Ds. P. van Ruitenburg - Galaten 2 : 20

Christus ons alles

Gekruisigd met Christus
In mij leeft Christus
Geloof in Christus
Liefde van Christus

Galaten 2 : 20

Galaten 2
20
Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1 en 2
Lezen : Galaten 2
Zingen : Psalm 65: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 139: 1 en 2
Zingen : Psalm 43: 1 en 2

Gemeente, we willen stilstaan bij Galaten 2 vers 20:

              

                              Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus                           leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof                           des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij                                                  overgegeven heeft.’

 

Zo de Heere wil en wij leven zal volgende week zondag het Heilig Avondmaal bediend worden in het midden van de gemeente. Waarom? Wat is de zin ervan, wat is de bedoeling ervan? Jonge mensen, zeg het eens: waarom houden we een aantal keren per jaar het Heilig Avondmaal in het midden der gemeente?
Zouden we iets missen als we het nalieten?
Is het eigenlijk jammer dat we het Heilig Avondmaal moeten hebben?
Wat is de betekenis er eigenlijk van?

 

Vooraf moet dit gezegd worden: het is er niet voor ons of voor u, maar in de eerste plaats voor de Heere. Hij heeft immers gezegd: Doet dat tot Mijn gedachtenis (Luk. 22:19). Als u het dan niet doet voor uzelf, doe het dan voor Mij, tot de heerlijke gedachtenis van de bittere dood van de Heere Jezus Christus. Voor Hem, tot Zijn eer, om voor Zijn Naam en Zijn Zaak uit te komen. Doet dat tot Mijn gedachtenis.
Maar dat is niet het enige; het is óók voor Gods Kerk om haar levend te houden. U weet wel, eens bekeerd is altijd bekeerd; eens een waarachtig kind van God is altijd een kind van God. Er is geen afval der heiligen. Wij geloven in de volharding der heiligen. Dat is allemaal waar, maar vergis u niet: Gods kinderen blijven niet automatisch en vanzelfsprekend levend!
Stel voor dat er een plant zou zijn die geen water, geen voedsel en geen snoeimes nodig heeft. Een plant die je helemaal aan zijn lot kan overlaten en vanzelf wel blijft leven. Zijn zulke planten er? Nee, zulke planten zijn er niet. En zulke kinderen van God die vanzélf wel blijven leven, zijn er ook niet! Er zijn geen kinderen van God die het eeuwige leven zó hebben dat het geen onderhoud meer nodig heeft.  


De Heere houdt Zijn Kerk levend door de middelen. Dat heeft Hij beloofd, en dat zal Hij doen. Ik moet denken aan de Dordtse Leerregels, het laatste hoofdstuk, het veertiende artikel:

Gelijk het God nu beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen ... De Heere begint met de prediking van het Evangelie. Zo begint het leven der genade door de prediking van het Woord.

 … Alzo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan, mitsgaders door vermaningen, bedreigingen –die hebben Gods kinderen ook nodig! – beloften en het gebruik der Heilige Sacramenten. De Heere begint het werk der genade door de prediking van het Evangelie. Hij bewaart het, Hij achtervolgt het, Hij brengt het verder door de overdenking, het lezen, het horen en het gebruik van de sacramenten, om het levend te houden. Daarom komen we niet alleen naar de kerk voor de bekering van onbekeerden en de troost van Gods Kerk, maar ook om het leven der genade levend te houden.


Wat is dat leven? We zouden het van verschillende kanten kunnen benaderen. Vanuit de kant van de wedergeboorte, of vanuit de opstanding uit de doden.

Het is een waar geloof in de Heere Jezus Christus, dat door Hem geplant wordt. Daar gaat het vooral over. Over het ware, zaligmakende geloof. Het gaat niet over een tijdgeloof, een wondergeloof, een historisch geloof. Nee, het gaat om een waar zaligmakend geloof.

Wat is dat toch? Daarover gaat onze tekst, Galaten 2 vers 20: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

 

Het thema van de prediking vanmorgen is: Christus ons alles.

We onderscheiden vier punten:

 

  1. Gekruisigd met Christus – Ik ben met Christus gekruist;
  2. In mij leeft Christus (wat natuurlijk alleen waar is voor Gods kinderen) – En ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij);
  3. Geloof in Christus – En hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God;
  4. Liefde van Christus – Die mij liefgehad heeft.

