Ds. C. Harinck - Markus 4 : 28

De wet van de wasdom

Markus 4
Het tere kruid
De rijpende aar
Het volle koren

Markus 4 : 28

Markus 4
28
Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 1
Lezen : Markus 4: 13 - 34
Zingen : Psalm 65: 7, 8 en 9
Zingen : Psalm 27: 3
Zingen : Psalm 89: 7

Geliefden, er is altijd heel wat te doen geweest over de zogeheten standen in het genadeleven. Een vraag is of het spreken over standen – of liever: over verschil in kennis, geloof, zekerheid en heiligheid tussen de kinderen van God – wel Bijbels is. De manier waarop dit soms ingevuld wordt, heeft weinig meer met de Bijbel te maken. Het wordt meer gedomineerd door bijzondere bekeringswegen dan door het Bijbelse spreken over de mate van het geloof.

 

Hoe heeft Jezus daarover gedacht? Jezus sprak over ‘kleingelovigen’. Hij zei tot Zijn discipelen in de storm op zee: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? (Matth.8:26). En Hij noemde het geloof van de hoofdman een groot geloof.

In het gesprek met Nicodémus heeft Hij ons duidelijk gemaakt dat een christen niet als volwassene, maar als kind wordt geboren, evenals in de natuur. Maar een gelovige mag geen zuigeling blijven. De apostel Petrus wekt de gelovigen op: Wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2Petr.3:18).

Over die zo noodzakelijke groei naar volwassenheid spreekt Jezus in de korte gelijkenis van onze tekst, die u kunt vinden in Markus 4 vers 28:

 

Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.

 

Onze tekst spreekt over: de wet van de wasdom. Drie aandachtspunten:

1.     het tere kruid;

2.     de rijpende aar;

3.     het volle koren.

 

1.     Het tere kruid

Onze tekst is uit een korte gelijkenis, die we kunnen beschouwen als een vervolg op de gelijkenis van de zaaier. De Heere Jezus heeft verteld over een zaaier die zaad zaaide. Maar Hij heeft ons niet verteld wat die man deed nádat hij zijn goede zaad in de akker had gezaaid. Jezus vertelt dat nu in deze gelijkenis.

 

Hij zegt eerst dat het Koninkrijk Gods gelijk is aan een mens die zaad in de aarde wierp. We hebben dit de landman zien doen in de gelijkenis van de zaaier. Dan vervolgt Hij: En voorts sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot, en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.

Het klinkt misschien wat vreemd wat Jezus hier over de boer zegt. Hij schijnt een luie boer te zijn. Maar dat is de bedoeling niet van Jezus’ woorden. Nadat het zaad in de akker is gezaaid, kan de landman eigenlijk niet meer doen dan slapen en opstaan. Zijn werk is gedaan. Hij kan het zaad niet laten groeien; dat ligt buiten zijn macht en vermogen. Daar wijst Jezus ons op.

De boer sliep en stond op, nacht en dag – de ene dag na de andere. Maar terwijl de landman ’s nachts sliep en de andere morgen opstond, gebeurde er iets in die akker, iets geheimzinnigs en wonderbaarlijks: het zaad kwam tot ontkieming. En daarna begon het uit te spruiten. Het werd lang en er kwamen aren in. Er volgde een oogst. Het gestrooide zaad groeide, maar Jezus zegt dat de landman zelf niet wist hoe. De landman kon niet verklaren en doorgronden hoe dat kon. Hij had slechts zaad in de akker gestrooid en meer niet, en wat zag hij toen? Het ontkiemde, groeide en werd lang. Er volgde een oogst. Maar hoe dat kon, daar had de landman geen verklaring voor.

 

Jezus wijst hier op een belangrijk element in de gelijkenis. Hij leert ons dat het zaad ontkiemt en groeit zonder toedoen van de mens. Het is Jezus’ bedoeling om juist dit element onder onze aandacht te brengen. Hij zegt ervan in vers 28: Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. Het lijkt alsof de aarde vanzelf vrucht voortbrengt. Zo lijkt het tenminste vanuit het gezichtspunt van de boer die het zaad heeft gezaaid. Wij weten dat het allemaal niet vanzelf gebeurt. Het is de ingeschapen kiemkracht van de graankorrel die ervoor zorgt dat het zaad ontkiemt en begint te groeien, en uiteindelijk een oogst geeft.

God is het Die de wasdom geeft. Gods hand en zegen is te herkennen in de hele ontwikkeling van ontkiemen, groeien en het voortbrengen van oogst. Maar in de gelijkenis schijnt Jezus dit te vergeten. Hij zegt: Want de aarde brengt van zelve vruchten voort. Het lijkt alsof het allemaal ‘vanzelf’ gebeurt en God er niets mee te maken heeft.

 

Het is echter Jezus’ bedoeling niet om Gód buiten dit proces te sluiten, maar de man die het zaad in de akker gezaaid heeft. De focus in de gelijkenis is gericht op de man die het zaad heeft gezaaid. Het kiemen en groeien van de tarwe gaat geheel buiten die boer om. Hij doet daar niets aan af of toe. Hij kon alleen maar zaaien en moest verder afwachten. De wasdom is geheel en alleen van God.

