Ds. L. Huisman - 1 Thessalonicenzen 5 : 6 - 8

Een opwekking tot waakzaamheid

De apostel wijst ons op een dreigend gevaar
De apostel toont ons de gegeven wapenrusting

1 Thessalonicenzen 5 : 6 - 8

1 Thessalonicenzen 5
6
Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
7
Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;
8
Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 17: 3 en 4
Lezen : 1 Thessalonicenzen 5
Zingen : Psalm 72: 7 en 8
Zingen : Psalm 44: 2
Zingen : Psalm 68: 6

Geliefden, het Woord van God dat we u verkondigen in dit uur van voorbereiding voor de bediening van het Heilig Avondmaal vindt u in het u voorgelezen Schriftgedeelte, de eerste brief aan de Thessalonicenzen, het vijfde hoofdstuk, de verzen 6, 7 en 8:

 

Zo laat ons dan niet slapen gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchter zijn.

Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;

Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.

 

Deze tekst is een opwekking tot waakzaamheid. Daarbij komen twee zaken aan de orde:

 

1. De apostel wijst ons op een dreigend gevaar;

2. De apostel toont ons de gegeven wapenrusting.

 

1.

Paulus wekt ons dus op tot waakzaamheid. Want hij zegt in het tweede vers van dit hoofdstuk: Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht. Nu heb ik vroeger, toen ik een kind was, weleens gedacht: Hoe kan de apostel dat nu toch schrijven? We zijn bijna tweeduizend jaar verder en die dag des Heeren is er nog steeds niet geweest. Heeft de apostel zich dan vergist? Heeft hij de tijd verkeerd ingeschat? Heeft hij soms gedacht dat de komst van de dag des Heeren toen binnen enkele jaren of maanden zou komen?

 

We moeten bedenken dat alles wat God ons in Zijn Woord gegeven heeft, ingegeven is door de Heilige Geest. De apostel kan hier dus niet gedwaald hebben in het schrijven van zijn brief. Maar hoe kan hij dan zeggen: Gij weet zelf zeer wel, dat de dag des Heeren alzo komen zal, gelijk een dief in de nacht?

Wel, hier wil hij ons de kortheid van ons leven aanwijzen. We hebben geen zeeën van tijd om er nog eens rustig over te denken, want wanneer ik sterf of wanneer u sterft, is de tijd voorbij. Dan is het eeuwigheid. Wij kunnen ons dat niet indenken, maar het Woord van God zegt het. Als we onze laatste adem hebben uitgeblazen, is voor ons de tijd opgehouden. Vanaf dat moment tot aan de dag van Christus bestaat er geen tijd meer voor de ontslapenen. En daarom kan hij in waarheid tegen ons zeggen: Gij weet zelf zeer wel, dat de dag des Heeren alzo komen zal. Onverwacht. Niemand heeft op een dief gerekend. Als u dat zou doen, zou u gewaakt hebben, staat er op een andere plaats in de Bijbel. Maar de dood komt als een dief in de nacht. Plotseling. Als het uurglas is leeggelopen in de hemel, is onze tijd voorbij. Dan is het voor ons eeuwigheid geworden. En daarom geldt ook voor ons: Gij weet zelf zeer wel, dat de dag komen zal, de dag dat u uit dit leven moet verdwijnen; de dag die komen zal als een dief in de nacht. Onverwacht. Een ongeluk, een hartaanval, een korte ziekte. Of wat dan ook.

 

Eén dag zal toch eens de laatste voor ons zijn. Als die ene dag verdwenen is in de oceaan der eeuwen, zijn we in de dag des Heeren gekomen. Dan zijn we daar waar Christus wederkomen zal om te oordelen de levenden en de doden. Die dag zal komen als de mensen er niet op zullen rekenen, als ze roepen zullen: ‘Vrede, vrede, geen gevaar, het zal mijn tijd wel duren.’ Dan zal een haastig verderf hen overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw. En zij zullen het geenszins ontvlieden!

 

Paulus ziet in deze tekst op de wereld waarin de christelijke gemeente in die dagen leefde. Thessaloníca lag niet in Palestina – dat weet u wellicht wel – maar in het heidense Griekenland. De boodschap van genade is ook daar in Thessaloníca binnengekomen. Die boodschap heeft harten van mensen veranderd, die boodschap heeft mensen tot God bekeerd. Daar is een gemeente van Christus gekomen door de bedauwing van de Heilige Geest, maar deze gemeente leeft in het midden van een wereld die te vergelijken is met de wereld waar wij nu in leven.

