Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 1 : 1 - 4

Nehemia en de nood van het volk

Nehemia en zijn tijd
Nehemia en de nood van Jeruzalem
Nehemia en zijn God
Deze prekenserie over Nehemia is eerder in boekvorm uitgegeven door uitgeverij Boekhout.
Nu worden deze preken, met wat kleine correcties, opnieuw gepubliceerd.

Nehemia 1 : 1 - 4

Nehemia 1
1
De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was;
2
Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.
3
En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.
4
En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 123: 1 en 2
Lezen : Nehemia 1
Zingen : Psalm 147: 1, 2 en 6
Zingen : Psalm 74: 2, 3 en 19
Zingen : Psalm 51: 9

De tekst voor de prediking vindt u in Nehemia 1, de verzen 1 tot en met 4. We lezen samen het vierde vers:

 

En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.

 

We zien in dit gedeelte: Nehemia en de nood van het volk.

We letten op drie aandachtspunten:

  1. Nehemia en zijn tijd;
  2. Nehemia en de nood van Jeruzalem;
  3. Nehemia en zijn God.

 

  1. Nehemia en zijn tijd

Gemeente, als er iets groots tot stand gebracht moet worden, dan denken we aan mensen die veel capaciteiten hebben, mensen die veel kennis van zaken hebben op hun vakgebied. Leiders zijn vaak mensen die rusteloos voortgaan met de uitvoering van hun ideeën, niet te temmen, recht door zee, temperamentvol, uitdagend, voor sommigen een beetje angstwekkend zelfs, mensen die weten door te zetten en iets weten te bereiken!

 

In het koninkrijk van God valt niet zo de nadruk op de indrukwekkendheid van mensen. Zacharia bijvoorbeeld profeteert als het gaat over de herbouw van de tempel: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden (Zach.4:6). Toch gebruikt God vaak mensen met leidersgaven om bepaalde dingen tot stand te brengen. En die gaven gaan dan gepaard met Godsvrucht, met een biddend leven. Dat zien we bij Nehemia!

Maar aan zulke mensen zit ook weleens een ruwe kant. We lezen van Nehemia dat hij zijn medebroeders een keer vervloekte, dat hij ze sloeg en zelfs het haar uittrok. Dat is nogal wat! Maar de Heere Jezus was ook bepaald niet zachtzinnig. Als we zien hoe Hij de tempel heeft gereinigd en als we luisteren naar wat Hij allemaal tegen de farizeeërs durfde te zeggen, dan gaan die beschuldigende woorden boven die van Nehemia uit.

 

Wie was Nehemia eigenlijk? Een Jood, geboren in de ballingschap. Hij had een hoge baan aan het hof van de koning van Perzië, het huidige Iran. Hij woonde op de burcht Suzan; dat was de zomerresidentie van de Perzische koning. We hebben gelezen aan het slot van hoofdstuk 1 dat hij schenker was. Dat was niet zomaar een baantje zoals kelner of zo; schenker, dat was een heel hoog hofambt. Je zou het kunnen vergelijken met de hoogste positie in het land, zoals bij ons de minister-president. Een schenker was iemand met een vertrouwenspositie.

Nehemia – die naam betekent: God heeft getroost – is een van de grootste leidersfiguren uit de Bijbel. God gebruikte hem om Israël te leiden bij de herbouw van de muren van Jeruzalem en bij het reorganiseren van heel het sociale en economische leven na de ballingschap in Judea. Het is ongelofelijk wat Nehemia in korte tijd onder Gods zegen heeft mogen bereiken. In alles blijkt dat de Heere gebruikmaakte van zijn gaven, zijn leiderscapaciteiten. In de heidense omgeving van de Perzische koning heeft hij zich een vooraanstaande positie weten te verwerven. Dat zegt boekdelen over zijn intellectuele vermogens en zijn geestelijke gezindheid.

 

Wie was deze Nehemia? Een voorbeeld van persoonlijke ijver voor de eer en de verheerlijking van God. Zoiets doet weldadig aan te midden van zovele lauwe Laodicensen – en dat waren die Jeruzalemmers. Nehemia’s ijver is geen fanatisme of onbeheerstheid; het is ook geen onverantwoordelijk enthousiasme. Nee, het is een respectvolle en doelbewuste betrokkenheid op de heiliging van de naam van God en de uitvoering van de wil van God! Een man uit één stuk, vurig van geest, brandend van verlangen om God te behagen, Zijn eer te bedoelen en Zijn volk te dienen. En daarom was Nehemia een man van gebed – dat is zijn geheim – een voorbeeld in persoonlijke ijver.

