Ds. D.W. Tuinier - Johannes 1 : 46 - 50

Jezus en Nathánaël

Jezus gepredikt
aan Jezus geërgerd
over Jezus verwonderd
Jezus beleden

Johannes 1 : 46 - 50

Johannes 1
46
Filippus vond Nathanael en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth.
47
En Nathanael zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide van hem: Kom en zie.
48
Jezus zag Nathanael tot Zich komen, en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israeliet, in welken geen bedrog is.
49
Nathanael zeide tot Hem: Van waar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u.
50
Nathanael antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israels.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 86
Lezen : Johannes 1: 44 - 52
Zingen : Psalm 25: 7 en 10
Zingen : Psalm 77: 8
Zingen : Psalm 89: 8

Gemeente, de Heere komt in deze dienst tot ons met Zijn boodschap, Zijn Woord, en wel in de geschiedenis die ons zojuist is voorgelezen uit Johannes 1, vanaf vers 44. Ik vraag met Gods hulp uw aandacht voor de verzen 46 tot en met 50. Ik stel voor dat we alleen vers 50 nog een keer met elkaar lezen:

 

Nathánaël antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israëls.

 

Het thema van de preek luidt: Jezus en Nathánaël.

Vier aandachtspunten:

  1. Jezus gepredikt;
  2. aan Jezus geërgerd;
  3. over Jezus verwonderd;
  4. Jezus beleden.

 

Het thema van de preek is dus: Jezus en Nathánaël. Als u nog eens vluchtig kijkt naar de verzen 46 tot en met 50, dan ziet u de vier punten vanuit dit Schriftgedeelte naar u toe komen: Jezus gepredikt (vers 46), aan Jezus geërgerd (vers 47), over Jezus verwonderd (de verzen 48 en 49) en Jezus beleden (vers 50).

 

Gemeente, er gebeuren heel grote, mooie dingen daar bij de Jordaan. Het is een heerlijke tijd. De vriend van de Bruidegom, de heraut van de Koning – Johannes de Doper, de zoon van Zacharías en Elizabet – preekt daar elke dag.

Het gaat in deze dienst niet zozeer om Johannes’ prediking, maar over het wonder dat hij een bruid mag werven voor de hemelse Bruidegom. Er gebeurt wat onder zijn prediking. Welke evangeliedienaar ziet daar niet naar uit? Niet alleen zaaien, maar ook het gezaaide zien ontkiemen en opkomen. Dat gebeurt daar, omdat Gods Geest werkt onder Johannes’ prediking van bekering en vergeving van zonden. De mensen komen in beweging. Er gebeurt wat: dorre doodsbeenderen – want dat zijn we toch – gaan bewegen; die komen in beroering. Er komt nieuw, geestelijk leven.

 

Twee vissers, twee vrienden – Andréas en Johannes – worden onder de prediking van de Doper overtuigd van hun zonden en schuld. Maar ze worden ook overtuigd van gerechtigheid. Ze mogen voor het eerst in hun leven hun zaligheid buiten zichzelf zoeken én vinden in de Zaligmaker van zondaren. En ze worden Zijn discipelen. Ze mogen bij Hem komen en onderwijs ontvangen. Ze mogen in Hem alles vinden wat tot hun zaligheid nodig is. Johannes beschrijft het op zijn oude dag in zijn Evangelie. Geen leed zal het ooit uit zijn geheugen, uit zijn ziel wissen. Ik weet nog precies hoe laat het was toen ik, samen met Andréas, voor het eerst aan de voeten van de Zaligmaker mocht ervaren dat Hij mijn leven is. Het was omtrent de tiende ure, schrijft hij in vers 40.

En als vrucht van het Jezus mogen volgen en aan Zijn voeten mogen zitten, gaan ze ook vrienden en bekenden aansporen, stimuleren, motiveren en activeren om bij Jezus te komen. Zo lezen we in vers 43 van Andréas dat hij zijn broer Simon overhaalt en meeneemt naar Jezus: En hij leidde hem tot Jezus.

Mensen komen in beweging. Wat zien we daarnaar uit, gemeente. Gebeuren ze ook nog onder ons, deze heerlijke dingen? God is Dezelfde.

 

In vers 44 lezen we dat Filippus door Jezus wordt gevonden. En Filippus wordt op zijn beurt weer het middel voor Nathánaël. We lezen in vers 46: Filippus vond Nathánaël – en dan komt het – en zeide tot hem: Wíj hebben Dien gevonden (…).

‘Wij hebben’ – niet ‘ik’, maar ‘wij’. Hier hebt u het gemeenschappelijke. We zijn toch een gemeente? U hebt toch iets gemeenschappelijks? U mag niet voor uzelf leven. U moet niet alleen op uzelf gericht zijn. WijJohannes en Andreas; en Andreas heeft zijn broer Simon meegenomen. Wij hebben Dien gevonden. De gemeenschap der heiligen wordt hier al beoefend.