 

U kunt het dagelijks meemaken. U staat er misschien middenin. Luister maar eens waarover gesproken wordt. Waar de wereld, waar de mensen om ons heen mee bezig zijn. Het is uniek als mensen je begrijpen als je zegt dat deze wereld niet het één en het al is, dat het maar een doorgang is naar het eeuwige leven. Meestal is het dan alsof je een vreemdeling bent op deze wereld. Ten dele is dat ook zo.

 

Het is blindheid van de mens als hij zich ontworstelt aan het juk des Heeren. ‘Geen God en geen Meester’ – de leus van de Franse Revolutie zit ons allen in het bloed. En als we het niet uitspreken, wensen we het wel in onze gedachten. Dan denken we: Laat me met rust. Laat me rustig mijn eigen leven leven. Ik kan voor mezelf zorgen. Ik ben mans genoeg. Praat niet over eeuwig leven, en zeker niet over de eeuwige dood. Vrede, vrede en geen gevaar… Maar dan zegt de Heere: ‘Een haastig verderf zal hun overkomen.’

 

Maar daarna vermaant Hij Zijn gemeente ook, daar in Thessaloníca. Dan zegt Hij: Maar gij broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags; wij zijn niet des nachts noch der duisternis (1 Thess. 5:4-5). Zo spreekt de apostel die gemeente daar aan. Kan dat? Mag dat? Ja, dat mag en dat doet de apostel. Ja maar, waren dat dan in die dagen allemaal bekeerde mensen in die gemeente? Nou, als je die hele brief leest, kom je er wel achter dat er vele waarschuwingen worden gericht aan degenen die anders wandelen. Aan leden van de gemeente die niet naar het Woord des Heeren wandelen. Mensen die wel ín de gemeente, maar niet ván de gemeente zijn. Dat is erg! Net doen alsof. Je kinderen laten dopen, belijdenis des geloofs doen, naar de kerk komen. En dan toch met je hart aan deze wereld verkleefd zijn. Dan leef je ten diepste als een heiden, al is het wat opgepoetst en al ben je wat anders in je manieren.

 

Maar u hebt het al vaker gehoord uit het Woord van God: er zijn maar twee wegen. We horen óf bij degenen die hier ‘kinderen des lichts’ genoemd worden, kinderen des dags, die niet meer in de duisternis leven; óf we zijn kinderen des nachts, kinderen der duisternis. Dat is erg! Dat is het ergste dat je op aarde kan overkomen. We kijken soms met medelijden naar mensen die lichamelijk of verstandelijk gehandicapt zijn en niet kunnen gaan en staan waar ze willen. Dan zeggen we wel: ‘Erg toch hè, als je zo door het leven moet.’ Maar dat is het ergste niet. Je bent misschien kerngezond en je kunt bergen werk verzetten. Misschien ben je fris en sterk en je komt nooit met een dokter in aanraking. Maar als je dan nog een kind der duisternis bent, ben je een erfwachter van de hel. Dan ben je zonder hoop in deze wereld, zonder een God op Wie je rekenen kunt in nood en dood.

 

Kinderen der duisternis, staat er. Waarom? Wel, omdat onze werken boos zijn. Onze werken kunnen het daglicht niet verdragen. En daarom stoppen we ze maar diep weg in ons eigen hart. Want schuld belijden, écht schuld belijden willen we niet met ons hart, en het komt ons ook niet over de lippen. Daarvoor hebben we altijd allerlei vrome uitvluchten.

Maar om voor God te zijn wie we werkelijk zijn – daar hebben we licht en genade voor nodig. Anders vluchten we altijd voor God wég. Dan blijven we zover mogelijk uit Zijn gezicht en uit Zijn hand. Dat is onze natuurlijke aard. Zo hebben onze eerste ouders het gedaan, en we zijn hun trouwe navolgers.

 

Al weten we diep in ons hart dat we ons voor God niet kunnen verbergen, toch hebben we allerlei uitvluchten die we gebruiken om maar niet eerlijk hoeven te zijn voor God. Soms zijn die smoesjes zó vroom dat ze een schijn van waarheid hebben. Herkent u dat van uzelf? Zulke mensen willen soms ook nog best over de waarheid spreken. En ze kunnen bepaalde gedachten uit de Bijbel lichten en daarmee bewijzen hoe diepongelukkig ze zijn, hoe volkomen verloren ze zijn. En ze weten goed dat er niemand is die naar God vraagt en dat niemand God zoekt. Ze zeggen: ‘De dominee moet maar goed oppassen dat hij de mensen niks in de handen stopt. Want de mens is dood van nature.’