Maar in de tweede plaats valt Nehemia’s pastorale betrokkenheid op. Hij was geen dictator; hij walste niet zomaar over zijn mensen heen. Zoals hij was in zijn liefde voor God, zoals die tot uitdrukking kwam in zijn ijver, zo liet hij ook zijn meelevende zorg zien, zijn liefdebetoon in het meeleven met zijn medemensen. Hij wilde verantwoordelijkheid dragen. Dat is een heel belangrijk gegeven. Veel mensen zien en weten wel wat er gebeuren moet, maar ze willen geen verantwoordelijkheid dragen. Nehemia wel! Hij wilde verantwoordelijkheid dragen voor het welzijn van de ander. Hij zag het herstel van Jeruzalem net zo goed als een vorm van welzijnswerk dan als een werk om God te eren. Tijdens de bouw van Jeruzalems muren trok hij er nog tijd voor uit om de armen te helpen. Uit alles blijkt zijn solidariteit met zijn volk, ook in de zonde, ook in de schuld en de nood.

 

Nehemia was ook begaafd met een praktische wijsheid; daar zou voor hedendaags management nog veel van te leren zijn. Denk aan de manier waarop Nehemia omging met de dingen. En hij offerde toch zijn leven? Hij ruilde dan toch maar z’n comfortabele hoge functie aan het hof van de koning voor een leven vol klagende en murmurerende volksgenoten – en dat iedere keer weer opnieuw. Toch hinderde dat hem niet om Jeruzalem te herbouwen en te reorganiseren. Telkens weer blijkt zijn inzicht en zijn doorzicht. Onder zijn bezielende leiding kwam er door de genade van God heel wat tot stand: de herbouw van Jeruzalem, letterlijk en moreel, maar ook geestelijk. Want de dienst van God was helemaal verslapt in die tijd. Die heeft hij mogen herstellen. Nehemia was een biddende bouwer.

 

Nog even iets over de tijd waarin Nehemia leefde. We kunnen gerust zeggen: het was een donkere tijd. Het was 445 jaar voor de geboorte van de Heere Jezus Christus. De heidense koningen van Perzië beheersten bijna de gehele toenmaals bekende wereld. Arthahsasta bezette in die tijd de troon. Dat was geen man met een vast en hoogstaand karakter. Hij was willekeurig, wispelturig en erg beïnvloedbaar door vrouwen en gunstelingen.

Voor Israël was het de tijd na de ballingschap. Veel Joden waren uit de ballingschap teruggekeerd naar het land van Israël. Die terugkeer was verlopen in twee etappes. In 538 was een eerste groep Joden onder leiding van Zerubbabel teruggekeerd, ten tijde van Haggaï. Een tweede groep Joden was teruggekeerd  onder leiding van Ezra, de wetgeleerde, in 458 voor Christus. Hoe het met hen ging, lezen we in ons teksthoofdstuk, Nehemia 1. Want wat gebeurt er?

 

Op zekere dag krijgt Nehemia bezoek van zijn broer Hanáni en enkele mannen uit Jeruzalem. Dat gebeurt in de maand Chisleu, dat is ongeveer november/december. Het staat in vers 2, leest u maar mee: Zo kwam Hanáni, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hun naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.

U weet, bezoek ontvangen kan een reden tot grote vreugde zijn, zeker familiebezoek uit het buitenland. Direct informeert Nehemia naar de Joden en naar de stad Jeruzalem. Hij is heel erg betrokken op zijn volk. Kennelijk is hij ondanks zijn hoge ambt waartoe hij gekomen was zijn eenvoudige komaf en zijn volk niet vergeten.

Dat had zo licht gekund. Hoe vaak zie je niet dat mensen die een hoge positie verkregen hebben, hun afkomst gaan verloochenen. Hoeveel mensen vergeten in zo’n situatie niet vaak hun vrome, godvruchtige ouders. Ik weet van een jongen die opgegroeid was in een gezin waar vader en moeder de Heere vreesden. Hij ging studeren, maakte carrière en werd ten slotte professor. Hij was nog ongehuwd en zijn moeder was zo goed om bij hem schoon te maken. U weet wel hoe dat gaat, zij onderhield dat huis zo’n beetje. En wat denk je, op een dag komt hij met een paar collega-professoren thuis terwijl zijn moeder daar bezig is. Zijn collega’s kijken eens naar die vrouw. En hij zegt bijna verontschuldigend: ‘Dat is m’n werkster.’ Erg hè, als je zo je afkomst verloochent. Wat is dat klein hè, van zo’n grote, belangrijke professor.

