Ds. M. Karens - 1 Johannes 5 : 13 - 17

Zekerheid!

Een vast geloof
Een vrijmoedig gebed
Een broederlijke voorbede

1 Johannes 5 : 13 - 17

1 Johannes 5
13
Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den Naam des Zoons van God.
14
En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.
15
En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben.
16
Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
17
Alle ongerechtigheid is zonde; en er is zonde niet tot den dood.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 27: 7
Lezen : 1 Johannes 5: 9 - 21
Zingen : Psalm 52: 6 en 7
Zingen : Psalm 16: 4
Zingen : Psalm 56: 6

Gemeente, onder biddend opzien om de leiding van de Heilige Geest overdenken we 1 Johannes 5:13 -17, waarvan ik alleen lees vers 13:

 

Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in de Naam van de Zone Gods; opdat gij weet dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in de Naam des Zoons van God.

 

Gemeente, we schrijven boven dit gedeelte: Zekerheid! Met een uitroepteken.

 

We letten op 3 aandachtspunten:

 

1. Een vast geloof; vers 13;

2. Een vrijmoedig gebed; vers 14 en 15;

3. Een broederlijke voorbede; vers 16 en 17.

 

 

1.Een vast geloof

Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in de Naam van de Zone Gods.

Johannes komt tot een samenvatting en gaat naar het einde van de brief. In de gemeente in Turkije is deze brief in één keer voorgelezen. Nadat de brief van de apostel der liefde was gekomen, is de rol geopend. De voorganger heeft de brief voorgelezen, en de gemeente heeft deze aangehoord. Dan horen ze lezen: Deze dingen heb ik u geschreven. Johannes gaat afronden, en zegt: ik schrijf aan u, Gods kinderen, die gelooft in de Naam van de Zoon van God.

 

‘Deze dingen’ ziet op alles wat hij geschreven heeft. Er staat letterlijk: ‘de gelovenden in Jezus Christus’. Want in het vorige gedeelte heeft hij geschreven over geloof en ongeloof, en die scherp tegenover elkaar gezet.

Die in de Zoon van God gelooft …. die de Zoon heeft, die heeft het leven, had Johannes gezegd (1 Joh. 5:10,12). Kanttekening 31 zegt: ‘Dat is, met een waar geloof heeft aangenomen, die heeft de beginselen van het eeuwige leven reeds in dit leven, en heeft een zekere hoop dat hij het ook hiernamaals volkomen zal bezitten.’

Hebben we de Zoon wel of niet? Ik vraag niet wat u allemaal hebt beleefd, of wat u allemaal weet. In het licht van de allesbeslissende eeuwigheid gaat het erom wie de Zoon heeft, wie door het waar zaligmakende geloof mag weten de Zoon van God te kennen.

Want, die de Zoon heeft, die heeft het leven (1 Joh. 5:12). Je mag zeggen: Zij, die door het geloof weten dat de Zoon van God, Jezus Christus, hun Zaligmaker is, die hebben het leven. Zij hebben een Borg, een Voorbidder, een Profeet, een Priester en een Koning. Zij hebben toekomst, en alles voor tijd en eeuwigheid.

 

Johannes zegt ook in het tiende vers: die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van Zijn Zoon. Daar heb je de andere zijde.

Johannes heeft geschreven over het geloof, kinderen van God, en wat je dan mag bezitten.

Daar tegenover staat: ‘Die God niet gelooft’. Dat bent u die het getuigenis van God verwerpt, weigert de boodschap van zonde en genade te aanvaarden, en in ongeloof voortleeft. Dan gelden de volgende twee zaken van u.

 

Ten eerste maakt u God tot een leugenaar. God zou liegen als Hij laat verkondigen: Want de Zoon des mensen is gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was (Luk. 19:10).

De eerste zonde hebben we van huis uit allemaal meegekregen: Is het ook dat God gezegd heeft …. (Gen. 3: 1). Onze eerste ouders in het paradijs hebben het woord van de duivel geloofd, en God tot een leugenaar gemaakt. Satan zei: ‘Je zult niet sterven. God zegt dat wel, maar het is niet zo! Hij is bang dat je gelijk aan Hem wordt.’ Deze vreselijke zonde in het paradijs woedt voort in het geslacht van Adam tot op deze dag.

