Ds. A. Schot - Efeze 2 : 6

In Christus Jezus mede gezet in de hemel

Efeze 2
In Christus Jezus mede gezet 'in den hemel'
In Christus Jezus mede 'gezet' in den hemel
In Christus Jezus 'mede' gezet in den hemel
'In Christus Jezus' mede gezet in den hemel

Efeze 2 : 6

Efeze 2
6
En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 24: 2 en 5
Lezen : Efeze 2
Zingen : Psalm 68: 9 en 10
Zingen : Psalm 47: 2 en 3
Zingen : Psalm 16: 6

Gemeente, de tekstwoorden waarbij wij u op deze Hemelvaartsdag met de hulp des Heeren een ogenblik willen bepalen, kunt u vinden in het u voorgelezen Schriftgedeelte Efeze 2. We lezen in het tweede gedeelte van vers 6 Gods Woord en onze tekst aldus:


En heeft ons mede gezet in den hemel, in Christus Jezus.

 

Wij schrijven onder onze tekst: In Christus Jezus mede gezet in de hemel.

 

Onze tekstwoorden willen we overdenken naar aanleiding van een viertal gedachten. Jongens en meisjes, ze zijn niet moeilijk te onthouden; het zijn steeds dezelfde woorden, maar het accent valt steeds op een ander woord:

  1. In Christus Jezus mede gezet in den hemel.
  2. In Christus Jezus mede gezet in den hemel.
  3. In Christus Jezus mede gezet in den hemel.
  4. In Christus Jezus mede gezet in den hemel.

Ons eerste punt is dus:

 

1. In Christus Jezus mede gezet in den hemel

Gemeente, het is vandaag Hemelvaartsdag. Wij staan dan stil bij de hemelvaart van de Heere Jezus Christus. Het is een heilsfeit dat in de loop van de geschiedenis soms heel verkeerd begrepen is. We denken bijvoorbeeld aan wat de Roomse kerk daarover leert en wat Luther daarover heeft gezegd. Maar, jongens en meisjes, de Heere Jezus heeft op Hemelvaartsdag Zijn lichaam in de hemel gebracht. De discipelen hebben gezien dat Zijn voeten zich losmaakten van de aarde terwijl Hij hen zegende en een wolk Hem wegnam voor hun ogen. Door het geloof staarden ze Hem na. En de Heere Jezus stuurde engelen om de discipelen onderwijs te geven. Ze zeiden: Wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, op dezelfde wijze, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren (Hand.1:11).

Het feit van de hemelvaart zal ons niet onbekend zijn. Maar wie spreekt over de hemelvaart van de Heere Jezus Christus, moet ook iets zeggen over de hemelvaart van Gods kinderen. Dat is trouwens altijd zo. Je kunt niet alleen over Christus spreken zonder ook iets over Gods kinderen te zeggen. Ik kan geen preek houden over een herder zonder dat ik iets zeg over de schapen. Want een herder zonder schapen is geen herder. Daarom is de hemelvaart van de Heere Jezus nauw verbonden met de hemelvaart van Zijn kinderen. We mogen dit niet van elkaar scheiden; want het moet ook voor ons Hemelvaartsdag worden.

Het is dus niet genoeg om alleen het feit van de hemelvaart van de Heere Jezus te herdenken. Veel mensen hebben daar helaas genoeg aan, maar de heilsfeiten moeten ook worden toegepast in onze harten. Dit geldt ook voor de hemelvaart. De apostel wijst daarop in onze tekst en legt uit hoe de Heere dat doet.

 

Paulus heeft deze brief geschreven vanuit de gevangenis in Rome aan de gemeente van Efeze, waarin de Heere rijk gewerkt heeft. Vroeger dienden de gelovigen van deze gemeente helaas afgoden. U weet wel dat daar Diana, de godin van de Efeziërs, werd gediend. Maar door de prediking van de apostel Paulus ontstond daar een gemeente. In de eerste helft van hoofdstuk 1 van de Efezebrief schrijft de apostel Paulus over de genade die de Heere aan de gemeente bewezen heeft, en in de tweede helft hoe de Heere die genade bewezen heeft. Paulus wijst dan op Christus als het Hoofd waaruit alles voortkomt. Die gedachte werkt hij verder uit in het tweede hoofdstuk. Het gaat daarin over Christus als het Hoofd van Zijn Christelijke Kerk.