Maar wat doen zulke belijders daarmee? Ze nemen nog een kopje koffie en dan gaan ze over tot de orde van de dag. Ze gaan ’s avonds slapen en misschien lezen ze nog een hoofdstukje en dan denken ze: Ziezo, ik heb mijn plicht vandaag gedaan. Ik kan mijn hoofd weer rustig neerleggen.

 

Dat is erg hoor! Dat is vreselijk! De waarheid te weten en dan niet ineen te krimpen onder die waarheid. Te zeggen de waarheid te geloven, want het staat toch in de Bijbel? En dan toch niet voor die waarheid te sidderen! Dat is verharding die over ons komt. Ik wil u eraan ontdekken, want we kunnen dan wel rechtzinnig zijn, maar deze rechtzinnigheid is van de duivel. Deze rechtzinnigheid laat u niet met schuldbesef buigen voor God. En u veroordeelt uzelf niet in het verborgen voor de Heere. U valt Hem niet te voet. Waarom niet? Omdat u stiekem in uw hart verwacht dat het nog weleens anders zal worden, dat het nog weleens beter zal worden. Soms zegt u het ook. Dan zegt u: ‘Ja, als de Heere overkomt, zal het in mijn hart wel anders worden.’ U kunt echter beter zeggen: ‘Als ik me nu eens tot God bekeer en van de zonden afstand doe en de Heere aanloop als een waterstroom, mogelijk zal Hij me horen.’

Het is altijd weer de schuld van de Heere. De Heere moet de eerste stap zetten, de Heere moet overkomen, en de Heere moet u een nieuw hart geven. Maar zo openbaart Gods genade zich niet! Als God genade schenkt, begint u niet te eisen: ‘Heere, dít moet U en dát moet U en zó moet U!’ Nee, als Gods genade in ons leven komt, beginnen we uit te roepen: ‘Ik heb Uw wetten overtreden, ik heb gedaan wat kwaad was in Uw ogen. Genâ, o God, genâ, hoor hoe een boeteling pleit!’ Daar begint de genade!

 

Nu, zulke mensen waren er gelukkig ook in Thessaloníca. En dan zegt de apostel: Zo laat ons dan niet slapen gelijk als die anderen, maar laat ons waken en nuchteren zijn. Slapen, daar wordt hier mee bedoeld: meedoen met die anderen daar in Thessaloníca, die nog in het heidendom voortleven. Meeleven met de wereld…

Maar dat is spelen met de dood, en daarom klinkt het: Laat ons niet slapen, laat ons waken zoals een schildwacht geroepen wordt om te waken. U weet wel: als een schildwacht in oorlogstijd in slaap valt, kan hij ter plaatse door de officier van de wacht worden gedood. Hij brengt immers het hele leger in gevaar! En wij leven in oorlogstijd, want we hebben een felle strijd op leven en dood met de duivel, de wereld en de zonden. We zijn geroepen om te waken, want we leven in het strijdperk van dit leven.

 

In de Bijbel staan voorbeelden van kinderen van God die gingen rusten zonder te strijden tegen de zonden, de wereld en de duivel. Simson was een kind van God, maar het letterlijk slapen in de schoot van Delila heeft hem zijn ambt en zijn leven gekost. We kennen allemaal de geschiedenis van David, en we kunnen daaruit weten wat het hem gekost heeft toen hij verslapte in zijn waakzaamheid en in de zonde viel.

 

Mensen zonder genade kunnen soms mooie dromen dromen, ook al zijn ze wakker. Dromen van een goede baan, van een mooi huis, van een lieve vrouw of van veelbelovende kinderen, van geluk en een paradijs op aarde. Maar u kent de geschiedenis van de rijke dwaas: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn (Luk. 12:20). Als u met zulke dromen uw tijd verknoeit, de genade van God veracht en uw eigen leven leeft, zult u eenmaal als uit een droom ontwaken in een verschrikkelijke werkelijkheid. En u zult horen: ‘Ik ken u niet, ga weg van Mij. U zocht Mij niet. U had Mij niet nodig. Ik heb u nooit gekend.’

 

Er zijn ook mensen die zichzelf heel rechtzinnig vinden en zeggen: ‘Dominee, u moet niet te veel aandringen op bekering, want God geeft het aan wie Hij wil. Een mens kan zichzelf niet bekeren. Het moet allemaal van de Heere komen, dus hoe zal ik er dan over denken om mijn hand in het werk van God te durven steken. God doet met het Zijne wat Hij wil.’ En dat lijkt dan erg vroom. Dat is één kant van de waarheid, maar het is een waarachtige waarheid als een leugen gebruiken! Zo ontworstelt u zich aan teksten in de Bijbel die op uw verantwoordelijkheid wijzen, maar zo bevrijdt u zich niet van de schuld die u gemaakt hebt.