En zoals het toegaat in de natuur, gaat het ook toe in het Koninkrijk van God. Daarop wijst Jezus aan het begin van deze gelijkenis. En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp; en voorts sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot, en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.

De ontkieming en de groei van het zaad is een werk van God en niet van de landman. De landman staat daarbuiten. Zo is ook de ontkieming en groei van het zaad van Gods Woord in een zondaarshart een werk van God. De mens valt daar met zijn willen en doen helemaal buiten; dat is het eerste wat Jezus ons wil leren.

De akker van ons hart is immers zo onvruchtbaar. De doornen en de distels van de verdorvenheden groeien en tieren er welig en verstikken het Woord van God. Áls er nog eens zaad in de aarde valt, is de aarde ondiep en de indruk spoedig voorbij. Het ontkiemen en vrucht dragen van het Woord van God in een mensenhart is geheel en al het werk van God. De nieuwe geboorte en wederoprichting van het beeld van God in een gevallen mens is een groot en bovennatuurlijk werk van God. Het is een werk dat God wel ín ons, maar tegelijk ook zónder ons werkt. Het is het werk van God, dat ’in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden’, zo belijden we in de Dordtse Leerregels.

 

Maar het is wel een geboorte uit een zaad. In jongstervende kinderen, zo belijden we, kan God dit ‘ex opera’ – zonder middelen – op een voor ons verborgen wijze tot stand brengen. Maar voor allen die tot het begrijpen van de boodschap van Gods Woord zijn gekomen, geldt: Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God (1Petr.1:23).

Er moet dus allereerst gezaaid worden. Laten we dat niet vergeten. Het zaad van het Woord Gods moet uitgestrooid worden. Maar meer kunnen wij niet doen. De wasdom geven ligt buiten ons vermogen. De kanttekening bij deze gelijkenis wijst erop dat leraars kunnen zaaien, maar dat de wasdom van God komt. Ten diepste is het: Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft (1Kor.3:7). Terwijl de boer sliep en opstond, ontkiemde en groeide het zaad. De zaaiers van het zaad vallen er met al hun ijver buiten.

 

Jezus gaat verder en zegt: Want de aarde brengt van zelve vruchten voort. Het ontkiemen en vrucht dragen van het zaad is onverklaarbaar voor de landman. Jezus zegt ervan dat het zaad uitsproot, en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe. Het ontkiemen en groeien van het zaad is een geheimenisvol en verborgen werk.

Zo is het ook met het ontkiemen en de groei van het zaad van Gods Woord in het hart van een zondaar. Wij kunnen het verborgen werk van Gods Geest in een mensenhart niet bevatten; dat is de tweede zaak die Jezus ons wil leren. Wij durven weleens te denken dat we alles ervan afweten en stap voor stap kunnen zeggen hoe het zaad van het Woord in een mensenhart ontkiemt en vrucht draagt. Maar dat is niets dan hoogmoed. Wie kan zeggen hoe en op welk moment Gods onzichtbare hand het hart onder de preek heeft aangeraakt, de dode levend heeft gemaakt en de blinde ziende? Erop terugziende kunnen Gods kinderen er alleen maar van zeggen: Eén ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie (Joh.9:25).

Zoals de ontkieming van de tarwekorrel op een voor ons onverklaarbare wijze in de aarde plaatsvindt, zo brengt God het zaad van Zijn Woord tot ontkieming in het zondaarshart. Het is soms zaad dat lang geleden gezaaid is door een biddende moeder of vader, of onder de prediking, of tijdens de catechisatie, of op school. Het kan lang in de aarde verborgen hebben gelegen, maar God brengt het tot ontkieming. De Heilige Geest brengt het eens gezaaide Woord in de herinnering en de dauw van de Geest maakt het krachtig. De verlichting van Gods Geest verdrijft de aangeboren duisternis en buigt de ongehoorzame wil tot gewilligheid. De zondaar wordt wedergeboren uit het onvergankelijke zaad van Gods Woord.

 

Jezus leert ons vervolgens wat er na de ontkieming van het zaad gebeurt. Hij zegt: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. Jezus vertelt ons hier van de wonderlijke wet van de wasdom. Er is niet ineens het volle koren. Eerst is er het tere kruid, dan de aar en tenslotte het volle koren in de aar. Het eerste wat zichtbaar wordt, is een tere plant. Het begint niet met wonderbomen, met grote bekeerde mensen, maar met het tere kruid van de droefheid naar God en een hartelijk berouw over de zonde.

Vooral bij hen in wie het Woord in de kinderjaren begint te ontkiemen, is het eerste geestelijke leven teer en broos. Men vindt een hartelijke blijdschap in de dienst des Heeren, liefde tot God, een heilige jaloersheid op de kinderen van God, een tere vrees om tegen de Heere te zondigen, een diepe droefheid over iedere struikeling en een kinderlijk zoeken van Jezus tot verzoening van de zonde.

