Ds. C.J. Meeuse - Romeinen 9 : 26

Hoe buitenstaanders Gods kinderen worden genoemd

Hoe ze erbuiten gezet worden
Hoe ze erbij gezet worden

Romeinen 9 : 26

Romeinen 9
26
En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 5 en 6
Lezen : Romeinen 9
Zingen : Psalm 17: 2, 3 en 8
Zingen : Psalm 102: 11
Zingen : Psalm 16: 6

Gemeente, er is geen groter goed in dit leven te verkrijgen dan een kind van God te worden. Wij hebben van dat grote voorrecht samen gezongen. David bidt in de zeventiende Psalm: Maak Uwe weldaan wonderbaar, Gij Die Uw kinderen wilt behoeden voor ’s vijands macht en vreselijk woeden en hen beschermt in het grootst gevaar. Dat is wat, als God u beschermt, als Hij u behoedt!

Wil mij Uw bijstand niet onttrekken; als de Heere uw Hulp en Bijstand is. Als de Heere u van omhoog bewaart: Bewaar me als de appel van het oog, zo bidt zelfs de dichter. Wat een veilige plaats kreeg onze oogappel!

Maar wie Gods volk aanraakt, raakt ook Zijn oogappel aan. Zo staat het in de Schrift, om aan te geven hoe bijzonder God zorgt voor Zijn volk. David bidt het: Bewaar me als de appel van het oog, wil mij met Uwe vleugelen dekken. Als u dat ontvangt, wat een voorrechten geeft God u dan! Geen groter voorrecht dan een kind van God te zijn. Hoe wordt u dat?

Dat heeft de Heere ons voorgehouden. Denk maar aan wat we in het eerste hoofdstuk van het Evangelie naar Johannes lezen: Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht (niet het vermogen, maar volmacht) gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven. Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn (Joh.1:12,13).

Nu weet ik wat u wilt vragen: Hoe weet ik dat? Wie zal me vertellen of ik uit God geboren ben? Wie zal ons zeggen dat we kinderen Gods zijn? Daarbij kunt u het niet stellen met wat mensen van u denken of zeggen. Dat moet God zeggen. Hoe God dat zegt, gaan we nu overdenken.

 

U vindt de tekst in het voorgelezen Schriftgedeelte, Romeinen 9 vers 26: En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.

 

We mogen hier beluisteren: Hoe buitenstaanders Gods kinderen worden genoemd.

 

  1. Hoe ze erbuiten gezet worden: En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet.
  2. Hoe ze erbij gezet worden: Want er staat: Aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.

 

Gemeente, we moeten het tekstverband breed voor u toelichten en we hopen dat het u niet vermoeien zal, want daarin ligt veel lering. Paulus schrijft in dit hoofdstuk, Romeinen 9, over zijn broederen naar het vlees. Hij schrijft over het Joodse volk en noemt hen Zijn maagschap naar het vlees. Hij spreekt zijn bittere droefheid uit over de hardnekkige vijandschap van het Joodse volk. Wat zijn ze vijandig tegen de weg der zaligheid, de weg in Christus! Het is de weg die hij in de voorgaande hoofdstukken zo breed heeft uitgestald. Hij heeft immers gesproken over het heil in Christus alleen, en ook hoe een zondaar daar deel aan krijgt door het werk van de Heilige Geest. Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods (Rom.8:14), heeft hij gezegd.

Ook zei hij: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest (Rom.8:1).

Hij heeft die heerlijke waarheid van genade voor doodschuldige zondaren breed uit mogen stallen. Wat is de Romeinenbrief dan rijk in het getuigen van de zaligheid voor zondaren. Hij heeft het als het ware zichtbaar mogen maken uit zijn eigen leven: Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere (Rom.7:14,24 en 25).

 

Dat een vijand met God verzoend wordt, daar heeft hij bevindelijk getuigenis van gegeven. Hij komt in dit hoofdstuk met groot verdriet, met pijn in zijn hart die hij altijd met zich draagt. Dan zegt deze gezant van God: Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mede getuigenis gevende door den Heiligen Geest), dat het mij een grote droefheid, en mijn hart een gedurige smart is. Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees (vers 1-3).

Hij roept God tot zijn getuige en hij heeft zelf getuigenis van de Heilige Geest in zijn hart. Mijn maagschap, het Joodse volk. Dan komt hij tot die sterke uitdrukking: Ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen. Al had ik het dan zelf niet, als zij het maar zouden hebben. Hoe kun je nu zoiets zeggen? Dat kan alleen als je aan Gods kant staat, als de eer van de Heere en de komst van Zijn koninkrijk je zo ter harte gaat, dat je jezelf wegcijfert. Als het niet meer om jou gaat, maar om Hem! Zie deze taal als de taal van de vriend van de Bruidegom, die zegt: ‘Of ik straks zelf in de bruiloftszaal mag zitten, vind ik niet het belangrijkste. Als de Bruidegom Zijn bruid maar krijgt, als het feest maar doorgaat en de Bruidegom straks Zijn bruidsgemeente maar heeft. Of ik er bij hoor, staat op de tweede plaats. Als dat niet door zou gaan, zou dat veel erger zijn dan wanneer ik er zelf buiten zou staan.