 

U noemt deze redenering misschien ‘God vrijlaten’, maar zulk spreken is het werk van de duivel. De duivel wil graag dat u God ‘vrijlaat’. Waarom? Dan kunt u rustig uw aardse leventje leiden. En als u straks voor het gericht komt, kunt u zeggen: ‘Ja, Heere, ik kon er verder ook niets aan doen. Want U geeft het aan wie U het in eeuwigheid wilde geven. En wie kan Gods wil tegenstaan?’ U denkt toch niet dat u zó voor God zult kunnen bestaan? U denkt toch niet dat de mazen van het net zo groot zullen zijn dat u daar doorheen zult kunnen glippen. Dat meent u toch niet?

 

Maar waarom leeft u dan zo? Waarom leeft u dan van dag tot dag met de rechtzinnigheid op uw lippen, maar met een van God afkerig hart? Ten diepste wilt u niet uit genade gered worden. Ten diepste verwacht u toch nog dat er weleens iets uit ú zal voortkomen. Ten diepste verwacht u nog iets van uzelf. Als dat niet zo was, zou u als de tollenaar aan Gods voeten neervallen. Dan zou u zeggen: ‘Heere, help me. Heere, ik ben aan het zinken en aan het verdrinken. Ik ben verloren. Om Uws Naams wil, o God, toon mij Uw gerechtigheid.’

 

Paulus zegt van mensen die zo oppervlakkig spreken en denken, dat het lijkt alsof zij door de drank beneveld zijn. U hebt misschien allemaal weleens een dronken man gezien en gehoord. Bij dronken mensen zijn de hogere breincellen uitgeschakeld door de drank, zo zeggen de geleerden. En dan komt het lagere openbaar. Daarom, dronken mensen kunnen walgelijk zijn. Ze kunnen walgelijk lief doen zodat je zegt: ‘Ga weg, je meent er niets van, je bent dronken.’ Of ze voelen zich zo sterk, dat ze zeggen: ‘Kom maar gerust, ik ben voor honderd man nog niet bang.’ Ze hebben het altijd mis. Ze zien de werkelijkheid niet. Ze waggelen, maar zeggen: ‘Ik kan wel van hier naar Amsterdam lopen.’ En ze vallen tegen elke boom of in elke sloot.

 

Zo zijn er ook geestelijk dronken mensen. Die denken dat ze alles kunnen en dat ze nog tijd genoeg hebben. Ze denken dat ze hun leven wel kunnen veranderen, en als ze niet meer wíllen zondigen, ook niet meer zúllen zondigen. Die denken dat ze zelf de hemel kunnen veroveren. Want ze doen toch alles wat ze kunnen? Paulus vergelijkt hen bij dronkaards. Hij zegt: Zo laat ons dan niet slapen, gelijk de anderen, maar laat ons waken en laat ons nuchter zijn. Want die slapen, die slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken (1 Thess. 5:6-7). Het zijn nachtmensen. En een nachtmens weet niet waar hij heengaat. Hij denkt de goede weg te bewandelen. Hij denkt zo altijd wel door te kunnen gaan, totdat God zegt: ‘Tot hiertoe en niet verder.’

 

De duivel speelt zijn spel om ons op allerlei verschrikkelijke manieren de slaap des doods te laten slapen. Hij wil dat we blijven voortleven, zonder te grijpen naar de dingen die eeuwigheidswaarde hebben, zonder ons in te spannen. We zien geen gevaar en we zeggen: ‘Morgen, later misschien.’ En dan worden we overrompeld, dan worden we in de nacht overrompeld. Want de duivel slaapt niet, hoor! Hij is de werker in de nacht. De duivel speelt zijn spel in de nacht. Hij wordt in de Bijbel de ‘vorst der duisternis’ genoemd. Zo wordt hij niet alleen genoemd omdat hij zwart is, omdat hij alles doet wat vuil is, maar dat betekent ook dat hij speciaal in de nacht erop uit gaat. Hij durft zich, net als het ongedierte, niet in het daglicht te vertonen, want dan loopt hij in de gaten. Daarom komt hij in de nacht, de nacht waarover ik u zojuist gesproken heb. De nacht waarin we ijdele eer zoeken, wereldzin en zondelust. Misschien doen we dat onder een vernisje, misschien onder een ordentelijk kerkelijk leven. Maar toch met een werelds hart.