 

Zo is Nehemia niet! De liefde tot zijn volk brandt in zijn hart. Mag ik u eens vragen: kent u dat ook, die hartelijke liefde en belangstelling voor elkaar binnen de gemeente, voor het werk in Gods koninkrijk, voor het evangelisatie- en zendingswerk, voor Israël? Alles in diepe verbondenheid met de Heere.

Nehemia stelt heel belangstellend de vraag: hoe is het, hoe is het met ons volk daar? Nou, niet best. Het antwoord is verpletterend voor Nehemia. Leest u maar mee in vers 3: En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd en haar poorten zijn met vuur verbrand.

Dat is erg! Het volk is in ellende en smaad en het ergste van alles: de muur en de poorten van Jeruzalem liggen nog steeds verwoest. De situatie van de stad en haar inwoners is betreurenswaardig; de vijand lacht en spot.

Ongeveer 13 jaar geleden had Ezra van de koning toestemming gekregen om naar Jeruzalem terug te keren. Hij had veel mogen doen voor het geestelijk herstel van Israël, maar zijn pogingen om de muur van Jeruzalem te herbouwen, zijn mislukt. Rehum, de kanselier, had verdacht makende brieven geschreven aan de koning en deze had toen al de herstelwerkzaamheden van de muur gestopt. U kunt dat lezen in Ezra 4. Nooit mocht de muur weer worden opgebouwd. Daarom ligt alles nog in puin.

Een troosteloze toestand, vergelijkbaar met de beelden die wij ontvangen van oorlogsgeweld in andere landen. En hoe reageert Nehemia nu op dat bericht? Het grijpt hem vreselijk aan, zo zelfs dat hij z’n werk er niet meer van kan doen. Heb je dat ook weleens, dat er iets is in je leven, zo erg dat je tot niets meer in staat bent?

Zo was het bij Nehemia; hij was er helemaal stuk van! Echt oosters vermeldt hij in zijn memoires wat we lezen in vers 4: En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.

Tot zover onze eerste gedachte: Nehemia en zijn tijd. We gaan nu naar het tweede aandachtspunt:

 

  1. Nehemia en de nood van Jeruzalem

Dagenlang bedrijft hij rouw. Dagenlang? Ja. Er staat in de tekst: enige dagen, en dat blijken uiteindelijk drie tot vier maanden te zijn. Nee, Nehemia gaat niet op in zijn carrière. Hij denkt niet bij zichzelf: het is maar goed dat ik hier aan het hof zit, ver bij Jeruzalem vandaan. Nee, over zijn broer en zijn bezoek horen we niets meer, maar wel dat hij verteert van medelijden met zijn broeders en zusters in Judea en Jeruzalem.

Er staat dat hij vast! Dat betekent dat hij op bepaalde tijden geen eten gebruikt. Niet omdat dat verdienstelijk zou zijn of zo. Er zijn wel mensen die in hongerstaking gaan. Dat is dwaas. Nee, het vasten van Nehemia is van een geheel andere orde. Hij vast om zijn etenstijden te gebruiken voor gebed. Hij kan het niet verdragen dat zijn God wordt uitgelachen en dat er gespot wordt met zijn volk. Dat gaat hem als een mes door zijn hart, want hij heeft de Heere lief en hij heeft zijn volk lief.

 

Dan gaat blijken dat hij de versmaadheid van Christus gaat kiezen boven de schatten van Perzië. Wat voor hem het zwaarst is, gaat voor hem het zwaarst wegen. In het vervolg van de geschiedenis leest u dat hij zijn ambt en zijn werk eraan geeft. Dat heeft hij ervoor over. De eer van God en de toekomst van Israël weegt hem het zwaarst.

Zijn grootste zorg is de muur van Jeruzalem. Die muur ligt in puin. Nu zult u zeggen: maar is die muur eigenlijk wel zo belangrijk? Jazeker! Die muur is ontzettend belangrijk. Die muur moet het leven van het volk beveiligen. Die muur is er om het volk van God te verdedigen. Die muur wordt immers altijd bedreigd!