 

In onze tekst gaat het over de hemel. Onze eerste gedachte is: In Christus Jezus mede gezet in de hemel. Het woord voor hemel dat in het Grieks wordt gebruikt heeft eigenlijk de betekenis van: hemelse gewesten, hemelse plaatsen, hemelse sferen.

Er zijn dus hemelse gewesten. Waar moeten wij die hemelse gewesten zoeken?

Jongens en meisjes, als wij het over de hemel hebben, bedoelen we vaak de wolkenhemel. Die hemel is niet zo hoog. Deze hemel bedoelt de Bijbel niet met de hemelse gewesten. Veel hoger nog is de sterrenhemel, maar de Bijbel bedoelt deze ook niet met hemelse gewesten. Het gaat in onze tekst over de hemel der hemelen. De Bijbel spreekt ook wel over: het nieuwe Jeruzalem. De Heere Jezus noemt die hemel aan het kruis: het Paradijs. Want Hij zegt tegen de moordenaar: Heden zult gij met mij in het paradijs zijn (Luk.23:43).

 

Op Hemelvaartsdag heeft de Middelaar, de Heere Jezus Christus, een plaats gekregen in de hemelse gewesten. Paulus heeft over die hemelse gewesten in het eerste hoofdstuk van de brief al geschreven. In het twintigste vers schrijft hij dat Christus een plaats gekregen heeft aan de rechterhand Gods. Hij zegt dan dat de hemelse gewesten ver verheven zijn boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam die genaamd wordt. De Heere Jezus heeft dus een plaats gekregen ver boven alle macht en alle kracht en alle naam.

In onze tekst lezen we dat niet alleen de Heere Jezus een plaats gekregen heeft in die hemelse gewesten, maar dat ook de christenen, Gods kinderen, daar een plaats gekregen hebben. Waar Christus is, daar is Zijn Kerk. Waar de Middelaar is, daar is Zijn volk.

Waaruit bestaat de heerlijkheid van die hemelse gewesten?

Ik kan beter vragen: Wie is de Heerlijkheid van die hemelse gewesten? Want er zijn wel veel hemelzoekers, maar zijn we ook Godzoekers? Is het ons om God te doen? In die hemelse gewesten toont God Zijn heerlijkheid meer dan elders.

Bent u de zonde moe? Want in de hemelse gewesten is geen zonde. Paulus schrijft in het zesde hoofdstuk over geestelijke boosheden in de lucht. In de lucht rondom ons zijn geestelijke boosheden. Daar is de duivel met zijn overheden en machten, waar we tegen moeten vechten met een geestelijke wapenrusting. Maar in de hemelse gewesten zijn die overheden niet. Daar kan de boze niet komen. Daar kan de zonde niet komen. Daar kan ook de zondaar niet komen. Daarom is het zo onbevattelijk dat in onze tekst staat dat de Efeziërs al gezet zijn in de hemelse gewesten!

Maar het zijn toch zondaren? Ja, ze waren vroeger zondaren en ze zijn nu nog zondaren. De hemel is toch voor zondaren een gesloten gebied?

 

Gemeente, wij kunnen niet in de hemel komen. Wat is dat aangrijpend! Wij mensen kunnen zo veel. Wij kunnen over de aarde reizen, de zeeën bevaren, door het luchtruim vliegen… We kunnen zelfs het heelal doorzoeken, maar de hemelse gewesten zijn voor ons onbereikbaar. Ze zijn voor ons mensen hermetisch toegesloten. Adam is uit het paradijs gezonden en de Heere heeft een engel met een zwaard gezet aan de ingang van de hof. Nooit zal Adam het paradijs weer binnen kunnen gaan en nooit zullen wij de hemelse gewesten binnen kunnen gaan…

Beseffen wij dat eigenlijk? Hebben wij onszelf als zondaar leren kennen? Is dat uw nood op deze Hemelvaartsdag? Dan zegt u wellicht: ‘Dominee, maar wat lees ik nu in onze tekst? Is het echt mogelijk dat mensen nog in de hemelse gewesten kunnen komen?’

Gemeente, dat is mogelijk! Paulus wist dat zeker en dat schrijft hij in onze tekst. Hij sluit zichzelf erbij in. Want in het verband van de tekst heeft hij het telkens over ‘ons’. Dat wil dus zeggen: Gods kinderen in Efeze, maar ook hijzelf.