 

En nu moet u dat zelf voor Gods aangezicht uitzoeken. U moet u laten onderzoeken door het Woord van God of u misschien ook zo’n kind des nachts bent.  Want nu bent u hier wel met Gods heiligen samen vergaderd, maar als volgende week het Avondmaal bediend wordt, blijft u zitten. Natuurlijk blijft u zitten! ‘Want die mensen tegenwoordig, die lopen zomaar aan het Avondmaal’ zegt u. En u begrijpt niet dat u met uw zittenblijven uzelf kenmerkt, erger nog dat u uzelf brandmerkt als een kind der duisternis. Want wie hier niet met Christus aan kan zitten aan de tafel, kan ook niet zonder verschrikken voor de rechterstoel van Christus verschijnen.

Houdt u daar rekening mee? Laat dat zwaard maar diep in uw ziel gaan. Laat dat Woord van God u maar beproeven. Het wordt tijd, het wordt hoog tijd. Misschien bent u al veertig jaar. Misschien al zestig. Misschien zie ik u al met witte haren. En dan onverzoend met God? ‘Ik weet geen ongelukkiger mens’ zegt een van onze vaderen ‘dan een mens met een grijs hoofd en een onbekeerd hart.’ Denk daar eens over na.

 

De Bruidegom komt! Ga uit Hem tegemoet! Het wordt Avondmaal. Hoe is uw houding ten opzichte van Hem? Laat ons dan niet slapen. Wat dan? Maar wij die des dags zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde (1 Thess. 5: 8). Nuchter zijn, dat betekent: waakzaam zijn, oppassen. De vijand slaapt niet. En dat betekent ook: je tot de strijd aangorden. Het staat hier zo schoon in dat achtste vers: nuchter zijn. Je niet laten bezwijmelen door de god dezer eeuw die de zinnen verblindt. En je moet iets doen. Iets doen? Ja, je moet iets doen: Je moet aandoen het borstwapen des geloofs.

 

Als hier over wapenen gesproken wordt, zijn dat altijd defensieve wapenen. Er staat niet: Je moet je zwaard trekken of je moet een lans pakken of je moet met een boog schieten. Maar er staat: Je moet het borstwapen aandoen. Dat is een schild. U hebt het natuurlijk op oude plaatjes of in een museum weleens gezien. Vroeger toen ze nog met pijl en boog schoten om elkaar te doden, hadden ze schilden. Dat weet u natuurlijk allemaal. Schilden van leren huiden, schilden van koper. Salomo en David hadden zelfs gouden schilden. En die schilden waren er om het lichaam te bedekken tegen de vurige pijlen van de vijand die soms in vergif gedoopt waren. Maar geen geweer en geen zwaard en geen spies.

Nee, geliefden, nee, wij hoeven niet aan te vallen. Dat heeft Christus gedaan. Hij heeft satan de kop vermorzeld. Dat hoeven wij niet voor de tweede keer te doen, maar we moeten  ons wel beschermen. Maar waarmee dan? Hebben we dan iets om onszelf te beschermen? Ja, hier staat het: God geeft ons een schild, maar dat schild moeten we dan wel gebruiken. En wat is dat schild dan, dat borstwapen? Wel, dat is het geloof; en dat geloof moeten we als een schild gebruiken. Dat geloof moet gelóven, dat moet werkzaam zijn. Het moet actief zijn in het beschermen van onszelf en van ons bestaan tegen de vurige pijlen van de satan.

 

Maar, u weet het wel: geloven is niet iets wat je zomaar zelf even maakt. Maar dat hoeft ook niet. Geloof krijg je van God, het geloof namelijk in de Heere Jezus Christus. Dat geeft God aan wie het nederig van Hem vraagt. Het geloof is dus niet een prestatie die je aanstaande zondag mee moet brengen, ergens vandaan. Nee, het is iets wat God u gegeven heeft en waardoor u de werkelijkheid bent gaan zien. U zag uw vijand, maar ook uw Redder.

Hebt u dat in uw leven gezien? Hebt u in uw leven gezien dat uw zonden uw grootste vijand waren? Heeft Gods Geest u daaraan ontdekt? En bent u toen bang geworden voor uw zonden? Hebt u toen God gezworen dat u afscheid begeerde te nemen van uw zonden? En hebt u ze beweend aan de voeten des Heeren? Uw zonden, uw ongeloof. Altijd wierp u de schuld op God; u meende altijd dat u wel graag goed wilde zijn, en dat u alles gedaan had wat u kon. Wat wil de Heere nu nog meer van u eisen?