 

Mozes heeft diezelfde stand in het geestelijke leven beoefend. Hij heeft gezegd: ‘Delg mij dan maar uit Uw boek.’ Dan zijn Mozes en Paulus zwakke afbeeldingen van de Zaligmaker Christus, Die er buiten gestaan heeft toen Hij in de grote Godsverlating geroepen heeft: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Ps.22:2). Maar Hij is de Enige geweest Die het móest ondergaan, opdat daardoor buitenstaanders erbij gezet zouden kunnen worden: het onderwerp van onze prediking.

 

Laten we verder zien naar het verband. Bij Paulus is ook veel van die zelfverloochening en die liefde van Christus. Hier is de vervulling van wat Gods kinderen wel eens bidden: O, Zoon, maak mij Uw Beeld gelijk. Maar nu spreekt hij over zijn broederen, over het volk van Israël. Hij zegt: Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen. Hij heeft daar vroeger ook over gesproken – over de voorrechten van de Joden. In Romeinen 3 zegt hij: Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis? Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd (Rom.3:2).

Daar blijft de apostel bij stilstaan. Hij noemt als voorrecht van de Jood, wat in Psalm 147:10 staat:

 

Hij gaf aan Jakob Zijne wetten,

Deed Isrel op Zijn woorden letten;

Hij leerde z' in Zijn wegen wand'len,

Zo wou Hij met geen volken hand'len;

Die moesten Zijn getuigenissen

En Zijn verbondsgeheimen missen.

Laat dan Gods lof ten hemel rijzen;

Laat al wat adem heeft Hem prijzen!

 

Aan de Joden zijn de woorden Gods toebetrouwd. Dat is een voorrecht. Hier staan nog meer voorrechten: welker is de aanneming tot kinderen.

In het Oude Testament zijn ze met God in een verbond gekomen. Ze werden wel Zijn kinderen genoemd. Dat is niet hetzelfde als in de nieuwtestamentische zin. Bij het volk van Israël was het toch van een andere orde. Die Nieuwtestamentische orde kunt u vinden in hoofdstuk 8 vers 15: Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid (die hebben de Joden nog) wederom tot vreze; maar gij hebt (zegt hij tegen de bekeerde Joden in Rome) ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!

 

Zo heet dat in Nieuwtestamentische zin. Dat hadden de Joden niet. Waarom zegt Paulus dan toch dat ze de aanneming tot kinderen hadden? In oudtestamentische zin, zie in vers 7: 0mdat zij Abrahams zaad zijn, Zijn zij allen kinderen. In natuurlijke zin, maar niet in geestelijke zin. De aanneming tot kinderen, in de zin van de bediening van het oude verbond – dat is in Romeinen 8 genoemd. Het gaat dan nog niet over het wezen. Maar toch, het zijn voorrechten: de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst Gods. Het gaat over de ceremoniën, de beloften, de profetieën. Dat alles is gegeven aan het Joodse volk: grote voorrechten in de godsdienst. Paulus somt dat op, maar moet ook zeggen dat dit niet zaligmakend is. Je kunt veel voorrechten hebben en dat is niet te verachten. Maar wat getuigt het tegen je als je toch het wezen mist en dat niet nodig hebt. Zo gaat het met dat Joodse volk. Ze hebben zoveel voorrechten: Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat. Christus is uit het Joodse volk voortgekomen: Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid.

 

Maar dan komt hij bij de afval van het Joodse volk. Is het Woord Gods uitgevallen? Nee, het woord Gods is niet uitgevallen: want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. God heeft dat al gezegd; bij Izak kon je dat al horen. Toen heeft de Heere al gezegd tegen Abraham: In Izak zal u het zaad genoemd worden (Hebr.11:18). Niet in Ismaël: Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.

Hier wordt de scheiding getrokken tussen de natuurlijke en geestelijke kinderen. Datzelfde wordt ook van Rebekka gezegd. Rebekka is zwanger uit één vader Izak, maar toch kwamen er twee kinderen uit haar voort: Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende; Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen (vers 11 en 12).

Gelijk geschreven is: nochtans heb Ik Jakob liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat, zo staat er in Maleachi 1 vers 3 en 4.

Toch waren niet allen kinderen van God. Is dat niet onrechtvaardig? Dat zeggen sommigen al snel als ze horen van de verkiezing. Paulus is hen voor en zegt: Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre (vers 14).