Er zijn veel zonden. Als je nu een lijstje van de ergste zonden moet opmaken, weet ik wel ongeveer wat er zal staan. Maar ik ben bang dat bij heel veel mensen ‘ongeloof’ niet als eerste zonde staat. Maar dan maak je God tot een leugenaar. Daarom zeggen onze oudvaders zo vaak dat ongeloof de grootste zonde is. Want dat houdt God verdacht in Zijn liefde, trouw en macht. Ongeloof verwerpt het Woord van God. Ga toch straks naar huis met de ernst van de gedachte: Tien jaar, vijftien jaar, tachtig jaar heb ik God tot een leugenaar gemaakt. Wat is dat ontzaglijk!

Maar de waarachtige God kan niet liegen. Hij is de Getrouwe, de Amen, van Wie geldt: 't Geen uit Zijn lippen ging, blijft vast en onverbroken (Ps. 89:14, berijmd).

 

Ten tweede: die heeft het leven niet. Wat je ook hebt of denkt te hebben: zonder dit geloof lig je midden in de dood. Wanneer je Zijn getuigenis verwerpt in ongeloof, blijf je in de dood en onder Zijn oordeel.

Johannes heeft dit bijna woordelijk ook gezegd in zijn Evangelie: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh. 3:36).

Hij gebruikt hier het woord ‘ongehoorzaam’. Het verwerpen van Gods Woord waarin ons het oordeel wordt aangezegd, en we genodigd worden tot de zaligheid en het heil, is ook ongehoorzaamheid. Als ik dan gewoon doorleef, maak ik Hem tot een leugenaar.

 

Deze dingen heb ik u – kinderen van God – geschreven, die gelooft in de Naam van de Zone Gods. Dan volgt twee keer het woord ‘opdat’, wat het doel aanduidt: opdat gij weet dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in de Naam des Zoons van God. Johannes heeft dit geschreven met een tweeledig doel: de zekerheid dat ze het vaste geloof mogen bezitten, en het weten van de dingen die hun van God geschonken zijn.

 

Opdat gij weet en gelooft in de Naam – dat is de Persoon – des Zoons van God. De openbaring van Christus Jezus door het ware geloof moet op Hem gericht zijn. Dit geloof rust niet buiten Hem. Want de Heilige Geest zal het uit Christus nemen. Die breekt alles buiten Hem af, om door dat geloof niets en niemand anders te begeren. Kanttekening 32 zegt: ‘Dat is, in het geloof meer en meer moogt toenemen en daarin volharden’. Dat betekent: opdat je mag toenemen in het geloof, en meer en meer afgebroken wordt in jezelf om op de Naam van de Zoon van God alleen te steunen.

 

Deze dingen heb ik u gepredikt; en wat is nu de vrucht? Gemeente, maken we God nog steeds tot een leugenaar? Misschien heel reformatorisch onderbouwd, met allerlei rechtzinnigheden, maar ten diepste in de staat van ongeloof, als een vijand tegenover God, hoe keurig we het ook omkleden met de vraag: Is het geloof dan geen gave van God?

Heb ik u ooit iets anders gepreekt? Het zaligmakende geloof is een vrucht en een gave van God door de Heilige Geest. Maar het ongeloof is honderd procent óns werk in het verwerpen van de boodschap van God. Daarom vraag ik u of dit weten, dit geloven én het wonder van wederbarende genade de vruchten zijn van deze preek. Kinderen van God, is dit geloof meer en meer versterkt?

 

Deze dingen heb ik geschreven. Het is niet vrijblijvend, maar het zal zijn óf ten voordeel óf ten oordeel. Dezen wel een reuk des doods ten dode, maar genen een reuk des levens ten leven (2 Korinthe 2:16). Onderzoek eens in uw leven, wat de vrucht is. Kennen we het zaligmakend geloof, of houden we God nog voor een leugenaar?

We gaan naar ons tweede punt.