 

Moge de Heere het geven aan de tafel volgende week: Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

 

Gemeente, we gaan naar de Middellandse Zee en daar helemaal rechts bovenin de hoek, op de grens van Turkije en Syrië, vlakbij de Orontis-rivier, daar ligt de plaats Antiochië. Dat was ook in de oude tijd al een grote stad, een plaats waar Nicolaüs gearbeid heeft, waar Paulus en Barnabas en Petrus gepreekt hebben. Er is in die plaats een bloeiende christelijke gemeente ontstaan. Mede door de vervolging van de christenen in Jeruzalem is het Woord van God verplaatst naar andere plaatsen in de regio.
Ik zie in gedachten een gemeente vergaderd; in gedachten zie ik tafels gedekt, en zie ik dat mensen samen eten. Niet alleen wordt het Woord gehoord, niet alleen worden de sacramenten bediend, maar er worden ook gemeenschappelijke maaltijden gehouden. Ze zitten daar allemaal door elkaar heen, van allerlei leeftijden, en afkomstig uit allerlei etnische groeperingen. Sommigen zijn van oorsprong Jood, anderen zijn van oorsprong heiden. Dat geeft allemaal niet, ze zitten allemaal kriskras door elkaar. Er is eenheid.

 

Ik zie daar iemand zitten: Petrus. Kent u Petrus nog?  Het zal mij geenszins geschieden, ik zal de Heere Jezus niet verloochenen. Hij zit er ook! Die man die gezegd heeft: Ik ken de mens niet (Matth. 26:72) en zo zijn Zaligmaker verloochende. De man die zo bang was om de Heere Jezus te belijden, daar bij dat vuurtje in de tuin van de hogepriester. Deze Petrus heeft heel wat geleerd en hij ziet geen verschil tussen heiden en Jood. Dat is weggenomen, die middelmuur des afscheidsels.
De apostel Petrus gaat dus van de ene naar de andere tafel, en hij eet ook dingen die hij vroeger nooit gegeten zou hebben, dingen die onrein waren. Maar dat geeft allemaal niet meer, want de ceremoniële wet is afgeschaft. Het is zo anders, er is veel meer vrijheid. Die Petrus is een andere Petrus dan vroeger, dachten we.


Dan komt er bezoek. Daar in Antiochië komt bezoek uit Jeruzalem van de kerk van ‘dominee Jakobus’. Zij zijn van Judese afkomst, zij zijn Joden en ze hebben een wat andere ligging. Ze zijn wat zwaarder op de hand, ze zijn wat ouderwetser en ze kunnen het eigenlijk niet goed verdragen dat Petrus en Barnabas en anderen zo vrij omgaan met mensen die niet besneden zijn, die de ceremoniële wet niet houden, die van oorsprong geen Jood zijn. Ze begrijpen het niet, ze fronsen hun wenkbrauwen. Wat is dat hier? Zijn jullie zo amicaal met elkaar? Is er dan geen verschil meer? Wij zijn Joden, wij zijn besneden.

Hoe zou Petrus daarop reageren? Wat zal hij zeggen? Zal hij zichzelf verdedigen en zeggen: ‘Er is een andere tijd gekomen’?

Nee, Petrus is toch nog een beetje die oude Petrus. Hij is bang voor zijn goede naam. Hij staat op van die tafel waar mensen zaten met heidense afkomst en hij gaat naar de andere kant. Hij scheidt zich af en voegt zich toch bij deze mensen van ‘Jakobus’, van ‘Jeruzalems’ kerk. Kijk maar, het staat er, Galaten 2 vers 12: Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren.

Hij was bang voor zijn reputatie, voor zijn naam dat hij een lichte dominee zou zijn. Ook andere Joden veinsden met hem. Ze kregen voet aan de grond, zodat ook Barnabas werd afgetrokken door hun veinzing.

 

Daar staat Paulus en hij ziet Petrus. Dit is een openbare zaak, die openbaar moet komen, waar ook in het openbaar mee omgegaan moet worden.

En toen Petrus te Antiochië gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was.

Openlijk, wat een toestand, gemeente: twee dominees tegenover elkaar. Paulus zegt tegen Petrus: ‘Je bent verkeerd bezig, man; dat mag zo niet, dat kan zo niet, dat is niet tot eer van God.’ Publiekelijk, openlijk voor de oren van al de mensen. Want Petrus handelde verkeerd. Hij was een kind van God, maar hij was bang voor zijn naam. Hij was bang dat mensen zouden zeggen: ‘Kijk eens, die Petrus valt ons tegen, dat zijn we niet van hem gewend.’ Hij durft opnieuw niet uit te komen voor de naam en de zaak des Heeren.