 

Als de Heere zegt: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben (vers 15), mag Hij zo handelen. Dat is Zijn vrije genade: Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods (vers 16).

Hij gaat die soevereine, vrije genade uitwerken, waaraan zoveel mensen zich stoten omdat ze denken zo waardig te zijn. Ze willen het verdienen. Ja, dan val je er nu net buiten, het wordt pas een wonder als je het niet meer kunt verdienen.

 

Het vrije van Gods genade, dat soevereine, daar gaat hij hier diep op in: Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil (vers 18). Wie dan toch nog doorgaat met tegen God te strijden, Paulus is hen weer voor: Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan? Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt? (vers 19,20)

Mag het leem tegen de pottenbakker opstaan? Mag een vat dat de pottenbakker gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt? Dat kan toch niet. Een lemen vat mag toch niet tegen Zijn maker opstaan en een mens mag tegen Zijn God niet opstaan. God is vrij in Zijn verkiezing. Hij heeft ook vaten des toorns tot het verderf toebereid. En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid? (vers 23) zo spreekt de apostel vervolgens.

 

Gods vrije genade – hebt u er ook zo’n moeite mee? Dat komt alleen maar door uw zogenaamde waardigheid. Dat komt alleen, omdat u denkt nog iets te verdienen. Vraag om meer licht, opdat u de genade onwaardig wordt. Dan zal het een wonder zijn dat er vrije genade is en dat het tóch nog kan, hoewel u het onwaardig geworden bent. Ja, juist bij zulken verheerlijkt God Zijn genade. Dat is het onderwerp van onze prediking, en we hopen dat daar straks nog meer licht over mag vallen. God maakt zondaren zalig en dat doet Hij uit de Joden en uit heidenen. Zie vers 24: Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.

 

Zo komt de apostel bij de woorden die we nu in het bijzonder gaan overdenken Zij komen eigenlijk uit het boek Hosea, uit het oude Testament. Zoals Hij ook in Hosea zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde. En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden (Hos.1:10).

 

We moeten het nog iets verder verduidelijken, en we hopen dat het u niet vermoeit. We gaan nog even met onze gedachten naar het Oude Testament, in de dagen van Hosea. Dan wordt Hosea door God geroepen om een vrouw te nemen die een vrouw der hoererijen is en kinderen te krijgen die kinderen der hoererijen zijn. Er zijn verklaarders die menen dat het zinnebeeldig is, overdrachtelijk; dat het visionair is, niet werkelijk. Maar hoe het zij, het gaat om de zaak, om de boodschap die God erin gelegd heeft. Die moeten we wel goed zien!

Het gaat daar om een huwelijk waarbij de vrouw ontrouw is aan haar man en terwijl ze zich met anderen afgeeft, worden er kinderen geboren. Deze kinderen aanvaardt de man dan niet. Hij zegt: Nee, het zijn mijn kinderen niet. Dat gebeurt eerst ten aanzien van Lo-ruchama, zo wordt het eerste kind dan genoemd. ‘Lo’ is het Hebreeuwse woord voor ‘niet’ en ‘ruchama’ gaat over ontferming. Lo-ruchama betekent: ‘niet de ontfermde’; ik ontferm me niet over je. Dan lezen we in de Schrift: Als zij nu Lo-ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon. En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-ammi (Hos.1:18 en 19). ‘Lo’ betekent weer ‘niet’ en ‘ammi’ mijn volk, ‘niet mijn volk’. Dus de één heet Lo-ruchama en de andere Lo-ammi; en dan lezen we in de Schrift: Want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn. Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods (Hos. 1:9, 10). Heel merkwaardig! Daar hebt u onze tekst.

Op een andere plaats in Hosea staat: En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!

Dus in Hosea lezen we van die wonderlijke zaak. Dat die kinderen, Lo-ruchama en Lo-ammi, niet de ontfermde, en niet Mijn volk, tóch Zijn kinderen mogen zijn.

Ze mogen de naam Ruchama: ontfermde, en Ammi: Mijn volk, gaan dragen. Dat grote wonder dat in Hosea al is uitgebeeld, noemt de apostel Paulus hier opnieuw. En nu met een reikwijdte voor Jood én heiden, want de Heere roept Zijn kinderen uit Jood en heiden - zo lazen we in vers 24. Zowel bij Jood als heiden zal dat wonder verheerlijk worden: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde (Rom.8:25). En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.

 

Nu komen we tot de toepassing en gaan we onze twee punten overdenken: hoe ze erbuiten worden gezet en vervolgens hoe ze erbij worden gezet.