U proeft hier iets van de vreugde, de blijdschap, de verwondering. Filippus staat daar als het ware te springen van vreugde. U proeft hier ook iets van de ootmoed. Wij hebben Díen gevonden. Als we iets missen wat voor ons geen waarde heeft, dan zullen we het niet zo snel gaan zoeken. Maar u proeft hier iets in van: Wij zijn missers geweest van Jezus en we zijn zoekende gemaakt. We hebben Hem gezocht en nu hebben we Hem gevonden, Nathánaël!

Misschien hebt u vorige week iemand ontmoet of gaat u deze week iemand ontmoeten en mag u zo’n Filippus zijn. Ik bid u toe, en mezelf ook, dat we een Filippus mogen zijn, dat u morgen voor de klas of op uw werk of in uw gezin en ik in mijn gemeente zullen zeggen: ‘Kom, ga met mij, en doe als ik. Ik heb Hem gevonden.’ Als u of als jij zulke vrienden hebt, dan feliciteer ik u en jou. Daar bent u heel goed mee.

Wij hebben Dien gevonden. Ik heb de Parel van grote waarde gevonden. Ik heb de Schat in de akker gevonden. Ik ben schatrijk en zielsgelukkig. Ik heb alles verloren, maar ik heb Dien gevonden.

 

Dan moeten u en ik ook hetzelfde proberen te doen wat Filippus hier doet: heel dicht bij de Bijbel blijven. Niet met uw eigen verhaal komen. O, we stellen onszelf toch zo graag in het middelpunt, of wat dominee X of Y heeft gezegd. Filippus vertelt Nathánaël: Wij hebben Hem gevonden van Wie het Oude Testament vol staat. Op elke bladzij in het Oude Testament lees je over Hem, als je maar diep genoeg graaft en verlegen bent om licht en waarheid. Mozes heeft over Hem gesproken. Hij is het einde van de wet; Hij is de grote Wetsvervuller. De profeten en de patriarchen hebben Hem aangewezen en aangeprezen. De rol des boeks, Nathánaël, is met Zijn Naam vervuld.

Gemeente, blijf dicht bij de Schrift, anders verdwaalt u. En dan verzandt u in allerlei menselijke ideeën, gedachten, stellingen of dogma’s. Blijf dicht bij de Schrift; dat kunnen we van Filippus leren. En als u dicht bij de Schrift blijft, dan preekt u Christus.

Dat is onze eerste gedachte:

 

  1. Jezus gepredikt

Filippus mag dat doen: Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten – en dan komt die Naam – namelijk Jezus. Reken maar dat Nathánaël de ogen van Filippus heeft zien stralen van vreugde.

Als uw hart vol is van Jezus, dan loopt uw mond toch van Hem over? Kent u dat? Zijn Naam is Jezus, Nathánaël. Dat betekent: Zaligmaker, Hij Die redt, Hij Die behoudt. O, die Naam, Nathánaël, die gezegende Persoon, Zijn werk. Hij is het, den zoon van Jozef.

Gemeente, als het geloof in oefening en zo levend is, zo krachtig, dan is het vol, echt vol. En hier is het geloof in oefening. Filippus heeft van de Heere Jezus een plekje gekregen in groep 3 van Zijn school – u leert ook niet alles op één dag; daar doet u een leven lang over. Maar hij zit wel aan de voeten van Jezus. Hij heeft Hem gevonden. En u ziet dat hij in enkele zinnen heel veel zegt. Hij ziet alles in Jezus. Maar hij zit nog maar in groep 3, want Jezus ís niet de zoon van Jozef. Ziet u dat Filippus nog maar een gebrekkige en onvolkomen kennis heeft van Jezus? Maar dat is helemaal niet erg. God kan een gebrekkige preek gebruiken om Nathánaël bij Jezus te brengen, want het is hier wel écht. In elke geloofsoefening is zekerheid en vastheid. U moet niet denken dat Filippus hier twijfelt. Nee, het klinkt stellig: namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Názareth.

Gemeente, vraag het maar: Heere, mag ik ook zo’n Filippus zijn, voor mijn vrouw, voor mijn kinderen, voor mijn kleinkinderen, voor mijn klas, op mijn werk, in de gemeente? Mag ik zo’n Filippus zijn?

 

Het klopt exegetisch misschien niet helemaal, maar er gaat wel veel van Filippus uit. Wat me zo opvalt, is dat Filippus alleen maar goed en groot van zijn Koning spreekt. Het doet wat met Nathánaël. Hoewel: in vers 47 zien we dat Nathánaël zich niet zomaar laat overtuigen. Nathánaël is een man die de Heere vreest; dat zal straks blijken. Maar er is iets wat hem dwarszit.