 

2. Een vrijmoedig gebed

 

Johannes heeft gesproken over geloof, en daarna over het gebed. In vers 14 lezen we: En dit is de vrijmoedigheid die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort. Hier spreekt hij over ‘parrhèsia ‘. Volgens kanttekening 33 is dat ‘een vrijmoedig vertrouwen’. Het is de vrijmoedigheid van het geloof in het hart. In alle strijd is er dat kinderlijke vertrouwen in de toenadering tot de Heere; en dat geeft zekerheid en vastheid. Hierdoor mag dit kind alles tegen de Heere zeggen. Dan durven ze hun hart uit te gieten voor Hem.

Vrijmoedigheid hangt samen met het geloof. Wie zou, met enige kennis van zichzelf, durven naderen tot de troon der genade? Wie zou vrijmoedigheid vinden buiten de wetenschap van het zaligmakende geloof, dat in Jezus Christus een verse en levende weg is geopend naar de genadetroon?

 

Dat is iets anders dan vrijpostigheid of brutaliteit. Je hoort het soms om je heen. Je leest en hoort van gebeden waarin met God gesproken wordt als met zomaar een vriend. Dat is geen gebedsvrijmoedigheid, en heeft niets te maken met geloofsvrijmoedigheid.

Waar Johannes het hier over heeft, is de wetenschap dat de Heere heilig is. Ik woon in de hoogte en in het heilige (Jesaja 57:15). Het drijft uit tot de troon der genade. De gebedsgemeenschap in Christus, met de Vader, gaat over de verborgen omgang, waar de dichter van zingt: ‘Gods verborgen omgang vinden zielen, waar Zijn vrees in woont; ’t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vreêverbond, getoond.’ (Ps. 25:7 berijmd).

Kinderen des Heeren, kent u ogenblikken waar de geloofsvrijmoedigheid mag leven in het hart? Mag u met Paulus zeggen: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd ? (Hebr. 4:16)

 

In de verzen 14 en 15 gaat het over zekerheid. En dit is de vrijmoedigheid die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort. En indien wij weten dat Hij ons verhoort wat wij ook bidden, zo weten wij dat wij de beden verkrijgen die wij van Hem gebeden hebben.

Wat betekent ‘met vrijmoedigheid bidden naar Zijn wil’?

Gemeente, dit betekent in de eerste plaats: de overgave aan Hem. Dan bid je: Heere: Uw wil geschiede. Daar ligt iets van ootmoed in, afhankelijkheid; dan is onze wil het eens met God. Dan is er geen brutaliteit, en er zijn geen eisen aan de troon der genade: ‘Heere, ik wil dit, of dat’.

En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen (Math.21:22). Dat is de boodschap die Christus aan Zijn discipelen en Zijn Kerk heeft nagelaten.

 

Ik lees in Jakobus 1:5-7: En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar der zee gelijk …. Want die mens mene niet dat hij iets ontvangen zal van de Heere.

Naar Zijn wil. Dat is de geopenbaarde wil van God in Zijn Woord, met de geboden en de beloften. Het is iets bidden waarin Zijn Woord ons de weg wijst. Zo alleen zal Hij ons verhoren.

Calvijn schrijft dat het gebed een soort communicatie is tussen de mensen en God, waardoor mensen het heiligdom van de hemel kunnen binnengaan, en God kunnen aanspreken op Zijn beloften (Inst. boek 3, hfst. 20:2)

Zijn veel van jouw gebeden niet naar je eigen wil? Of bid je helemaal niet meer? Buig dan straks weer eens je knieën. Want dat is de weg waarin God zegeningen en zaligheid wil schenken. ‘Opent uwe mond; eist van Mij vrijmoedig’ (Ps. 81: 12, berijmd).

 

Veel van onze gebeden zijn naar onze eigen wil, en hebben het thema: ‘Mijn wil geschiede.’ Ook vragen we vaak aan de Heere om die dingen waarvan wij denken dat ze goed voor ons zijn. Daaruit blijkt wel dat we het geloofsvertrouwen missen.