 

Tegen die achtergrond moet u onze tekst lezen. De apostel Paulus zegt als het ware: ‘Luister, Petrus, gemeente, is het nu de wet of het Evangelie? Is het nu de ceremoniële wet en de zedenwet of het Evangelie? We zijn toch door het geloof gerechtvaardigd, en niet uit de werken der wet?’

Maar indien wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde? Dat zij verre (Gal. 2: 17).

 

Dat is het verband van onze tekst en tegen die achtergrond zegt hij: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

  1. Gekruisigd met Christus

We letten nu dus eerst op: Ik ben met Christus gekruist.

Zegt die Naam u iets? Christus – is Zijn Naam u lief geworden? Christus – is die Naam  zoet gaan klinken voor uw geest, tong en gehemelte? Christus – is Hij een totaal vreemde? Wat betekent Christus? Gezalfde toch? Profeet, Priester en Koning. Gezalfd door Zijn Vader in de hemel en bekwaam gemaakt als Profeet. Hij kan onderwijs geven, Hij kan Koning zijn; Hij is Priester naar de ordening van Melchizedek. Zijn Naam is Christus, Gezalfde, Messias. Hij is zonder zonde, Hij heeft geen zonde gekend noch gedaan. Is Hij een onbekende voor u? Ik ben met Christus, die Zaligmaker, gekruist. Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt (2 Kor. 5:21). Hij is gekruisigd met die langdurige, bittere, vervloekte, pijnlijke dood van de kruisiging. Waarom? Omdat er toorn van God is.

Ik dacht dat God liefde was?
Jazeker, en juist dáárom is God toornig. Want toorn en wraak en liefde zijn aan elkaar verbonden. Mag ik dat uitleggen aan de jonge mensen? Weet je waarom er een hel is? Omdat God liefde is!
Dominee, daar begrijp ik helemaal niets van.

Wel, wordt u boos als u hoort over abortus of maakt het u niet veel meer uit? Bent u er zo aan gewend dat u er niet eens meer over denkt? Kleine baby’tjes worden vermoord. Als je nu van die kindertjes houdt, word je boos. Als je niet boos wordt, maakt het jou ook niet uit. Hoe meer je liefhebt, hoe bozer je wordt. Een moeder die een kind liefheeft … raak dat kind niet aan, want je krijgt met die moeder te doen. Ze wordt boos, zo fel, want ze houdt zoveel van dat kindje. Daarom wordt ze zo boos.

En zo de Heere: Hij is zo oneindig vertoornd als je God raakt, als je tegen God zondigt, want God heeft Zichzelf oneindig lief. Terecht toch, of niet? Hij heeft Zichzelf oneindig lief, als de heilige, rechtvaardige en goeddoende God. Als we tegen God zondigen, krijgen we met God te doen, omdat God Zichzelf liefheeft. Hij heeft niet alleen Zichzelf lief, maar in Zichzelf ook anderen. Dat is de achtergrond. Dáárom moest Christus gekruisigd worden, omdat God de zonde ernstig neemt, omdat Hij de zonde moet straffen, omdat God Zichzelf liefheeft.

 

Als nu volgende week zondag het Avondmaal gehouden wordt, blijkt daar iets van: dit is Mijn lichaam dat voor u verbroken wordt. Dat gaat over de kruisiging, over de dood van Christus. Dus Christus is gekruisigd en de apostel Paulus zegt: ‘Dat is mijn hoop. Niet de wet is mijn hoop, niet de besnijdenis is mijn hoop, maar dit is mijn hoop: met Christus gekruisigd te zijn!’

Nu staat in het eerste gedeelte van de tekst een heel dierbaar woordje. Misschien is het u nog niet opgevallen: Ik ben met Christus gekruisigd. Wat is dat dierbare woord? Mét. Ik ben mét Christus gekruisigd. Ik ben zó met Christus verbonden, er is zo’n eenheid met de Zaligmaker, dat toen Hij gekruisigd werd, ík eigenlijk gekruisigd werd. Want Hij vertegenwoordigde míj; ik ben met Hem verbonden, Hij is in mij en ik in Hem. Ik ben met Christus gekruisigd.

