Ds. A.T. Vergunst - Micha 7 : 7

Wat wij moeten doen als we ontmoedigd zijn?

Micha 7
Kijk bewust naar Mij, de Heere, uw God
Verwacht met vertrouwen Mijn hulp

Micha 7 : 7

Micha 7
7
Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij horen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 121: 1 - 4
Lezen : Micha 7
Zingen : Psalm 38: 9, 15, 21 en 22
Zingen : Psalm 130: 3 en 4
Zingen : Psalm 80: 5 en 11

Gemeente, David had het niet breed in de psalm die we net gezongen hebben. Micha had het ook niet zo gemakkelijk lazen wij. Als je zo eens naar de omstandigheden van David en Micha kijkt, dan denk je: er is ook niets nieuws onder de zon. Wat een zorgen, wat een moeiten! Je zou er depressief van worden. Als je dagelijks de krant openslaat, heb je dat misschien ook wel. Micha had geen krant, maar hij heeft het wel gevoeld. Hij zegt aan het eind van zijn profetie, in hoofdstuk 7, deze woorden: Ai mij. In het Engels staat er: wee mij. Het lijkt er echt op dat hij depressief is, ontmoedigd.

Maar toch was hij niet wanhopig! Daarover wil ik met u en jullie nadenken. Wat doet Micha in deze moeilijke omstandigheden?

Kinderen, misschien denk je: wat moet ik met zo’n man die lang geleden ergens in Israël woonde? Toch heeft Micha ons iets te zeggen. Nee, dat zeg ik verkeerd: ‘God heeft ons iets te zeggen! Door de woorden van deze man en door hoe hij op zijn situatie reageert!’

 

We letten eerst op vers 7; de kerntekst van het thema van de preek. De tekst begint met het woordje: maar. Dit woordje maar wijst op een wending. Na alles wat in de voorafgaande verzen staat, lezen we in vers 7:

 

Maar ik zal uitzien naar de Heere, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.

 

We luisteren naar Gods onderwijs: Wat wij moeten doen als wij ontmoedigd zijn?

 

Er zijn twee dingen die de Heere tegen ons zegt in deze preek:

 

1. Kijk bewust naar Mij, de Heere, uw God.

2. Verwacht met vertrouwen Mijn hulp.

 

Als we de Bijbel lezen, moeten we niet alleen maar geschiedenissen lezen en denken: die Micha heeft iets ongelooflijks ervaren; iets heel bijzonders meegemaakt. Dat ís natuurlijk wel zo, maar we moeten ons bedenken waarom dit voor ons is beschreven.

Wel, het is een boodschap voor ons! God spreekt. In ons leven, in onze situatie. Daarom zijn de woorden van deze profeet heel relevant. Want het is Gods stem in Micha en door Micha, waar wij van mogen leren.

 

1. Kijk bewust naar mij, de Heere, uw God

 

Het eerste wat God tegen ons zegt wat we moeten doen als wij ontmoedigd zijn, is: Kijk bewust naar Mij, de Heere, uw God. Dat deed Micha ook. Maar laten we voordat we ons eerste punt overdenken, het verband, de context, waarin onze tekst staat, bekijken.

 

Het beeld dat Micha in de verzen 1 tot en met 6 schildert, is niet bepaald aantrekkelijk. Het is erg zwart en grijs. Als ik de woorden van deze man – ai mij, wee mijlees, begrijp ik dat wel. Lees maar eens mee in uw, in jouw Bijbel. Dan zullen we begrijpen wat deze man zo zwaarmoedig maakt als hij uitroept: wee mij!

ln vers 1 voelt Micha zich als een wijnstok na de oogst, want we lezen: Ik ben als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld, als wanneer de nalezingen in de wijnoogst geschied zijn, er is geen druif om te eten. Mijn ziel begeert de vroegrijpe vrucht.

Ik zie het zó voor me: Aan het eind van de zomer zijn de druiven geplukt Het is de eerste pluk. Daarna volgt een tweede pluk. Vervolgens mogen de armen eraf halen wat er nog hangt. En daarna... hangt er niets meer. Micha zegt daarom: Zo voel ik mezelf. Zo ben ik. Er is niets meer om te eten.