Het zou zo heel anders moeten zijn. Want die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken (Hebr. 11: 6). Wie nu door genade met geloofsvrijmoedigheid bedelt aan de troon der genade, vindt verhoring.

Kanttekening 35 zegt: ‘Grieks: hoort’. Er staat er dus ook: wil ons horen. Die zo tot God komt, die hoort en verhoort Hij, en verleent Hij een toegenegen oor.

De grond van de verhoring ligt nooit in de geloofsvrijmoedigheid of in de zaligheid die ik mocht ontvangen, maar in Hem, Die aan de rechterhand van de Vader zit, Die altijd leeft om voor de Kerk te bidden.

Johannes noemde Jezus aan het begin van de brief ‘een Voorspraak bij de Vader’ (1 Joh. 2: 1). Wanneer je bidt overeenkomstig Gods wil, mag gelden: Bidt, en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk die bidt die ontvangt, en die zoekt die vindt, en die klopt die zal opengedaan worden (Math.7: 7 en 8). Laat uw begeerten in alles door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God (Filipp. 4: 6). Want Híj zal horen.

 

Misschien vraagt u al zo’n lange tijd … En er zijn zoveel onverhoorde gebeden. Onderzoek dan eens wat Johannes ons hier voorhoudt over vrijmoedigheid en vertrouwen.

God verhoort op Zíjn tijd en wijze. Soms krijgen we méér dan we gevraagd hebben. Paulus kreeg genade, en vroeg of de doorn in zijn vlees mocht worden weggenomen. Dat gebeurde echter niet. Tone moest hij schrijven: Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Kor. 12: 9). Zijn die gebeden dan niet verhoord? Jazeker, en nog veel rijker ook! Want de Heere weet wat nodig is voor Zijn kinderen.

Leg uw gebed er eens naast. Het gaat hier over gebedsvrijmoedigheid, door goddelijke genade in het hart gewerkt. Mag ik door het geloof de verhoring kennen? Bidt u in de gehoorzaamheid aan Gods Woord en Zijn wil?

 

Onze Catechismus geeft ook onderwijs over het gebedsleven in Zondag 45: ‘Wat behoort tot zulk een gebed dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt? Ten eerste, dat wij alleen de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere, dat wij onze nood en onze ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht van Zijne Majesteit verootmoedigen. Ten derde, dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, hoewel we het onwaardig zijn, om des Heeren Christus’ wil zekerlijk wil verhoren.’

In dit antwoord komt openbaar dat we de ware Godskennis, rechte zelfkennis en Christuskennis nodig hebben. Deze zaken moeten, door Goddelijke genade, in ons hart gewerkt worden.

 

Johannes komt ín vers 15 twee keer terug op ‘wij weten’: En indien wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij dat wij de beden verkrijgen die wij van Hem gebeden hebben. Dit is niet de wetenschap van het verstand, of van de wijzen dezer aarde. Het is ook niet de wetenschap van de theoloog, maar het is de bevindelijke geloofskennis. Dit weten komt van het zaligmakende geloof, gewerkt door de Heilige Geest.

In de gelovige is zo vaak strijd, twijfel en ongeloof. Maar als het geloof in oefening is, is er een zeker weten en een vast vertrouwen.

Dit weten geeft twee dingen: God hoort ons en schenkt alle zaken, die we van Hem bidden. Het is eigenlijk een herhaling van vers 14: En dit is de vrijmoedigheid die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort. Kanttekening 37 zegt: ‘Dat is, de zaken, die wij bidden.’

Dit is gelovig tot God naderen en vrijmoedig bidden. En als dat wordt beoefend, zal worden ervaren: Opent uwe mond, Eist van Mij vrijmoedig op Mijn trouwverbond; Al wat u ontbreekt schenk Ik, zo gij ’t smeekt, mild en overvloedig (Ps. 81: 12, berijmd).

 

Ik las ergens: ‘Het gebed is als de ladder Jakobs, waarlangs onze begeerten opstijgen tot God, en de zegeningen van de Heere op ons neerdalen.’  Via de Meerdere, Christus, stijgen onze verlangens en gebeden op tot de troon van Gods genade en dalen de zegeningen neer op een bedelend kind van God.