Mét Christus. Onderzoek het eens voor uzelf: die uitdrukking mét Christus gekruisigd. Lijden mét Christus, opgestaan mét Christus, zitten aan de rechterhand van de Vader mét Christus. Dat is het werk van de Heilige Geest, Die Gods Kerk verbindt met Christus. Als Christus sterft, sterft de Kerk, want Híj sterft voor hen als Plaatsvervanger, als Zaligmaker. Mét Christus gekruisigd; dat betekent dat Hij betaald heeft. Wat een nadruk ligt er op het woordje ‘ik’. Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.
 

Volgende week zondag gaat het met name over de dood en over de kruisiging van Christus. Dat is het hart van het Evangelie. Er zijn er onder Gods kinderen die meer verstaan van Zijn profetische werk, die meer verstaan van Zijn koninklijke bediening, maar die nog niet zoveel verstaan van Zijn offer, van Zijn dood. Maar ook voor hen is het Avondmaal ingesteld. Om daarin meer inzicht in te krijgen. Om Gods kinderen te zeggen: Kom, Hij leert en regeert niet alleen, maar Hij betaalt ook voor de zonde. Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Hij is gestorven. De apostel Paulus verloochent Hem niet. Daar is Paulus juist bang voor; hij is bang dat Petrus afglijdt, dat Petrus meer op de wet gaat leunen, dat hij een vroom mens wordt. Paulus is bevreesd dat Petrus sterkte vindt in de besnijdenis, in de ceremoniële en de zedelijke wet. De apostel Paulus zegt: ‘Nee, ikzelf moet ook gekruisigd worden, alles van mij moet eraf. Van mij telt niets mee’, Ik ben met Christus gekruist.
Misschien een zijlijn, maar toch belangrijk: wij moeten óók gekruisigd worden. Alles van ons moet eraf. Onze vroomheid – het is een kleed dat afgenomen en weggeworpen moet worden. Het is een doorgaande zaak in het leven van Gods kinderen om groter zondaar te worden en minder zonde te doen.

We gaan naar de tweede gedachte.

  1.  In mij leeft Christus

En ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Dat is wat! Ik leef. Paulus mag dat eerlijk getuigen. Hij dácht vroeger dat hij leefde. Vóór de wet werkelijk in zijn leven gekomen was, dacht hij dat hij leefde. Maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven (Rom. 7:9).

Zo is de zonde in mij levend geworden, doch ik ben gestorven, maar Christus leeft in mij. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.  Dat gaat over de opstanding van de Heere Jezus, over de eerste trap van Zijn verhoging. Wat is dat een ontzaglijk blijde dag geweest voor de Heere Jezus. Welke dag? Pasen, de opstandingsdag. Eerst was daar de ervaring van Gods toorn, maar bij de opstanding was er de liefde Gods. Er was genóég gedaan. Hij kon opstaan uit de doden. Zijn Vader was niet meer toornig, maar heeft Hem vriendelijk toegesproken: Sta op uit de dood! Hij leefde, Hij heeft betaald voor de zonde.
Op Goede vrijdag heeft Christus gezegd: Het is volbracht (Joh. 19:30).
Dat zei Hij Zélf: Het is volbracht. Dat
kan Hij nu wel zeggen, maar is het ook zo? U zult zeggen: Uiteraard, want Hij zei het Zelf, Hij is de Zoon van God. Maar ik zou het ook zo graag uit de mond van de Vader horen, dat Hij zegt: Het is inderdaad volbracht. Welnu, op de opstandingsmorgen zegt de Vader inderdaad: het is volbracht. Hij mocht leven, Hij stond op uit de doden. De apostel Paulus zegt: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, ik leef ook met Hem en niet meer ik, maar Christus leeft in mij.

 

Vóór de bekering is een mens zonder God in de wereld, geen hoop hebbende. En het ergste is, dat hij het niet begrijpt, dat het niet tot hem doordringt.

Zijn er weduwen onder ons? Ik begrijp weduwen en weduwnaars niet, want ik ben zelf geen weduwnaar. Maar zij begrijpen elkaar wel, ja toch? Ze gaan bij elkaar op bezoek en verstaan elkaar. Onbekeerden verstaan onbekeerden echter niet. Want ze begrijpen het zelf niet. Weduwen begrijpen wat het is om weduwe te zijn. Maar onbekeerden beseffen niet wat het is om onbekeerd te zijn. Onze grootste ellende is dat we onze ellende niet recht en grondig kennen.

