Ds. S. Maljaars - Psalmen 77 : 21

Gods leiding met Zijn volk

Psalmen 77
Dat Hij Zijn volk leidt
Hoe Hij Zijn volk leidt
Door wie Hij Zijn volk leidt

Psalmen 77 : 21

Psalmen 77
21
Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aaron.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 80: 1
Lezen : Psalm 77
Zingen : Psalm 77: 1, 6 en 11
Zingen : Psalm 23: 1
Zingen : Psalm 79: 7

Gemeente, met de bede om het licht en de leiding van de Heilige Geest willen we Gods Woord bedienen uit Psalm 77 vers 21. We lezen daar:

 

     Gij leiddet Uw volk als een kudde, door de hand van Mozes en Aäron.

 

We schrijven onder deze tekstwoorden: Gods leiding met Zijn volk.

 

Drie gedachten:

1. Dat Hij Zijn volk leidt: Gij leiddet Uw volk;

2. Hoe Hij Zijn volk leidt: als een kudde;

3. Door wie Hij Zijn volk leidt: door de hand van Mozes en Aäron.

 

1. Dat Hij Zijn volk leidt

 

Gemeente, eigenlijk geeft ons tekstvers een samenvatting van de woestijnreis van het volk Israël door de woestijn: Gij leiddet Uw volk als een kudde, door de hand van Mozes en Aäron. De dichter komt hier aan het eind van de psalm na een bange strijd tot rust. Hij mag weer weten dat God Zijn volk leidt.

In het opschrift van Psalm 77 lezen we de naam van Asaf. Deze Asaf was een nakomeling van Levi en leefde in de tijd van David. Hij werd door de Heere verkoren om opperzangmeester in de tempel te zijn, naast Heman en Ethan (1 Kronieken 16). Asaf stond aan het hoofd van een groep tempelzangers. Hij wordt ook wel ziener genoemd (2 Kronieken 29:30). Asaf was dus zanger en ziener. Zanger in het heiligdom en tegelijk profeet om Gods woorden te verkondigen.

We hebben twaalf psalmen van Asaf in ons psalmboek: Psalm 50 en Psalm 73 tot en met 83. Het kan zijn dat ze alle door Asaf zijn gedicht, of dat ze aan hem of aan zijn nakomelingen ter hand zijn gesteld om te zingen in de eredienst.

In deze ‘Asaf-psalmen’ vind je iets van de donkerheid van strijd en aanvechting. Ook klinkt er het licht van Gods ontferming en genade in door. Dit is kenmerkend voor al deze psalmen. We zien dus dat in het leven van Asaf donker en licht zich hebben afgewisseld. Hierin zien we Gods leiding met Zijn volk.

 

Jongens en meisjes, het gaat in deze psalm over licht en donker. Dat hoort bij het leven van een kind van God. Jongelui, jullie vragen je misschien wel eens af: Hoe gaat dat nu als je de Heere vreest? Nu, in deze psalm komt er iets van naar voren. Leg jouw leven er maar naast of je er iets van herkent. En dat geldt voor ons allen, gemeente.

Als de Heere ons bekeert, leidt Hij ons vanuit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Dit grote wonder doet de Heere in het leven van al Zijn kinderen. Veel kunnen we missen, maar dit allerbelangrijkste niet.

Van nature leven we allen in de duisternis van de zonde. Door onze diepe zondeval zijn we zélf duisternis geworden. Vanuit onszelf zullen we nooit uit de macht van de duisternis verlost worden. Maar nu is ook vandaag de boodschap vanuit Gods Woord dat we gebracht kunnen worden tot het heerlijk licht van Gods genade. Smeek erom!

 

Gij leiddet Uw volk … We zien hier iets van in de hele psalm. Nadat de Heere Zijn kinderen van de duisternis tot Zijn genadelicht heeft gebracht, leidt Hij hen dikwijls weer in donkere wegen. Aanvankelijk hebben ze bij het licht van Gods Geest iets leren kennen van de Heere en van zichzelf. Die Geest deed hen een blik slaan op Christus als het Licht der wereld. Maar daarna kan het opnieuw zo donker worden.

De Heere doet dit om Zijn kinderen diepere lessen te leren op de school van Zijn genade. Wat in het licht werd ontvangen, wordt in het donker beproefd. Waarom leidt de Heere Zijn volk in deze duistere wegen? Waarom laat Hij het vastlopen? Wel, opdat na de duisternis het licht weer een wonder wordt. God werkt altijd op het wonder aan. Dan wordt het onmogelijke mogelijk.

Het zal een eeuwig wonder zijn, als Gods kinderen straks vanuit de duisternis van dit leven gevoerd worden naar het eeuwige licht hierboven. Straks zal er voor Gods kinderen geen nacht meer zijn. Dan zal de Heere Zelf hen verlichten.