Niet alleen toen. Ook nu! Altijd weer proberen de duivel en de vijanden de gemeente van God binnen te dringen en te verwoesten. Als er geen beschermende muur rondom de stad ligt en deze open en bloot ligt, kan de vijand zomaar ongehinderd naar binnen komen. Je zou gerust kunnen zeggen dat die muur niet alleen een symbool is van de letterlijke veiligheid van het volk in verband met de omringende vijanden, maar ook van de geestelijke veiligheid van het volk, van de geestelijke volksgezondheid. Ten diepste gaat het bij de herbouw van die muur om de bewaring en verdediging van de zuivere dienst van God. Jeruzalem was immers de heilige stad, het godsdienstig centrum dat God had uitgekozen. Van deze plaats had Hij gezegd: ‘Hier wil Ik wonen; hier wil Ik Mij openbaren door middel van de tempeldienst.’

Wat was nu het gevaar? Het gevaar was de vermenging van de dienst van God met die van het heidendom. Het gevaar was de aanpassing aan de wereld. Want zo zou Israël zijn identiteit kwijtraken; zo zou het zijn eigenheid als het afgezonderde volk van God verliezen. Zo zou de wereld de kerk binnendringen en veroveren en van binnenuit vermolmen! Alles vermengde zich namelijk in die dagen: de Grieken, de Perzen en de Romeinen met hun gewoonten en met hun goden. Dat mocht met Israël niet gebeuren. Dat was het volk van God, het afgezonderde volk. En dat moest de Godsopenbaring zuiver bewaren. Vandaar die muur en vandaar die grote verslagenheid bij Nehemia. Begrijpt u het nu?

 

Nehemia wordt in het diepst van zijn hart geraakt en hier ligt het begin van zijn roeping – het begin van zijn roeping tot een bijzondere taak. Wat is dan dat begin? De nood van zijn volk! Het gaat hem om de eer van zijn God.

Zo roept God ook vandaag nog tot bijzondere taken in de maatschappij en in de dienst van God. God openbaart de nood en er komt bewogenheid in je hart en je gaat wegen zoeken om de handen aan de ploeg te slaan op Gods aanwijzingen. Zou er vandaag ook geen plaats zijn voor een gemoedsgesteldheid zoals die van Nehemia? Hoe groot is het gevaar van vermenging tussen de dienst van God en de dienst van de wereld! Wat een diep verval in de maatschappij. God wordt buiten de wetgeving gehouden in zaken als abortus en euthanasie. De straatcriminaliteit neemt steeds ernstiger vormen aan. Mensen die zonder reden zomaar worden doodgeschopt, jonge levens die zomaar worden afgesneden – dat is niet niks!

In zo’n wereld leven wij. De zegenende invloed van Gods geboden verdwijnt. De beschermende muur van Gods heilzame geboden is verbroken. De geseculariseerde levenshouding van de moderne mens kan op die manier de gemeente van Christus hoe langer hoe meer binnendringen, want de muur is verscheurd en de poorten zijn met vuur verbrand.

 

Als Nehemia in gebed is voor Gods aangezicht, zegt hij in vers 7: Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt. Dat is de wet, de ceremoniële wet, maar dat zijn ook de tien geboden. Kijkt u maar eens naar vers 9; de Heere had beloofd: En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen.

Zoals dat hier staat, mogen we die vergelijking doortrekken naar de beschermende muur van Gods geboden om ons heen. Wat is er ook vandaag de dag veel vermenging van godsdienst. Denkt u maar aan wereldgodsdiensten die elkaar raken en beïnvloeden. En nog kom je mensen tegen die zeggen: maar we dienen toch allemaal dezelfde God? Dacht u dat? Paulus zegt: Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking (1Kor.16:22). Er is maar één Naam onder de hemel gegeven en dat is de Naam van onze dierbare Zaligmaker, de Heere Jezus Christus.

Een vloedgolf van secularisatie gaat over ons volk en de kerk van Nederland. Ja, zegt u, maar als ik dan denk aan die muur, moeten we dan niet openstaan naar de wereld? We hebben toch een woord voor de wereld? Nou en of! En ik hoor iemand zeggen: ja, maar we moeten toch schijnen als een licht in de wereld, te midden van een krom en verdraaid geslacht? Jazeker! Maar, gemeente, we moeten niet léven zoals de wereld en niet dóen zoals de wereld, want dan dooft het licht van Gods Woord en dan hebben we niks meer uit te stralen. Dan is ons geheim weg!

 

De gemeente van Christus heeft een muur nodig, de muur van Gods geboden en inzettingen en ... de naleving daarvan. Die muur geeft ons bescherming tegen de vijand. Achter die muur, binnen die muur is onze veiligheid, onze geborgenheid. Waarom? Wel, daar is God. Daar wordt Zijn wil gedaan en daar ben je pas echt gelukkig. Want de Heere openbaart Zijn wil in de tien geboden. Als je de tien geboden bekijkt en ziet hoe heilzaam ze zijn voor onze samenleving, dan zeg je: zo is God!

