Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 1 : 5 - 11

Het gebed van Nehemia

Nehemia pleit op Gods verbond
Nehemia belijdt Israëls zonde
Nehemia vraagt God concreet om hulp
Deze prekenserie over Nehemia is eerder in boekvorm uitgegeven door uitgeverij Boekhout. Nu worden deze preken, met wat kleine correcties, opnieuw gepubliceerd.

Nehemia 1 : 5 - 11

Nehemia 1
5
En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.
6
Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.
7
Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.
8
Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.
9
En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen.
10
Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.
11
Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 25 en 66
Lezen : Nehemia 1
Zingen : Psalm 122: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 25: 5 en 8
Zingen : Psalm 32: 3

Het tekstgedeelte voor de prediking is Nehemia 1, de verzen 5 tot en met 11. We lezen daarvan nu alleen de verzen 5 en 6:

 

5. En ik zeide: Och, Heere, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.

6. Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israëls, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israëls, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.

 

Het gaat in dit gedeelte over: het gebed van Nehemia. We letten op drie aandachtspunten:

  1. Nehemia pleit op Gods verbond.
  2. Nehemia belijdt Israëls zonde.
  3. Nehemia vraagt God concreet om hulp.

 

  1. Nehemia pleit op Gods verbond

Gemeente, we halen nog even de lijn op van de vorige keer.

Het is nog steeds een grote puinhoop in Jeruzalem. De Babylonische ballingschap is al tientallen jaren voorbij. In Nehemia 1 zijn we in het jaar 445 voor de geboorte van Christus. Maar lang niet iedereen is teruggekeerd naar Judea. Velen – waaronder ook Nehemia – zijn in Perzië gebleven; Nehemia is er zelfs geboren. Dat wil echter niet zeggen dat zij zich niet bekommeren om hun oude vaderland. Hun hart is er soms nog wel heel sterk aan verbonden.

Ook bij een man als Nehemia merk je dat. Hij heeft een heel hoge baan aan het hof van koning Arthahsasta. Maar hij voelt zich niet te verheven om, zo gauw er mensen uit Jeruzalem komen, bij hen te informeren naar de stand van zaken daar.

Maar ... het gezelschap heeft weinig hoopgevend nieuws. Jeruzalem is nog één grote puinhoop, letterlijk en figuurlijk. De stad ligt nog helemaal open. De muren zijn nog niet herbouwd en de tempeldienst is nog niet hersteld. Iedereen kan er dus zomaar in en uit. Maatschappelijk en staatkundig gezien is er geen bescherming tegen de vijanden van buiten.

Maar ook geestelijk gezien is het een verwarde toestand. De vermenging tussen het Joodse volk en de heidense omgeving gaat gewoon door. Het volk stoort zich niet aan Gods boodschap. Zijn geboden worden met voeten getreden.

U ziet, gemeente, dat zelfs de zegen en de goedheid van God niet tot bekering brengen als de Heere daar niet in mee komt. God heeft ze verlost uit de ballingschap, maar in plaats van de Heere nu ijverig te dienen, vergeten ze Zijn geboden. De veilige muur van Gods geboden, die Hij om Zijn volk heen had gemaakt, is verscheurd en de poorten zijn met vuur verbrand, zodat allerlei vijanden zomaar het volksleven binnen kunnen komen.

 

Als Nehemia dit alles hoort, is hij diep getroffen. We lezen in vers 4: En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.

Nehemia is een man die de Heere van harte liefheeft. Hij wil zijn leven in dienst van God besteden en daarom kan hij dit niet onbewogen aanhoren. Jeruzalem is immers de stad van God; daar wilde de Heere wonen onder Zijn volk. Israël is toch nog altijd het verbondsvolk. De Heere heeft hen niet zómaar uit Egypte en Babel verlost. En zolang deze toestand in Jeruzalem voortduurt, wordt God en zijn volk veel smaad aangedaan. Dat mag toch niet!

Nehemia is bewogen over de eer van God en het heil van het volk. Dat is de achtergrond van zijn gebed. En daarin zien we de gestalte van de Heere Jezus oprijzen. Hij staat snikkend en luid wenend voor de poort van Jeruzalem: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, gij die uw profeten doodt en stenigt, hoe menigmaal heb Ik u willen bijeen vergaderen, zoals een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild. Och, of gij nu bekende op deze uw dag wat tot uw vrede dient.’

