Ds. W.A. Zondag - Job 19 : 25 - 27

Afspelen

Jobs Paaslied. Daarin horen wij van:

Job 19
19-4-2020
De zekerheid van zijn geloof
De heerlijkheid van zijn hoop
Het heimwee van zijn liefde
Liturgie: Psalm 92: 1 Psalm 92: 2 Lezen: Job 19 Psalm 118: 8, 9 Psalm 118: 14 Psalm 69: 14 Citaat: ‘Op de natuurlijke slaap volgt een ontwaken. Zo ook volgt op de tijdelijke dood een opstanding. Hoe licht en gemakkelijk zijn wij, als wij geroepen worden, wakker te maken. Zo zullen wij, zodra wij de stem van God en de archangel horen, opstaan tot het leven uit de dood. Hij Die ons lichaam heeft geformeerd uit het stof van de aarde en onze ziel uit niet heeft geschapen, en die op een wonderlijke wijze heeft samengevoegd, zal nog veel eenvoudiger ons vernederd lichaam dat in het graf gerust heeft met onze ziel samenvoegen tot een zalige onsterfelijkheid. Job wist dit en zei: "Want ik weet: mijn Verlosser leeft en Hij zal de laatste over het stof zal opstaan" (Job 19:25). Zoals de Heere Jezus het dochtertje van Jai¨rus eens opwekte uit de slaap van de dood, zal Hij ook in de jongste dag doen met al Zijn uitverkorenen’. Johannes Visscherus, De theologische werken, 1697. Geloofsbelijdenis: Westminster Confessie art. 32 par. 1: Het lichaam van de mens keert na het sterven weer tot stof en ziet het verderf. Maar zijn ziel – die noch sterft noch slaapt – die een onsterfelijke substantie heeft, keert onmiddellijk weer tot God Die haar gegeven heeft. De zielen van de rechtvaardigen, die dan in heiligheid volkomen gemaakt worden, worden in de hoogste hemelen ontvangen, waar zij het aangezicht van God in licht en heerlijkheid zullen aanschouwen en zullen wachten op de volle verlossing van hun lichaam. Maar de zielen van de bozen worden in de hel geworpen, waar zij in kwellingen en in de buitenste duisternis bewaard blijven tot het oordeel van de grote dag. Behalve deze twee plaatsen, waar de zielen verblijven, gescheiden van hun lichamen, erkent de Schrift geen andere. Leestip/leesrooster: - Zaterdag: Job 1 (beproeving) - Zondag: Job 2 (volharding) - Maandag: Job 3 (geboortedag…) - Dinsdag: Joh. 11: 1-16 (Lazarus sterft) - Woensdag: Joh. 11: 17-29 (Jezus komt) - Donderdag Joh. 11: 30-44 (opwekking) - Vrijdag: Joh. 11: 45-einde (uitwerking) Gespreksvragen: 1. Lees eens het citaat uit de Westminster Confessie (art. 32). Waarom staat er dat de ziel na het overlijden niet ‘slaapt’? Illustreer dat eens aan de hand van de belofte die Jezus deed aan de moordenaar aan het kruis. 2. Wat leren wij uit de geschiedenis van Job over de oorzaak van beproevingen (wie zat er achter)? Lees in dit verband Job 1: 12. Kunnen wij altijd zeggen dat een bepaalde beproeving van God of van satan komt? 3. Job was ook bevreesd voor de beproeving. De Heere had hem er blijkbaar op voorbereid. Lees maar Job 3: 25. 4. De belijdenis van Job is erg belangrijk. Lees maar wat hij erover zegt in Job 3: 23, 24. Leg dat eens uit. 5. Hoe kan het dat Job spreekt over zijn Verlosser (Goe¨l) terwijl Christus nog geboren moet worden? De Statenvertalers verwijzen naar Gen. 48:16 en Jes. 59:20. Zoek die teksten eens op. 6. Job doet belijdenis over zijn geloof in de wederopstanding van zijn lichaam (en dus niet alleen van het voortleven van zijn ziel). Lees in het bijzonder de verzen 26 en 27. 7. Job heeft heimwee naar de Heere. Waarom spreekt hij in dit verband over ‘zijn nieren’? Waaruit bestaat het heimwee naar God in het leven van Gods kinderen? 8. Mag u persoonlijk, net als Job, onder het kruis belijden dat de Heere u eenmaal zal opwekken uit de dood? 9. Hellenbroek schrijft: "Godzaligen, kinderen van God, och! Kon u ook altijd op die hoogte vliegen! En waarom kunt u niet? Wat Job hier verwacht, zal ook zeker uw deel zijn. Het mag en het zal u ook overkomen (…). O, godzaligen gaat nu uw hart al niet open, worden uw verlangens nu al niet brandende na zulk een schoon gezicht?” (Hellenbroek, Nuttige mengelstoffen). Herkent u dat? Voor de kinderen: 1. Was Job rijk? Hoeveel kinderen had hij? Antwoord: a) vijf, b) acht, c) negen, d) tien. 2. Wie wilde dat Job heel arm werd? Antwoord: a) zijn vrouw, b) de buren, c) de duivel. 3. De duivel zei tegen God dat als Job heel arm zou worden, Job de Heere niet meer zou ………………………………… 4. Kreeg de duivel gelijk? Nee, want Job zei: de Naam des Heeren zij g………………………….. (vul maar in). 5. Job werd ook heel ziek. Toch geloofde hij dat als hij zou sterven, zijn lichaam door de Heere zou worden o……………………….. (vul maar in). 6. Waaruit blijkt dat Job de Heere lief had? Antwoord: Hij bleef zeggen dat de Heere g…………………. is, ook al was hij a…………….. en z……………….

Job 19 : 25 - 27

Job 19
25
Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan;
26
En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;
27
Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.

Delen & Download

Download preek