Kinderen, Micha heeft het dan niet over de echte druiven, maar over de omstandigheden. Er is niets meer wat hem bemoedigt. Waarover spreekt hij dan? Over Egypte? Over Syrië? Over Babylonië?

Nee. Hij heeft het over de Oudtestamentische kerk. Stelt u zich dat eens voor! Micha zegt: ‘Ik kijk zo eens rond in mijn kerk en ik voel mijzelf als een wijngaard die na de zomerdroogte is leeggeplukt.’ Zo arm is de kerk!

 

In vers 2 gaat Micha verder en zegt: De goedertierene is vergaan uit het land; het land Israël. Er is niemand oprecht onder de mensen. Dat is nogal wat. Niemand! In de hele kerk van het Oude Testament!

Micha, zie je het misschien niet een beetje te zwart-wit?

Hij zegt over de kerkmensen: Zij loeren altemaal op bloed. Zij jagen een iegelijk zijn broeder met jachtgaren. Kerkmensen zijn helemaal niet vriendelijk tegen hem en tegen elkaar. Ze zijn niet oprecht. Ze zitten als leeuwen in hun banken; ze zitten maar te oordelen en te veroordelen…

U vraagt zich misschien af: maar dat gebeurt hier toch niet? Wij zitten allemaal als lammetjes in de kerk. Of niet? Er wordt wat afgepraat onder kerkmensen óver kerkmensen. Het zal hier ook wel zo zijn, zoals het bij Micha was. Voelt u het aan? Het is nog steeds hetzelfde plaatje.

 

In vers 3 denkt Micha aan de leiders van de kerk: Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst; en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijner ziel en zij draaien ze dicht ineen. Hij heeft het over de leiders, de koningen, de priesters. De rechters zijn trouwens ook niet beter: die gebruiken hun machtspositie om zichzelf een gunst te bewijzen. Ik kan toch wel begrijpen dat Micha zegt: ai mij! De omstandigheden zijn toch wel erg bedroevend.

Vervolgens zegt hij in vers 4 iets over de beste mensen in zijn kerk. Luister maar: De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg; de dag uwer wachters, uw bezoeking, is gekomen; nu zal hunlieder verwarring wezen. Dus Micha gaat nog een stapje verder. Hij zegt: ‘Kijk, zelfs je beste vrienden kun je niet vertrouwen; ja, zelfs de vrouw die in je schoot ligt, kun je niet vertrouwen…’

 

Als u nu eens doordenkt over wat deze man zo in een paar zinnen beschrijft, dan vind ik het erg begrijpelijk dat hij zegt: ‘Ai mij, wee mij.’ Vooral omdat het de beschrijving van de Oudtestamentische kerk betreft.

Maar, gemeente, het is vandaag niet veel beter. Laten we nu eens echt eerlijk zijn naar elkaar: is het nu echt zoveel beter, als we onze situatie vergelijken met hoe het in de tijd van Micha was? Er zijn massa’s kerkmensen in Nederland, maar zijn die allemaal zo bezig met de heiligheid van God? Met het dienen van elkaar? Met het leven voor God en de ander? Wees eens eerlijk en kijk in de spiegel! Is het ons echt om de Heere te doen of leven wij ook – zoals het zo vaak in onze cultuur gaat – meer voor ons eigen gemak dan voor heiligheid? Gaat het niet meer om mijn eergevoelens dan over God en Zijn eer? Voelen we ons nu echt zoals Micha in deze wereld? Drukt die last over de zaak van God ook op ons?