 

De hemel is voor ons gesloten. We kunnen zelf nooit meer van beneden opklimmen naar de hemel. Jakob heeft het geprobeerd. Hij heeft uit alle macht geprobeerd om op te klimmen tot in de hemel. Maar de hemel was gesloten en de hemel bleef gesloten. Het werd geen kerstfeest voor Jakob, totdat hij moest erkennen dat hij nooit meer van beneden naar boven kon opklimmen. Pas toen ging de hemel open en kwam er een weg van boven naar beneden. Toen heeft Jakob uitgeroepen: Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels (Gen.28:17). Toen heeft hij mogen blikken in de hemelse gewesten. Toen heeft Jakob iets beleefd van het wonder van kerstfeest.

Mede gezet in den hemel. De vraag is nu: bent u ook in de hemel gezet? Hoe gaat dat dan?  De apostel spreekt daarover in het vervolg van de tekst. Daarop letten we in onze tweede gedachte:

 

2. In Christus mede gezet in den hemel

De nadruk ligt nu op het woordje ‘gezet’. Het Griekse werkwoord dat gebruikt wordt betekent eigenlijk: neerzetten of iemand doen neerzitten. Er is Iemand geweest die Christus heeft doen neerzitten in de hemelse gewesten. Er is Iemand die een troon gezet heeft in den hemel voor de Heere Jezus Christus. Wie heeft dat gedaan?

Dat kunnen we lezen in het vorige hoofdstuk vanaf vers 17. Daar staat: De God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid (…) heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel. Dus de God van onze Heere Jezus Christus heeft Hem opgenomen. Paulus noemt Hem: de Vader der heerlijkheid. De Vader heeft de Heere Jezus uit de doden opgewekt. De Vader heeft Hem een plaats gegeven aan Zijn rechterhand, ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij.

In onze tekst zien wij dat diezelfde Vader ook Zijn kinderen doet neerzitten in de hemelse gewesten. Want er staat in onze tekst: ‘heeft ons gezet’. Dat betekent: Hij heeft ons daar een plaats gegeven. Paulus schrijft als het ware: ‘Hij heeft als in de hemelse gewesten een stoel voor ons klaar gezet om op te rusten’.

Het hoeft ons niet te verbazen dat de Heere Jezus op Hemelvaartsdag een plaats gekregen heeft in de hemelse gewesten. Na Pasen was er immers geen belemmering meer voor de Heere Jezus Christus om naar de hemel te gaan. Maar dat zondaren een plaats kunnen krijgen in de hemelse gewesten en mogen thuiskomen bij God de Vader, dat moet ons wél verwonderen! Hoe kan dat? Dan moet er iets bij komen. Wat moet er dan bij komen? Gods barmhartigheid.

 

Onze tekst begint eigenlijk al in vers 4, waar we lezen: maar God die rijk is in barmhartigheid. Als er geen barmhartigheid was, dan was er geen welbehagen. Dan was er voor niemand plaats in de hemelse gewesten. Maar God zet, in Zijn barmhartigheid, zondaren in de hemelse gewesten. Daarom zegt Paulus: Hij heeft ons gezet in de hemel.

God zet dus mensen in de hemel. Wij kunnen geen mensen in de hemel zetten. Dat is iets wat God doet. Wij kunnen ook geen mensen, die God in de hemel wil zetten, uit de hemel houden. God zet in de hemel en niemand kan dat verhinderen. Het werkwoord dat hier gebruikt wordt staat in de aoristusvorm. Dat is een vorm die laat zien dat het in het verleden één keer is gebeurd.  Dus God heeft al in de hemel gezet.

Dat is toch verbazingwekkend? Paulus zit toch in de gevangenis? Hij is nog op de aarde! En Gods kinderen in Efeze zijn ook nog op de aarde. Tóch ze zijn al in de hemel gezet! Paulus wil zeggen: dat is voor eens en voor altijd. Dat is definitief. Daarop komt de Heere niet meer terug. Hij schrapt die namen niet meer uit het register van het hemelse Jeruzalem. Hij heeft die namen opgeschreven als medebewoners. Hij heeft hen reeds gezet in de hemel, dat ligt vast.