Maar ook bij volwassenen is het begin van het leven van God in hun ziel niet meer dan een teer kruid. Soms is het eerste begin alleen maar een schreeuw naar God vanuit een verloren, ongelukkig en schuldverslagen hart; zo gering kan het begin zijn. Of het begint met een gezicht op het geluk van Gods kinderen en het diepe ongeluk van zichzelf. Het begint soms met een diepe verontrusting over de dood, de hel en de toorn van God. Of het begint met een verborgen trekking, die ons met al onze vragen naar God en de Bijbel brengt, zoals Nicodémus ’s nachts naar Jezus ging.

 

Het zaad van het Woord dat begint te ontkiemen, zal de één een boodschap brengen van schuld en verlorenheid, de ander van het gemis van God en Zijn gunst en weer een ander van Gods gericht en het aanstaande oordeel. Maar altijd begint er iets te ontkiemen in het hart. Een teer kruid – een beginnend ontwaken, een gebroken hart, een verslagen geest, een dorst naar God, een vraag: wat moet ik doen om zalig te worden? Er is een hartelijk leedwezen over de zonden en dikwijls een diepe smart over het gedane kwaad en de afgelegde levensweg.

Zij hebben dan ook behoefte om hun smart op verborgen plaatsen aan de Heere bekend te maken, hun zonden te belijden en bijna zonder ophouden God om Zijn genade aan te roepen. Het gewicht van de ziel, de gedachte aan het eeuwig verloren gaan en de last van de zonde veroorzaken grote onrust en bekommering in hun harten. Het doet hen met David beleven: De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis (Ps.116:3). Maar te midden van al die verwarring en duisternis schreeuwt de ziel naar God, naar de levende God. Dat komt, zo zegt de apostel, doordat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven (Rom.5:5).

De ontluiking van het tere kruid gaat gepaard met de overtuiging van onze zonden en ellenden. De zondaar ziet dat hij of zij Gods geboden heeft overtreden en God tot toorn heeft verwekt. Er ontstaat een heilige bekommering, die doet vragen: wat moet ik doen om zalig te worden? Er vestigt zich een overtuiging in het hart dat wij niet voor God kunnen bestaan wanneer Hij met ons in het recht zal treden en gadeslaan onze ongerechtigheden. Het hart wordt tot de erkentenis gebracht: ‘Ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog; dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig.’

 

Aan zulke verslagen harten wil de Heere Jezus Zich openbaren. Hij toont Zich met Zijn evangelie bekleed aan het verbrijzeld gemoed. Het deksel wordt van de beloften afgenomen en we vinden Christus in de beloften in de Schrift. We vinden Hem en horen Zijn stem in de profetieën van het Oude Testament, waar Jezus aan ons voorgesteld wordt als de Messias, Die het gekrookte riet niet zal verbreken en de rokende vlaswiek niet zal uitblussen. Of in die heerlijke evangeliebelofte: En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:14-15).

Wat brengt dát een verandering in het leven van de bekommerde zondaar. Het is alsof de Bijbel een nieuw boek is geworden. De ziel vindt Christus in het altaar en de offers van de tempel, in de heerlijke profetieën van Jesaja, in Bethlehems kribbe en vooral aan Golgotha’s kruis.

 

Wat een geestelijke vreugde geniet een ziel tijdens het eerste zien op Jezus en het eerste horen van Jezus’ stem in zijn bekommerd hart. Wat is de Zaligmaker ons dan dierbaar. Wat zeggen we dan met de koningin van Scheba: De helft is mij niet aangezegd (1Kon.10:7). We staan verbaasd en verwonderd over de liefde van Christus, Die Zijn hemel wilde verlaten om voor zo’n zondaar als ik ben verzoening aan te brengen op het kruis van Golgotha.

In die dagen is de hemel zo dichtbij en de wereld en de zonde zo veraf, de dood, de hel en de vloek uit het zicht. Het is de tijd van de eerste liefde, ‘de tijd dat wij voor het eerst geloofden,’ schrijft de apostel aan de Romeinen – een gezegende tijd. Het Woord is ons dan zoeter dan honing en honingzeem. Iedere kerkdienst brengt ons als het ware een zegen en de inzettingen van God zijn vol van kracht en leven. Een van onze oudvaders zegt: ‘Een boom beladen met vruchten is waardevol, maar een boom beladen met bloesem is liefelijk.’ Daar lijkt de mens op die voor het eerst de stem van Jezus hoort en voor het eerst gelooft. Zo iemand is als een boom die beladen is met geurige bloesem.

 

Een waar gelovige ziet altijd met heimwee terug op de tijd van de eerste liefde. Hoe gevoelig waren we toen voor God en Goddelijke zaken en wat was de liefde brandende. Wat was er een begeerte en ijver om God te dienen en Hem te verheerlijken. Het geloofsleven was als het jonge, frisse kruid.

Maar het kruid kan geen kruid blijven. Het moet groeien naar een aar. We letten erop als we spreken over:

 

2.     De rijpende aar

De staat van de eerste liefde is een gezegende tijd. Het kan in die tijd zijn alsof alle strijd voorbij is. De wet vloekt ons niet meer, de schuld drukt niet meer en de duivel kan niet meer bij ons. Ongeloof en twijfel zijn verdwenen. We mogen in verwondering en verbazing op de Heere Jezus zien en ons dagelijks meer verwonderen over Zijn beminnelijkheid en heerlijkheid.