‘Het gebed is als een gouden sleutel om de schatkamers van Gods genadeverbond te openen. Het gebed is als een medicijn voor alle geestelijke kwalen.’ Zo zijn er nog veel zaken meer te noemen over het gebed.

Onderzoek jezelf of je die vrijmoedigheid nog mist. Bedel dan maar of God naar Zijn genade op je wil neerzien.

 

In dit hoofdstuk gaat het over de kinderen van God. Bij hen kan het gebedsleven zo ingezonken zijn en de gebedsvrijmoedigheid gemist worden. Let dan eens op de oorzaak. Houdt u misschien zonden aan de hand? Leeft u ver van de Bron en de Zaligmaker? Bidt u gebeden naar úw wil? Dan heeft Jakobus gezegd: Gij bidt en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt (Jak. 4: 3). Schrijven we misschien de Heere vóór wat Hij moet doen en geven?

Kinderen van God, onderzoekt uw gebedsleven eens! Calvijn schrijft: ‘Opdat ze met stil gemoed verwachten dat de Heere volbrenge wat ze gebeden hebben.’

Is er een uitzien, en een vertrouwend wachten op wat de Heere spreekt en geeft? Dat is waar het nu over gaat. Want dan heeft de Heere gezegd wat er staat in Jesaja 65:24:  En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen. Wat zijn ze gelukkig die deze plaats aan de genadetroon kennen en Hem nodig hebben om genade, barmhartigheid, en hulp. Dan word je ook een voorbidder.

 

Een broederlijke voorbede, want Johannes schrijft nog verder over bidden. Hij gaat over de voorbede spreken in vers 16. Dat is ons derde aandachtspunt. We gaan eerst zingen: Psalm 16: 4.

 

Ik zal den Heer’, Die mij getrouwen raad

gegeven heeft, met psalmgezangen prijzen,

Daar ’t Godd’lijk licht mij toestraalt vroeg en laat,

Mijn nieren zelfs bij nacht mij onderwijzen.

Ik stel dien Heer’ gedurig Mij voor ogen;

Zijn rechterhand zal nooit Mijn val gedogen.

 

3. Een broederlijke voorbede

 

Zekerheid; in de verzen van onze tekst is het één keer: gij weet, en vijf keer: wij weten.

Het is zekerheid en geloofswetenschap. Daarom was ons eerste punt: een vast geloof; het tweede: een vrijmoedig gebed; en nu het derde: een broederlijke voorbede.

 

Johannes gaat de kinderen van God aansporen. Hij schrijft: wanneer je nu zelf mag weten van de vrijmoedige toegang tot de troon der genade, dan zal er ook voorbede zijn voor de broeders en zusters in de gemeente. In de Bijbel en ook in de formulieren worden zij genoemd ‘medechristenen’.

Wij hebben het woord ‘mede-christenen’ nog niet genoemd vanwege het grote misbruik dat ervan gemaakt is. Het is echter wel een Bijbels woord.

Kanttekening 39 gebruikt dit woord ‘mede-christen’ ook. Die zijn broeder en zijn zuster, zijn mede-gemeentelid, ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden, en Hij zal hem het leven geven, dengenen zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor deze zonde zeg ik niet dat hij zal bidden. Alle ongerechtigheid is zonde, en er is zonde, niet tot de dood (1 Joh. 5:16 en 17).

Matthew Henry verklaart: ‘Wij behoren te bidden voor anderen zowel als voor onszelf, voor onze broederen uit de mensheid, dat zij mogen verlicht, bekeerd en behouden worden. Voor onze broederen in de Christelijke belijdenis, dat zij oprecht mogen zijn, hun zonden mogen vergeven worden en dat zij mogen verlost worden van het boze en van de kastijdingen Gods, en bewaard in Christus Jezus.’