 

Als we Psalm 77 goed lezen, zien we dat deze psalm uit twee delen bestaat. In vers 1 tot en met 10 vinden we moedeloze klachten van Asaf. Wat is de toestand van zijn ziel? Ach, dit kind des Heeren zit in het donker. Hij is overstelpt van verdriet. In zijn nood klaagt hij tot de Heere. Hoor maar: Mijn stem is tot God en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen. Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den Heere; mijn hand was des nachts uitgestrekt en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden. Asaf is verslagen en spreekt niet. Hij overdenkt de dagen vanouds en de jaren der eeuwen. Hij overlegt in zijn hart en zijn geest onderzoekt. Hij zit als het ware in zichzelf opgesloten.

 

Het gaat zo diep in het leven van Asaf, dat hij tot zes vertwijfelende vragen komt. Lees maar in vers 8 tot en met 10: Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten? Zal Hij voortaan niet meer goedgunstig zijn? Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten?

Zes bange vraagtekens in het leven van Asaf. Zes diepe vragen in het leven van Gods kind en knecht. En hij weet op die vragen geen antwoord. Hij loopt er helemaal in vast. Hier zien we iets van Asafs strijd, van de diepe worsteling met God waarin deze ambtsdrager verkeert. De benauwdheden van zijn hart hebben zich wijd uitgestrekt.

In de nacht van zijn leven klaagt Hij de Heere zijn nood: O Heere, weet U nog wel van me af? Het gaat nog dieper: Waar is Gods leiding? Ja, waar is God Zelf?

Kan het in het leven van een kind van God zó diep gaan? Ja gemeente, dat kan. Soms brengt de Heere Zijn volk in diepten, waar ze onder Zijn toelating in bange vertwijfelingen terechtkomen. Dan zien en merken ze Gods leiding niet meer.

 

Maar op dit dieptepunt komt er een omkeer. Vers 11 is het scharnierpunt: Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. O, die bange vragen en overleggingen hebben Asaf tot in het diepst van zijn ziel gekrenkt. Ze hebben hem neergebogen. Hij is eronder gebukt gegaan. Hij dreigde erin te verstikken.

Je leest aan het einde van vers 10, na al die twijfelmoedige klachten, het woord Sela. Matthew Henry zegt hierbij: ‘Sta stil, houd op, ga niet verder.’ Alsof de Heere spreekt: ‘Nu is het genoeg, mijn kind.’

En dan verandert het in het leven van de dichter. Waarom? Omdat Asaf plotseling tot andere gedachten komt? Nee, omdat de rechterhand van de Allerhoogste erbij komt. De Heere laat Zijn kind in de diepte Zijn sterke rechterhand voelen. En kijk, dan komt er op een dieptepunt voor Asaf een keerpunt.

 

Zo wil de Heere nu nog wel een dieptepunt tot een keerpunt maken. Soms gebruikt hij een doodlopende weg in ons leven om ons stil te zetten en ons aan Hem te verbinden. Vraag er maar om, als u op dit moment in onmogelijke omstandigheden verkeert. Als je op een dieptepunt bent gekomen en niet meer weet hoe het verder moet. Bid dan of de Heere er een keerpunt van wil maken. Of Hij uitkomst wil geven in het tijdelijk leven, maar dat hij die zware weg bovenal gebruikt tot heil van onze onsterfelijke ziel.

Want weet het, gemeente, je kunt niet zó verloren zijn en niet zó diep in de put verzonken liggen, of er is de krachtige rechterhand van de Allerhoogste. Die machtige hand kan ons bevrijden, redden, helpen. Zullen we dat nooit vergeten?

Die rechterhand des Allerhoogsten reikt tot in de diepste diepten, zodat er een keerpunt komt. Dat geldt ook in het leven van Gods kinderen, als alles zo donker is en zo bestreden, en als er niets meer van Gods leiding kan worden bezien. Misschien kunt u Asaf in die eerste tien verzen goed begrijpen, omdat het in uw eigen hart ook zo is. Bange vragen, alleen maar vraagtekens en onmogelijkheden. En waar is God?

Maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Wat de Heere zoveel eeuwen geleden bij Asaf deed, doet Hij nóg. Hij kan maken dat een dieptepunt een keerpunt wordt.

 

De rechterhand van de Allerhoogste tilt Asaf boven alles uit. Daarom is het tweede gedeelte van Psalm 77 heel anders getoonzet. De dichter mag gedenken aan Gods daden in het verleden. Aan Gods wonderen van oudsher. Er valt licht over. Hij overdenkt hoe de Heere het volk van Israël verlost heeft uit Egypte door een hoge hand en hoe Hij hen geleid heeft in de woestijn.

