn er niet in blijven leven. Zij zijn zondaar gebleven tot op hun laatste snik. Dat is waar. Maar innerlijk hebben ze met de zonden gebroken.

 

Dat is een strijd. Als u dat ook gedaan hebt, als u innerlijk met de zonden hebt gebroken, dan weet u: dat is een geweldige strijd. Dan is alle rust je opgezegd in je leven. Hoe gebrekkig onze heiligmaking dan ook is, we jagen naar de volmaaktheid.

‘Ik heb een vermaak in de wet Gods,’ zegt Paulus, ‘naar de inwendige mens.’ Een hartelijke liefde en lust om naar al de geboden van de Heere te leven.

 

Het levende geloof blijkt uit de vrucht. Dat is de enige weg tot de zaligheid. Niet om onze goede werken, maar omdat het leven van de dankbaarheid zijn grond vindt in het werk van Christus.

Het gaat om het vernieuwende werk van Christus in je leven. Hij kocht. Hij vernieuwt. Daarom kan een zondaar vruchten voortbrengen. Het geloof, dat zo handen en voeten krijgt in de goede werken, zal beslissend blijken te zijn voor de ingang in het nieuwe Jeruzalem.

Als Jezus wederkomt, zal Hij zeggen:

‘Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd.

 ‘Wanneer dan, Heere? Ik heb dat helemaal niet opgeschreven. Ik heb daar helemaal geen boekhouding van bijgehouden.’

‘Nee’, zegt Hij, ‘voor zoveel gij dat aan één van Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan. Komt in, in de vreugde uws Heeren!’

Ziet u dat het er alles mee te maken heeft hoe we leven? Het waren Zijn gaven, die Hij dan kroont met de eeuwige heerlijkheid.

 

Gemeente, de spiegel is ons voorgehouden.

Misschien hebt u gezegd: ‘Ja, dat is mijn beeld: een echtbreker.’ Ja, want je hoeft nog maar in gedachten of met je ogen naar iemand gekeken te hebben met begeerte en je bent al een echtbreker, volgens het Woord van de Heere Jezus. Zo kun je alle zonden opnoemen.

Kan ik nog zalig worden? Ja, want dan moet u doorlezen. Mensen die in dat ondankbare, zondige, goddeloze leven voortvaren, worden niet zalig.

Het maakt juist zo’n groot verschil of je er spijt van krijgt en ertegen strijdt en je schuld belijdt. Het is zo’n groot verschil of je in dat leven van goddeloosheid leeft of dat je opeens uit zwakheid in de zonde valt.

 

Onbekeerlijkheid is een doodzonde.

Zonde kan vergeven worden. Daar is Christus voor gestorven aan het kruis. In het Koninkrijk Gods komen alleen maar zondaren, maar wel zondaren die zich iedere dag bekeren door hun levenssappen te trekken uit de Wijnstok Christus en die door en in Hem vruchten dragen.

 

De weg van de zonde is een voorportaal van de hel. De weg van de waarachtige heiligmaking uit Christus is een voorportaal van de hemel.

In de hel zullen de mensen geen vreemd werk doen, als ze God daar lasteren en vloeken.

In de hemel ook niet, als ze daar God danken en prijzen.

 

Er is maar één weg tot behoud. Dat is het leven van de dankbaarheid, dat zijn grond vindt in het werk van Christus en dat blijkt in de vruchten van het nieuwe leven. Die weg wordt bewandeld door al de heiligen, alle eeuwen door, tot op de laatste dag.

Loopt u op die weg?

Loop jij op die weg?

 

Misschien zegt iemand:

‘Nou, ik ben in deze dienst gezakt voor het examen. Want in tegenspoed was het voor mij zo moeilijk om bij de Heere te blijven. Het is waar: een hond is het dankbaarste schepsel, want die blijft bij zijn meester, ook als hij geslagen wordt.’

Dan zeg ik u:

‘Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden.’  Ook van de zonde van wegloperij en van ondankbaarheid.

‘Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave,’ predikt Paulus aan de Efeziërs, ‘niet uit de werken, opdat niemand roeme.’

 

Als wij ons verootmoedigen, omdat wij zoveel slechte en zo weinig goede vruchten in ons eigen leven waarnemen, dan mogen wij toch bedenken dat ook ootmoed een niet geringe vrucht is van het geloof. Want de zwaarst beladen takken hangen het diepst naar de aarde.

 

Amen.