De gelovigen lijken in die tijd op de kinderen Israëls nadat ze door de Rode Zee waren getrokken. Hun vijanden hadden ze in de zee zien verdrinken; ze zongen op de oever het lied van Mozes en van het Lam en dachten rechtuit naar Kanaän te gaan. Dat ze nog veertig jaar in de woestijn zouden zwerven, konden ze toen niet bedenken.

Zo verwacht de mens die voor het eerst tot geloven is gebracht, geen last meer te zullen hebben van de vorige twijfels en de vorige aanvechtingen, maar vol ijver en liefde voort te zullen trekken en weldra voor God in Sion te zullen verschijnen. Maar er is nog een loopbaan te lopen en er is nog een woestijn door te trekken.

 

Waarom kan de ziel niet blijven in die gezegende staat van de eerste liefde? Het kan niet vanwege de wet van de wasdom. Lammeren worden schapen. Kinderen worden volwassen. En het groene, tere kruid ontwikkelt zich en wordt een aar, zegt Jezus.

Hoe moedgevend de groei van de tarwe ook is, het is de boer om het koren te doen. Het is God ook om het koren te doen. De Heere wil dat Zijn volk zal groeien in genade en in de kennis van Jezus Christus. Hij wil dat ze gefundeerd en bevestigd worden op Christus en Zijn gerechtigheid. Hij wil dat ze zullen weten wat hen in Christus door God geschonken is. Hij wil dat ze vruchtbaar zullen zijn. Jezus zegt in de gelijkenis van de wijnstok en de ranken: Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage (Joh.15:2).

De jongbekeerde heeft loutering en zuivering nodig. Want tegelijk met de groei in de genade begint ook het onkruid op te schieten, al hebben we daar zelf geen erg in. Het is het onkruid van vleselijk zelfvertrouwen, zelfoverschatting en geestelijke hoogmoed, die ons met Petrus doet zeggen: ‘Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal niet aan U geërgerd worden. Ik zal mijn leven voor U zetten.’ De jongbekeerde heeft nog maar weinig kennis van het eigen hart en verwacht nog zoveel van zichzelf. Hij kan zichzelf zo overschatten. Daarom moet hij gelouterd worden in de strijd.

De jongbekeerde steunt daarbij ook te veel op zijn gevoelens en genietingen. Hij zou bijna een zaligmaker van zijn genietingen maken. Hij stelt zoveel vertrouwen in wat hij ondervonden en genoten heeft en nog steeds geniet, dat hij zegt: Ik zal in eeuwigheid niet wankelen. Daarom leidt de Heere hem in de woestijn van de beproeving.

 

Dat is allereerst om ons meer zelfkennis te geven. De Heere ontdekt ons aan de boosheid van onze gevallen natuur. Zo leidde de Heere de discipelen in de hof van Gethsémané, waar ze Hem allen lafhartig hebben verlaten, en daarna Petrus in de zaal van Kajafas, waar hij voor een dienstmaagd zijn Meester verloochende. Wat hebben ze toen verootmoedigende lessen geleerd.

Zo weet de Heere wegen en middelen te gebruiken om ons een diepere zelfkennis te geven, om ons te tonen hoe zwak en krachteloos we zijn en dat we niet staande kunnen blijven in de verzoeking. Maar vooral ook om ons te leren hoe zondig en verdorven onze natuur is. Zo leren we het ijdel roemen op onze bekering en ijver af en zullen we gaan belijden: Door de genade Gods ben ik, dat ik ben (1Kor.15:10).

De Heere leidt in de woestijn, opdat we op Christus worden gebouwd en niet op onze gevoelens. Want inderdaad, we maken van onze gevoelens soms onze zaligmaker. Alles draait dikwijls om: wat voelde ik gisteren en wat kan ik vandaag voelen van Gods liefde, en hoe zal dat morgen zijn? Daarom wil de Heere ons op een beter fundament leren bouwen.

 

Om ons dat te leren, confronteert de Heere ons met de boodschap van Zijn rechtvaardigheid. We lezen in onze Catechismus dat God niet alleen barmhartig is, maar ook rechtvaardig, en dat Hij wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. In dat licht schieten al onze genietingen en ondervindingen tekort. In die weegschaal is het alles te licht bevonden. Christus’ gerechtigheid wordt daardoor onmisbaar voor ons. Het wordt ons om Christus en Zijn gerechtigheid te doen. Zoals Paulus zegt: En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is (Filipp.3:9).

Kortom, gemeente, zo gebeurt het dat Gods kinderen na een lentetijd in hun ziel te hebben meegemaakt een donkere herfst en een koude winter leren kennen. Hun liefelijke gevoelens beginnen af te nemen. Het is alsof het gebed, de prediking en het lezen van Gods Woord hun niet meer de vrucht brengen van vroeger. Maar het ergste is nog dat het schijnt dat Jezus Zich voor hen verbergt. Hij schijnt Zich terug te trekken en Zijn bezoeken worden minder.