 

1. Hoe ze erbuiten gezet worden

 

Ja, hoe worden ze erbuiten gezet? Waarom moeten ze ‘Lo-ruchama’ en ‘Lo-ammi’ heten? In Hosea leest u dat de Heere zegt: Het land hoereert van achter de Heere; het brood en het water, de olie, het vlas, de wol en de drank worden toegeschreven aan de afgoden. Het volk eert en dient de afgoden. Men bidt tot de afgoden en men offert aan de afgoden. Bij dat alles worden gruwelijke zonden openlijk bedreven. Het is, net als in onze tijd, een vreselijke tijd.

Wat doet de Heere dan? Hij gaat Zijn volk straffen en wel op zo’n manier dat ze straks uit hun land en het heiligdom verdreven worden. De tempel zal in brand gezet worden en het volk zal in ballingschap weggevoerd worden, naar een ander land, in den vreemde, in ballingschap. Dan staan ze erbuiten, want dat betekent ballingschap. De Heere is hun God niet meer. Dat zou althans iedereen zeggen, beleven en zien – alsof God afstand doet van Zijn volk. Wat is dat een vreselijk oordeel, dat heeft de Heere voorzegd door al Zijn profeten.

 

Zie, zo worden ze erbuiten gezet. Dat is niet één keer gebeurd, dat gebeurt in het Nieuwe Testament weer. Het volk is uit ballingschap teruggekomen, maar als de Messias komt, is de godsdienst zo veruitwendigd en zo verdienstelijk geworden dat ze helemaal geen Zaligmaker nodig hebben en ze Hem aan het kruishout nagelen. Met hun eigen gerechtigheden willen ze zich handhaven.

Als ze de Messias verwerpen, wat is er anders te verwachten dan dat God Zijn volk verwerpt? We zien hier dat het weer gebeurt. Ze worden als het ware weer losgelaten en overgegeven. De Heere gaat weer in toorn met hen handelen. U ziet het in het beeld dat de apostel Paulus gebruikt: het is alsof God van een olijfboom takken die erop gegroeid zijn, afhakt en wegwerpt. Het zijn natuurlijke takken die bij die boom horen, maar God hakt ze af en werpt ze weg.

Dát is het beeld dat Paulus gebruikt en zo worden ze erbuiten gezet in het Nieuwe Testament. De Heere Jezus heeft dat Zelf ook voorzegd: Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild. Ziet, uw huis wordt u woest gelaten. Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren (Matth.23:37-39).

 

U vindt nu geen tempel meer in Jeruzalem, maar moskeeën. Daar klinkt de roep van de Arabier, van de minaret. Maar Gods kerk zoekt u in Jeruzalem tevergeefs. Ziet, uw huis wordt u woest gelaten, weer erbuiten gezet. De oordelen zijn gekomen toen Vespasianus en Titus kwamen, het Joodse volk is verstrooid over de hele wereld. Een grotere ballingschap nog dan de eerste.

 

Erbuiten gezet, weet u ook wat het is om erbuiten gezet te worden? Er zijn mensen die gemakkelijk op het Joodse volk neerkijken. Dat is een kwalijke zaak. Er zijn mensen die zich verheffen; zij zijn als wilde takken die schimpen op de natuurlijke takken. Laten ze maar oppassen. De apostel Paulus heeft ervoor gewaarschuwd: christenen uit het heidendom mogen hun afkomst niet vergeten!

De apostel Paulus benoemt deze afkomst in hoofdstuk 10 en spreekt dan van ‘onverstandigen’ en van ‘mensen die geen volk zijn’. Zo noemt hij hen die uit het heidendom geroepen worden; laten we dat goed verstaan tot onze verootmoediging! We heten wilde takken van een wilde olijfboom; laten we dat toch niet vergeten.

Wie zich verheft met zijn godsdienstige voorrechten die hij nu meent te hebben, die is blind en wellicht nog blinder dan de Jood die nog onbekeerd is. Blind voor wie hij zelf ten diepste is. Dat is niets om ons op te verheffen. De apostel Paulus heeft het ons in deze wonderrijke Romeinenbrief ook voorgehouden.

 

Ik denk aan wat in de eerste hoofdstukken staat. Daar gaat het over de heidenen. Paulus tekent de heidenen en heeft daar heel duidelijke woorden voor. Hij spreekt: Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid (Rom.1:18 en 25).

Even later somt hij allerlei zonden op, die u in het heidendom kunt vinden. Ook in het moderne heidendom. Ik weet niet hoe u ernaar luistert, als zo’n zondenregister opengetrokken wordt, als al die zonden opgenoemd worden: Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid. Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam. Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen (Rom.1:29-31).

 

Verschrikkelijke zaken worden hier opgesomd. Wat denken wij? Dat we beter zijn? Dat is de blindheid van de Jood, maar ook van de christenen uit het heidendom die zich verheffen boven de Jood: Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen (Rom.2:1). Zo zullen wij wel moeten leren wat Paulus verder zegt in de Romeinenbrief: Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn. Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een (Rom.3:9 en 10).