Zo wil Hij dat wij leven en denken en doen. En weet u, daarin ligt een grote beloning. Ja, genadeloon, maar toch loon! Vrede, vreugde. En Gods wet is rechtvaardig, goed, heilzaam. Die wet had Israël verlaten en daarom was het zo’n puinhoop geworden. In de wet ligt het heil, de bescherming voor ons mensen. Christus is de vervulling van de wet. Hij is alles!

 

Nu zien we hoe vandaag de dag de muur van Gods heilzame geboden wordt verbroken en daarom is de stad, de kerk niet meer veilig. Denk eens aan het gezag van de Bijbel, hoe dat aan het tanen is. Maar dan hou je toch geen troost meer over? Als ze tegen je zeggen: Ja het is wel waar, maar het is niet echt gebeurd. De Bijbel is een menselijk boek. Het Oude Testament is op z’n best een boek geschreven door Joden voor Joden, en het Nieuwe Testament laat alleen maar zien hoe de mensen toen dachten over Jezus. Ja, Hij leeft, maar dan alleen in de gedachten van zijn volgelingen. Wat een armoe als je zo denkt.

Een ander zegt: ach, het doet er niet zoveel toe wat je gelooft, als je maar gelooft. Maar dat klopt niet, hoor. Het is juist heel wezenlijk wat je gelooft. Wat blijft er dan van Gods Woord en van Gods beloften over? Dan komen we straks bij de hemelpoort bedrogen uit. Er is een eeuwige gelukzaligheid, maar er is ook een eeuwige rampzaligheid. Als je op Gods Woord niet aankunt, is Christus ook niet gestorven voor onze zonden. Wat blijft er dan over? Dan zou je toch geen nacht meer kunnen slapen? U wel? Dan is Hij ook niet opgewekt; dan is er ook geen vergeving van onze zonden. Dan ben ik alleen, verlaten, geworpen in deze ellendige wereld. Dan heb je geen houvast; dan heb je niets meer.

De moderne theologie heeft ook geen enkel houvast meer, alleen wat vage ideeën. Professor Kuitert is op nul uitgekomen. Als je de Bijbel gelooft, dan volg je waarschijnlijk een illusie na die nooit bestaan heeft. Zou u daarmee mee willen reizen? De muren zijn verscheurd en de poorten zijn met vuur verbrand.

 

Ik denk ook aan de belijdenis van de kerk. Als je dat woord alleen al zegt, zijn er van die mensen die gelijk op de ketting springen. Ze zeggen: belijdenis, belijdenis, dat is van mensen. Jazeker, opgesteld door mensen, maar wel op grond van Gods Woord – als een samenvatting van Gods Woord, om te behoeden voor de dwaalleer, als een muur ter beveiliging van de stad Gods, een muur om de gemeente van de levende God heen. Nee, de belijdenis is niet in tegenspraak met de Bijbel, maar vat de waarheden van de Bijbel samen.

Ik weet wel, er zijn ook mensen die de hele dag roepen: belijdenis, belijdenis. En ze letten als geen ander op de punten en de komma’s. Mensen die er niet uit leven. Als je ze vraagt: Wat ken je daar zelf van? Ken je zelf iets van de rechtvaardiging door het geloof? Dan zeggen ze: nee, nee, de belijdenis, de waarheid. Maar wat heb je daaraan als het nooit door je diepste zelf is heengegaan?

Bij echte liefde tot de belijdenis gaat het je om de kernwaarheden van het Evangelie: de vergeving van zonden door het geloof in Christus. Als je dan de artikelen leest van de geloofsbelijdenis en de catechismus, ons troostboek, dan zie je Jezus hangen aan het kruis op Golgotha. Waar u door uw zonden verloren moet gaan onder Gods recht, daar gaat u door het getuigenis van de Geest in uw hart roepen: Ook voor mij! Ook voor mij! Dat is mijn enige troost in leven en in sterven: dat ik niet meer van mezelf ben, maar dat ik het eigendom zijn mag van die trouwe Zaligmaker Jezus Christus, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft. O, als die hoop toch eens zou wegvallen, waar zou onze hoop dan blijven?

Denk eens aan artikel 22 uit de geloofsbelijdenis van Guido de Brès. Hij zegt daar zo duidelijk dat de Heilige Geest door het Evangelie een waar geloof werkt dat Christus omhelst, Hem eigen maakt en niets anders meer buiten Hem zoekt. Denk aan de Dordtse Leerregels: ‘Voorts is de belofte van het Evangelie dat eenieder die in de gekruiste Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.’