 

Toch is Gods wijsheid in deze dingen. Langs deze weg worden we afgebracht van het steunen op onze gevoelens. We zullen beter verstaan dat het bloed en de gerechtigheid van Jezus nodig zijn om God in vrede te kunnen ontmoeten.

In die tijd zeggen we niet alleen: Och, kon ik nog eens zo hartelijk wenen als vroeger. Mocht ik Jezus’ aangezicht nog eens zien zoals ik Hem vroeger aanschouwen mocht. Mocht ik nog weer eens zo tot God kunnen naderen in het gebed zoals ik vroeger tot Zijn troon mocht naderen. Kon ik nog weer eens geloven dat de Heere mij uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Nee, andere zaken krijgen de voorrang; het zal nieuwe en betere werkzaamheden voortbrengen. Het wordt ons zoeken en verlangen om in Christus gevonden te worden, om een verberging te vinden in Zijn wonden, om te mogen weten dat Jezus onze gerechtigheid is. Het verlies van de gevoelige troost van het evangelie werkt een dieper besef van God. Gods eis zegt dat aan Zijn gerechtigheid moet worden voldaan. In Christus geborgen te zijn komt meer op de voorgrond te staan. De noodzaak om het bloed van Jezus tot onze bedekking te hebben, om God zonder verschrikking te ontmoeten, wordt op de ziel gebonden. Er ontstaan werkzaamheden om in Christus gevonden te worden.

 

De Heilige Geest gebruikt dit gevoelen van het tekort van al onze vroegere troost om tot een kennis van Christus te brengen die de eerste kennis van Christus ver overtreft. In de eerste geloofskennis staat de dierbaarheid van Jezus zo voorop. We zien dan vooral op Zijn dierbaarheid, Zijn schoonheid en voortreffelijkheid. Wat is Jezus in onze ogen dan blank en rood; wat draagt Hij de banier boven tienduizend en hoe is genade op Zijn lippen uitgestort! We zijn verbaasd en roemen de heerlijkheid, de liefde en het mededogen van de Zaligmaker.

Maar nu wil de Heere ons een andere kennis van Jezus schenken. We leren nu meer zien van Jezus’ borgtocht, hoe Hij op Golgotha’s kruis aan de gerechtigheid van God heeft voldaan en de toorn van God voor ons heeft gedragen, waaronder wij anders eeuwig hadden moeten verzinken. Jezus is een vloek geworden voor mij, opdat de vloek die op mij lag van mij afgewenteld zou worden.

Wat is dat een gezegende kennis: Christus te kennen, Die door Zijn strafdragen de vrede met God heeft verworven, Jezus te kennen, Die om onze overtredingen is verwond en om onze ongerechtigheden is verbrijzeld. Jesaja zegt ervan: Door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen (Jes.53:11). Door de kennis van deze Jezus worden zielen gerechtvaardigd.

Niets anders kan de vrees voor Gods toorn en de verdiende straf voor onze zonden wegnemen. De kennis van deze Zaligmaker stelt in de vrijheid, brengt vrede met God in ons hart en verdrijft de vrees. In het licht van het volbrachte werk van Christus vertoont God zich aan ons niet meer als een vertoornd God, maar als een verzoend God. De Heilige Geest roept ons toe dat er geen verdoemenis is voor degenen die in Christus Jezus zijn. De beloften van het evangelie spreken een hemelse vrijspraak uit in ons hart, in de boodschap dat God toornig is geweest op Zijn Zoon en daarom op ons niet meer toornen noch schelden zal.

 

Zo komt een mens tot het leven des geloofs in de aar. Het is een gelovige die gebouwd en gefundeerd wordt op het offer van Christus en in Jezus vrede met God vindt. Het is een ander leven dan het tere kruid. Het is een leven dat niet meer zo steunt op het gevoel, maar zegt: Ik weet: mijn Verlosser leeft (Job19:25). Al komen er donkere dagen van zieleduisternis, dan zal die gelovige zeggen: Nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen (Jona2:4).

 

Onder de zorg van de hemelse Landman mag het geloof groeien tot het leven van het volle koren in de aar. Daarop letten we als we spreken over: het volle koren. Maar laten we eerst samen zingen Psalm 27 vers 3:

 

Och, mocht ik, in die heilige gebouwen,

De vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog,

Zijn lieflijkheid en schonen dienst aanschouwen!

Hier weidt mijn ziel met een verwond’rend oog.

Want God zal mij, opdat Hij mij beschutt’,

In ramp en nood versteken in Zijn hut;

Mij bergen in ’t verborgen van Zijn tent,

En op een rots verhogen uit d’ ellend’.

 

3.     Het volle koren

Het volle koren – wij noemen dit de bevestigde christen. Het is eigenlijk Bijbelser om te spreken over de geestelijke volwassenheid. De apostel wekt de christenen op om tot een volkomen man (Ef.4:13), tot mondigheid en volwassenheid te komen, en niet meer als kinderen met de vloed heen en weer bewogen te worden. In Galaten 4 vers 1 noemt hij het voorbeeld van de erfgenaam en zegt: Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles. Een koningskind in de wieg heeft een titel en heeft recht op het koningschap, maar het kind weet dat niet. Het moet tot volwassenheid komen om het te weten. Zo worden we in de Schrift opgewekt om te groeien in de genade, om tot mondigheid te komen, opdat wij kennis zullen bezitten van de dingen die ons in Christus geschonken zijn.