Gemeente, Micha is eerlijk. Hij weet dat hij niet perfect is. Lees het maar in vers 9: Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd. Micha staat er niet boven. Hij hoort er óók bij. De profeet laat zichzelf in zijn hart kijken. Hij is wel een profeet, maar hij is ook een zondaar. Misschien dachten de mensen wel dat Micha een vroom man was, misschien zagen ze in hem wel een heel goede profeet, maar als Micha zichzelf vergelijkt met Gods Woord, hoe God hem ziet, dan ziet ook hij allerlei zonden bij zichzelf. Dan voelt hij ook de gramschap, de rechtvaardige boosheid van God tegen hem, omdat hij tegen God gezondigd heeft. Dan staat Micha náást de mensen. Hij staat niet boven hen, hij schaart zich onder het volk. Wij dominees, ouderlingen en diakenen horen er net zo goed bij. Wij zijn net zo slecht als u en jullie.

 

Ai mij! Micha staat hier als het ware naast Jesaja. Deze profeet zegt: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben. En ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is (Jes. 6:5).

Waarom zegt hij dat?

We horen hem zeggen: Want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen, gezien (Jes. 6:5). Kijk, als we Zijn heiligheid zien, dan gaat u ook ‘ai mij’ roepen. In Zijn licht gaan wij onszelf zien.

Jongens en meisjes, als jullie dat nog nooit gezien hebben, als jullie nog steeds denken: ‘Ik ben beter dan mijn buurjongen, want die gaat naar de speeltuin en ik ga naar de kerk’, dan moeten jullie óók aan de Heere vragen: ‘Heere, laat U mij eens in de spiegel van Uw Woord zien dat ik geen haar beter ben dan de andere jongens en meisjes. Dat ik ook een zondaar ben, zoals Micha het heeft ervaren. Mag ik het ook zo van U leren?’

 

We hebben nu de context bekeken. Nu komt onze tekst: Maar ik zal uitzien naar de Heere, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.

U ziet dat daar ineens het woordje ‘maar’ staat. Maar! Micha heeft heel depressief, heel terneergeslagen, zitten denken; zijn gevoelens heeft hij eerlijk uitgedrukt: ai mij. Het was een lange en zwarte waslijst van allerlei zware zonden en problemen.

Maar dan geeft God door het voorbeeld van deze profeet ons onderwijs. Want natuurlijk staat deze geschiedenis niet zomaar in de Bijbel. God onderwijst ons door het voorbeeld van Micha. Weet je wat God nu tegen ons zegt? ‘Mensenkinderen, Ik weet het: jullie wereldje is totaal zondig. Het gaat niet goed in Nederland. Het gaat niet goed in Amerika. Het gaat niet goed in Israël. Het gaat niet goed in de kerk. Het is niet zoals het moet zijn. Het is niet zoals het was. Overal is er tekort. Maar: kijk bewust naar Mij, zoals Micha dat deed.’

In mijn Engelse Bijbel is dat ‘maar’ anders vertaald: Daar staat: ‘therefore’ (daarom) in plaats van maar. ‘Daarom’ zal ik naar de Heere uitzien. God zegt tegen ons door Micha dat we daarom naar Hem moeten uitzien omdat er in de wereld rondom ons en in ons geen enkele hoop is. ‘Kijk nu eens naar Mij’, zegt de Heere.

Gemeente, we moeten vanuit onze moeilijke situatie opzien naar de Heere God. Hij is dezelfde! Hij is dezelfde God naar Wie Micha opzag! Hij is dezelfde God over Wie Micha preekte! Hij is dezelfde God die Micha heeft leren kennen! Hij is ook vandaag nog dezelfde God!

 

Heere staat in onze tekst met hoofdletters. Hij is de Heere, Die was, Die is en Die zijn zal. Kijk naar Mij, zegt Hij. Het is nutteloos om op jezelf te staren.

Als ik naar mezelf kijk, als ik mijzelf analyseer in het licht van Gods Woord, word ik daar niet beter van. Daar word ik alleen maar ellendiger van. Maar het is niet totaal nutteloos: je leert er wel wat van. Dat is ook nodig. Het is noodzakelijk dat we onszelf steeds weer vergelijken met God en Zijn Woord en Wet, en dat we vragen of de Heere Zijn licht in onze ziel laat schijnen. Wat een zondigheid en wat een gebrokenheid zien we dan. Inderdaad: alles is verkeerd!