Ziet u hoe onze vaderen dit op onderscheiden wijze beleden hebben? Als je dit toch prijsgeeft, als je zegt: er is geen verzoening door voldoening, dan raak je toch alles kwijt? In veel kerken zijn de belijdenisgeschriften gedevalueerd, maar weet u, daarmee gaat ook de inhoud van het Woord verloren en zijn we overgeleverd aan de theologen van vandaag de dag. Jeruzalems muur is verscheurd en de poorten zijn met vuur verbrand.

 

Weet u wat er ook helemaal stuk gaat als de muur van Gods heilzame geboden niet meer om ons heen staat? Het christelijke gezinsleven en het huwelijksleven, de geloofsopvoeding van onze kinderen. De grootste vijand, de duivel, lacht hier het hardst. Hij weet immers: zo krijg ik heel de maatschappij kapot. Huwelijk en gezin zijn de hoekstenen van onze maatschappij. Het gezin is de kiemcel van de samenleving. Het heeft God behaagd om zo zijn Koninkrijk uit te breiden en Zijn Naam voort te planten. Daarom heeft Hij gezegd: Gij zult niet echtbreken (Ex.20:14). Heel wat mensen laten het niet eens meer komen tot een echt. Ze gaan samenwonen; dan kun je weer uit elkaar als het niet bevalt. Vreemdgaan hoort erbij tegenwoordig; ‘vrij veilig’ is het advies van de overheid. Maar dat is toch beestachtig? Dan ben je net als de dieren. Beesten hebben geen verstand, maar wij wel. En wat is het gevolg? Dat lezen we dagelijks in de krant. Overspel leidt tot doodslag en moord. Dat was bij David al zo en het is vandaag niet anders. Wat moet er dan van je kinderen terechtkomen? Wat een slecht voorbeeld dat onze eigen ministers samenwonen. De muur van Gods wet is verbroken; het christelijk gezin ligt in puin, geruïneerd. Wees dankbaar als je een goed huwelijk mag hebben, een veilige, geborgen plaats voor de kinderen.

Wat denkt u van de media? Hoeveel vuiligheid komt daarmee ons huis binnen? Filter dat toch uit voor uzelf en voor uw kinderen. Al die onchristelijke ideeën en de liederlijkheid die ook ongevraagd bij ons binnenkomen – waak daarover en zet de poort niet open naar deze wereld. Houd het buiten de deur. De muren zijn verscheurd en de poorten zijn met vuur verbrand. Gods heilzame geboden worden verlaten. En dan wordt het net zo’n chaos als in Jeruzalem.

Wat kalft ook het christelijk onderwijs af. Dat is ook zo’n muur. De tijd is voorbij dat je je kinderen naar bijna iedere christelijke school in de omgeving kon sturen. Veel besturen en personeel waken niet meer over de identiteit en dus over de kwaliteit van het onderwijs. En zo staan ook hier de poorten open voor de vijanden van Christus. Wat is nu toch een school zonder muur? Ouders, wees waakzaam! En als er reformatorisch of goed christelijk onderwijs is in uw omgeving, wees er dankbaar voor. Wat is er gebed nodig voor ons land, voor ons volk, voor onze stad en voor de kerk in Nederland. Bid voor uw kinderen, voor onze gemeente, dat de Heere ons bewaart in de branding waarin we staan, in de stormvloed van secularisatie die over ons heen golft.

 

We lezen nog een keer vers 3: En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand. En Nehemia was biddende voor het aangezicht van de Heere.

Tot zover ons tweede aandachtspunt: Nehemia en de nood van Jeruzalem. Nu denken we nog na over ons derde punt: Nehemia en zijn God. Maar we zingen eerst uit Psalm 74 de verzen 2, 3 en 19:

 

Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond,

denk aan Uw volk, door U vanouds verkregen,

denk aan Uw erf, het voorwerp van Uw zegen,

aan Sions berg, waar G’ eertijds hebt gewoond.

 

Ruk spoedig aan, verdubbel Uwe schreên,

zie, hoe de stad verwoest ligt en vergeten.

Des vijands macht heeft alles neergesmeten,

Uw heiligdom verdorven en vertreên.

 

Beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond,

laat dat Uw hart tot ons in liefd’ ontvonken.

Het land is vol van duist’re moordspelonken,

vanwaar ‘t geweld ons grieft met wond op wond.