Zo eindigt Asaf met de belijdenis: Gij leiddet Uw volk als een kudde, door de hand van Mozes en Aäron. Asaf mag weer zien op de leiding van God met Zijn volk. Ja, hij mag weer geloven dat de Heere ook zíjn leven leidt. Zo gaat de psalm naar een hoogtepunt en wordt dit voor de dichter een rustpunt: Gij leiddet Uw volk …

 

Gemeente, komt deze psalm dichtbij? Misschien vraagt u zich ook af: Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? Misschien is er een tijd in uw leven geweest dat u hebt geloofd dat het ook voor u nog kon, maar het is zo donker geworden. Het kan zijn dat we in ons leven wel eens iets hebben gezien van de heerlijkheid van de Middelaar, van Christus, de Weg, de Waarheid en het Leven. Maar nu is het zo duister geworden. Er is geen zicht meer op Hem. De vijanden van buiten vinden aansluiting bij de gedachten van binnen. Die binnen-praters zitten niet stil. Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? (Ps.42:11). En die wederpartijders kunnen buiten ons zijn, maar ook binnen ons.

Jongelui, misschien denken jullie het ook wel eens: ‘Wat is er van de vervulling van Gods beloften te zien?’ Let maar op de omstandigheden in de wereld, kijk naar de ontwikkelingen in Nederland, en merk de dingen op die zorgen geven binnen de kerk. Overal is er nood en achteruitgang.

Ouders, grootouders, misschien leven deze gedachten ook in uw hart. U zegt: ‘Hoe zal het gaan met mijn kinderen, met mijn kleinkinderen? Is er voor hen nog toekomst? Heeft de toezegging een einde? Waar is Uw leiding, o God?’

 

Gemeente, let eens op het slot van Psalm 77. Daaruit mogen we weten dat Gods beloften géén einde hebben, maar dat de Heere ze zal vervullen van geslacht tot geslacht. De Heere zal altijd een volk hebben dat Hij leidt door de woestijn van dit leven naar het Kanaän der rust. Dit ligt nu alles in de hand van de Allerhoogste.

De Heere gaat dóór met Zijn werk. We leven onder Gods Woord. Ondanks onze zonden en ons afwijken van de Heere mag het er ook in ons land nog zijn. De verkondiging van het Evangelie, de zeer blijde boodschap, gaat voort. Dat wij vandaag onder Gods Woord mogen komen, is een bewijs dat Gods werk nog niet klaar is. Er worden nog kinderen geboren en gedoopt. Er worden nog arbeiders uitgestoten in de wijngaard. God roept en zendt nog Zijn knechten. Er moeten nog mensen worden toegebracht. O, laten we dan vanuit deze psalm moed scheppen. Laat het ons hoop geven voor de toekomst.

 

Gij leiddet Uw volk … Wie is die ‘Gij’? Dat is de drie-enige en getrouwe Verbondsgod. Hij is de Herder Israëls, waarvan dichter Asaf zingt in Psalm 80:

 

Neem, Isrels Herder, neem ter ore,

Die Jozefs kroost, door U verkoren,

Als schapen gunstig hebt geleid;

Die enen troon van heiligheid

U tussen cherubs hebt gesticht;

Verschijn weer blinkend met Uw licht.

 

O, dan mag Asaf hier op de grote Herder zien, Die trouw houdt en eeuwig leeft en Die nooit laat varen de werken Zijner handen. De God van Asaf is nog steeds Dezelfde. Al zeggen de bestrijders van buiten en van binnen: ‘Zijn toezeggingen hebben een einde’, de Heere Zelf leidt als de grote Herder de kudde van Zijn volk. Hem loopt nooit iets uit de hand.

Gij leiddet … God leidt Zijn volk. Leiden is op de weg brengen, laten voortgaan op die weg en tijdens de reis voor alles zorgen. Leiden omvat alles van het begin tot het einde van de weg.

Gods leiding is majesteitelijk. Asaf zegt in vers 14: O God, Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God? God regeert als Koning over alle dingen. Zijn goddelijke en heilige weg kunnen wij mensen niet uitdenken. Daar kunnen wij niet bij. Soms laat de Heere in het heiligdom weleens iets van die weg zien. Asaf zegt in Psalm 73 dat hij in Gods heiligdommen ging. Daar mocht hij de leiding des Heeren opmerken. Het is een wonder als de Heere het ook ons geeft. Dan gebeurt het weleens onder het horen van Gods Woord dat onze weg verklaard mag worden vanuit dat Woord. Dat doet bukken voor de majesteitelijke God.

Gods leiding is krachtig. Asaf wijst in deze psalm op het moment dat het volk Israël bij de Rode Zee staat: De wateren zagen U, o God, de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd (vers 17). De Heere maakte een pad waar geen pad was. Zo leidde God Zijn volk krachtig door de diepe wateren, droogvoets. Tegen die leiding kan geen mens op. De vijanden moeten het onderspit delven.