 

Misschien ben je al wel een eind afgedwaald, en heb je je plannen al gemaakt om alles los te laten. Heb je weleens bedacht dat je bent opgenomen in de voorbede van Gods kinderen in de gemeente? De ware kinderen van God dragen de jeugd en de mensen in de gemeente immers op! Maar dat gebed geldt ook voor de mede-gelovigen, voor Gods kinderen, opdat ze oprecht mogen zijn. Dat zijn ze namelijk niet altijd.

 

Johannes maakt een wonderlijk onderscheid. Toen je de tekst hoorde lezen, begreep je misschien niet waar die over ging. Er zijn best dingen moeilijk te begrijpen in de Schrift. Daarom hebben wij allemaal, op en onder de kansel, een Uitlegger nodig. Er wordt hier door Johannes gesproken over twee soorten zonde: een zonde níet tot de dood en een zonde tot de dood.

Wat moet iemand doen als hij of zij een broeder (een gemeentelid) ziet zondigen? Gaat hij erover praten en het thuis vertellen? Wel, gemeente, Gods Woord leert ons iets anders. Het vraagt ons, naar Mattheüs 18, dat gemeentelid eerst te waarschuwen, maar ook voor hem of haar te bidden, want het is een openbare zonde. De roeping in de gemeente is ook om zorgvuldig en liefdevol voor elkaar te zorgen. We moeten eerlijk met elkaar omgaan en elkaar waarschuwen, maar we moeten voor elkaar bidden.

Als iemand in zonde gevallen is of erin leeft, is de opdracht vanuit deze brief dat de gemeente bidt of God de droefheid naar Hem wil werken in het hart van dat gemeentelid. Wij dienen dan te vragen of Heere die zondaar tot inkeer brengt en vergeving wil schenken.

Als je zelf iets van de vergevende genade, in welke mate ook, door het geloof mag smaken, en je weet wie je bent – dan ben je toch innerlijk bewogen met je medemens? Dan ga je toch niet in op het praten over de zonden van een ander? Dat gelooft u toch zelf niet?

Petrus wist van de opzoekende, ontfermende genade toen Jezus Zich omkeerde en hij de liefdesblik van de grote Herder der schapen zag. Als je zelf weet wat het is om van genade te leven, word je uitgedreven om dit ook voor anderen te begeren. Dan ga je voor hen bidden. Dat is de weg.

 

Nu dat wonderlijke onderscheid dat Johannes maakt. De apostel zegt: Die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood. Wat is dit een wonderlijke uitdrukking! Als ik de Bijbel doorblader, is elke zonde tot de dood. Er staat in Romeinen 6:23: Want de bezoldiging der zonde is de dood. Dit geldt dus voor elke zonde, met gedachten, woorden en werken, hoe klein deze ook in onze ogen zijn. Misschien zijn we ze wel helemaal vergeten.

God maakt echter geen onderscheid tussen kleine en grote zonden. Bij de Heere zijn alle overtredingen gelijk: Alle ongerechtigheid is zonde. Alles wat niet recht is in de ogen van de Heere, is zonde. De heilige en rechtvaardige God vertoornt Zich schrikkelijk over de aangeboren en werkelijke zonden. Is het dan niet wonderlijk als we hier lezen: Er is zonde niet tot de dood. Weet je wat nu het wonder is, en wat Johannes hier bedoelt? Er is voor die zonde vergeving.

 

Maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen (Spr. 28:13). God is zo barmhartig dat Hij zonden wil vergeven. Op de schuldbelijdenis voor Zijn aangezicht wil Hij vergeving schenken. Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon reinigt ons van alle zonde (1 Johannes 1:7b).

Kanttekening 46 zegt: ‘Dit is niet te verstaan dat er enige zonde zo licht zou wezen, dat zij de dood niet zou verdienen, hoe klein deze ook zou mogen zijn, want dat strijdt tegen Deut. 27:26 en Jak. 2:10; maar dat zij niet noodzakelijk de dood meebrengt, maar vergeven kan worden als de zondaar daarvan een oprecht berouw en een leedwezen betoont.’

Op elke zonde volgt de doodstraf, maar in de weg van belijden en hartelijke leedwezen is vergeving. De tollenaar riep het dan ook : O God, zijt mij zondaar genadig (Luk.18:13).