 

  1. Nehemia en zijn God

We lezen eerst vers 4: En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.

U begrijpt dat we nu niet het gehele gebed van Nehemia in deze preek kunnen behandelen, maar vers 4 hoort nog bij ons tekstgedeelte en daar staat dat hij biddende is. Nu betekent dat niet: één keer! Nee, vier maanden lang draagt hij deze nood mee voor Gods aangezicht. Het familiebezoek van z’n broer en z’n vrienden resulteert in gebed. Want tot wie moet Nehemia anders heengaan dan tot zijn God, met dat verpletterende bericht over Jeruzalem en zijn volk?

Herkent u die reactie, gemeente? Als u een slecht bericht hoort, iets waar u diep door getroffen wordt, in de familie, in de kerk, wat doet u daarmee?

Een christen gaat op zijn knieën. De apostel zegt: Bidt zonder ophouden (1Thess.5:17), zeker als een slecht bericht uw hart en leven raakt. Gaf de Heere Jezus zelf ons niet het grote voorbeeld? Hij ging op een berg, alleen, om te bidden. Hij Die zonder zonde was, had er behoefte aan om alleen met Zijn Vader te zijn in zulke omstandigheden. Hoe is dat met ons? Kennen wij de stilte, de tijden van alleen zijn met de Heere?

 

Die berichten uit Jeruzalem betekenen in de eerste plaats een gebedsopdracht. Kent u dat? Verstaat u dat ook? Het boek Nehemia begint met een gebed en het eindigt met een gebed. Nehemia zit neer en hij weent. Ziet u hem daar snikken? Zo diep grijpt het hem aan. Hij weent. Hij bedrijft rouw. Hij bidt. Die woorden geven aan hoe verslagen hij onder dit alles is, onder die grote ellende en versmaadheid van zijn volk in Jeruzalem.

Hoe is dat met ons, met onze verslagenheid over zoveel zonde en ongerechtigheid in ons land en in onze directe omgeving? Weent u weleens om het verval in de gemeente? Als u op straat loopt, weent u dan weleens? Als u op een plein of op een station zo’n grote massa mensen ziet, weent u dan weleens om al die mensen die de eeuwigheid tegemoet gaan, die er misschien volgende week niet meer zullen zijn, die allemaal verloren zijn als zij Christus niet kennen? Grijpt u dat weleens aan? Of haalt u hooguit uw schouders op over ‘die zondige wereld’? Dat is erg! We kunnen ook heel ernstig en gewichtig klagen en praten over de geest van deze tijd, over al die goddeloosheid, maar bent u daar nou nooit eens bewogen over?

Nehemia laat er alles voor staan. Hij vast en hij bidt, zo diep grijpt het hem aan. Hij kan er niet van werken en eten. Hij kan nu alleen maar rouwen en klagen en hij klaagt zijn nood aan de allerhoogste God. De nood van zijn volk is zíjn nood geworden. Hij identificeert zich met zijn volk. Hij trekt zich de versmaadheid en de schuld van zijn volk aan. Het wordt zíjn schuld. Hij vereenzelvigt zich met zijn volk en hij zegt: ‘Heere, wij hebben gezondigd, ook ik en mijns vaders huis.’

 

Wie zou niet wenen als hij om zich heen ziet in de wereld en ook in de kerk? Hebt u er weleens verdriet over? Echt verdriet? Nee, niet om daarmee de straat op te gaan en indruk te maken bij de mensen, maar zó dat u de stilte zoekt voor Gods aangezicht?

Dat staat hier van Nehemia. Hij laat zich niet zien, niet eens aan zijn familie. Er staat dat hij bidt voor het aangezicht van de God des hemels. Daar brengt hij de nood! O God, ontfermt U zich over ons land, ons dorp, onze gemeente. Hij weent. Hij vast. Hij rouwt. Hij bidt.

Kent u dat, gemeente? Worstelt u zo in gebed, geknield voor de God des hemels, in verdriet, verbrokenheid, verlegenheid en verslagenheid, pleitend op Gods verbond?

Hoe heeft de Heere Jezus geweend, luid snikkend over Jeruzalem, want Hij wist dat de stad opnieuw verwoest zou worden, met de tempel en de muur. Hij heeft geweend en Hij heeft gezegd: ‘O Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik u willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar beschermende vleugels neemt, maar gij hebt niet gewild (Matth.23:37). Wat zal dat zijn: niet gewild te hebben, niet hebben willen buigen voor deze Koning der koningen!