Gods leiding is ook ondoorgrondelijk. Asaf zingt ervan: Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend (vers 20). De Heere leidt Zijn volk, maar waaróm Hij hen op een bepaalde wijze leidt, blijft dikwijls verborgen. Laat het voor Gods kinderen genoeg zijn dát God hen leidt. Laat het ‘hoe’ en het ‘waarom’ van die leiding maar aan Hem Zelf over. Dat weet Hij het beste.

 

Heilig zijn, o God, Uw wegen;

Niemand spreek’ Uw hoogheid tegen!

     Wie, wie is een God als Gij,

     Groot van macht en heerschappij?

 

Kinderen des Heeren, dat wij in deze ellendige woestijn van het leven mochten ervaren: Gíj leiddet Uw volk. Ook al zien we Zijn voetstappen niet en gaat Zijn weg door zee en diepe wateren. Ú leidde Uw volk, dat is voldoende. Meer hoeven we niet te weten. Eenmaal worden ook de duistere wegen van Gods voorzienigheid voor Gods volk volkomen opgeklaard.

Uw volk, zegt Asaf. Dat is het hele volk van Israël. Maar onder dat volk heeft God Zíjn volk, Zijn uitverkoren gemeente. Asaf is zo’n kind des Heeren. Hij mag het weten: U leidde Uw volk door de woestijn, U leidt ook mij. Voor deze woestijnreiziger geldt wat hij in het heiligdom mocht doorleven: Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen (Ps.73:23b-24).

 

In algemene zin mogen we dus zeggen dat de Heere het hele volk leidde. Het gehele volk Israël werd door de Heere uit Egypteland gevoerd en door de woestijn geleid. Zo zijn ook wij op het erf van het genadeverbond gebracht. Dat is Gods wonderlijke leiding in ons leven. Toch zijn die uiterlijke voorrechten niet genoeg. Het is nodig door wedergeboorte en waarachtige bekering bij Gods gunstvolk te mogen horen.

Zoals de Heere onder Israël Zijn kinderen bijeenbracht, zo doet de Heere nog. Laat het ons gebed toch zijn: ‘Heere, U leidt Uw volk, maar neem ook míj bij hart en hand. Bekeer mij, Heere, dan zal ik bekeerd zijn.’ Want dáár gaat het om: dat we bij het volk mogen horen dat door de Heere in Zijn bijzondere genade wordt geleid en verzorgd. O, gemeente, jong en oud, rust niet voor we dat mogen weten. Het is voor ons allen nodig en bij God vandaan ook mogelijk!

 

Gemeente, we prediken u: Gods leiding met Zijn volk. Onze eerste gedachte was dat de Heere Zijn volk leidt: Gij leiddet Uw volk. Nu onze tweede gedachte.

 

2. Hoe Hij Zijn volk leidt

 

Er staat: Als een kudde. Dat is een bekend beeld uit de Bijbel. Israël was een herdersvolk. Je zag er heel veel schaapskudden. Zoals een herder zijn schapen leidt, zo leidt de Heere Zijn volk. Hij bracht Zijn volk Israël als een kudde door de woestijn naar Kanaän.

Als een kudde … Een kudde schapen zonder herder is hulpeloos. Dat weten jullie wel, kinderen. Schapen zijn eigenlijk hulpeloze dieren. Ze hebben echt leiding nodig. Anders dwalen ze overal heen.

Dit gold ook van het volk Israël. Calvijn zegt bij deze tekst: ‘In hen was geen raad, geen wijsheid en geen kracht.’ Nu, die hulpeloosheid is wel gebleken aan de Rode Zee. Een paar dagen na de uittocht uit Egypte staan ze voor een grote onmogelijkheid. Achter hen de Egyptenaren, naast hen de bergen, voor hen de zee. Geen raad, geen wijsheid, geen kracht. Maar dan gaat de getrouwe Herder Israëls aan dit machteloze volk tonen Wie Hij is. Hij maakt een pad door de zee. Die leiding blijkt ook in de verdere woestijnreis. Steeds betoont de Heere de krachtige Herder van de kudde van Israël te zijn.

Ook Asaf heeft moeten ervaren geen raad en kracht van zichzelf te hebben. Als de Heere het niet opnieuw licht had gemaakt in Asafs leven, was hij in die eerste tien verzen blijven steken. Maar, kind des Heeren, u herkent de woorden van Calvijn toch ook vanuit uw eigen leven? In u geen raad, geen wijsheid, geen kracht. In uzelf als een hulpeloos en machteloos schaap.