 

Nehemia maakt de zaak van God tot zíjn zaak. Als hij neerknielt, bidt hij niet voor zichzelf; het gaat hem om de eer van de Heere en het heil van zijn volk. Hij kent maar één verlangen: eerherstel van God en van zijn volk, opdat zo de naam van de Heere weer als een banier opgericht wordt, opdat de vijand weer buitengesloten wordt en het volk een stil en gerust leven kan leiden in de ware dienst van de Heere. Hij verlangt ook dat de tempel weer in volle glorie hersteld wordt en de dienst van God weer naar behoren wordt waargenomen. Daarom gaat Nehemia op z’n knieën en bidt hij dat aangrijpende gebed dat we lezen in vers 5: En ik zeide: Och, Heere, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.

We knielen in gedachten neer naast Nehemia en onze handen vouwen zich. Steekhoudende argumenten waarom God zou horen, zijn er niet in hem of in het volk. Hij kan niets aandragen. Hij heeft geen pleitgronden in zichzelf. Totaal afhankelijk is hij van de genade van God. We horen hem bidden: Och, Heere. Wat een machtig begin! Hij grijpt God aan in Zijn eigen Naam die Hij aan Israël heeft geopenbaard: Ik zal zijn, die Ik zijn zal (Ex.3:14), de Getrouwe! Met die Naam wilde God aangeroepen worden van geslacht tot geslacht. Nehemia klemt zich vast aan die verbondsnaam. Die grote en vreselijke (geduchte) God, Die Zijn oordelen over Israël liet gaan, is ook die God Die Zijn verbond en goedertierenheid houdt.

 

Nehemia erkent de grootheid van God. Menselijkerwijs gesproken kan Nehemia niets aan de situatie van Jeruzalem en Judea veranderen, maar die grote en geduchte God wel. Die kent geen beperkingen; voor Hem is niets onmogelijk. Hij is zo groot, zo machtig. Die uitdrukking God des hemels wijst op God als de Schepper van hemel en aarde, zo alwetend en zo alomtegenwoordig is God. Hij is vol van majesteit en heerlijkheid. Maar Hij is ook de God van het verbond.

Hoe klein voelt Nehemia zich tegenover God. Gij grote, geweldig sterke God, U wilt toch dat wij u eerbiedig dienen. U neemt het niet als we U niet, of op onze eigen manier dienen. En dan spreekt Nehemia zijn vertrouwen uit op die God: ‘Gij, die het verbond en de goedertierenheid bewaart’. Heere, U bent betrouwbaar. U houdt U van Uw kant aan de verplichtin­gen van het verbond. U hebt lief en U bewijst Uw liefde ook. U bent de getrouwe Man van Israël. Zo bent U altijd geweest. Wij hebben U niets aan te bieden, Heere, maar U hebt ons Uw Woord gegeven.

 

Zo horen we Nehemia bidden, worstelen en pleiten. Vindt u dat niet indrukwekkend? Hoe meer Nehemia ziet op Gods trouw en Zijn verbond, hoe vrijmoediger hij wordt in het bidden. Ondanks de zonden, die hij belijdt, laat hij God niet los. Ondanks de puinhopen, die ze zelf gemaakt hebben, gaat Nehemia de oude beproefde weg: hij grijpt de Heere vast in Zijn eigen Woord. Hij doet z’n Bijbel open en zijn verwachting is van de Heere. ‘Gedenk aan ‘t woord, gesproken tot Uw knecht, waarop Gij hem verwachting hebt gegeven.’

Wat had God dan gesproken? Dat lezen we in de verzen 8 tot en met 10: Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien. En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen van daar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen. Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.

Nehemia haalt hier woorden aan uit Deuteronomium 30, waar de Heere aan Mozes de ballingschap voorzegt, maar ook dat het volk zich zal bekeren en dat Hij zich weer over Zijn volk zal ontfermen. Hij zal Israël niet zomaar aan zijn lot overlaten. Zij zijn toch (…) Uw volk, dat Gij verlost hebt, verkoren in Uw eeuwige liefde, verkoren tot Uw eigendom.