Dát moeten we leren. Wee, wie zich verheft boven het Jodendom, wie zich verheft op zijn christendom. We moeten de zonde leren kennen. Door de zonde is er een scheiding en door de zonde kunnen wij geen kind van God heten, maar een kind van de duivel. De Heere Jezus zegt tegen de Farizeeën: Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne (Joh.8:44).

 

Ergert het u als u dat telkens hoort in de prediking? U vindt misschien dat u keurig leeft. U bent gedoopt, je bent altijd naar catechisatie geweest en hebt belijdenis gedaan. U bent lid van de gemeente en komt trouw naar de kerk, zelfs door de week. U hebt zoveel andere dingen vóór op andere mensen. Gaat het u dan niet irriteren, moet er dan iedere keer gesproken worden over allerlei ongerechtigheid die in u zou huizen? Het gaat over zaken waar u niet zoveel zicht op hebt en waar u niet zoveel van gelooft. U kijkt meestal een andere kant uit. Ergert het ons niet als ons de waarheid wordt gezegd over ons bestaan? Ergert het u als u met uw eigen gerechtigheid erbuiten gezet wordt?

Als God een mens gaat bekeren, wordt hij erbuiten gezet. Sommigen denken: als je bekeerd wordt in de kerk, ga je naar huis en zeg je: Nu ben ik ook een kind van God. Sommigen roemen en prijzen gelijk met grote woorden het heil dat ze deelachtig geworden zijn. Maar ik lees dat de Heere Jezus dit zegt van het tijdgeloof: En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen. En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd (Mark.4:16,17).

 

Bij het ware zaligmakende geloof ontkiemt het zaad in de diepte, in de duisternis. Dan gaat het later pas groeien. Het komt pas later openbaar. Als God een mens bekeert, zal hij de ongenoegzaamheid van al zijn godsdienst leren kennen. Daar zorgt de Heere wel voor. Het is niet meer genoeg dat u een goede opvoeding gehad hebt of een vrome opa of oma, vader of moeder. U kunt er zichzelf niet meer bíj rekenen, omdat er staat dat zondaren zalig worden – en ik ben een zondaar, dus zal de zaligheid wel voor mij zijn. Nee, u kunt met redeneren en argumenteren uzelf niet meer zalig spreken. U mist de gerechtigheid die God van u eist, en de heiligheid die nodig is om voor God te kunnen bestaan.

U hoort in de prediking steeds weer: het is niet genoeg. De ongenoegzaamheid van álles wat u bij elkaar hebt, van álles wat u God wilt aanbieden; en dat is een afsnijdende prediking die veel verzet wekt. Daaronder lopen mensen soms bij tientallen weg, omdat ze niet gebouwd, maar afgebroken worden. Ze horen dat het niet genoeg is dat ze weleens een traan hebben gelaten en toch weleens ernstig zijn en menen in hun hart zoveel liefde en ijver voor de dienst des Heeren te hebben. Daarin willen ze opgebouwd worden.

Maar die zichzelf bouwen en alleen maar gebouwd willen worden, die worden onder een rechte prediking tot de grond toe afgebroken. Opdat ze zouden leren: Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont (Rom.7:18). Er is maar één Weg: afgesneden worden van al het onze. En dat gaat niet anders dan dat alles afgebroken wordt, zodat je niets overhoudt. Alleen maar lege handen en een grote schuld, en daarbij een hart dat bij tijden bruist van vijandschap!

Is dat nu de weg? Moet het nu zo? Ja! Om het grote geheim te leren kennen dat vijanden met God verzoend worden door de dood van Zijn Zoon.

Dat grote heilgeheim is in dit hoofdstuk ook verwoord in vers 28: Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.

Zo zal de Heere handelen als Hij buitenstaanders erbij zet. Dat is onze tweede gedachte.

 

2. Hoe ze erbij gezet worden

 

Ik kan dat niet begrijpen. Dat wordt in de hemel ook eeuwig bewonderd. Maar het gebeurt wel! Laten we luisteren naar wat een dichter gezongen heeft in psalm 126:

Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.

Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan. De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd (Ps.126:1-4).

 

God heeft bij ons wat groots verricht;

Hij zelf heeft onzen druk verlicht;

Hij heeft door wond'ren ons bevrijd;

Dies juichen wij, en zijn verblijd.

 

Dat is wat geweest. Het is waar, het waren er maar 50.000 van de zoveel miljoen die in ballingschap weggevoerd waren. Maar een hoopje, een kleine rest, een overblijfsel naar de verkiezing van Gods genade. Voor die 50.000 was het echter een onuitsprekelijk groot wonder dat ze mochten weerkeren. Dat Jeruzalem herbouwd werd. Dat de tempel herbouwd werd. God heeft bij ons wat groots verricht!