Zo zijn er ook onder ons die God niet kennen. Ze weten niet wat het is om God niet te kennen. Ze slapen, het dringt niet door. Ze zijn dood in zonden en misdaden. Zonder God in de wereld, met een hemelhoge schuld, en maar rustig doorleven, totdat het einde komt, soms plotseling … en dan?

Wat is het daarom nodig om lévend gemaakt te worden! De apostel Paulus zei: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef. Er was een moment in zijn leven gekomen dat hij begon te leven. Dat deed híj niet, dat deed Christus. Hij begon, Hij zette voort en Hij volbracht het werk. Het is alles het werk der genade van de Heere Jezus Christus: en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.
 

Als we het beleven mogen, zie ik aanstaande zondag in gedachten hier en daar mensen opstaan en door het pad naar voren lopen. Weet je wat die mensen zeggen? Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Dat is niet míjn werk, ík ben niet begonnen, Gód is begonnen. Ik ben niet trots op mezelf, let niet op mij. Ik lig in het midden van de dood, maar ik zoek het leven buiten mezelf in Jezus Christus. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Zoek dat leven toch niet in uzelf, maar zoek dat leven in de Heere Jezus Christus.

Ook Gods kinderen zijn zo dwaas; zie toch opnieuw Petrus. Wie had dat gedacht? Veinzen met Barnabas – wie had dat gedacht? Zo zijn Gods kinderen nog steeds dwazen die heulen met de wet. Ze vallen net als Petrus zo gemakkelijk terug in het werkverbond. En Paulus zegt: ‘Nee vriend, nee broeder, ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.


Er zijn tijden dat je het weer opnieuw zoekt in jezelf in een week van voorbereiding. Dan denk je terug aan de tijd dat de Heere Zijn Woord zo krachtig, zo onwederstandelijk toepaste aan je hart, waardoor je gebroken was van hart en verslagen van geest. In die tijd hongerde en dorstte je naar de gerechtigheid, maar je kunt er nu niet meer komen. Je kunt geen traan meer uit je ogen persen, je kunt je hart niet meer gaande krijgen. Je bent zo hard als een steen, zo koud, zo lauw, zo goddeloos, zo werelds. Het valt zo tegen.

En dan ik aan het Avondmaal? Hoe kan dat dan? Het bestaat niet, het klopt niet. Er klopt niets van, ik hoor daar niet. Ik kan daar niet zitten, aan die heilige tafel met Gods kinderen. Ik blijf maar zitten, eerlijk is eerlijk. Ik ga maar niet meer aan, ik ben dood, het voel zo dood in mij.
Let dan hierop: en ik leef, doch niet meer ik. Het gaat niet om mijzelf, maar Chrístus leeft in mij. Híj is mijn hoop, Híj is mijn verwachting, Hij is mijn leven, bij Hém is uitkomst. Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh. 14:6).

 

Als deze Christus u niet dierbaar is, als deze Christus voor u niet noodzakelijk is, als Hij u niet lief is, als Hij een onbekende voor u is, kom dan toch niet aan het Avondmaal. Al heb je weleens een beetje moed gekregen, al heb je weleens een traan geschreid, al heb je weleens een beetje ontroering in je ziel gevoeld.

Het moet zover komen dat Christus ons álles wordt. En ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Het gaat erom je leven buiten jezelf te zoeken in deze Zaligmaker. Hij heeft de prijs betaald. Hij heeft de wet vervuld. Hij heeft genoeg gedaan. En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven (Rom. 7:9). Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

 

Dit brengt tot onze derde gedachte, maar eerst zingen we Psalm 139 vers 1 en 2.

 

Niets is, o Oppermajesteit,

Bedekt voor Uw alwetendheid.

Gij kent mij; Gij doorgrondt mijn daân;

Gij weet mijn zitten en mijn staan;

Wat ik beraad', of wil betrachten,

Gij kent van verre mijn gedachten.

 

G' omringt mijn gaan en liggen, Gij,

O HEER, zijt altoos nevens mij;

Uw onbepaalde wetenschap

Kent mijnen weg van stap tot stap;

Geen woord is nog mijn tong ontgleden,

Of Gij, Gij weet alreeds mijn reden.