 

Deze genadige verkiezing van God is de belangrijkste pleitgrond van Nehemia. Zo mag je de verkiezing gebruiken: niet als een muur waar je tegen te pletter loopt, maar als een pleitgrond. Heere, U hebt Israël toch vrijwillig uitgekozen! Niet andersom. U hebt ’t uitgekozen; niet omdat het zo’n bijzonder volk was, maar omdat U het vrijwillig liefhebt, opdat het U alleen zou dienen. U hebt toch gezegd: Ik ben de Heere uw God, uw Man, de God van uw heil.

Wat een pleitgrond. Wat een vastheid: U hebt ‘t Zelf gewild, Heere! Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat U losgekocht hebt. U hebt toch die zeer hoge prijs voor dat volk betaald – losgekocht uit de macht van Egypte, uit de macht van Babel. Heere, U laat toch het werk van Uw handen niet los, waar U zoveel voor gedaan hebt? Uw liefde is toch niet zwakker dan toen? U zult toch niet rusten voordat het volk U weer dient op de manier die U hebt voorgeschreven?! Dat is het laatste en het diepste. Met de verdiensten van het volk kan hij niets beginnen. Hun trouw was alleen maar ontrouw gebleken. Maar de Heere had ze niet verkoren om iets in henzelf en Hij heeft er alles voor gedaan; juist daarom mag Nehemia nu hoop hebben. Diezelfde verkiezende liefde is er immers nog. En de Heere is getrouw.

Zo nadert hij tot God, nederig en pleitend op Gods verbondstrouw: ‘Ze zijn toch Uw knechten, Uw volk! U hebt ze verlost door Uw sterke hand en Uw grote kracht.’

 

Wat ligt hier een rijke pleitgrond: Gods eeuwig welbehagen in de Heere Jezus Christus, het eeuwig verbond der genade. Aan onze kant ligt het totaal verloren. Gelooft u dat ook echt? Wij kunnen alleen maar zonde en schuld aandragen. Daar moeten we ons diep voor schamen, maar we mogen ‘dag en nacht’ (vers 6), iedere morgen en iedere avond onze handen vouwen en leggen op Gods belofte. We mogen – net als Nehemia – de Heere herinneren aan Zijn genade, die vastligt in Zijn onwankelbare verbond.

Gemeente, dat verbond heeft God ook met u en met jou opgericht. Iedere doopdienst worden we daaraan herinnerd. God beloofde toen: de vergeving van zonden, het eeuwige leven en de Heilige Geest, Die het geloof werkt. Zo staat het in zondag 27 van de Catechismus. Christus heeft die beloften met Zijn bloed bezegeld. Daar mag u op pleiten, net als Nehemia: Heere, gedenk aan Uw verbond.

 

En wanneer u die genade rijk en vrij mag leren kennen en heel persoonlijk Christus mag leren kennen als Borg en Zaligmaker, dan zult u ook anderen in die rijke schat willen laten delen. Dan gaan we elkaar ook meenemen in de gebeden tot God, net als Nehemia. De nood van anderen wordt onze nood. Die nood en zorg mogen we bij Christus brengen. Zo mag u in uw stille tijd ook voorbede doen voor anderen.

Christus wil onze Voorbidder zijn. Hij is de Middelaar van het verbond. Hij hing aan het kruis. Hij stortte Zijn bloed. God hoort om Jezus’ wil. En daar waar de Heere met een oprecht hart gediend wordt, waar een land en volk terugkeren tot Gods geboden, daar wil de Heere Zijn zegen geven.

Het grootste verlangen van Nehemia is dat zijn volk de Heere mag vrezen. Is dat ook het verlangen van uw hart, de Heere vrezen en dienen? Zeg maar: die nieuwe gehoorzaamheid, waar de Heilige Doop ons toe verplicht. Niet om er zelf beter van te worden, maar omdat Hij het zo waard is! U mag pleiten en zeggen: U hebt het toch beloofd, Heere. Doe dan gelijk Gij gesproken hebt. Luther heeft gezegd: ‘Wij moeten de volle zak van Gods beloften voor Zijn aangezicht leegschudden.’ Is dat niet vrijpostig? Nee, dat is juist een teken van geloof. God beloofde in Deuteronomium 30 de bekering van Israël. Er is een weg terug tot God, ook voor u! Er is bij Hem vergeving, een nieuw begin.