 

Als een kudde … Een kudde is een eenheid. Een kudde schapen hoort bij elkaar. Zo was het ook met het volk Israël. Ze hoorden bij elkaar en stonden samen onder de grote Herder, de getrouwe Verbondsgod, Die hen uit Egypteland leidde. Israël hoorde niet bij die andere kudde, het volk van Egypte. Die kudde is verzwolgen in het water. Maar de kudde Israëls werd droogvoets door de Rode Zee geleid. Wat een onderscheid!

Gods kinderen vormen samen één kudde. Ze worden geleid door de ene goede Herder, de Heere Jezus Christus. Van hen allen geldt: Gij leiddet Uw volk als een kudde.

 

Als een kudde … Het ziet ook op verscheidenheid. Jongens en meisjes, jullie hebben vast wel eens bij een kudde schapen gestaan, op de Veluwe of ergens anders in Nederland. Als je zo’n kudde van dichtbij bekijkt, zie je dat die schapen allemaal verschillend zijn. Je hebt grote en kleine schapen, lammetjes, witte en zwarte schapen, gehoorzame schapen die meelopen met de herder, maar ook onwillige schapen die steeds door de herdershond bij de kudde gedreven moeten worden. Die verschillen waren er ook bij het volk van Israël. Ze hoorden allen bij hetzelfde volk, maar ze kwamen uit verschillende stammen. Ieder had zijn eigen karakter, zijn eigen leven en zijn eigen plaats.

Zo is het ook bij Gods kinderen. Ze zijn allen een schaap van dezelfde kudde. Maar er is wel verschil in karakter, in leiding, in gaven, in plaats. De getrouwe Herder leidt ieder schaap afzonderlijk. Hij heeft voor elk van schapen een persoonlijke behandeling.

Asaf was door genade een schaap van Gods kudde geworden. Maar ook Heman en Ethan, die andere opperzangmeesters, hoorden daarbij. We zouden kunnen zeggen: drie verschillende schapen van de ene kudde. Heman van Psalm 88 was bedrukt en doodbrakende van zijn jeugd af aan. Hij droeg Gods vervaarnissen en was twijfelmoedig. Heman zat vaak in het donker. Toch roept hij bij dagen en nachten tot de God zijns heils. Neem daartegenover Ethan, de andere opperzangmeester van Psalm 89. Hij zingt: Ik zal de goedertierenheid des Heeren eeuwiglijk zingen. Zijn geestelijke gang wordt gekenmerkt door meer licht en vrijmoedigheid.

Schapen van dezelfde kudde, maar ieder door de Heere persoonlijk geleid. Hij leidt Heman, Hij leidt Ethan, Hij leidt Asaf. Mogen we door Gods genade weten: Hij leidt ook mij?

 

Zie eens terug, kind des Heeren. Hulpeloze schapen. Is dat niet waar? In u geen kracht. Als we toch niet van stap tot stap geleid werden, zouden we telkens verdwalen. Maar de Herder weet wat ieder schaap van de kudde nodig heeft. Hij kent ook úw weg.

Gij leiddet Uw volk als een kudde … De kanttekenaar zegt zo treffend bij deze woorden: ‘Als een herder, voerende haar door de woestijn naar het land Kanaän en zorg voor haar dragende.’ Dat heeft de Heere gedaan met het volk van Israël tijdens de woestijnreis.

Deze leiding en zorg is er ook voor de schapen van Jezus’ kudde. God de Vader heeft Zijn Zoon als Herder aan Zijn kudde gegeven, reeds in de stilte van de eeuwigheid. Deze Herder, de Heere Jezus Christus, is in deze wereld gekomen.

De goede Herder doet álles voor Zijn schapen. Hij heeft Zijn leven voor hen gegeven. De hele tabernakeldienst die ingesteld werd tijdens de woestijnreis, predikte het werk van de Heere Jezus Christus. Hij zou als de goede Herder Zijn leven gaan geven voor Zijn schapen. Al die stromen bloed bij het brandofferaltaar in de voorhof van de tabernakel wezen heen naar het bloed dat gestort zou worden op Golgotha’s heuvel door de grote Herder van Gods kudde. Christus heeft het Zelf gezegd: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen (Joh.10:11). Hij heeft dit ook gedaan. In Zijn bloed ligt het leven voor een doodschuldige!

 

Deze leidende Herder gaat Zijn kudde voor. De Heere gaf leiding aan Zijn volk Israël in de woestijn door de wolkkolom en de vuurkolom, dag en nacht. Christus leidt Zijn kudde. De schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit (Joh.10:3). Hij gaat voor hen heen.

Deze zorgende Herder verzorgt Zijn schapen. Het volk Israël werd in de woestijn van rustplaats naar rustplaats geleid. Altijd werden ze voorzien van water en hemels brood, van alles wat ze nodig hadden. Zo zorgt Christus voor Zijn schapen. Hij doet hen nederliggen in grazige weiden, zingt David in Psalm 23. Hij brengt Zijn schapen steeds bij rustplaatsen in deze dorre woestijn. Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil (Ps.23:3).