 

Nu de vraag: hoe moeten die muren van Jeruzalem nu hersteld worden? Nou, Nehemia is door zijn verdriet niet overmand. Hij blijft niet met z’n broer doorpraten en klagen hoe verschrikkelijk het toch wel is met Jeruzalem. Hij richt ook geen actiecomité op zoals dat vandaag zo veelvuldig gebeurt. Hij neemt troffel en zwaard, als een biddende bouwer. Hij weet zich bij het zien van al die nood geroepen om naast het bidden ook te werken. Hij weet zich een dienstknecht van God. En nu moet u thuis het vervolg van deze geschiedenis eens nalezen, hoe praktisch hij aan de slag gaat. Hij vraagt verlof van de koning om naar zijn vaderland te gaan. Tegelijkertijd vraagt hij een vrijgeleide voor onderweg en een vergunning voor de aankoop van bouwmaterialen. Hij reorganiseert de defensie van Jeruzalem. Hij weet de ontevredenheid onder het volk te bezweren en een dreigende staking onder de bouwvakkers te voorkomen. Hij zoekt het moreel op peil te houden totdat het werk gereed is. Hij voert moeilijke onderhandelingen met vriend en vijand en om nog één ding te noemen: hij stelt allerlei regels op voor het onderhouden van de tempeldienst en het onderhouden van de sabbat. Dat is nogal wat!

 

Wat de vruchten op zijn werk betreft: hij herbouwde de muur van Jeruzalem in 52 dagen. Hij herstelde de tempeldienst. Hij regelde de onderwijzing van de wet van God. Hij lette op het houden en onderhouden van de sabbat en hij herstelde het ontwrichte gezinsleven. Hij herstelde eigenlijk heel de samenleving van Israël na de ballingschap. Die was in de afgelopen 100 jaar zo enorm achteruitgegaan. Daarom mogen we Nehemia gerust zetten in de rij van ‘de groten’ in de Bijbel, die – klein in zichzelf – door de Heere zijn gebruikt als een groot mens. En we vergeten daarbij niet dat zijn geheim lag in het iedere dag in afhankelijkheid zijn kracht en hulp verwachten van de Heere, zijn God. Het gebedsleven, dat was zijn diepste geheim!

Van één ding was Nehemia zich heel goed bewust en dat was dit: de Heere bouwt Jeruzalem; zonder Hem kan ik niets doen. Hij is er diep van overtuigd dat de eerste en belangrijkste schakel in het opbouwwerk het gebed is! Nehemia weet zich helemaal afhankelijk van de Heere. Leest u maar mee; in vers 5 hoort u hem bidden: En ik zeide: Och, Heere, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en zijn geboden houden.

 

Daar heb je ’t weer: die geboden, die muur tot onze bescherming. Het gebed van de rechtvaardige vermag veel, zegt Jakobus. Gelooft u dat, dat de Heere hoort? Is er hier iemand in de kerk die in een crisissituatie verkeert? Gaat de bestrijding en de verdrukking uw krachten te boven? Zit u door alle aanvechting gevangen in machteloosheid? Bent u hier in de kerk gekomen met de vraag: Heere, hoe kom ik hier toch doorheen? Heere, wat moet ik doen met de nood en de chaos van mijn leven? Dan zegt deze geschiedenis vanmorgen: op de knieën; u moet op de knieën met uw nood, met uw kinderen die misschien dwarsliggen, met de nood van uw huwelijk, met de nood van uw werk misschien, met uw geestelijke nood, met de nood van de gemeente.

God is de Hoorder van het gebed. God is zo groot! Sara en Abram konden geen kind meer krijgen, medisch onmogelijk. En wat zegt de Heere? Zou iets voor den Heere te wonderlijk zijn? (Gen.18:14). Hij is de God des hemels; Hij roept de dingen die er niet zijn alsof ze er waren. Leg maar heel concreet uw nood aan de Heere voor. Als de Heere nu zelfs het geroep van de jonge raven hoort, zou Hij dan u niet horen als u dag en nacht tot Hem roept? Hij heeft het zelf gezegd: Roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren (Ps.50:15).

Amen.

 

Slotzang: Psalm 51 vers 9

 

Gods offers zijn een gans verbroken geest,

door schuldbesef getroffen en verslagen.

Dit offer kan Uw heilig oog behagen,

‘t is nooit, o God, van U veracht geweest.

Doe Sion wel, laat om mijn zwaren val

Uw goedheid niet van zijne burg’ren wijken.

Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal

door Uwe straf voor ‘s vijands macht bezwijken.