 

Misschien is alles wel verkeerd gelopen in uw leven, in uw gezin, in de verhouding naar anderen toe en ook in de verhouding naar God toe. U bent helemaal vastgelopen: het werd één grote puinhoop. Luister, bij God mag je opnieuw beginnen. Dat gelooft Nehemia. God is onveranderlijk in Zijn trouw en in Zijn liefde, trouw aan wat Hij beloofd heeft, trouw aan Zijn eeuwige liefde, Zijn eeuwige verbondstrouw. Aan die God, Die tot ons komt in Zijn beloften, klemt Nehemia zich biddend vast.

Zo mogen wij ook met lege, schuldige handen in het geloof de Heere aangrijpen in het gebed: voor Israël, voor de gemeente, voor de kerk van Nederland, nu er zoveel muren in puin liggen, nu er een vloedgolf van secularisatie over ons heen gaat en de geestelijke boosheden in de lucht steeds grimmiger worden. We mogen pleiten op Jezus’ woorden: ‘De poorten der hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen.’ Hij betaalde de hoge prijs: Zijn eigen bloed. O God, laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen (Ps.90:16). Er is niets te klein om aan de Heere voor te leggen. Grote en kleine dingen, voor dit tijdelijke leven, maar ook voor het eeuwige leven: kniel maar naast Nehemia neer en leg uw gebeden neer op Christus en Zijn volbrachte werk.

Wij bidden soms of de Heere de omstandigheden wil veranderen. Soms doet God dat niet, maar wil Hij onszelf in die weg van beproeving veranderen, zodat we anders tegen de dingen aankijken. Dan blijven de omstandigheden hetzelfde, maar word je zelf anders en kun je toch verder, met God!

Tot zover ons eerste aandachtspunt: Nehemia pleit op Gods verbond. We gaan naar onze tweede gedachte:

 

  1. Nehemia belijdt Israëls zonde

We lezen in het laatste gedeelte van vers 6 en in vers 7: (…) en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israëls, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd. Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.

Hoort u, gemeente? Nehemia zegt eigenlijk: het is niet Uw schuld, Heere, dat de muur van Jeruzalem in puin ligt. Gelooft u dat ook? Als het mis is bij ons, als Gods hand op ons drukt, in ons gezin, in ons persoonlijk leven, is dat nooit Gods schuld. De schuld ligt bij ons.

Nehemia wil daar niet omheen. Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn (...); en ik doe belijdenis over de zonden. Nehemia roept God er heel nadrukkelijk bij. Zijn oor moet opmerken en Zijn oog moet zien. ‘Zie op ons in gunst van boven; wees ons toch genadig, Heer’.’

Hoe afhankelijk, hoe teer en eerbiedig bidt Nehemia. Hij zegt niet: Hier ben ik, Uw knecht. Dit is mijn plan en U moet het allemaal zegenen. Nee, hij begint met een ootmoedige schuldbelijdenis en zegt: We hebben het niet verdiend, Heere. U hebt het volste recht om ons voorbij te gaan, maar ... aanschouw Uw verbond. Ik doe belijdenis over de zonden, zonden tegen Uw geboden. Israël heeft die niet gehouden. Zij moesten de Heere liefhebben en dienen. Maar ze hebben de afgoden gediend, de Baäls. Gods volk heeft z’n doel gemist. De armen en de zwakken in de gemeente zijn uitgebuit en de mannen zijn met heidense meisjes getrouwd.

 

En dan lezen wij iets heel bijzonders! Normaal gesproken hebben we er een handje van om anderen de schuld te geven. We wijzen met de vinger naar de boze wereld, naar een ongelovige collega, een zware of lichte dominee, een gevallen broeder of zuster; over hen wordt geroddeld. Iedereen heeft het gedaan. Iedereen doet het verkeerd. Heimelijk denken we: waren ze maar allemaal zoals ik. We zien de splinters in de ogen van anderen. Maar wat lezen we nu van Nehemia? Hij belijdt: ik heb het er niet beter afgebracht. Hij weet zich solidair in de schuld met zijn volk! Hij zegt: ‘Wij hebben gezondigd, ook ik en mijns vaders huis.’ Hij zegt niet met een algemene dooddoener: we zijn allemaal zondaren. Nee, heel persoonlijk: ook ik! Heeft deze hooggeplaatste man aan het Perzische hof dan iets van doen met de zonden die in Jeruzalem gedaan zijn?