 

Er is een zonde tot de dood. Het gaat hier over de zonde tegen de Heilige Geest, die leidt tot de eeuwige dood. Kanttekening 44 zegt: ‘Dat is, die zeker de dood met zich brengt, welke is de lastering tegen de Heilige Geest, wanneer iemand de waarheid der christelijke leer, waarvan hij door de Heilige Geest is verlicht en overtuigd, loochent en dezelve vijandig lastert en vervolgt.’

Wat een verschrikkelijke werkelijkheid. Daarvan heeft Jezus in Mattheüs 12: 31 gezegd: Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden. Het is een moed- en vrijwillig lasteren van het werk van de Heilige Geest en van Christus, om het werk van de drie-enige God bewust en voortgaand uit te maken voor dat van de duivel. Men kan tijdelijk verlicht zijn door het algemene werk van de Geest, maar nu verzet men zich weer in vijandschap en haat.

Deze zonde tot de dood begaat niet iemand in de wereld; dat kunnen alleen kerkmensen. Dan is er nooit meer berouw, inkeer en schuldgevoel; dan word je overgegeven aan de verharding.

Ik lees in Hebreeën 6:4-6: Want het is onmogelijk, degenen die eens verlicht geweest zijn en de hemelse gave gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering (Hebr. 6: 4- 6a). Je hoeft dus voor hen niet meer te bidden, want het helpt niet meer.

 

Misschien zitten er in de kerk, die zich afvragen of zij deze zonde hebben begaan. Wat kan de duivel er gebruik van maken allerlei denkbeelden in te geven die niet juist zijn. Mag ik er een paar noemen?

Wilhelmus à Brakel schrijft: ‘Deze zonde bestaat in een algeheel afwenden van de waarheid en in een bittere haat en bestrijding van de waarheid en van de godzaligheid, uit enkel bittere boosheid.’ Ook ds. Smijtegelt schrijft hierover: ‘Willens en wetens de Heilige Geest lasteren en verwerpen, een vertreden van het bloed van Christus; en dat is het enige middel om behouden te worden.’

Daarom is het dan onmogelijk om zalig te worden. Maar Gods kinderen worden voor deze gruwelijke zonde bewaard.

In het vijfde hoofdstuk van de Dordtse Leerregels, paragraaf 6, lees ik: ‘Want God, Die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, de Heilige Geest van de Zijnen, ook zelfs in hun droevig vallen, niet geheel weg, en laat hen zó ver niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van de staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ten dode of tegen de Heiligen Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zichzelven in het eeuwig verderf storten.’

Gods kinderen kunnen wel vreselijk zondigen, en diep in de zonde vallen, maar de Heere zal de Heilige Geest nooit ván hen nemen. Ze kunnen, als Noach, dronken en naakt in de tent liggen. Ze kunnen als David overspel en moord plegen, en als Petrus Christus verloochenen. Maar de genade van God houdt hen vast.

 

Ben je misschien bang dat je deze zonde begaan hebt? Zegt de duivel tegen jou: ‘Geef het maar op! Deze zonde kan niet vergeven worden.’  Met onze oudvaders zeg ik: Als je nog die ogenblikken hebt, daar bang voor bent, dan heb je het niet begaan. Want iemand die deze zonde heeft begaan, die gaat in lastering als een paard voort waar de teugels op de nek zijn geworpen.

Het is wel gevaarlijk om de Heilige Geest uit te blussen als je onder de prediking van het Evangelie bent. Want dat zal uiteindelijk leiden tot de verharding.

 

We moeten bidden voor zondaren, maar voor zulken, zegt Johannes, heeft het geen zin meer. Hij noemt ze in het begin van de brief ‘antichristen’, ‘kinderen des duivels’ en ‘afvalligen’. Er is geen terugkeer meer mogelijk. God heeft ze overgegeven aan de eeuwige dood.