Voor ons mensen ligt het niet altijd vast. Voor Gods kinderen in Efeze ligt het vaak ook niet vast. In de beleving van Gods kinderen is het vaak zo veranderlijk. Omdat de Heere hen ontdekt heeft aan de verdorvenheden van hun bestaan, denken ze soms meer op weg te zijn naar de hel in plaats van naar de hemelse gewesten.

Weet u wat Gods kinderen moeten leren?

Wel, dat de grond van het gezet zijn in de hemel niet in henzelf ligt. In het begin van het geestelijk leven denken we namelijk zo vaak dat er iets moet zijn in onszelf. Het is wel een moeilijke weg om te leren dat er geen waardigheid in onszelf ligt, maar dat de grond van het gezet zijn in de hemelse gewesten buiten de zondaar ligt. Die grond ligt in de barmhartigheid van onze Vader, zegt Paulus. God die rijk is in barmhartigheid. Die grond ligt in de verdienste van de Heere Jezus Christus alleen. Daarop wil Paulus de nadruk leggen. Hij zegt niet dat ze in de hemelse gewesten gezet zijn, omdat ze zo hun best gedaan hebben, omdat ze zo trouw naar de kerk gekomen zijn, omdat ze gedoopt zijn of omdat ze belijdenis gedaan hebben! Nee, ze zijn op andere gronden in de hemelse gewesten gezet.

 

Gemeente, jongens en meisjes, dan is mijn vraag op deze Hemelvaartsdag natuurlijk: bent u, ben jij, ook gezet in de hemelse gewesten? Wonderlijk dat er mensen kunnen zijn, die gezet zijn in de hemelse gewesten, terwijl ze hier in de kerk zitten. Mensen die gezet zijn in de hemel, terwijl ze nog horen bij de strijdende kerk, terwijl ze nog door het aardse leven heen moeten. Dat kan dus! Paulus wist dat zijn burgerschap niet meer op deze aarde was. Zijn burgerschap was in de hemel, in de hemelse gewesten. In Filippenzen 3 vers 20 zegt hij: Maar onze wandel is in de hemelen. Dat woord ‘wandel’ betekent daar ‘burgerschap’. Hij zegt eigenlijk: Ik ben nog wel op de aarde, maar ik ben hier niet thuis. Lichamelijk wandel ik hier, maar mijn diepste wandel is in de hemel. Daaraan kun je zien of je gezet bent in de hemelse gewesten. Want als God iemand gezet heeft in de hemelse gewesten, dan is hij of zij een vreemdeling op aarde.

 

Je kunt niet een burger zijn van deze wereld en tegelijk een hemelburger. Iemand die een hemelburger is heeft hier zijn vaderland niet. Die is op aarde niet thuis. Hij heeft hier zijn woonplaats niet. Het zijn mensen die leren zingen met de dichter van Psalm 119: ‘Ik ben, o Heer’, een vreemd'ling hier beneên; Laat Uw geboôn op reis mij niet ontbreken.’ Eigenlijk voelt zo iemand zich nergens thuis. Alleen in de kerk, en onder de bediening van Gods Woord voelt zo iemand zich thuis. Maar soms lijkt het wel of ze in de hemelse gewesten zijn. Als het hart van Gods kinderen opgetrokken wordt in de hemel waar Christus is – bijvoorbeeld tijdens de bediening van de sacramenten – zijn er wel eens ogenblikken dat zij zich thuis wanen. Maar zij moeten weer terug de strijd in.

Gemeente, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn (Matth.6:21). Waar is uw schat? Jongens en meisjes, waar ben je mee vervuld? Waar gaat je hart naar uit op de Hemelvaartsdag? Misschien kijk je ernaar uit om vanmiddag gezellig iets met vrienden of familie te gaan doen. Misschien wil je nog een paar dagen weg. Misschien heb je examen gedaan en zit je in spanning of je wel geslaagd bent. Misschien zijn er nog heel veel andere dingen waar je mee bezig bent. Is dat je grootste schat? Waar ben je nu echt van vervuld? Waar ben je vol mee? Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn!

De schat van mensen die gezet zijn in de hemel, is in de hemelse gewesten. Zeker, ze willen ook hun diploma halen, ze moeten ook hun best doen op deze aarde, maar dat is niet het meest belangrijke. Het is zoals die schoenmaker zei: ‘Ik ben op reis naar de hemel en onderweg lap ik schoenen.’ Zijn beroep was niet zijn hoogste ideaal. Hij had dat alleen nodig om door de tijd te komen.