En het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods (Hos.1:10). En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God (Hos.2:22).

 

Dat wonder heeft plaats gevonden toen het volk weerkeerde uit de ballingschap, maar dat wonder zal nóg weer plaats vinden. Dat heeft de Heere gezegd. Gods oordeel gaat over de massa, maar er zal een rest blijven naar de verkiezing van Gods genade.

Jesaja heeft gezegd: Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid (Jes.10:22).

Dat zegt de apostel hier in vers 27 na onze tekst: En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.

De apostel mag, gedreven door de Heilige Geest nu de nadruk leggen op het overblijfsel. Het zal behouden worden, het is al gebeurd bij de terugkeer uit de ballingschap. Het zal nog een keer gebeuren, want God is Dezelfde. Wat Hij in de oude bedeling deed, zal Hij in de nieuwe bedeling toch weer doen. Daar komt de apostel Paulus in Romeinen 11 op terug: Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade (Rom.11:5).

God gaat nog wonderen doen onder de Joden en daarvoor zal Hij geen andere weg gaan dan die Hij het met ons gaat, als Hij ons bekeert. Dat is de weg van het schuld belijden en een Zaligmaker nodig krijgen. Een weg van Christus leren kennen tot eeuwig behoud.

De apostel leert geen twee wegen, zoals men tegenwoordig weleens doet: een weg voor christenen en een andere weg voor Joden.

Een ieder moet dan maar op zijn eigen manier zalig worden. We hebben wel een Messias-belijdende Jood gesproken in Jeruzalem, die het Evangelie van zijn zendingsorganisatie niet meer mocht prediken. Het gebouw werd hem afgenomen. Weet u waarom? Hij had geen christen hoeven te worden, hij had wel Jood kunnen blijven. Het was niet nodig dat een Jood christen werd, zo meende de zendingsorganisatie. Dat is een verschrikkelijke dwaasheid, want het is noodzakelijk dat de orthodoxe Jood afleert te steunen op zijn eigen gerechtigheid. Het moet tot zonde worden dat hij daarop gesteund en Christus verworpen heeft. Hij krijgt in waarheid Christus nodig voor de verzoening van al zijn zonden.

De apostel is er niet onduidelijk over: voor de Joden is er geen andere weg tot de zaligheid. Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden. (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag (Rom.11:7). Dit moeten we tot de huidige dag nog onderschrijven, dus ook tot vandaag de dag.

Schrikkelijk is de verharding onder het orthodoxe Jodendom. Vreselijk is de zelfverheffing: wij zijn het uitverkoren volk! En ondertussen verwerpt men de Messias. Maar zij zullen moeten leren om die eigengerechtigheid te laten varen. Zie het slot van ons hoofdstuk, vers 31: Maar Israël, die de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen.

Waarom dan? Omdat ze die niet zochten uit het geloof, maar uit de werken der wet. Ze hebben zich namelijk gestoten aan de steen des aanstoots, zoals geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, een steen des aanstoots, en een rots der ergernis (1 Petr.2:6 en 7). Maar tegen Israël zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk (Rom.10:21).

 

Dat volk zal toch tot het geloof moeten komen; zie Romeinen 11. Ik lees u enkele verzen voor: Maar ook zij (de Joden), indien zij in het ongeloof niet blijven (dat is nodig), zullen ingeënt worden; want God is machtig om dezelve weder in te enten. Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt, hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden? Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden (Rom.11:23-26).

Onze kanttekenaren merken daarbij op in kanttekening 125: ‘Dat is, niet enige weinigen, maar ene zeer grote menigte, en gelijk als de ganse Joodse natie.’ Dan staat er hier: En alzo zal geheel Israël zalig worden. Gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheid afwenden van Jakob. Onze kanttekenaren zetten daar in kanttekening 126 ook nog bij: ‘Namelijk door de predikatie des Evangelies krachtig geroepen, en door het geloof gerechtvaardigd zijnde.’

 

We moeten Gods Woord brengen bij het Joodse volk: het Evangelie van de Heere Jezus Christus. Ze zullen hun eigengerechtigheid moeten laten varen om als arme, doodschuldige zondaren te belijden: ‘Wij hebben onze Zaligmaker verworpen, zou er voor ons nog doen aan zijn?’ We moeten niet op een valse wijze om de schuld heengaan, bij ons niet en bij het Joodse volk niet. Maar hoor toch hoe de apostelen het Evangelie tot de Joden gesproken hebben. Als we de Handelingen lezen, zien we hoe Petrus hen behandelt: Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt (Hand.2:36). Dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt – dan doorboort de Heilige Geest het hart van 3000 Joden, die in de schuld gebracht worden.