 

Een christen die tot volwassenheid gekomen is, heeft niet de gevoelige warmte van een jongbekeerde. Hij heeft niet dat vuur, die ijver en die teerheid. Wat dat betreft blijven Gods kinderen altijd met heimwee terugdenken aan de tijd van hun geestelijke ondertrouw. We horen Job zeggen: Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde! Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde (Job29:2-3)

Maar het missen van de gevoelige ervaring van Gods genade is voor de volwassen gelovige geen reden om uit te roepen: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten (Jes.49:14). Gods kinderen blijven gesteld op de gevoelige aanwezigheid van God en Christus, maar hun hoop rust er niet meer op. De gelovige die meer tot volwassenheid is gekomen, steunt niet meer zo op zijn gevoelens. De zaligheid hangt voor hem niet meer af van wat hij van Gods genade voelt, van wat hij er gisteren van voelde en wat hij er vandaag van voelt.

Zijn hoop en geloof rusten op Gods beloften, op Gods verbond en Gods trouw. Hij heeft reeds zoveel van zijn God ervaren dat hij met David zegt: Dit weet ik, dat God met mij is (Ps.56:10). Dááraan hecht zijn anker van hoop zich vast en niet zozeer aan zijn gevoelens.

 

De volwassen gelovige heeft ook een diepere en meerdere kennis van de Heere Jezus. Dikwijls is de geloofskennis van Christus gericht op wat Hij gedaan heeft in Zijn geboorte, Zijn gehoorzaamheid, Zijn lijden en kruisdood. Wat is er vaak weinig oog voor het werk dat Christus in de hemel verricht. Er is zo weinig kennis van de Jezus over Wie de apostel zegt: Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Rom.8:34). Te midden van zorg, verdriet en eenzaamheid roepen wij snel: ik ben vergeten en alleen!

Maar de volwassen gelovigen mogen en kunnen zeggen: ik ben nooit eenzaam en alleen; Jezus is in de hemel en Hij denkt aan mij. Zij weten zich veilig en geborgen in de eeuwige voorbede van hun Heere en Hogepriester Jezus Christus.

De volwassen gelovige is gegroeid in ootmoed. Ootmoed krijg je niet door veel teksten over ootmoed te lezen en ook niet door over ootmoed te praten. Maar een mens krijgt ootmoed wanneer hij iedere dag dingen in zijn hart en leven ontdekt die hem reden geven om zich te verootmoedigen. Zo is dat bij een geoefend christen. Die vindt nog iedere dag zoveel van de oude mens in zich en voelt dat hij zover afblijft van de heilige roeping waartoe hij is geroepen, dat hij reden heeft zich iedere dag voor God te verootmoedigen.

 

Deze christen is ook gegroeid in het geloof en vindt zijn zaligheid buiten zichzelf in Jezus Christus. In dit zoeken en vinden van alle heil in Christus zijn de volwassen gelovigen geoefend. Als zij zich krachteloos voelen tegen de verzoekingen, als de vijanden de overhand over hen hebben, als de duivel hen benauwt met hun zonden, dan vluchten ze met dit alles tot Jezus’ macht. Is hun ziel verontreinigd en bezoedeld door de zonde en zondige gedachten en klaagt satan hen aan, dan vluchten ze ermee tot Jezus’ bloed, dat betere dingen spreekt dan het bloed van Abel.

Kortom, de volwassen gelovigen zijn geoefend om gebruik te maken van de Heere Jezus, om gedurig naar Hem te vluchten met alle nood en in elke omstandigheid. Zij zijn gegroeid in godzaligheid, dat is: in een leven met God, een leven waarin ze het contact met de hemel onderhouden in het verborgen gebed.

 

Er zijn hier twee gevaarlijke klippen te ontwijken. De eerste klip is het wetticisme. Er zijn kinderen van God die na een tijd van eerste liefde en een tijd van geloven en steunen op Christus, verkild zijn in een vroom en koud leven. Ze zijn vroom en wettisch geworden en verbergen daarachter hun gebrek aan kennis van Christus. Ze lijken op de christenen van Galatië. Begonnen zijnde met de Geest, eindigen ze in het vlees. Ze lijden schipbreuk op de rotsen van het wetticisme.

Er is ook een ander gevaar. Dat is de klip van het antinomianisme, de leer die stelt dat de christen geborgen is in Gods eeuwige verkiezing en dat hem niets meer kan gebeuren. Je hoeft niet zo te strijden tegen de zonde. De veelheid van zonden maakt Gods genade alleen maar groter. De duivel en ons boze hart zeggen: Je zaligheid is verzekerd. Het komt er niet zo op aan hoe je leeft.