Mensen die gezet zijn in de hemel zijn vreemdelingen op deze aarde. Hoe kan dat? Hoe gaat dat dan? Wel, in het Grieks heeft het woordje ‘gezet’ nog een voorvoegsel en dat is het woordje ‘mede’. Daarop letten we in onze derde gedachte.

 

3. In Christus Jezus mede gezet in den hemel

De nadruk ligt nu op het woordje ‘mede’. Wat betekent dat woordje? Mede betekent: ‘samen met’. Mede houdt in: niet alleen. Het woordje mede komt in hoofdstuk 2 verschillende keren voor. Kijk maar in het eerste vers. Daar staat: en u heeft Hij mede levend gemaakt. Mede met Wie? Met Wie zijn deze mensen in Efeze levend gemaakt? Met Christus. Toen Christus levend gemaakt is zijn ze in Hem ook levend gemaakt. Er loopt dus een directe lijn van de opstanding van de Heere Jezus Christus naar de geestelijke opstanding van de Efeziërs. Als Christus niet zou zijn opgestaan, dan waren zij ook nooit levend gemaakt. Mede met Christus. Ze hebben alles aan Hem te danken.

In het begin van het zesde vers staat het weer: heeft ons mede opgewekt. Is opgewekt niet hetzelfde als levend gemaakt?

Nee, de opwekking komt na de levendmaking. Veel mensen denken dat levend gemaakt en opgewekt dezelfde betekenis heeft, maar de levendmaking gaat aan de opwekking vooraf.

Wat houdt die opwekking in?

Opwekking staat gelijk aan bekering. Veel mensen zeggen: Je moet je eerst bekeren en dan word je levend gemaakt. Maar wij leren dat een mens eerst levend gemaakt wordt en dat hij zich dan gaat bekeren. Dat betekent: met Christus mede opgewekt. Dus Christus’ leven, is het leven van de Zijnen. Kijk maar, in het tiende vers staat: want wij zijn Zijn maaksel geschapen in Christus Jezus tot goede werken. Dus in Christus Jezus.

 

Vervolgens staat dan in onze tekst weer het woord mede, mede gezet. De Heere Jezus is in de hemel gezet op Hemelvaartsdag. Hij is op de troon gezet en Paulus zegt tegen Gods kinderen in Efeze: ‘en u bent mede gezet. U bent met Hem ook gezet.’

Hoe kan hij dat zeggen? De Heere Jezus  is niet voor Zichzelf naar de hemel gevaren, maar Hij is als Middelaar naar de hemel gevaren. Gemeente, de heilsfeiten zijn allemaal borgtochtelijk, plaatsbekledend. Wij moeten de Heere Jezus zien als de Hogepriester. Jongens en meisjes, ik neem jullie even mee naar het Oude Testament. Wat droeg de hogepriester op zijn borst? De borstlap. Wat zie je op die borstlap? Daarop waren twaalf stenen bevestigd. Die twaalf stenen wezen heen naar de twaalf stammen van Israël. Waar de hogepriester was, daar was ook die borstlap. Hij nam als het ware de twaalf stammen overal mee naar toe. Zo is het nu met de Heere Jezus ook. Toen de Heere Jezus naar de hemel ging, heeft Hij Zijn kinderen meegenomen. Hij neemt hen overal mee naar toe. Hij heeft hun vlees meegenomen naar de hemel, Hij heeft hun bloed meegenomen. Hij heeft hen meegedragen de hemel in. Dat bedoelt Paulus, als hij zegt dat ze al gezet zijn in de hemel. De Heere Jezus is daar het bewijs van. Dat is toch een wonder?

Toen de Heere Jezus in de kribbe van Bethlehem lag, lag Hij daar voor Zijn kinderen. In de kribbe heeft Hij Zijn hele Kerk in Zich gedragen. Toen Hij aan het kruis hing op Golgotha, droeg Hij Zijn hele Kerk in Zich. Mede met… Ze zijn met Hem gekruisigd, in Hem zijn ze gedood. Toen Hij in het graf lag, heeft Hij heel Zijn Kerk meegenomen het graf in. In Hem zijn ze begraven. En toen de Heere Jezus is opgestaan, heeft Hij uit het graf Zijn hele Kerk meegenomen. In Hem zijn ze opgestaan. U begrijpt het al: toen Hij naar de hemel is gegaan, heeft Hij Zijn hele kerk meegenomen naar de hemel.