Wat een vreselijke, ernstige zaak is het als je niet meer mag bidden voor je medemens. Zullen wij dat nooit lichtvaardig zeggen, gemeente? Je spreekt soms mensen die er zo gauw klaar mee zijn en zeggen: ‘Voor die en die kan ik niet meer  bidden.’ Zullen wij dat niet bepalen? Ik denk dat in het leven van Gods kinderen de Heilige Geest het gebed wel zal afsluiten. Blijf het maar doen, ook al is er nog zo’n verschrikkelijk zonde in het leven. Doe het maar als je het niet laten kunt. Blijf maar voor hen bidden, smeek maar aan de troon der genade. Misschien zullen we in het gebedsleven eens ervaren dat de Geest Zich gaat inhouden. Er kunnen ogenblikken zijn dat het gebed wordt afgesneden, en de gebedsverhoring uitblijft.

De Heere Jezus heeft ook gezegd: Ik bid niet voor de wereld {Joh. 17:9}. Maar ik zeg u, naar Calvijn: Zullen we niet te snel tot deze conclusie komen? Laten we van de Heere Zelf leren, barmhartig te zijn. Maar ook om niet barmhartiger te willen zijn dan God Zelf.

 

Die zal God bidden. Bidden voor zonden en zondaren die worden gezien. Want het ligt in het ambt van alle gelovigen, de voorbede voor de naaste te doen. Neem een voorbeeld aan Abraham, hoe hij worstelt voor Sodom en Lot, al waren daar slechts tien rechtvaardigen. Nog zeide hij: Dat toch de Heere niet onsteke dat ik alleenlijk ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der tienen wil (Genesis 18:32). Maar er komt een ogenblik dat het gebed wordt afgesneden.

We worden hier opgeroepen tot priesterlijke voorbede. En Hij zal hem het leven geven (1 Joh. 5:16). ‘Hij’ staat hier met een hoofdletter. Het Grieks kent geen hoofdletters. Er zijn er die ‘hij’ met een kleine letter zetten. Er staat volgens hen: ‘Want door die voorbede ontvangt de zondaar het leven.’

Kanttekeningen 41 en 42 laten beide mogelijkheden open. ‘Namelijk God zal hem zijn zonden vergeven en alzo het leven geven. Of: hij, namelijk die God voor de zonde van zijn broeder bidt, zal met zijn gebed hetzelve bij God teweegbrengen.’

God zal hem het leven geven, en door de voorbidding van een kind van God kan bekering, genade en leven worden gewerkt in het hart.

In de gemeenschap der heiligen wil God dit gebruiken. Natuurlijk is het God Die leven geeft, maar Hij wil het gebed gebruiken. Wat is het tot blijdschap voor Gods kinderen, als ze mogen zien dat iemand die in zonden is gevallen, door Gods genade vergeving en zaligheid mag ontvangen.

 

Johannes heeft deze dingen geschreven en ik heb het nu aan u verkondigd. Wat heeft het nu uitgewerkt? Wat zegt u, wat zeg jij daar nu van?

Natuurlijk is het moeilijk als je niet zelf de Bijbel onderzoekt, en niet graaft in het Woord van God. Het is moeilijk als onze gedachten uitgaan naar de wereld en al zijn begeerlijkheden. Wanneer we nu door Gods genade leergierig worden gemaakt door de Heilige Geest, gaan we zoeken.

 

Het laatste woord van dit hoofdstuk is: ‘Amen’, Johannes schrijft dat onder alles wat hij geschreven heeft. ‘Amen’: het zal vast en zeker zijn.

Aan het eind van een brief of aan het eind van de preek in  de kerk zeiden Gods kinderen vroeger hardop: ‘Amen’. Het was een ‘Amen’ op wat ze gehoord hadden, of op wat Johannes geschreven had.

Durf jij tussen God en je ziel op deze dingen ‘Amen’ te zeggen?

Amen.

 

 

Psalm 56 vers 6:

 

Gij hebt mijn ziel beveiligd voor de dood;

Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot’;

Gij zijt voor mij een schild in alle nood;

Gij hebt mijn smart verdreven;

Uw dierb’re gunst is m’ altoos bijgebleven;

‘k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven;

Zo word’ door mij Zijn Naam altoos verheven;

Zo word’ Zijn lof vergroot.