Maar toen God u ontdekte, zag u de werkelijkheid. Toen zei u: ‘Nee, Heere, ik heb U nooit liefgehad. Ik heb mijn eigen werk verdedigd. Ik heb U altijd gezien als een harde, onbuigzame Heere. Ik had U eigenlijk nooit lief. Ik was wel bang van U en ik wilde wel veel dingen doen om van de straf af te komen, maar diep in mijn hart wenste ik dat er maar geen God was. En dat ik maar eeuwig zou mogen blijven leven zonder ooit voor Gods rechterstoel te hoeven verschijnen.’

 

Maar toen God uw leven binnenkwam met Zijn genade, is dat veranderd. Toen is het omgekeerd. Toen bent u bekeerd, omgekeerd. Toen hebt u andere gedachten gekregen van uzelf en andere gedachten van God. Toen is gebeurd wat hier staat: toen heeft God u een borstwapen gegeven. Hij zei: ‘Hier heb je een wapen om je te beschermen tegen al de aanvallen van de boze.’ En u merkte dat dat waar is. Dat is het geloof. Het geloof in Gods genade. ‘Voor mij, Heere, voor mij? Mag ik terugkomen? Mag ik een plaatsje hebben in het huis van mijn Vader? Heere, ik ben het niet waardig en ik heb het niet verdiend. Maar, o, bent U zo genadig en zo barmhartig? Wilt U mij hebben, een verloren zondaar die het verknoeid heeft van HemHdag tot dag? Mag ik terugkomen, Heere? Roept U mij werkelijk? Hebt U geen lust in mijn dood, maar hebt U daarin lust dat ik mij tot U bekere en leve? Ach, Heere, neem dan mijn leven. Laat het toegewijd zijn aan Uw eer. Houdt Gij mijn handen beide met kracht omvat, wees Gij mij een vast geleide op het smalle pad.’

 

Dat hebt u toen gebeden, nietwaar? Dat hebt u toen van ganser harte gebeden! U hebt geweend en geschreid over uw verlorenheid. Maar u hebt nog meer geweend over de barmhartigheid van God die u toen ook zag. En toen heeft God u dat schild gegeven. Ach, hoe menigmaal – vooral in dagen van strijd en verzoeking – laten we dat schild liggen alsof God ons dat geloof níet gegeven had.

Als we ons opmaken om aan de tafel des Heeren te verschijnen, zal de vijand zich ook opmaken om alle vurige pijlen waarover hij beschikt op onze ziel af te vuren. Hij zal het geloof trachten weg te nemen in ons persoonlijk leven. Hij zal ons geloof onder zoveel zonden willen bedekken dat we er niet meer onderuit kunnen komen.

Maar dan zegt de Heere: ‘Ik heb je toch een schild gegeven? Waarom geef je het de duivel dan toch zo vaak gewonnen? Waarom weer je die pijlen van de duivel niet af?’ U zegt: ‘Maar Heere, ik ben toch machteloos?’ ‘Nee,’ zegt Hij, ‘je bent niet machteloos. Ik heb je een schild gegeven.’ Dat is het schild des geloofs. Dat hoeft u niet zelf te maken, daarvoor hoeft u geen krachtsinspanning te leveren, maar het is een u gegeven schild. De Heere heeft het in uw hand gegeven. Hij zegt: ‘Hier, hier is het geloof. Vertrouw nu maar op Mij. Ik zal voor je zorgen. Jij bent van Mij en Ik ben je Heere en je Redder, je Zaligmaker en je Verlosser.’

 

Is daar uw oog voor geopend? Hebt u zo weleens een blik in Gods vriendelijke ogen geslagen? Hebt u zich zo aan Hem toevertrouwd voor tijd en eeuwigheid? Hef dan dat schild omhoog. Het is toch geen schande als iemand niet kan strijden. Laat hij dan achter het schild wegkruipen ter bescherming van zijn leven! Het is daarom voor u ook geen schande om te zeggen: ‘Ik ben arm en naakt, hulpeloos en verloren, maar ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp.’

Kom dan maar. Kruip dan zo maar naar die tafel toe en houd dat schild maar voor ogen: ‘Heere, ik geloof. Ik geloof in U, in Uw liefde en in Uw genade, in het gebroken brood en in de vergoten wijn. Ik geloof dat U voor mij, in mijn plaats, in het gericht Gods gestaan hebt om mijn straf te dragen.’ Wie zo komt, die zal door God niet worden uitgeworpen.

 

En tot een helm de hoop der zaligheid (1 Thess.5:8). Een paar woorden daarover, nadat we gezongen hebben uit Psalm 44:2.