Maar het is nutteloos om alleen op jezelf te staren. Daar word je niet beter van. Als ik een been breek, kan ik wel naar mijn been gaan zitten kijken, maar daar wordt dat been niet beter van. Ik moet naar de dokter.

En als ik zo mijzelf in mijn ellende en zondigheid zie, dan moet er ook bij mij de bewustheid komen: ik moet Iemand (met een hoofdletter) vinden, die mij van mijn zondekwaal geneest.

‘Het is vergeefs, het is waardeloos’, zegt de dichter, ‘om je vertrouwen op prinsen te zetten, want die kunnen je niet helpen.’ Het is nutteloos om het van dominees en ouderlingen te verwachten, want die kunnen ons hart niet verbreken. Maar: ik zal uitzien naar de Heere! Ik zal wachten op de God mijns heils.

 

Wie is de Heere? Nu moet u eens even over die Naam nadenken. Wie is de Heere? Met alleen hoofdletters. De Verbondsgod. In die Naam laat God ons iets zien van Zijn ontzaglijk goedertieren en in liefde brandend hart.  Aan het einde van dit hoofdstuk zegt Micha er meer over: Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtredingen van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid. Want, en dan komt het: Hij heeft lust aan goedertierenheid! Aan liefde, aan vergeving heeft Hij lust. Gods hart is groot in genade! Gods hart brandt van liefde. Hij staat klaar, omdat Hij er een lust in heeft om goedertierenheid te bewijzen!

Maar dat hebben we niet verdiend: Micha niet, de Joden niet, en wij ook niet. In die Naam Heere laat de God van de hemel en de aarde zien Wie Hij is! Hij is Wie Hij is! Ik ben er altijd geweest en ben altijd ook zo geweest als Ik ben en Ik zal zo altijd blijven. Ik ben een God Die ván Mezelf, dóór Mijn eigen Zelf naar zondaren zoekt, zondaren roept en tegen hen zegt: ‘Kijk toch naar Mij! Kijk niet naar jezelf! Kijk niet naar die ellende om je heen! Kijk niet naar al die moeilijke omstandigheden! Kijk naar Mij. Ik ben de Heere, de God van eenzijdige genade. De God Die soeverein is! Die niet zit te kijken, te wikken en te wegen, en dan zegt: ‘Hem en haar…   want dat zijn goede mensen en aardige mensen.’ Nee! Zo is de God van de Bijbel niet. Die God is helemaal vanuit Zichzelf bewogen met allerlei zondige mensen. Hij is de Heere, de God van Jacob!

Let eens op het leven van de aartsvader Jakob. We zetten hem misschien op een voetstuk, maar daarop hoort hij niet te staan. Echt niet! Hij was geen brave man, die Jakob. Als je de geschiedenissen van Jakob in de Bijbel leest, dan sta je soms versteld hoe die man zich gedroeg. Maar God is tóch de God van Jakob.

Waarom had Hij hem lief? Omdat Jakob zo lief was?

Echt niet. Het is omdat Hij de Heere is, met hoofdletters! Eenzijdig, soeverein, genadig, barmhartig, waardig om gediend te worden!

 

Jongens en meisjes, Micha had al van jongs af aan van die God gehoord. Micha had een mooie naam. Weet je wat zijn naam betekent?

‘Wie is gelijk God.’ Die naam hebben zijn vader en moeder hem gegeven. Micha noemt ook zijn eigen naam in dit hoofdstuk, in vers 18: Wie is een God gelijk Gij?

Micha had van zijn vader en moeder natuurlijk gehoord wat zijn naam betekende. Van jongs af aan was de Heere zijn God en daarom durfde Micha toch vrijmoedig opwaarts te zien, hoewel hij Ai mij moest uitroepen over zichzelf. Maar ik zal uitzien naar de Heere, naar de God mijns heils. Zo zegt de Heere het ook tegen ons: ‘Kijk naar Mij, zoals u hier zit met al uw ai mij en met al uw wee mij.’