Gemeente, Nehemia huichelt niet. Wij zondigen vaak in gemeenschap met anderen. Nehemia is solidair in de schuld: ‘Wij zijn van ‘t heilspoor afgegaan, ja, wij en onze vaad’ren tevens.’ Wat een ootmoed bij Nehemia. Hij had zich kunnen beroepen op zijn onbekendheid met de Jeruzalemse situatie, maar dat doet hij niet. Hij komt in de schuld en belijdt zijn schuld. Hij buigt z’n hoofd en zijn knieën en stort z’n hart uit voor Gods aangezicht. ‘Wij hebben tegen U gezondigd.’ Nehemia sluit zichzelf erbij in: ook ik en mijns vaders huis. Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven. Letterlijk staat er: wij zijn totaal ontaard. Wij waren onherkenbaar als Uw volk, ongehoorzame kinderen. Wij hebben Uw geboden niet gehouden. Wij hebben gedaan wat kwaad was in Uw oog!

Wat een les!

 

Misschien denkt u: ik wilde wel dat het anders was, thuis, in ons gezin, in de gemeente. We hebben een opwekking nodig. De geestelijke nood is zo groot.

Ja, dat is waar, maar een echte opwekking begint bij uzelf, als u de schuld niet meer op een ander steekt, maar zelf heel persoonlijk in de schuld komt voor God, als u belijdt met de dichter: ‘Ik heb tegen U, o Heer’, zwaar en menigmaal misdreven.’ Het gaat om de beleving ervan. Nehemia eigent de schuld ook persoonlijk.

U zegt misschien: waar ben ik dan zo schuldig in? Mag ik u vragen: staat u altijd voor de dienst van de Heere in vuur en vlam? Kunnen ze van u en mij zeggen: Kijk, een echte christen! Die leeft niet voor de wereld, maar voor God. Hij is altijd zo nederig; hij wil altijd de minste zijn. Hij leeft een leven van oprechte dankbaarheid.

 

Gemeente, jongelui, heb je zo de Heere lief gekregen? En laat je dat zien in je leven? Is je gebed vuriger en je leven afhankelijker? Zingt het vaak in uw hart: ‘Neem mijn leven, laat het, Heer’, toegewijd zijn aan Uw eer’?

Werkt die levenshouding ook door in onze opvoeding, ouders? Hebben jullie God lief, jongens en meisjes? Zijn jullie gehoorzaam aan je ouders? Is er vrede met elkaar, in de families en de gezinnen? Hebben wij elkaar altijd alles vergeven? Hebben we gebeden en gezorgd voor elkaar? Of vind ik mezelf belangrijker en is míjn wil wet? Wie verloochent zijn eigen ‘ik’ en wie neemt zijn kruis dagelijks op? Meent u het als u zegt: Heere, wij hebben onze weg voor U verdorven? Zijn we op school, thuis en op het werk gehoorzaam en herkenbaar als kinderen van Gods verbond?

Voelt u de schuld niet op u afkomen, gemeente?

Jongelui, gaan jullie in je verkering met elkaar om zoals het behoort? Of ben je misschien te ver gegaan? Hoe moet dat weer goed komen? Zie toch je eigen schuld en zonden eerlijk onder ogen; belijdt ze aan elkaar en aan God. Ga met Nehemia op de knieën en zeg: Heere, wij hebben gezondigd! Verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult, en wees ons eens genadig. Je staat voor God met lege, schuldige handen.

 

Zo staat Nehemia daar. Hij houdt zijn eigen schuld over en de schuld van Israël, de verdiende straf. Hij vernedert zich voor God. Hij wordt heel klein voor God. En daar, in het dal van ootmoed, bloeit de mirte. Nehemia wordt voorbidder voor zijn volk. Hij staat niet boven de mensen voor wie hij bidt, maar vlak naast hen. Hij is een van hen. Hún zaak is zíjn zaak. Hun zonde is zijn zonde.