Later, in hoofdstuk 3 lees ik: De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zoude loslaten (Hand.3:13). Hier worden er 2000 bekeerd, nadat eerlijk de schuld wordt aangezegd. Maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een doodslager was, zou geschonken worden (Hand.3:14).

In hoofdstuk 4 voor het sanhedrin: Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is (Hand.4:11). En later – denk aan de rede van Stefanus – bemerken we dat het hart barst van hen die niet in de schuld willen komen. Als Stefanus zegt: Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt (Hand.7:52).

Verraders en moordenaars van de Rechtvaardige. Dan barst hun hart. Zij worden niet bekeerd. Hoe eerlijk wordt met hen gehandeld! Dat moet nóg, ook met het Joodse volk nu de Heere met hen in tegenheid gewandeld heeft en hen in het land van de vijand gebracht heeft, zoals in Leviticus 26 staat: Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben. Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken (Lev.26: 41, 42).

 

De Heere kan hen weer inenten. Hij zet buitenstaanders erbij – en dat is een wonder dat wij ook moeten kennen. Nog een enkel woord daarover ter toepassing voor ons allen.

Maar eerst zingen we ervan uit Psalm 102:11:

 

't Zal met blij gejuich Hem loven,

Die, uit Zijn paleis van boven,

Isrels leed en ongeval

Eens in gunst beschouwen zal;

En gevang'nen in hun zuchten

Horen, als zij tot Hem vluchten;

Om hen uit de wrede kaken

Van den dood eens los te maken.

 

Toepassing

Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, zegt de apostel in vers 24. Daar gebeurt het wonder ook bij de heidenen. Dat wonder: dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods (Hos.1:10). Dat de Heere ons dat wonder toch persoonlijk ook zou leren!

Paulus heeft dit gezegd tegen de Efeziërs: Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden (1 Petr.2:9,10).

 

Buitenstaanders worden erbij gezet.

Dat wonder gebeurt ook bij de heidenen, uit goddelijk welbehagen: En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid.

Dat gebeurt op goede gronden: uit welbehagen, om de verdienste van Christus. Dat vindt plaats door het geloof, zo is toch telkens uitdrukkelijk gesteld. Vanwege die Hoeksteen Die door het ongeloof verworpen werd: Ziet, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.

Door dat geloof worden zondaren gerechtvaardigd. Door het geloof in Christus en in Hem alleen, Die de verdienende oorzaak is van het grote wonder dat een buitenstaander erbíj gezet kan worden. Zo kan het om twee wondere redenen: goddelijk welbehagen en de verdienste van Christus.

Ik mag zeggen: een werkende oorzaak en een verdienende oorzaak. Dat is genoeg om het grote wonder te verrichten bij iemand, die dacht dat het voor hem niet meer kon. Die dacht: Ik zal er wel altijd buiten blijven staan, ik zal wel eeuwig om moeten komen.

Hebt u dat nooit gezegd of gedacht? En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet. Hebt u nooit gevoeld onder de prediking van het Woord van God dat u er niet bij hoorde? In uw onbekeerde staat? In uw zonden en uw ongerechtigheden? Hebt u nog nooit leren billijken dat God toorn over ú bracht? Hebt u nog nooit een welgevallen gekregen aan de straf van uw ongerechtigheid?

 

Zoals de Heere dat van het Joodse volk wil, zo wil Hij dat van ons ook. In zo’n weg zal de zondaar zalig gemaakt worden. Hij zal erbuiten gezet worden. Maar wie er buiten gezet wordt, kan zichzelf er niet bij zetten. Zo iemand gaat ervaren dat hij verdient buiten te staan. Dan is Christus zo verborgen in de Schrift!  De toepassing van Zijn werk lijkt dan zó onmogelijk voor ons dat we gaan recht keuren als de Heere ons voor eeuwig buiten laat staan. Zou Hij dan onrechtvaardig zijn? Ik heb een jonge vrouw horen zeggen, kort voor haar sterven: ‘Ik ga voor eeuwig verloren. Ik zal er eeuwig buiten moeten staan. Want ik heb niet anders verdiend. Ik heb God niet geëerd zoals Hij het waardig is. Ik heb God niet gevreesd zoals het gepast is. Ik heb God niet gediend, zoals ik verplicht was. Ik zal er eeuwig buiten moeten staan, ik heb niet anders verdiend.’

Ik heb haar gezegd: ‘Weet je wat je gaat doen in de hel? Daar ga je zingen: Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heere, Uw oordeel rust op de allerbeste wetten, Uw loon, Uw straf beantwoordt aan Uw eer. Er is alleen één moeilijkheid: in de hel wordt niet gezongen! Je bent bedorven voor de hel.’