Alles wat je om je heen en vanbinnen ziet, is niet goed.

Alles wat je probeert, is niet goed, niet goed genoeg.

Met alles wat je zoekt te zijn en niet kunt zijn: Kijk naar Mij!

Gemeente, jonge vrienden, dat zegt de Heere tegen ons! Zie uit naar de Heere! Daarom zegt Micha: Ik zal wachten op de God mijns heils.

Op de God mijns heils zal ik wachten! Wachten is niet op je stoel gaan zitten met je armen over elkaar en maar wachten. Dat is niet de betekenis van wachten in de Bijbel! Dat is áfwachten.

Maar Micha vérwacht. Hij verwacht dat de Heere zal doen wat Hij beloofd heeft. Hij verwacht het en zegt: ‘Ik verwacht de Heere, de God mijns heils.’ Hij bedoelt daarmee te zeggen dat alleen die God hem kan redden uit zijn benauwde, verloren, schuldige en hopeloze situatie. Micha verwacht het van de God zijns heils. Hij gaat zelfs nog een stapje verder – daar komen we in onze tweede gedachte op terug – hij is er zéker van dat God hem uit zijn benarde situatie zal redden.

 

Wie is die God mijns heils? Hij is de Heere! In het Nieuwe Testament heeft Hij Zich volledig aan ons geopenbaard.

Aan Wie denk ik dan, kinderen?

Aan Jezus. In Hem is de onzichtbare God zichtbaar is geworden! Die lieve Heere Jezus. Hij is in het vlees gekomen.

Wat betekent dat, kinderen?

Dat betekent dat Hij de menselijke natuur heeft aangenomen.

Wie deed dat?

God. De Schepper. De Heere. Hij heeft over deze aarde gewandeld als een mens. Hij heeft Zich laten zien: de God mijn Heils.

Je kent toch wel al die verhalen over de Heere Jezus? Hoe Hij mensen hielp? Blinden, armen, doven, melaatsen? Hij maakte zelfs doden levend! Hij is de God mijns heils! Maar ik zal uitzien naar de Heere, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen. Van Hem moeten we het verwachten! Al die mensen die door Hem werden genezen, zijn een illustratie van wat Micha hier zegt: de God mijns Heils. Van Hem moeten we het verwachten! Hij is niemand anders dan de Zaligmaker!

Dat zegt God tegen ons vandaag. Je voelt het wel aan: wij zitten in de put, wij zitten in de ellende, wij zijn zondig, wij zijn gebroken, wij zijn van God afgeweken. We kunnen het niet meer heel maken, wij kunnen het niet meer herstellen. Maar nu zegt God tegen ons: ‘Mensen, zie toch op Mij! Ik ben de Zaligmaker!’

Zaligmaker! Dat woord zat ik zo uit te typen toen ik de preek maakte. En weet je, kinderen, dat vond ik toch zo’n mooi woord. Hij is het Die zalig maakt. Weet je, toen ging ik nog even op mijn knieën en zei: ‘Heere, dat vind ik toch zo’n mooie naam van U! Zalig, dat ben ík niet meer. Dat kan ik mezelf ook niet meer maken, dat kan ík niet meer voor elkaar krijgen. Maar nu heeft U Uw Zoon, de God Uws heils, als een Zaligmaker in deze wereld gezonden.’ Is dat niet wonderlijk? Zie op Hem!

 

Uitzien. U weet toch wat uitzien is? Jongens, kijk je weleens uit naar de vakantie? Of naar de komst van een oom of tante? Is dat wat Micha bedoelt? Nou, eigenlijk wel, maar dan nog meer. Hij kijkt uit naar de Heere. Dat wil de Heere nu ook tegen u zeggen: ‘Zie nu eens niet op jezelf, maar zie op Mij. Op Mij, de Heere!’ Dat mogen we net als Micha tegen elkaar zeggen als we in onze ellende kijken naar ons eigen hart, naar de kerk, naar ons land, naar de wereld.