 

Hun zwaard deed hen dit land niet erven;

Hun arm deed hen geen heil verwerven;

Maar Uwe rechterhand, Uw macht

Heeft hun dien voorspoed toegebracht;

De glans van 't Godd'lijk aangezicht

Heeft hen de zege weg doen dragen;

Want Gij omscheent hen met het licht

Van Uw genadig welbehagen

 

2.

Hoort u het: niet óns zwaard, maar het licht van Gods genadig welbehagen. Daardoor zijn we meer dan overwinnaars! Door Hem, Die ons heeft liefgehad!

 

En tot een helm de hoop der zaligheid. Een mens zonder hoop is de ongelukkigste mens op de wereld. Een mens zonder hoop is een verloren mens. Maar Gods kinderen worden wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, zegt Petrus.

Nu, Petrus wist er wat van, toen hij Jezus had verloochend en gezegd had: Ik ken Hem niet (Matth. 26:72). Toen hij met een vloek afscheid van Hem genomen had, lag hij te kreunen onder zijn zonden en leek er geen hoop meer te zijn. Jezus was dood, en Petrus was verloren. Maar toen is Jezus opgestaan en Petrus is mét Hem opgewekt uit de dood. En Hij is van Simon gezien (Luk. 24:34). Toen hoopte Petrus weer en toen geloofde hij weer. Toen heeft Christus die helm der hoop weer op Petrus’ hoofd gezet om al die vurige slagen, de vurige pijlen en de harde slagen van de vijand te kunnen trotseren.

 

In die oude tijden was men beschermd tegen de slagen van een zwaard als men een helm droeg. Nu, God schenkt al Zijn kinderen een levende hoop. Een hoop op Zijn genade. En wat moeten we met die hoop, die levende hoop, doen? Wel, die moeten we als een helm opzetten. Die moet op ons hoofd staan. Daar moeten we ons mee bedekken tegen al de slagen van de vijand. De vijand kan wel hard en gemeen slaan, maar de helm van die levende hoop laat geen slag door. Dat is de hoop die God in onze ziel gelegd heeft dat Hij mijn God is, mijn Redder, mijn Levensvorst Die om mijnentwil in de dood ging. En die hoop kan de duivel niet vernietigen. Die kan hij met zijn vurige pijlen niet verdelgen.

Het gaat weleens langs het kantje af. Het is soms zo dat ik moet zeggen: ‘Heere, nu ben ik zo moe. Moe van de strijd, moe van de tegenslagen, moe van mijn eigen zonden, moe van de wereld. Mijn God, waar is mijn hoop, mijn moed gebleven? Ik zal nog vergaan in al mijn smart en rouw. Maar Heere, helpt U mij.’

En al gaat u dan, zoals Christen in het boek van Bunyan ‘De Christenreis naar de eeuwigheid’ door het dal van de schaduw des doods – en denk daar niet licht over – dan is daar toch de hoop die ons er door helpt. Die hoop laat ons niet verzinken in lijden of sterven, want het is een onvergankelijke hoop op God, op Gods genade.

Welnu, die helm moet op ons hoofd staan. Zodat die vurige pijlen, die harde slagen van de vijand, ons niet kunnen treffen.

 

Ik ga er nu niet verder op in, maar het staat wel in onze tekst en het hoort erbij: Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid door onze Heere Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, tezamen met Hem leven zouden (1 Thess. 5:9-10). Daar hebt u de levende hoop! De grond van onze levende hoop is Hij, Die om mijnentwil de dood is ingegaan!

Door die hoop kon David Goliath tegemoet gaan. Goliath zei: ‘Kom hier en ik zal je vlees aan de vogelen des hemels tot spijze geven.’ Wat antwoordde David toen? Zei hij: ‘Gij komt tot mij met een zwaard, een schild en een spies, maar ik kom tot u met mijn slinger’? Zei hij dat? Nee, David zei: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van de Heere der heirscharen, de God der slagorden van Israël, Die gij gehoond hebt (1 Sam.17:45). En David behaalde de overwinning!

 

Als wij aan het Avondmaal genodigd worden en we zien al die reuzen tegenover ons, al die tegenspoeden die op onze weg liggen – mogelijk ook in deze week wel – laten we dan die kracht van God zoeken en zeggen: ‘Die Goliath komt wel met een zwaard, een schild en een spies, en hij lastert onze God, maar ik wil Hem eren, ik wil Hem liefhebben.’

Al die binnenpraters én de wereld én de duivel én die mensen die u liever niet aan het Avondmaal zien gaan, kunnen net zo hoog voor u staan als Goliath! Wat moet u dan? Zeg dan tot die Goliath: Ik kom tot u in de Naam van de Heere, de God van de slagorden van Israël Die gij gehoond hebt. Daar is moed voor nodig, ja, maar deze moed komt niet voort uit het vertrouwen op zwaard of spies, maar uit het geloofsvertrouwen op de gerechtigheid van Jezus Christus!