De weg van evangelische heiligmaking kent dus twee grote gevaren: enerzijds het verzanden in kilheid en wetticisme, anderzijds het vervallen tot losbandigheid. De bekende John Owen zegt dat de weg van de ware evangelische heiligmaking tussen deze twee klippen loopt. Je moet volgens hem ook eerst op beide klippen schipbreuk hebben geleden voordat je de gezegende middenweg vindt.

Een geoefend christen heeft de weg van evangelische heiligmaking gevonden en wandelt in de ongekunstelde en oprechte weg van de vreze Gods. Hij heeft een diep gevoel van zijn eigen dwaasheid en hij bidt: Heere! leer mij Uw weg (Ps.27:11). Hij heeft ook een diepe zekerheid van Gods trouw en zegt: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid (Ps.30:7).

Zie, dát is de gezegende staat van het volle koren in de aar. Deze zondaar is krachtig in de Heere en in de mogendheid van Zijn macht. Zo’n leven is het vruchtbaarst en daarvan ontvangt God de meeste roem en eer.

 

Gemeente, nadat we de groei van het leven van het geloof zijn nagegaan, is de vraag: Heeft deze ontwikkeling van het gezaaide koren uw bevinding beschreven? Heeft het zaad van het Woord van God in uw leven vrucht gedragen? Kent u de genade van het tere kruid, van de aar of van het volle koren in de aar? De vraag is niet of u veel genade bezit, maar of u enige en echte genade bezit. Het gaat niet om de kwantiteit, maar om de kwaliteit.

Of bent u nog geheel dood in de zonden en de misdaden? Voelde u nooit wat het zeggen wil om zonder God in de wereld te zijn, om onbekeerd te zijn, om buiten het geluk van Gods kinderen te staan?

 

Ware godsdienst heeft een begin. Het begint met het zaaien van koren. Daarna komt het wonder van de ontkieming. Wat een genade wanneer het zaad dat in je kinderjaren, in je volwassenheid of zelfs in je ouderdom gezaaid is, tot ontkieming komt en begint te groeien.

Nu zegt Jezus in deze korte gelijkenis van de landman dat hij zelf niet wist, hoe. Er staat dat hij dat zélf niet wist. Anderen hebben het misschien wel herkend en zijn omgeving heeft het ook wel gemerkt, maar zelf kon hij het niet verklaren. In het begin van de bekering moeten we dikwijls roepen wat Rebekka riep: Waarom ben ik dus? (Gen.22:25). Wat is het verward! Wat wordt het bestreden! Wat zijn er maar weinig ogenblikken dat je kunt geloven dat het Gods werk is. Je kunt niet alles een naam geven en op een rijtje zetten.

Maar al wist de landman zelf niet hoe het zaad ontkiemde en zich ontwikkelde, de ontkieming en de groei was er wel. Al kan een zondaar het zelf allemaal niet onder woorden brengen en al weten de meeste van Gods kinderen het uur van hun nieuwe geboorte niet, al kunnen ze niet zeggen: zus en zo is het gegaan, één ding weten ze, namelijk dat ze blind waren en nu zien. Ze hebben gevoelens die ze voordien niet kenden. Hun ziel schreeuwt naar God, naar de levende God. Dat was hun vroeger totaal vreemd. Ze zijn hartelijk bedroefd over de zonden en zulke gevoelens kenden ze vroeger niet. Ze hongeren en dorsten naar de Heere Jezus en zoeken een glimp op te vangen van Zijn genade en schoonheid. Ze strekken hun hand uit om het uiterste van de zoom van Zijn kleed te mogen aanraken. Al die dingen kenden zij voorheen niet. Te midden van alle verwarring, twijfel en ongeloof kan zo iemand toch zeggen: Eén ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie (Joh.9:25).

 

Ware genade groeit anders dan wij denken, maar het groeit wel. De zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben, schrijft Paulus (Rom.13:11). Maar het worden geen wonderbomen. De Arabieren hebben een spreekwoord. Ze zeggen: Wanneer je langs een veld met koren loopt, kun je zien welke aren God het meest gezegend heeft. Die hangen van zwaarte naar beneden.

Dat betekent niet dat de beste christenen mensen zijn die met hun hoofd naar beneden lopen en ‘ach en wee’ roepen. Het zijn de ootmoedigste christenen die het meest door God gezegend zijn. Volwassen christenen zijn het die met Paulus zeggen: ‘Mij, de grootste der zondaren, de minste der heiligen, is barmhartigheid geschied.’ Genade en hoogmoed kunnen niet onder één dak wonen. Gods genade houdt ons ootmoedig.

Gods kinderen zijn niet af-bekeerd. Gods kinderen kennen immers een zich steeds herhalende bekering. Ze zijn zo dikwijls de weg kwijt; daarom is er altijd weer bekering nodig. Er blijven altijd zaken waarvan we ons moeten bekeren. De voortdurende ontdekking van zonde en de steeds dieper wordende zelfkennis houden ons klein en dicht bij God.