En daar verrijst de gestalte van de grote Voorbidder, die in de bres springt voor Zijn volk. Nehemia was geen volmaakte voorbidder, Jezus wel. Nehemia kan de zonden niet verzoenen, Christus wel. Zie toch vanuit deze biddende Nehemia op die grote Voorbidder Jezus Christus. Zijn voorbede is ons behoud, als we persoonlijk onze schuld belijden. Jezus is solidair in de schuld met zondaren. God hoort. Net zo zeker als Christus op Golgotha de hemel boven Zich gesloten vond, zo zeker opent diezelfde hemel zich voor allen die zich vastklemmen aan Gods beloften. Jezus sprak: Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven (Joh.16:23).

Hij wordt een van ons: onzer een, Zijn broederen in alles gelijk. Onze zaak is Zijn zaak geworden. Hij nam de schuld op Zich en hing aan het kruis als de grootste van de zondaren. En vanuit het kruis van deze biddende Voorbidder mag ik u toeroepen: Laat u met God verzoenen. Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2Kor.5:20‑21). Tot zonde voor ons gemaakt – Jezus, leven van mijn leven. Hij sprak het: ‘Ik draag Uw heil’ge wet, die Gij den sterv’ling zet, in ‘t binnenst’ ingewand.’

En aan de voet van Zijn kruis leert u ook bidden voor uw vijanden: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen (Luk.23:34). U wordt vergevingsgezind om Jezus’ wil.

 

Dat was onze tweede gedachte: Nehemia belijdt Israëls zonde. Voor we overgaan tot ons derde aandachtspunt zingen we uit Psalm 25 de verzen 5 en 8:

 

Lout’re goedheid, liefdekoorden,

waarheid, zijn des Heeren paân

hun, die Zijn verbond en woorden

als hun schatten gadeslaan.

Wil mij, Uwen naam ter eer,

al mijn euveldaân vergeven:

ik heb tegen U, o Heer’,

zwaar en menigmaal misdreven!

 

Zie op mij in gunst van boven,

wees mij toch genadig, Heer’!

Eenzaam ben ik en verschoven,

ja, d’ ellende drukt mij neer.

‘k Roep U aan in angst en smart,

duizend zorgen, duizend doden

kwellen mijn angstvallig hart:

voer mij uit mijn angst en noden!

 

  1. Nehemia vraagt God concreet om hulp

We lezen vers 11: Och, Heere, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans.

Och, Heere, laat toch Uw oor opmerkende zijn. Heere, ik verwacht het van U alleen. En, zo zegt Nehemia, er zijn er meer die lust hebben de Heere te vrezen – jij ook? – mensen die vurig verlangen naar het herstel van de muur van Jeruzalem en naar een opleving van de dienst van de Heere onder het volk.

 

Wonderlijk is dat, als je dat van elkaar weet en dat ook voelt in het gebed. Heerlijk om te weten dat er in de gemeente meer mensen zijn die niet alleen voor zichzelf en hun eigen voordeel leven, maar die voor Gods eer en het heil van de naaste bezig zijn, mensen die het niet van zichzelf of van hun eigen georganiseer, maar van God alleen verwachten. Dat wil de Heere, gemeente! ‘Welzalig hij, die al zijn kracht en hulp alleen van U verwacht.’ De Heere let niet alleen op míjn gebed, maar ook op dat van al die anderen. Zo wordt de hemel door het geloof en het gebed bestormd en veroverd.

 

En dan pas komt Nehemia met z’n vraag, zijn eigen concrete plan: ‘Doe het Uw knecht wel gelukken.’ Wat? Het! Het welslagen van zijn plan dat hij bedacht heeft om iets voor Jeruzalem te doen.

Let even op! Nehemia komt niet eerst met zijn plan. Hij heeft ootmoedig schuld beleden, oprecht gepleit op Gods beloften, en pas nu, ten slotte, ten laatste, komt hij met zijn plan.

Wij hebben onze vragen zo vaak voorop staan. We vallen met de deur in huis bij de Heere. Nehemia wacht tot het laatst om zijn zaak onder de aandacht van de Heere te brengen. Hij is van plan om naar de koning te gaan en te vragen of hij met verlof naar Jeruzalem mag gaan om daar orde op zaken te stellen. Hij zegt niet: ik heb schuld beleden en gebeden en nu moeten we maar zien wat er van komt. Nee, hij is niet klaar; hij wacht niet rustig af. Hij buigt heel diep voor de Heere, maar is tegelijk heel actief voor diezelfde dienst van de Heere. Doe het toch uw knecht heden wel gelukken.