 

Mede gezet in den hemel, met Christus. Om dat te bewijzen heeft Christus met Pinksteren de Heilige Geest naar de aarde gezonden als een tegenpand. Zodat Gods kinderen zeker mogen weten, dat ze een thuiskomen hebben bij God. Mede gezet in de hemel. In Christus hebben zij een recht op de hemel. In Christus ligt het vlak.

Hebben al Gods kinderen daar de troost van?

Nee, zeker niet. Hoe komt dat?

Dat heeft te maken met dat woordje mede gezet. Dat woordje mede ligt van Gods kant wel vast, maar van de kant van Gods kinderen ligt het vaak niet zo vast. Naar de mate dat ze de diepte van dat woordje mede beleefd hebben, naar die mate komt het vast te liggen. Mede in de kribbe, mede in het lijden, mede aan het kruis, mede opgestaan, mede ten hemel gevaren.

In het hart van Gods kinderen is het vaak nog niet zo ver. Maar van Gods kant wel. Voor de Heere is het eenmalig. O, als het weer eens mede mag zijn, wat ligt er dan een troost in het werk van de Middelaar.

 

Het wordt nu toch wel overduidelijk dat de mens er geheel tussenuit valt. Mede gezet in de hemel. Er staat in onze tekst niet: gezet in de hemel vanwege uw kerkgang, gezet in de hemel vanwege uw geloof, gezet in de hemel vanwege uw afkomst. Nee! Helemaal niet! Niets van de mens telt mee. Het is enkel en alleen om Christus en in Christus. Daar ligt de vastheid; buiten de mens, in de arbeid van de Zaligmaker.

In Christus Jezus mede gezet in de hemel. In ons vierde punt letten we nog op de woorden: in Christus Jezus. Maar voor dat we dat doen, gaan we zingen uit Psalm 47; de verzen 2 en 3:  

 

Naar Gods wijs bestel,
Op Gods hoog bevel,

Slaan wij, door Zijn hand,

     Volken aan den band;

     Die, door ons verneêrd,

     Door ons overheerd,

     Strekken tot een blijk,

     Hoe Hij, liefderijk,

     Aan Zijn woord gedenkt,

     d' Erfenis ons schenkt,

     Jacobs heerlijkheid,

     Aan hem toegezeid.

 

God vaart, voor het oog,

Met gejuich omhoog;

't Schel bazuingeluid

Galmt Gods glorie uit.

Heft den lofzang aan,

Zingt Zijn wonderdaân,

Zingt de schoonste stof,

Zingt des Konings lof

Met een zuiv'ren galm,

Met een blijden psalm;

Hij, de Vorst der aard',

Is die hulde waard.

 

Gemeente, nu ons vierde punt:

 

4. In Christus Jezus mede gezet in den hemel

De nadruk ligt nu op: in Christus Jezus. Het woordje in is dan van de aller-allergrootste betekenis. Het is maar een heel klein woordje, maar er staat of valt alles mee in ons leven. Wij moeten onze vorige gedachte niet verkeerd uitleggen. In onze derde gedachte ging het over het woordje mede, mede gezet. Jongens en meisjes, je zou het zo uit kunnen leggen, dat de Heere Jezus het nodige meegebracht heeft en dat wij ook iets meebrengen. Wat de Heere Jezus meebrengt en wat wij meebrengen is dan samen genoeg. Maar zo bedoelt Paulus het niet. Daarom hebben we ook een aparte gedachte gemaakt over dat woordje in.

Wat bedoelt Paulus?

Paulus tekent Christus als het Hoofd, als de vertegenwoordiger van Zijn Gemeente. Wij moeten in Hem zijn. Daarom gaat het als we spreken over de heilsfeiten. Zeker, de heilsfeiten zullen zich niet herhalen. De hemelvaart zal zich niet herhalen. Maar wat we moeten weten is: zijn wij in Christus Jezus? Paulus wil eigenlijk zeggen tegen de gelovigen in Efeze: ’Vroeger was u in Adam, hij was uw hoofd en nu bent u in Christus Jezus. Vroeger werd de zonde van Adam u toegerekend en nu wordt de verdienste van Christus u toegerekend. Vroeger lag u in de verdoemenis en nu bent u reeds gezet in de hemel.’