Deze sterke Herder beschermt Zijn kudde. Het volk Israël had veel vijanden in de woestijn. Denk aan de Amalekieten, de Amorieten en de Moabieten. Er waren ook gevaren van binnenuit. Soms begonnen er enkelen te murmureren, waardoor het hele volk in opstand kwam. Ook Jezus’ kudde heeft veel vijanden: de duivel, de wereld, en ook het eigen verdorven hart. Maar Jezus beschermt hen. Zijn stok en staf vertroosten Zijn schapen.

Deze zoekende Herder brengt de Zijnen terecht. De Heere bestrafte het volk Israël keer op keer, maar bracht hen ook telkens weer op de goede weg door de woestijn. Zo doet de Heere Jezus bij Zijn schapen. Als er een schaap van de kudde is afgedwaald, zoekt de goede Herder het op. Hij legt het op Zijn schouders en is verblijd.

Deze getrouwe Herder brengt Zijn schapen thuis. God bracht het volk Israël door de woestijn in Kanaän. De Herder Christus zal zorgen dat niemand van hen verloren gaat. Hij zal hen brengen in de schaapskooi hierboven. Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des Heeren blijven in lengte van dagen (Ps.23:6).

Wat zorgt de Heere Jezus Christus, de getrouwe Herder, uitnemend goed voor Zijn schapen! Boven een overdenking van de bekende oefenaar Wulfert Floor over Johannes 10 staat als titel: ‘De goede Herder en de gelukkige schapen’. Onthoud dat maar. Gods kinderen horen bij de ene kudde, waarvan de Heere Jezus de Herder is. Er is geen betere Herder en er zijn geen gelukkiger schapen. Jong en oud, ik zou geen betere Leidsman weten dan deze Herder. Er is nog plaats bij deze kudde!

 

Gij leiddet Uw volk als een kudde … Dit mag Asaf troost en rust geven: Heere, U leidde Uw volk, maar U leidt ook mij. Dan kan het moeilijk zijn in het leven, dan kunnen er zoveel onmogelijkheden zijn. Dan gaat het soms door de diepte, omdat Gods weg in de zee is en Zijn pad in grote wateren. En toch: ‘Heere, U leidde Uw volk, en al zie ik het niet altijd, U leidt ook mij.’

Gemeente, zo mogen we u die goede Herder prediken vanuit dit woord uit het Oude Testament. God gaf Zijn Zoon als de goede Herder aan Zijn volk. Deze Herder is in de eeuwigheid naar voren getreden om ten goede van Zijn volk naar de aarde te gaan. Deze Herder is geslagen in de woestijn van het leven. Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden (Zach.13:7). Christus is in Gethsémané geslagen door het zwaard van Gods recht. Daar klaagde Hij: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt (Matth.26:39). De schapen zijn verstrooid. Waar waren de discipelen? Ze vluchtten alle kanten op, Hem verlatende.

Maar deze getrouwe Herder ging door tot het einde toe. O, kinderen des Heeren, kudde van de goede Herder, zie uw Herder gaan! Hij is niet teruggetreden, maar Hij heeft gebogen onder het slaande zwaard van Zijn Vader. Hij is gegaan naar de zaal van het Sanhedrin, waar Hij des doods schuldig werd verklaard. Hij is gegaan naar de rechtplaats van Pilatus, waar Hij onschuldig veroordeeld is. Hij is gegaan naar het vloekhout op Golgotha, waar Hij Zijn leven heeft afgelegd. Ons Avondmaalsformulier zegt ervan: En heeft eindelijk met Zijn dood en bloedstorting het nieuwe en eeuwige Testament, het verbond der genade en der verzoening besloten, toen Hij zeide: Het is volbracht. Dit kroonwoord heeft Hij uitgeroepen voor Zijn gehele kudde.

Maar deze Herder is niet in de dood gebleven. God de Vader heeft Hem op de paasmorgen opgewekt. Hij is uit de doden weder gebracht. De Vader heeft het werk van deze Herder rechtsgeldig verklaard. Christus is veertig dagen later naar de hemel gegaan en zit daar nu aan de rechterhand van Zijn Vader. In deze Herder wendt God Zijn hand tot de kleinen.

 

Gij leiddet Uw volk als een kudde … Nu kan deze goede Herder Zijn kudde leiden, omdat Hij het werk voor hen volkomen heeft volbracht. In Zijn Middelaarswerk ligt hun leiding door de woestijn van het leven gewaarborgd. Zie eens bij Asaf. Waarom veranderde de rechterhand van de Allerhoogste alles in zijn leven? Waarom kan het ook nu in het leven van Gods kinderen van duisternis weer licht worden? Uiteindelijk om Christus’ wil! Omdat de Herder in de allerdiepste duisternis en verlatenheid op Golgotha heeft gehangen, kan er voor een schuldige en verlaten woestijnreiziger verlossing en redding komen.