  1. Geloof in Christus

Paulus leeft nog in het vlees. Hij is niet in de hemel. Hij is nog hier op aarde en zolang hij hier op aarde is, geldt nog: en hetgeen ik nu in het vlees leef, het lichaam hier op aarde, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. 

Niet alleen het geloof dat geschonken is door de Zoon van God, maar ook het geloof in de Zoon van God. Dat leef ik door het geloof des Zoons van God.


Gemeente, er zijn altijd uitersten en vaak is de middenweg de beste. Er zijn er die altijd en alleen over geloven praten: ‘Je moet geloven! Je moet geloven!’  Het is een zweep die over de gemeente gaat: je moet geloven! Dat is neo-nomianisme, een nieuwe wet. Je moet geloven. De gewone wet kunnen we niet meer volbrengen, dus nu de wet van het Evangelie. Je moet geloven. Er ligt een geweldige nadruk op geloven. Maar we moeten voorzichtig zijn!
Helemaal aan de andere kant zijn er mensen die het hyper-calvinisme aanhangen. Onder hen zijn er die niet meer over geloof praten. Het gaat alleen maar om de ervaring, het gaat er alleen maar over dat je Gods genade ervaart en dat de Heere overkomt.

Dat is natuurlijk waar en godzalig en noodzakelijk. Maar ik hoor helemaal niet meer over het geloof. Denk bijvoorbeeld aan de theoloog John Gill. Hij heeft een heel rechtzinnig theologisch boek geschreven over de Bijbel, maar er is geen hoofdstuk over het geloof. Dat wordt gemist.

Maar dat is wél de kern van Gods Woord en van de Reformatie. Daarbij gaat het niet over dat opgedrongen, geforceerde geloof, maar over het ware, zaligmakende geloof.  En hetgeen ik in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God. Ook eerder heeft Paulus erover gesproken, in vers 16: Doch wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd.

 

Zondag is het Avondmaal. Ik ga niet zozeer vragen of u Hem liefhebt en kent. Maar in de eerste plaats vraag ik u of u in Hem gelooft? Een iegelijk, die in Hem gelooft zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben (Joh.3:16).

Ik bedoel: geloof in de zin van zelf niets te kunnen en niets te hebben. Van onze kant ligt alles verloren en verzondigd, maar ik mag het in Hem zoeken en op Hem vertrouwen - een vertrouwen dat gewerkt is door God de Heilige Geest.

Ik moet denken aan de Heidelbergse Catechismus, want het geloof is niet een éénmalige zaak. Iemand heeft geloofd in de Heere Jezus Christus, en nu is het voor hem een afgedane zaak, hij is bekeerd, hij is binnen, hij is er ... Nee, zó is het niet. Luister maar naar Zondag 44, vraag 115 van de Heidelbergse Catechismus: Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?

Antwoord: Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onze zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

 

Het geloof is een doorgaande zaak, ook in een week van voorbereiding: hoe langer hoe meer leren kennen. Zolang Gods kinderen in dit leven zijn, hebben ze het nooit in de vingers. Ze hebben het nooit volledig; het blijft op het niveau van geloven, geloven in de Heere Jezus Christus. Daar ligt nadruk op. Hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God.

Denk niet, kind van God, dat u verder komt dan dat. Het blijft op dat niveau, totdat u in de hemel bent. Daar is geloven bezitten. Dan is het geloof niet meer nodig, dan gaat het over in bezit. Maar zolang u op aarde bent, komt het op het geloof aan – het geloof in de Zoon van God.

Hij openbaart Zich door het Woord en door de Geest aan het hart. Dan gelooft u niet in een Jezus van vijf letters, maar dan is Hij echt. Dan is Hij reëel en waarachtig. Dan is er iets van: Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding (Fil. 3:10).

 

Ik ben met Christus gekruist. Nog een enkel woord over onze laatste gedachte.

  1. De liefde van Christus

Is dat laatste deel van de tekst niet het mooiste stukje? Ik zie in gedachten volgende week zondag een avondmaalganger zitten. Christus, die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

Daar is het Avondmaal voor, dat Gods kinderen dáár meer van mogen zien, dat mogen inleven, dat mogen smaken: Die mij liefgehad heeft. Wat is het een voorrecht dat er mensen zijn die ons liefhebben: je vader, je moeder, je man, je vrouw, kinderen en vrienden. Er is gelukkig nog liefde of aarde, maar die haalt het in de verste verte niet bij deze onbegrijpelijke en hemelse liefde van Christus voor een zwarte bruidskerk, die toch lieflijk is.