Rutherford zegt van zulke zielen: ‘De hel zou ze uitspugen. Ze zijn ongeschikt voor de hel die de Heere recht leren keuren als zij verloren gaan; die de beleving verstaan dat ze Gods volk niet zijn en er nooit bij zullen horen. Zij mogen horen, niet alleen uit de mond van een knecht, maar ook uit de mond van de Allerhoogste, dat zij tot wie gezegd is: Gijlieden zijt Mijn volk niet; aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.

Dat is om Christus’ wil. Dat is om Hem Die Zijn Kindschap niet meer beleven kon, toen Hij op Golgotha de Vadernaam niet meer op de lippen kon nemen. Hij sprak het ‘Vader’ niet meer uit, maar: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Matth.27:47). Dat was opdat Hij buitenstaanders erbij zou kunnen zetten en tot Gods kinderen zou kunnen maken. Dat is voor onrechtvaardigen, voor albedervers, voor doemwaardigen die niet verder kunnen komen. Nu kan door de verdienste van deze Ene het wonder geschieden dat vijanden met God worden verzoend door de dood van Zijn Zoon.

 

Ik ben wel bevreesd, gemeente, voor hen die Gods toorn niet kunnen billijken. Zij kunnen Zijn straf niet rechtvaardigen, maar lopen nog altijd te wroeten met het werkverbond en eisen van God betaling voor al hun werken. Moet ik het wat duidelijker maken? Dat zijn mensen die zeggen: Ik bid er al zo lang om, en ik krijg het nog niet! Waarom gaat de Heere mij nu voorbij en die man of vrouw die ternauwernood vijf keer in de kerk is geweest, die wordt bekeerd en ik niet.

Begrijpt u het? Dat rechthebbende van ons en dat bouwen op voorrechten om er een grondje van te maken, dat doen de Joden ook. Zich verheffen op eigen gerechtigheden – dat moet eraf! Weet u wat u moet doen? Als u in die strik zit, moet u één ding doen. Iedere avond bidden om meer licht van God, opdat u ziet Wie God is en wie u zelf bent, en opdat u uw waardigheid verliest. Dan verliest u de verdiensten uit uw gebeden. De Heere wendt Zich tot het gebed van hem die gans ontbloot is, die niets meer overhoudt. Zo mag hij Christus gewinnen, en leren: ‘k Heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens Eigen ik ben. Dat zal de Heere u dan leren.

 

Volk des Heeren, er zijn ook dwaalwegen. Wegen die van de Heere afvoeren, waardoor u het gevoel van uw kindschap kwijtraakt en in duisternis over de wereld gaat. Dat is vanwege uw afmakingen, vanwege uw zonden. Als u er overheen probeert te leven, kan ik u dit zeggen: huichelaren lukt het. Antinomianen en andere dwaallichten gelukt het. Zij kunnen wel over de zonde heen leven en toch maar denken dat ze een kind van God zijn. Maar Gods ware volk lukt het niet. Zij verliezen alle licht. Zij komen in volslagen duisternis terecht. Is er wel ooit wat waar geweest? Zou ik me niet altijd bedrogen hebben? Hoe zal die duisternis toch weer gaan wijken? Hoe zal er toch licht vallen over het werk des Heeren? Alleen daar waar u zich schuldig zult kennen.

Als u schuld hebt, leert u dat belijden voor God en mensen. Maar dan mag u nochtans bidden: Ontferm U mijner!

 

Als een volk zich schuldig zal kennen, zal Hij aan Zijn verbond gedenken.

Waar ze een welgevallen krijgen aan de straf van hun ongerechtigheid, daar zal de Heere Zich over de Zijnen weer ontfermen. Dat is een wonder. We hebben het gehoord: er is een volharding der heiligen. Wat een wonder dat de Heere toch Zijn Heilige Geest niet wegneemt waar Hij eenmaal geschonken is. Dat blijkt als Gods kinderen na hun afdwalingen in de schúld gebracht worden en zich schuldig gaan kennen. Terwijl huichelaren over de zonde heen leven, worden zij terecht gebracht en gaan ze belijden dat ze verdienen erbuiten te staan. Denk u dat Gods volk dat niet meer belijdt na ontvangen genade? Dan moet u Calvijns testament eens lezen! Daar zegt hij: Ik heb honderdduizend keer de rampzaligheid verdiend.

Dat schrijft Calvijn voor zijn sterven, en dat is zomaar niet een verzinseltje van hem. Dat is beleving. Maar hij mag weten nochtans binnen te komen door dit grote wonder: dat de Heere ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 16: 6

 

Gij maakt eerlang mij 't levenspad bekend,

Waarvan, in druk, 't vooruitzicht mij verheugde;

Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,

Schenkt mij in 't kort verzadiging van vreugde;

De lieflijkheên van 't zalig hemelleven

Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.