 

Jongeren en ouderen, de prediking van deze Herder gaat ook heden nog uit. Jezus heeft het Zelf gezegd: Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden één kudde, en één Herder (Joh.10:16). O, hoor vandaag het woord van deze Herder! Er móeten nog andere schapen toegebracht worden. Dat geeft hoop voor mensen die nog buiten de schaapskooi van deze Herder omdwalen. Vanuit Gods eeuwig welbehagen is er de mogelijkheid om een schaap te worden van Jezus’ kudde.

Alles ligt verklaard in de God des heils, Die Zijn Herder heeft gegeven. Die God des heils wil in Christus tot een Herder zijn. We gaan ervan zingen, uit Psalm 23, het eerste vers:

 

De God des heils wil mij ten Herder wezen;
'k Heb geen gebrek, 'k heb geen gevaar te vrezen.
Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden,
Aan d' oevers van zeer stille waat'ren leiden.
Hij sterkt mijn ziel; richt, om Zijn naam, mijn treden
In 't effen spoor van Zijn gerechtigheden.

 

Gemeente, de preek gaat over: Gods leiding met Zijn volk. We overdachten dat Hij Zijn volk leidt: Gij leiddet Uw volk. We hoorden ook hoe Hij Zijn volk leidt: als een kudde.

Nu onze derde gedachte.

 

3. Door wie Hij Zijn volk leidt

 

We lezen in de tekst: Door de hand van Mozes en Aäron. De Heere leidde Zijn volk door de woestijn. Hij gebruikte daarvoor de dienst van mensen, die het volk leiding gaven. God leidt Zijn volk dus middellijk. Hij gebruikt er mensen voor. Aan Zijn volk Israël gaf Hij twee leiders: Mozes en Aäron. Calvijn heeft het over ‘twee onbeduidende mannen’. In zichzelf waren Mozes en Aäron twee onbetekenende mensen.

 

Door de hand van Mozes… De Heere legt Mozes de leiding van het volk op de schouders. Dat deed Hij bij de brandende braambos, waar Hij hem verscheen: Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat gij Mijn volk (de kinderen Israëls) uit Egypte voert (Ex.3:10). Later in de woestijn zegt de Heere: Doch ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb (Ex.32:34).

Mozes is gewoon een mens uit het volk. Hij zal later zeggen, als hij op Gods bevel alle geboden en inzettingen nog eens herhaalt: Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de Heere, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen (Deut.18:15). Uit uw broederen, als mij … Mozes is dus gewoon één uit die broederen, één van het volk. Maar wél uitverkoren om leidsman te zijn.

We weten dat Mozes ook een zondig mens was. Wat heeft hij tegengesproken toen de Heere hem riep om Israël uit het diensthuis van Egypte te leiden. Later tijdens de woestijnreis klaagt hij dat hij het volk niet alleen kan dragen, omdat het hem te zwaar is. Aan het eind van zijn ambtelijke loopbaan moet hij in de woestijn Zin tot de rots spreken. Maar hij is zo driftig, dat hij erop slaat met zijn staf. Hij heiligde daar bij de wateren van Meriba de Heere niet voor de ogen van het volk. Het was de reden waarom hij het aardse Kanaän niet binnen mocht gaan. Toch wilde de Heere hem gebruiken in Zijn dienst om Israël door de woestijn te leiden. Niemand had zo’n plaats als Mozes, de middelaar tussen God en het volk, met wie de Heere sprak van mond tot mond.

 

En Aäron … Aäron was de broer van Mozes. Ook van hem kunnen we zeggen dat hij gewoon een mens was vanuit het volk. Als Aäron en zijn zonen tot het priesterambt worden aangesteld, spreekt God: Daarna zult gij uw broeder Aäron en zijn zonen met hem tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israëls (Ex.28:1). Aäron, een ambtsdrager die voortkomt uit het volk.

Aäron was ook mens vol zonden en gebreken. Dat weten jullie wel, jongens en meisjes. Bij het gouden kalf ging hij voor het eisende volk door de knieën. Later deed hij mee met zijn zus Mirjam in de opstand tegen zijn broer Mozes. Toch wilde de Heere ook Aäron gebruiken om Zijn volk door de woestijn te leiden. Hij was Israëls eerste hogepriester. Hij stond eenmaal tussen de doden en de levenden om verzoening te doen voor het volk.

 

Door de hand van Mozes en Aäron. De Heere wil Zijn volk middellijk leiden, maar ook ambtelijk. Calvijn zegt van deze twee onbeduidende mannen dat ze ook ‘goede en voortreffelijke dienstknechten’ waren, aan wie de Heere ‘zo eervol een ambt had opgedragen’. God brengt Zijn volk naar Kanaän door middel van twee ambtsdragers, Zijn geroepen knechten.