Hoe kan dat nu? Hoe is dat in de wereld mogelijk? Die mij liefgehad heeft.
 

Als twee jonge mensen verkering krijgen, vinden ze elkaar zo aardig en zo lief. Dan is er een reden waarom ik haar heb uitgekozen en waarom zij zegt: ‘Het is zo’n aardige jongen.’ Die mij liefgehad heeft – mij, die een zondaar ben, geboren in ongerechtigheid. Hoe is dat in de wereld mogelijk?  Dat is nu hét wonder.
We zien in gedachten iemand opstaan uit de bank, door het pad lopen. Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. Hij heeft Zich overgegeven tot de dood van het kruis, Hij gaf Zich over aan de wraak van God. Wat een zoetheid.

Het Avondmaal is gericht op Gods eer. Doet dat tot Mijn gedachtenis, zeker. Al zou je het niet voor jezelf doen, kind van God, doe het dan voor de Heere. Maar vraag in de week van voorbereiding of je aan de tafel óók de zekerheid mag ontvangen: Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgeven heeft.

Misschien kunt u voor uzelf nog niet zo ver komen als u wel zou willen. Vraag dan maar of de Heere u er dieper inleidt. Vraag of Hij u de smaak ervan schenkt en de ruimte schept in het hart. Die Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

 

Waarom? Tot roem der heerlijkheid van Gods genade. Toen de wereld geschapen werd, hebben de morgensterren gezongen en was er verbazing bij de engelen dat God zoiets moois kon maken. De schepping, het universum, de sterren, het licht, de ogen, kleuren, mensen, dierenleven, plantenleven. De engelen stonden verstomd, maar er is iets wat nog indrukwekkender is dan de schepping: God is genadig.

Toen de Heere Jezus geboren werd zongen de engelen: Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk. 2:14). Dat is nog indrukwekkender dan de schepping uit niets. Dat er genade is: Die mij liefgehad heeft en Zich voor mij overgegeven heeft.

Als dat waarheid is, kun je alles aan: de moeiten in het leven, je lijden én je sterven. Als dit beleefd wordt, is dat zo’n verzachtende balsem in Gilead. Dan blijven er zorgen en moeiten, maar ze zijn allemaal een stuk minder als je op goede gronden mag zeggen: Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

Niets telt er dan meer echt, dan dít alleen. Vraag erom.

 

En u die vreemd bent van deze genade! Zolang u een vreemdeling ervan bent, mag u niet aangaan. Dan mag u niet aan het Avondmaal komen, want dat is alleen voor Gods kinderen ingesteld. Niemand, ook de dominee niet, mag deze mensen die Gods genade niet kennen, uitnodigen om te komen. Maar we mogen onbekeerden wel nodigen om tot Christus te komen. We mogen u uitnodigen om de zaligheid alleen in Hem te zoeken en bij niemand anders. Zie al uw gerechtigheden toch als een wegwerpelijk kleed en zoek de zaligheid alleen in Hem! Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21).

Kinderen, jonge vrienden, je hebt geen kerkelijk recht, ook al zou je een goddelijk recht hebben. Maar in de bank mag je erover nadenken: Wat zou het zijn, als ik later belijdenis gedaan heb en als ik een nieuw hart zou hebben? Wat zou dat zijn? Verlang ernaar en zeg: ‘Heere, werk in mijn jonge hart, zodat ik het ook mag zeggen: Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.’ Dat is het leven.


Een week van voorbereiding, niet alleen voor onderzoek maar ook om ernaar toe te leven. Leg deze woorden op uw tong, laat ze langzaam smelten: Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.
Amen.

 

Zingen: Psalm 43:1 en 2

 

Geduchte God, hoor mijn gebeden;

Strijd voor mijn recht, en maak mij vrij

Van hen, die, vol arglistigheden,

Gerechtigheid en trouw vertreden,

Opdat mijn ziel Uw naam belij',

En U geheiligd zij.

 

Mijn God, ik steun op Uw vermogen,

Gij zijt de sterkte van mijn hart;

Waarom verstoot Gij m' uit Uw ogen?

Waarom ga ik terneergebogen,

Door 's vijands wreed geweld benard,

Gestaâg in 't aak'lig zwart?