Zien wij bewust en verwachtend uit naar de Heere? Ziet de Heere jouw ogen van je hart kijken naar Hem? Strek je je zondige hart naar Hem uit en zeg je: ‘Heere, hier ben ik. Wee mij, van mijn kant. Maar tot Wie anders zal ik uitzien, Heere Jezus? U bent de Zaligmaker!’

‘Ja, maar dan moet ik toch eerst een beetje beter zijn?’

Nee hoor, echt niet. Als je dat probeert, dan zendt Hij je weer weg. Zoals we zijn, met onze gebrokenheid, mogen we komen, tot deze Zaligmaker.

Gemeente, het is zo bevrijdend als we het Evangelie mogen begrijpen. Hij komt niet om rechtvaardige mensen te zoeken. Dat proberen we wel steeds te zijn, maar daar zoekt Hij niet naar. Ach, de Heere Jezus preekt wel tegen de zónde, maar toch ontvangt Hij zondaren! Is dat niet bevrijdend? We mogen komen, net zoals die verloren zoon kwam. Hij had geen zakken met geld meer. Hij had dat mooie jasje niet meer aan. Hij zag er niet meer uit, zoals hij eruit zou moeten zien. Zó kwam hij. En naar wie zag hij uit? Ja, naar zijn vader! Dat was zijn enige hoop!  Misschien kon hij nog een knecht van hem zijn want hij durfde niet meer te hopen om zijn zoon te zijn. Toch keek hij uit naar zijn vader. Zo moeten wij uitzien naar de Heere God. Ziet de Heere dat jij ook zo naar Hem uitziet? Als je je knieën buigt, als je de last van je hart voor Hem neerlegt? Vertel het maar in je eigen woorden aan de Heere Jezus. Vertel maar wat je terneerdrukt. Vertel hem maar over al die zonden die je niet de baas kan worden. Over al die ellende die je voelt, over de schuld die op je drukt. Over het ongeloof dat je gevangenhoudt. Over die harde gedachten die je soms hebt over God. Over die jaloersheid. En over al dat soort dingen.

 

Uitzien naar de Heere. Dat zegt de Heere tegen ons in deze dienst! Wat is dat bevrijdend. Laten we dat samen doen met het zingen van Psalm 130 vers 3 en 4. Daarna gaan we denken over het laatste gedeelte van de tekst. In Psalm 130 lezen we over het uitzien van de dichter: Ik blijf de Heer’ verwachten. Ik hoop dat we niet alleen maar zíngen, maar dat we bíddend zingen!  

 

Ik blijf de Heer’ verwachten.

Mijn ziel wacht ongestoord.

Ik hoop, in al mijn klachten,

op Zijn onfeilbaar woord.

Mijn ziel, vol angst en zorgen,

wacht sterker op de Heer’

dan wachters op de morgen;

de morgen, ach, wanneer?

 

Hoopt op de Heer’, gij vromen.

Is Israël in nood?

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot.

Hij maakt, op hun gebeden,

gans Israël eens vrij

van ongerechtigheden.

Zo doe Hij ook aan mij!

 

We hebben geluisterd naar Gods onderwijs aan Micha. De eerste gedachte die hij uitspreekt is ons tot voorbeeld: Kijk bewust naar Mij. Zie uit naar Mij! Verwacht Mij! Dit is een geloofsoefening.

 

Het tweede punt is:

 

2. Verwacht met vertrouwen Mijn hulp

 

Micha zucht wel ‘ai mij, maar hij is niet wanhopig. Hij heeft het wel moeilijk, maar hij is niet zonder hoop. Luister maar naar onze tekst: mijn God zal mij horen. Hij is vol verwachting! Goede moed, zou je zeggen. Hij is niet van zijn stuk gebracht door al zijn ‘ai mij’ en al de dingen die hij ziet. Hoewel hij het moeilijk vindt, blijft hij zeggen: mijn God zal mij horen.

Ja, zeg je, maar ik kan niet zeggen: ‘Mijn God. Dat durf ik niet.’