 

Gemeente, een gelovige kan nooit berusten in zo’n noodtoestand. Je mag niet lijdelijk toezien als je gemeente, je gezin, helemaal opengebroken ligt naar de wereld. Daar kun je geen vrede mee hebben. Dat verdraag je niet als er zo gespot wordt met God en Zijn gebod. Er zijn van die ‘ach- en weeroepers’ die er geen boterham minder om eten en bij wie dat geen pijn doet, maar dat is eigenlijk verraad.

Nehemia voelt zich medeverantwoordelijk, niet alleen voor de schuld, ook voor het herstel. Hij kan niet lijdelijk toezien. Hij gebruikt zijn gaven en z’n positie om iets aan deze ellende te doen. Het is geen toeval dat hij zo’n hoge positie heeft aan hof van de koning. Daar mag hij gebruik van maken, in diepe afhankelijkheid van de Heere. Hij legt z’n plan aan de Heere voor. ‘Geef, Heere, barmhartigheid voor het aangezicht van deze man.’ Die ‘man’ is koning Arthahsasta. Dat is ook maar een gewoon mens, al heeft hij grote macht. Hij gaf de Joden de opdracht om het herstel van de muur te staken. En aan die wet van de Perzen zit hij vast.

Er zijn nog meer bezwaren. Het Joodse volk stond bekend als een opstandig volk. De vijanden van Israël rondom Jeruzalem waren legio. De Joden in Judea zijn straatarm. Waar moet al dat geld vandaan komen? Maar ... al die bezwaren brengt de Heere niet op onze weg om ons moedeloos te maken, maar juist om in het geloof te overwinnen, om zo Zijn almacht en genade aan ons bekend te maken.

 

Nehemia gelooft dat het hart van de koning in de hand van de Heere is als een waterbeek. Hij regeert ook in dat hart. God kan die koning liefde tot de Joden geven. Nehemia vertrouwt niet op zichzelf of op eigen handigheid, maar op de Heere. Van Hem is hij helemaal afhankelijk. In alle eerlijkheid en afhankelijkheid legt hij alles neer voor de Heere. Leest u nog eens mee in vers 11: Och, Heere, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Heere, wilt U deuren openen en wegen banen?

Nehemia wil niets beginnen voor hij alles bij de Heere gebracht heeft. Dat is nu echt afhankelijkheid. Herkent u dat? Dat heeft ons veel te zeggen met het oog op ons eigen doen en laten. Er zijn zoveel dingen die we zelf kunnen en waar we gewoon mee beginnen; en dan vragen we de Heere achteraf om het te zegenen. Dat is geen afhankelijk leven. Dan stippelen wij de weg uit en dan vragen we of de Heere wil volgen. U kent allemaal het spreekwoord ‘Bid en werk’. Dat staat niet letterlijk in de Bijbel, maar wel inhoudelijk. Wij keren vaak de volgorde om. Eerst werken, zelf aan de slag gaan, en aan het slot moet God z’n goedkering eraan hechten. En hoe vaak hebben we de Heere helemaal niet nodig. Dan bedenken we onze plannen en voeren we ze uit in eigen kracht; in de praktijk van het leven van elke dag, maar soms ook in geestelijke zaken. We zijn zulke doe-het-zelvers. We zouden het liefst onze eigen zaligheid bewerken – en daarmee de Heere voor de voeten lopen.

 

Nehemia gaat niet eens direct aan het werk voor Jeruzalem. Hij doet gewoon z’n werk aan het hof, elke dag. Niet lijdelijk, maar hij wacht op de Heere, ziet uit naar de Heere. Niet zonder aanvechting, want de duivel zit altijd te stoken als de Heere niet dadelijk helpt: Nehemia, kijk eens naar die machtige koning. Denk je dat die jouw verzoek ooit zal inwilligen? Ik zou het niet wagen hem dat te vragen

 Nehemia wacht op de Heere, vier maanden lang. En al die tijd bidt hij, worstelt hij aan de troon van Gods genade. En hij gaat meemaken dat de Heere doet boven bidden en denken, want de koning begint er zelf over, zo zullen we later zien.