 

U zegt misschien: Paulus neemt wel grote sprongen. Maar Paulus wil de Kerk wijzen op wat ze in Christus hebben. Ze leven er vaak zo arm van. Ze kennen er vaak zo weinig van. Het is alsof Paulus met die dichter van psalm 47 zegt: ‘Zingt de schoonste stof, Zingt des Konings lof.’ Dat mogen Gods knechten vandaag doen. Dat schone lied van de Koning zingen; zingen over wat zij in Christus mogen hebben. Gemeente, onze troost is afhankelijk van dat deel krijgen aan Christus. Dat in Christus zijn. Het kan niet buiten Jezus.

De andere kant geldt ook: er is geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. Veel mensen hebben de hemelvaart niet beleefd. Velen van Gods kinderen zijn misschien niet verder gekomen dan kerstfeest. Maar er is geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. In Hem zijn ze gezet in den hemel.

Dat woordje in is zo belangrijk. Daar komt Paulus telkens op terug. Dat woordje ‘samen’ is ook belangrijk, maar je moet ook in Hem zijn. Samen zegt wat Christus voor zijn volk gedaan heeft en in zegt hoe ze er deel aan gekregen hebben. In… dat is de toepassing.

Je ziet dat ook in het zesde vers, daar wordt gesproken over de goedertierenheid in Christus Jezus. In het tiende vers wordt gesproken over de goede werken in Christus Jezus. In het dertiende vers wordt gesproken over het nabij komen in Christus Jezus.

Dus Paulus schildert in deze verzen wat de Kerk in haar Hoofd heeft. Wat ze in Christus heeft. Namelijk: alles! In Hem heeft ze de goedertierenheid, in Hem heeft ze de goede werken, in Hem heeft ze alles wat nodig is.

 

Bent u in Christus Jezus? Als u daar iets van mag kennen, dan zal diepe verwondering uw hart vervullen. Want iemand die in Christus Jezus is, die heeft geleerd wie hij in Adam is. Adam niet geleerd, is Christus niet begeerd. Jongens en meisjes, je gaat verlangen naar Christus Jezus, als je erachter komt dat je in Adam verloren ligt. Hoe je ook werkt, hoe je ook je best doet, je kunt in Adam nooit zalig worden. Er moet een Godswonder gebeuren. Een staatsverwisseling noemden we dat vroeger. Staatsverwisseling houdt in: van Adam overgebracht worden in Christus. En naar de mate dat je Christus mag leren kennen, zul je die troost krijgen van wat er in Christus Jezus ligt. In de wedergeboorte worden we door het geloof met Christus verenigd. De troost daaruit ligt in de geloofsoefening van dat geloof; in de kennis van de Heere Jezus Christus.

 

In Christus Jezus staat er in onze tekst. De naam Christus staat hier voorop. Sommige mensen hebben weinig met de naam Christus. Jezus, dat is een mooie naam! Die naam zou veel meer gebruikt moeten worden. Maar ik heb ook heel veel met de naam Christus, gemeente. Echt waar, ik durf niet te kiezen tussen Christus of Jezus. Die namen zijn mij allebei lief. Maar in onze tekst staat de naam Christus voorop. Dat is de ambtsnaam van de Middelaar. Dat tekent Hem als het Hoofd van Zijn christelijke Kerk. Dat tekent Hem als profeet, dat tekent Hem als Priester, maar dat tekent Hem ook als Koning. In Christus Jezus, in de gemeenschap met Hem!

Als die gemeenschap met Christus er eens een ogenblik mag zijn, bijvoorbeeld tijdens de bediening van het avondmaal, dan worden Gods kinderen als het ware opgetrokken in de hemel waar Christus is. Dan mogen ze ervaren, misschien ook wel op deze Hemelvaartsdag, dat ze dáár thuis zijn. Dat ze welkom thuis zijn in Christus Jezus. Dat kunnen ze niet begrijpen.