Dat kan ik begrijpen. We hebben Hem ook niet behandeld, zoals wij Hem behoorden te behandelen. Het begon al in het begin, in Genesis 3. Toch is hij nog steeds uw God, uw Schepper, uw Almachtige!

 

Mijn God zal mij horen, zegt Micha. Hoe kan deze man nu zo’n grote verwachting hebben? Gemeente, dat is omdat zijn geloof verankerd ligt in de openbaring van God en niet in zijn gevoel, niet in de omstandigheden, niet in zijn rekensommetjes van ‘ai mij’. Als je daarmee leeft, dan is er inderdaad geen verwachting. Van onszelf niet, van de kerk niet, van het land niet. Dan is het hopeloos. Maar het is niet hopeloos, want er klinkt op deze aarde een boodschap, van Godswege!

Nu zeg je misschien: ‘Ja, ik kan het eerste gedeelte van dit vers wel begrijpen: ik zal uitzien naar de Heere, maar het tweede deel – Mijn God zal mij horen – dat kan ik niet grijpen, dat is onhaalbaar voor mij.’ Ik heb zo’n geloofsverwachting niet! Ik durf dat zelfs niet te geloven dat God mij zal horen! Leg die nood maar voor de Heere Jezus, vrienden! Micha had het ook niet van zichzelf.  Geen van God’s kinderen heeft geloof van henzelf. Het is God’s gave die de Vader in het hart legt. 

Wat een sterke geloofsverwachting heeft Micha! Maar waarop baseert hij dat? Niet op zichzelf. Dat zie je wel in vers 9: hij is zich heel bewust van zijn eigen zondigheid en van de gramschap van God tegen hem. Maar hij laat zijn hoop niet door deze bewustheid van zijn zonden en van Gods gramschap verstikken. Hij houdt vast aan wat zijn vader en moeder hem hebben geleerd over de naam van de Heere en wat vooral Gods Geest hem heeft geleerd!

Zondekennis is nodig. Dán gaan we pas echt zoeken! Maar de reden dat de Heilige Geest onze ogen opent voor onze zonden is niet om ons depressief te maken of te houden, maar Hij weet dat zondekennis nodig is om ons aan Jezus’ voeten te brengen en te houden. Daarom blijven we altijd met onze zonden worstelen. Vervelend? Ja. Verschrikkelijk? Ja. Verdrietig? Ja. Maar nódig? Zeer zeker! Dat is de strijd van dit leven die ons laag aan de grond houdt en vooral aan de voeten van de Heere Jezus. Maar… er is verwachting! Hoe zongen we het ook alweer? Hij zal Israël verlossen van zijn ongerechtigheid! Dát is toekomst. Dát is de geloofsverwachting van Micha: Mijn God zal mij horen.

Gemeente, kijk naar Micha, die zo vol moed en verwachting is! De Heere zegt dit ook tegen ons: ‘Verwacht het van Mij! En als je net als Micha op Mij ziet en op Mij wacht, dan zal Ik u ook horen!’

 

Micha kende de naam van God. De naam van de Verbondsgod. We vinden die Naam in één van de mooiste hoofdstukken in de Schrift, in Exodus 33. Mozes bidt daar tot God en vraagt om een zegen, en of de Heere met het volk van Israel meegaat nadat het gruwelijk zondigde met het gouden kalf. Hij krijgt een antwoord: ‘Ja, Ik ga met u mee.’ Als hij dat hoort krijgt hij vrijmoedigheid om de Heere nog iets te vragen, iets wat ik eigenlijk elke dag wel vraag: Toon mij Uw heerlijkheid.

Laten we dat eens mee naar huis nemen. Ouderen, kinderen, maak daar maar dagelijks je gebed van. Toon mij Uw heerlijkheid. En dan moeten we het antwoord maar eens gaan lezen, wat God de Heere aan Mozes geeft: U kunt Mij niet zien, maar Ik zal aan u voorbijgaan en dan zal Ik u Mijn achterste delen laten zien.