Voor het plan van Nehemia was heel wat moed nodig. Hij was echt niet naïef; hij wist wat hem te wachten stond als hij aan de koning verlof zou vragen om naar Jeruzalem te gaan. Hij gaf zijn veilige positie op – ja, je moet ter wille van het Koninkrijk Gods soms heel wat opgeven – en hij zette zijn leven op het spel. Zo lief had hij echter God en Zijn volk dat hij daartoe bereid was. Bent u dat ook?

Dat is een testcase voor het ware geloof. De oprechtheid van onze schuldbelijdenis en de echtheid van het geloof blijkt uit de bereidheid om zelf ingeschakeld te worden voor de voortgang van het Koninkrijk Gods, om gebruikt te willen worden als een medewerker voor het herstel, de uitbreiding en de opbouw van Gods gemeente, betrokken op Gods eer en het heil van de naaste. Ouderen en jongeren zeggen dan: Zie, hier ben ik, Heere, tot Uw dienst. Wilt u mij gebruiken? Welke studierichting moet ik nemen om met de mij geschonken talenten U te kunnen dienen?

Of ben je altijd alleen nog maar bezig met je eigen positie en carrière? Als je God liefhebt, krijg je ook je naaste lief. Je wilt al je liefde, kracht, ijver en zelfverloochening aanwenden voor God en Zijn rijk.

 

Gemeente, jongelui, neem de lessen eens mee van dit gebed van Nehemia. Denk groot van de Heere. Herinner Hem aan Zijn beloften. Waarom is het voor zo’n grote, ontzagwekkende en alwetende God dan nodig om Hem te herinneren aan wat Hij beloofd heeft? Vergeet Hij dan Zijn beloften? Nee, maar Hij wil dat wij het goed weten en geloven wat Hij gezegd heeft. Net als op school, jongelui, als een leraar je een proefwerk laat maken. Als het goed is, laat je door een goed resultaat zien dat die leraar niet tevergeefs z’n best gedaan heeft om je de leerstof bij te brengen. (Dat moet u dan ook wel doen, leraren!) Die leraar is daar blij mee en hij zal het ook fijn vinden als z’n leerlingen in praktijk brengen wat ze geleerd hebben. Zo is dat ook bij God!

Belijd – net als Nehemia – je zonden en onwaardigheid, je zwakheden en tekortkomingen. Want indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve (1Joh.1:9). En leg – net als Nehemia – heel concreet je noden aan de Heere voor: je schoolwerk, je repetitie, je examen, je sollicitatiebrief en -gesprek, je werk op ‘t land en in de stal, je staan voor de klas of je werk op de fabriek, op het kantoor, in het gezin, of je evangelisatiewerk, je verkering, je zwangerschap of het juist niet in verwachting zijn. Leg het aan de Heere voor: doe het heden wel gelukken, Heere.

 

We hebben zo’n machtige God en zo’n getrouwe Zaligmaker! Hij is ervoor uit de hemel neergedaald. Hij heeft geijverd voor Gods eer en het herstel van Zijn gemeente. Hij was zo bewogen met het heil van Zijn volk dat Hij Zijn gebeden onder sterk geroep en tranen geofferd heeft. De schuld heeft Hij geëigend en betaald. De straf heeft Hij gedragen en de verzoening teweeggebracht. Hij heeft gewacht op het uur van Zijn Vader en Zichzelf geofferd aan het kruis! Alles heeft Hij volbracht. Hij is het enige fundament voor de zaligheid van zondaren, de grond van de gebedsverhoring. Wie op Hem bouwt, zal niet beschaamd worden. Hij heeft beloofd: wie tot Mij komt, al is de nood nog zo hoog, die zal Ik geenszins uitwerpen.

 

Gemeente, bent u in Christus? Alleen wie in Hem is en blijft, draagt veel vrucht. En daar gaat het God om. Aan Zijn hart wil God u leren om te sterven aan alle eigen kracht en roem, om gewillig te bidden: ‘Leer mij, o God van zaligheden, mijn leven in Uw dienst besteden.’

Amen.

 

Slotzang: Psalm 32 vers 3

 

‘k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;

‘k verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden,

maar ik beleed na ernstig overleg

mijn boze daân: Gij naamt die gunstig weg.

Dies zal tot U een ieder van de vromen

in vindenstijd met ootmoed smekend komen.

Een zee van ramp moog’ met haar golven slaan,

hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.