Een voornaam middel waarvan God Zich bedient om de aar zwaar van korrels te maken, is kruis, verdriet en tegenspoed. Kruis en lijden zijn voor Gods kinderen geen verterend vuur, maar een louterend en genezend vuur. Het vuur beschadigt het zilver niet, maar brengt scheiding aan tussen zilver en schuim. De door het leven beproefde en gelouterde christen draagt de meeste vrucht.

 

Jezus laat het werk van God beginnen bij zaaien. Hij spreekt over een mens die het zaad in de aarde wierp. We moeten zaaien. We moeten vooral als ouders zaaien. We moeten het Woord van God in de jonge harten van onze kinderen zaaien. Maar natuurlijk ook God bidden om het tot ontkieming te brengen, want veel meer dan zaaien kunnen wij niet doen. God alleen kan de wasdom geven. Wat is dat een les voor ons – niet alleen voor ouders, maar ook voor dominees, ambtsdragers, leerkrachten en allen die zaad zaaien.

We zijn wel verantwoordelijk voor het zaad dat we zaaien. Dat moet goed zaad zijn. We moeten en mogen er ook iets van verwachten. Er is een kracht in het Woord van God die alles weet te overwinnen. Daarom zegt de Heere: Zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uw hand des avonds niet af (Pred.11:6).

In het Koninkrijk van God is het God Die de wasdom geeft. Tegelijk echter zien we dat God de landman wel gebruikt. Die zaait het zaad, maar God geeft de wasdom.

 

Het kan schijnen alsof al ons zaaien tevergeefs is. Wat zijn er veel ouders die in hun kinderen niets van vrucht op het gestrooide zaad zien. Tot hun verdriet zien ze dat hun kinderen God en Zijn dienst de rug toekeren. Toch moeten we, voor zover we kunnen, blijven zaaien, al is het maar met een enkel woord.

Je moet het eens gestrooide zaad ook blijven bevochtigen met je tranen en steeds bidden. Bovendien moeten we niet vergeten dat zaad sterk is. Het ligt soms jaren of zelfs eeuwen in de aarde verborgen zonder tot ontkieming te komen.

Tijdens werkzaamheden is er oude aarde naar de oppervlakte gebracht en zonder dat er iets in gezaaid werd, begon er een gewas te groeien. Koolzaad en gerst hebben bewezen jaren hun kiemkracht te behouden. Veel sterker is de kiemkracht van Gods Woord. Het in de jeugd gezaaide zaad kan in de ouderdom nog vruchten dragen. Hoop daarom op God, Die machtig is de wasdom te geven.

 

We belijden dat God de wedergeboorte ín ons, maar tegelijk ook zónder ons werkt. Genade begint dus met een daad Gods, met een werk van God: met de opwekking van een geestelijk dode, met het planten van nieuw geestelijk leven in een dood mensenhart, met het brengen van licht in een duister mensenhart. De apostel schrijft: En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Ef.2:1).

Maar de wedergeboorte, hoe onbevattelijk ook voor ons, komt tot stand door een zaad. Petrus schrijft: Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God (1Petr.1:23). God doet Zijn werk door Zijn Woord. Het zaad brengt vrucht voort.

We zagen het beginnen bij de ontkieming. Wat kan het begin klein en verborgen zijn. Het ontkiemen en groeien gaat soms ook heel bedaard en zonder veel ophef. Jakobus schrijft: Ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken (Jak.1:21). Velen weten het uur van hun wedergeboorte niet. Er zijn ook mensen die van jongs af met David hebben gezongen: Ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem, mijn smekingen (Ps.116:1).

Aan de vruchten kent men de boom, en niet aan het praten. Dat is en blijft beslissend. Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid (2Kor.7:10). Het werkt bekering uit: een breuk met de zonde. Jezus’ boodschap is: Bekeert u, en gelooft het Evangelie (Mark.1:15). Bekering tot God en een waar geloof in Jezus Christus zijn en blijven de merktekenen van het werk van God in de ziel van de mens.

We moeten niet vergeten dat het leven van God in de ziel van een bekommerde christen even werkelijk en goddelijk is als in het hart van de meer in de genade bevestigde christen. Het komt aan op de waarheid, werkelijkheid en oprechtheid van de bekering tot God en het geloof in Jezus Christus. Toets je eraan.

 

Waar leven is, daar is ook groei. Ouders zijn terecht bezorgd wanneer hun kind niet groeit. Een kind kan niet altijd kind blijven. In het geestelijk leven kan dit ook niet. Wanneer er geen groei is, moeten we bezorgd zijn. Goed en gezond voedsel is voor groei van levensbelang. Zielen kwijnen onder een prediking waarin Christus onder een deksel verkondigd wordt.

Maar groei in Gods Koninkrijk ziet er anders uit dan groei in de wereld. Groei in Gods Koninkrijk staat in het teken van het woord van Johannes de Doper: Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh.3:30).

 

Wat een moedgevende gelijkenis. Niet zonder reden volgt deze korte gelijkenis op de veel bredere gelijkenis van de zaaier. Hoeveel zaad ook verloren schijnt te gaan, Gods Woord zal vrucht dragen.

De vraag blijft: draagt het Woord in míjn leven vrucht?

Amen.

 

Slotzang: Psalm 89 vers 7

 

Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, Heer’, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.