Jongens en meisjes, die jongste zoon was in zijn beleving niet meer welkom thuis. Hij had alles verprutst. En hij komt ook niet thuis als iemand die zegt: ‘Nou, ik heb nog wel een recht om hier binnen te komen.’ Gemeente, veel mensen zijn zo rechthebbend. Ze kennen zich niet als verloren zondaar. Vaak wordt er geredeneerd vanuit de positie van die vader. Maar die zoon kan niet redeneren vanuit die positie van zijn vader. Die ziet alleen wat hij zelf gedaan heeft. Die kan niet anders zeggen dan: ik ben niet meer waardig om uw zoon genaamd te worden. Dan zien we dat die vader hem binnenhaalt en dat is in Christus Jezus. Daarover wordt ook uitleg gegeven in de gelijkenis van de Goede Herder en het verloren schaap, die horen bij elkaar. Het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

 

In Christus Jezus mede gezet in de hemel. Misschien zegt iemand vanmorgen: ‘Hoe kun je dat nou weten? Of je in Christus Jezus bent?’

Ik wil u dan vragen: Wie is Christus Jezus voor u geworden? Kunt u nog leven buiten Christus Jezus? Of is alles buiten Hem u de dood geworden? Gemeente, is dat nu uw beleving geworden? Mensen die alles hebben in Christus Jezus, weet u wat dat voor mensen zijn? Dat zegt het avondmaalformulier. Dat zijn mensen die van zichzelf moeten zeggen dat ze midden in de dood liggen. Dat is hun bestaan. Dat zijn geen mensen die in zichzelf gezet zijn in de hemel. Nee, in zichzelf zijn ze gezet in de hel. Ze hebben geleerd dat ze van nature daarheen op reis zijn, dat daar hun eindbestemming moet zijn. Alleen in Christus Jezus mogen ze wel eens hoop hebben op de hemel. Christus Jezus wordt hun alles. Hij is hun Hoofd, ze moeten uit Hem leren leven. Ze moeten door Hem als Profeet onderwezen worden. Ze moeten door Hem als Priester gereinigd worden en ze moeten door Hem als Koning geregeerd worden. Buiten Christus Jezus hebben ze niets!

 

Gemeente, daarom stel ik u nogmaals de vraag: Wie is Christus Jezus voor u? Heel concreet. Wie is Christus Jezus voor u geworden? Hoe heeft Hij betekenis voor u gekregen? En hoe mag u dat nou weten?

Wel, om deel te verkrijgen aan de hemelse heerlijkheid moet dat ‘in Hem’ toegepast worden. Dat is de wondere troost die Paulus hier de gemeente van Efeze mag voorhouden. In uzelf bent u niets. Paulus heeft getekend waar ze vandaan gekomen zijn, vreselijk! Maar in Christus Jezus is de omwenteling in hun leven gekomen. In Adam de verdoemenis onderworpen, maar in Christus Jezus welkom in de hemel.

Wat zeg ik? In Christus Jezus zijn ze al in de hemel! Dan moeten ze alleen nog wachten op de tijd door de Vader bepaald. In Christus Jezus ligt het vast. Gemeente, we lezen iedere maand in het doopformulier: in Adam de verdoemenis onderworpen. Doet u dat nooit wat? Waar gaan we naartoe? Waar eindigt de reis als het voor ons eeuwigheid wordt?

U zegt misschien: ‘dat weet ik niet.’

U kunt het wel weten. In Adam gaat de reis naar de hel en niet naar de hemel. Ook kerkmensen, ook gedoopte mensen zijn in Adam verloren voor God.

Ik hoop dat dát op de Hemelvaartsdag de nood van uw leven mag worden. Buiten Jezus is geen leven. We moeten Hem leren kennen Die al in de hemel is en Die Zijn Woord op deze Hemelsvaartsdag nog laat verkondigen. Hij laat Zichzelf nog uitstallen in de prediking, ook vandaag. Dan hoop ik dat u alles in uzelf mag verliezen. Alles! Opdat Hij voor ons alles mag worden. Nietwaar, kinderen des Heeren? In Hem ligt het vast. Niet in onszelf. In onszelf is strijd, in onszelf zijn aanvechtingen. Wij zoeken te vaak de dingen die van beneden zijn. Wij moeten zoeken de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van Zijn Vader. Hier beneden is het niet! Dat leert ons Hemelvaartsdag. Hier beneden is het niet, ‘t ware leven, lieven, loven dat is pas waar men Jezus ziet.

 

Amen.