We komen niet aan deze Maaltijd om te vertellen hoe goed we het voor God gedaan hebben en hoe bekeerd we zijn. Maar we komen om bedekking te zoeken achter dat Schild. Gewapend met het geloof in de gerechtigheid van de Ander. Verstaat u dat toch goed! Denk daar deze week maar veel over na. Hoe nederiger, hoe hulpelozer u bent, hoe meer u het Avondmaal nodig hebt! Hoe leger u bent in uzelf, des te heerlijker wordt de genade die in Christus Jezus is voor u.

 

Denk er ook over na als u nog nooit aan het Avondmaal geweest bent! Schuif het niet bij voorbaat van u af. En zeg niet: ‘Mij zullen ze daar niet zien.’ Worstel ermee. Zeg tegen de Heere: ‘Heere, hoe moet dat nou? Nu ben ik al 30 jaar, ik ben al 10 jaar lid van de gemeente, of al 50, of al 80 jaar. Moet ik nu zo sterven? Moet ik dan als een ongelovige voor eeuwig verloren gaan?’ Zo dicht bij het water en dan niet gedronken? Zo dicht bij Jezus dat je Hem kunt aanraken, en dan in de bank blijven zitten? Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd (1 Petr. 5:6). Kruip naar Hem toe met de last van uw ongerechtigheid. God is gewillig! Hij kwam niet om rechtvaardigen te roepen. Waar of wanneer heeft Hij een zondaar laten staan in zijn nood of laten sterven in zijn verdriet? Nooit! Nergens! Hij heeft Zich over de armen ontfermd!

 

Kom tot Hem, allen die vermoeid en belast zijt. U, die zegt: ‘Ach, ik heb weleens Zijn genade mogen smaken. Ik heb Zijn liefde in mijn hart weleens ervaren. Maar het is zo lang geleden. Het is er zo ver vandaan.’ Wel, de rivier van God is vol water. Hij is gereed om het uit te delen. Hij is gekomen om naakten te kleden, om hongerigen te voeden.

Jezus zegt: Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank (Joh. 6:55). Hij nodigt hongerigen en dorstigen naar Zijn gerechtigheid. In welke stand van het leven – als ik dat zo eens zeggen mag – u dan ook bent: juist kleine lammetjes hebben drinken nodig. Juist kleine kinderen hebben de meeste verzorging nodig.

Welnu, als u dan een kind van God mag zijn, als u gelooft Zijn stem gehoord te hebben en als een verlorene aan Zijn voeten bent neergezonken, dan is voor u het Avondmaal tot versterking van het zwakke geloof.

De Heere wordt immers verheerlijkt door aan armen uit genâ Zijn hulpe ter verlossing te tonen. Hij slaat uw zielen gâ. Als u geweld en list bestrijden, al gaat het nog zo hoog, uw bloed, uw tranen en uw lijden zijn dierbaar in Zijn oog. Het Avondmaal is voor u die hongert en die dorst naar de gerechtigheid. U bent voor God en voor Christus een sierlijke kroon, indien u slechts komt om u te laten bedienen.

 

Maar wee u, als u met een onverbroken hart, met onbeleden zonden en met een werelds hart het deel der kinderen neemt. God heeft er het oordeel over uitgesproken: dan verhardt u zich tegen alle roepstemmen van God. Buig liever neer, val liever aan Zijn voeten, belijd liever uw zonden. Want Hij heeft het gezegd en Zijn woord is nog even geldig, als toen Hij het Zelf uitsprak: Die zijn zonden belijdt en laat, die zal barmhartigheid geschieden.

 

En u, voor wie Christus alles geworden is: zie uit naar de volgende zondag en verlang ernaar! Scheld de duivel, dan zal hij van u vlieden. En nestel u in de armen van uw Zaligmaker. Dan zult u Hem wederom zien en uw hart zal verblijd zijn!

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 68:6

 

De koningen, hoe zeer geducht,
Zijn met hun heiren weggevlucht;
Zij vloden voor Uw ogen;
De buit van 't overwonnen land

Viel zelfs den vrouwen in de hand,
Schoon niet mee uitgetogen.
Al laagt g', o Isrel, als weleer,

Gebukt bij tichelstenen neer,
Toen gij uw juk moest dragen,
En zwart waart door uw dienstbaarheid,
U is een beter lot bereid:
Uw heilzon is aan 't dagen