Beide broers, Mozes en Aäron, dragen een ambt. De vergadering van Israël wordt ambtelijk geleid. We zouden kunnen zeggen: Mozes had het profetisch ambt. Hij gaf onderwijs aan het volk. Aäron bekleedde het priesterlijk ambt. Hij was de hogepriester. Beiden hebben ze ook iets van het koninklijk ambt in het leidinggeven.

Zo zien we in de woestijn een afspiegeling van de drie ambten van Christus, de zondeloze Middelaar. In Mozes en Aäron werpt Hij Zijn schaduw vooruit. Alles roept in de ambtelijke bediening van deze twee mannen om de hoogste Profeet en Leraar, veel groter dan Mozes; om de enige Hogepriester, veel groter dan Aäron. En om de eeuwige Koning, veel groter dan Mozes en Aäron samen. Ja, méér dan Mozes en Aäron is Christus!

 

Gij leiddet Uw volk als een kudde, door de hand van Mozes en Aäron. De taak van een ambtsdrager wordt dikwijls vergeleken bij het werk van een herder. Ambtsdragers hebben de opdracht om het volk te weiden, te leiden, te regeren en te verzorgen.

God wil Zijn gemeente brengen in de weide van de verkondiging van Zijn Woord, de gebeden en de bediening van de sacramenten, zegt het bevestigingsformulier van de predikant. In het bijzonder vinden de schapen van de goede Herder onder de ambtelijke dienst voedsel in de woestijn.

Zo zijn deze laatste woorden van Psalm 77 ook troostvol, als we zien op de ambten. In de voortgang van de ambtelijke dienst laat Christus zien dat Hij met Zijn Kerk zal blijven tot de voleinding der wereld.

Ook wíj zijn gebracht onder de ambten. Merken wij dit voorrecht op? Jongelui, denken jullie aan de voortgang van Gods Koninkrijk? Bid je ervoor of de Heere ook jou wil inschakelen in Zijn dienst, op welke plaats dan ook?

 

Gij leiddet Uw volk door de hand van Mozes en Aäron. God leidt Zijn volk door de ambten. Hij roept kleine mensen in Zijn dienst. Calvijn heeft in dit verband eens gesproken over ‘mensjes, uit het stof verrezen’. Zwakke, aarden vaten. Gewone mensen uit het gewone volk. Zondige en gebrekvolle ambtsdragers. Maar wel wettig aangesteld om het volk te leiden.

Dit mag moed geven voor de ambtsdragers. Soms ervaren ze zo hun onvolkomenheid en onbekwaamheid als mens. Hoe moeten ze ooit het ambt op een rechte wijze vervullen? Steeds laat de Heere hen gevoelen dat ze een ‘mensenkind’ zijn. Dat is nuttig, want zo kan de Heere hen gebruiken in Zijn dienst. Nietige en gebroken instrumenten wil God dienstbaar stellen in Zijn Koninkrijk.

 

Gemeente, we hoorden over Gods leiding met Zijn volk: Dat Hij Zijn volk leidt, hoe Hij hen leidt en door wie Hij hen leidt.

De Schriftverklaarder Matthew Henry zegt bij dit tekstvers over Asaf: ‘De opening van deze zaak gaf hem licht, plotseling en verwonderlijk was zijn vrees verdwenen.’ Er mocht weer licht vallen in Asafs leven: Gij leiddet Uw volk als een kudde, door de hand van Mozes en Aäron. De stormen in zijn hart werden gestild. Zijn geschokte gemoed kwam tot rust. Hij mocht weer geloven in God en Zijn alwijze leiding. Het is groot als de Heere dit geeft. Dan kan een mens weer verder.

 

Straks zullen ze staan aan de oevers van de glazen zee, de zangers vanuit allerlei geslachten en volken. Misschien zijn er uit ons voorgeslacht die al eeuwig mogen zingen van Gods trouw en roem, van Zijn onverwinb’re krachten. De Heere bracht hen vanuit het donker in het eeuwige licht. Door de woestijn van het leven werden ze als schapen geleid naar het Kanaän der rust.

 

Iemand vraagt: ‘Zou dat voor mij ook nog kunnen?’ Hoor dan nóg een keer wat de Heere Jezus Christus, de goede Herder, zegt: Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen, en zij zullen Mijn stem horen, en het zal worden één kudde en één Herder (Joh.10:16). Bid dan maar: ‘O Heere, mag ik van die grote kudde ook een schaap zijn?’

Bij Jezus’ kudde is nog plaats, voor schapen … en voor lammetjes!

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 79:7

 

Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden,

In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,

En zingen van geslachten tot geslachten

Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb’re krachten.