In hoofdstuk 34 lezen we dan wat er gebeurt. Mozes staat ergens op een rots en dan komt de Heere voorbij. Weet u wat de Heere dan doet? Lees het maar eens. De Heere laat niets zien, maar Hij houdt als het ware een preek over Zijn eigen Naam. Dat is de naam Heere. Wat zegt Hij dan in deze preek? Hij heeft maar één tekst. Ik zal hem voor u voorlezen. Het is één van de rijkste gedeelten van Gods Woord. In Exodus 34 vers 6 en 7 staat: God kwam nederwaarts in een wolk. En stelde zich aldaar en riep uit de Naam des Heeren. En als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging zo riep hij: Heere Heere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid en de overtreding en de zonde vergeeft, Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan kindskinderen, in het derde en vierde lid. Dit is de Naam van de Verbondsgod, en die Naam is het heerlijkst naar voren gekomen in het Nieuwe Testament. Hier zien we het beeld van God in Zijn Zoon Jezus Christus.

 

In het vorige hoofdstuk – Micha 6, ik hoop dat u dat hoofdstuk vandaag eens wilt lezen met uw kinderen – heeft de Heere een twist met Zijn volk. Het is echt een heel indrukwekkende Zelfopenbaring van God. Dan klinkt de vraag: Waarmee zal ik de Heere tegenkomen en bukken voor de hoge God? Zal ik Hem tegenkomen met brandoffers en met eenjarige kalveren? Dat zijn de beste kalfjes. Nee! Zou de Heere misschien een welgevallen hebben aan duizenden van rammen en tienduizenden van oliebeken? Dat is nogal veel. Nee! Zal ik mijn eerstgeboren geven voor mijn overtredingen? De vrucht van mijn buik voor de zonde van mijn ziel? Zal ik mijn eerste kind geven? Nee! Ook niet!

Staat er dan een punt? Nee! Dan stopt het niet! Alzo lief had God de wereld dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf. Daarin ligt de verwachting van Micha. Daarin ligt de verwachting van zondaren uit het Oude Testament. Daarin ligt Micha’s hoop en daarom roept hij als het ware al uit, alsof hij het in het Nieuwe Testament vervuld ziet: Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en Die de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat?

Gemeente, we mogen deze tekst niet loskoppelen van het Nieuwe Testament. De Heere gaat zómaar niet voorbij. De Heere laat de zonde zomaar niet vallen. Nee, die zonde wordt weggewist door het offer van de Heere Jezus Christus. Daarop wacht Micha! Dát is zijn verwachting. Hij wacht op het verlossingswerk van de Heere Jezus Christus. En daarom kan hij belijden: Mijn God zal mij horen. Geen hoop op zijn eigen gronden, niet op eigen doen en laten. Nee, alleen op grond van het wonder van Gods genade in Jezus Christus.

Jongens, meisjes, als je nu dit beeld van deze Micha voor je ziet – ik zal uitzien, ik zal wachten op de God van het heil, wees sterk – als dat nu jouw beeld is, dán is er hoop! God is getrouw. Wacht zoals Micha op de Heere wacht! Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn (Ps.9:19).

 

Gemeente, we gaan eindigen. Toen Mozes de heerlijkheid van God zag, stond hij daar met al die hardnekkige, zondige en schuldige Israëlieten. Maar weet u wat hij toen deed? Er staat: Mozes nu haastte en neigde het hoofd ter aarde en hij boog zich.

Mozes bad…

Laten wij dat ook doen.

 

Amen.

 

Psalm 80 vers 5 en 11:

 

Laat ons, o God der legermachten,

niet vrucht’loos op Uw bijstand wachten.

Ga onze haat’ren Zelf tekeer.

Getrouwe Herder, breng ons weêr.

Verlos ons, toon ons ’t lieflijk licht

van Uw vertroostend aangezicht.

 

Behoud ons, Heer’ der legermachten.

Zo zullen w’ ons voor afval wachten.

Zo knielen w’ altoos voor U neer.

Getrouwe Herder, breng ons weêr.

Verlos ons, toon ons ’t lieflijk licht

van Uw vertroostend aangezicht.