Wat is dat dan? Wel, Nathánaël hoort – mag ik het zo zeggen – bij het adventsvolk. Hij ziet uit naar de Zaligmaker, naar Zijn komst in de wereld, en hij gelooft ook vast dat de Messias komen zal. Maar wat hem dwarszit, is dat de Zaligmaker uit Názareth komt. Dat gelooft hij niet. Dat gaat er bij hem niet in. Dat strookt niet met de oudtestamentische gedachten, ideeën en verwachtingen die hij van de Zaligmaker en van zalig worden heeft. Kan uit Názareth iets goeds zijn?

We letten erop in onze tweede gedachte:

 

  1. Aan Jezus geërgerd

Het klinkt wat geërgerd uit zijn mond. Je kunt me nog meer vertellen, Filippus, maar kan uit Názareth iets goeds zijn? Nee toch? Dat weet je wel beter, Filippus. Dat is toch algemeen bekend? Názareth ligt in Galiléa. Wij zouden zeggen: in Drenthe, of in Limburg. Daar wonen veel mensen die in ieder geval niet bij de Biblebelt horen. In het Galiléa der heidenen wonen slechte mensen, Filippus. Dat weet je toch? Nee, als je nu zou zeggen dat de Messias uit Jeruzalem komt, of uit Bethlehem ... Heeft de profeet Micha dat niet geprofeteerd: En gij, Bethlehem Efratha! (Mich.5:1)? Dán, ja, dán zou ik het wel geloven. Maar Názareth? Nee! Nee, kan uit Názareth iets goeds zijn? Daar wil hij niet aan.

 

Gemeente, het is op zich natuurlijk te prijzen dat Nathánaël niet alles voor zoete koek slikt. Beproeft de geesten, of zij uit God zijn (1Joh.4:1). Nathánaël, daar doe je goed aan. We lezen in de Handelingen over de gemeenteleden van Beréa dat zij edeler waren dan die van Thessaloníca. Waarom? Omdat zij dagelijks de Schriften onderzochten of deze dingen alzo waren (Hand.17:11).

Nathánaël gaat dus niet over één nacht ijs. En met de Schrift, met de oudtestamentische boekrollen in zijn hand, zegt hij: Filippus, je kunt me niet overtuigen, man! Kan uit Názareth iets goeds zijn?

We zien hier een gebrekkige kennis bij Gods kind Filippus. En Nathánaël heeft ook zo zijn eigen gedachten over zalig worden en over de Zaligmaker; hij schiet óók nog tekort.

Nathánaël, de Zaligmaker komt wel degelijk uit Názareth. Dat is oudtestamentisch geprofeteerd. Daar heb je heel je leven overheen gelezen, of daar ben je nog blind voor. Want Jesaja, de evangelist van het Oude Testament, heeft toch gezegd dat er een Rijsje, een Nazaréner, zou voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï? En een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen (Jes.11:1). En het volk, dat in duisternis wandelt – het Galiléa der heidenen, de stammen van Zebulon en Nafthali – dat volk zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen (Jes.9:1). Hoe kun je dan vragen: Kan uit Názareth iets goeds zijn? Versta je dit dan niet? Heb je er altijd overheen gelezen?

 

Gemeente, ik hoop dat u zich in Nathánaël herkent. Want een Jezus uit Názareth, die willen we niet. Ik wil niet zalig worden zoals Jezus dat wil. Maar Jezus komt wel uit Názareth en niet uit Jeruzalem, niet uit een beroemd dorp of een bekende stad. Hij is opgegroeid juist in dat verachte, onedele, geringe Názareth, het plaatsje dat bij de godsdienst in Jeruzalem en bij rijke en zelfvoldane mensen niet in tel is. Dat is nu juist evangelie voor u als u door Gods Geest en genade erachter gekomen bent dat u moet zeggen: Kan uit mij, uit mijn hart, ooit nog iets goeds voortkomen? Nee.

Verstaat u dat? Dat is niet aangenaam voor u; daar zit u niet op te wachten. De prediking van het evangelie van Jezus Christus is niet vleiend voor u; die houdt niets van u heel en overeind. Dan moet u leren: Hij komt uit Názareth.

Nathánaël begrijpt dat nog niet; daar heeft God hem nog geen licht over gegeven. Maar het is wel evangelie. Nathánaël vraagt: Kan uit Názareth iets goeds komen? Ja! Juist uit Názareth komt het Goede, het Beste: Jezus. En Hij gaat naar Golgotha. Boven Zijn hoofd aan het kruis zal een bordje hangen: Jezus, de Nazaréner, de Koning der Joden (Joh.19:19). Zijn gehele leven zal dat een spotnaam zijn, een scheldnaam, een ergernis voor de bezittende klasse, de godsdienstige mens, voor hen die niet weten dat ze uit het Galiléa der heidenen komen. Die zijn daar bovenuit gegroeid en vinden dat eigenlijk maar zwaarmoedig. Ze snappen er niets van, of willen het niet begrijpen.

Maar als u leert: het is niets met mij en het zal nooit wat met me worden, o, dan is dit voor u evangelie. Want Jezus zoekt nu juist dat Galiléa der heidenen op. Hij gaat naar Drenthe, en Hij gaat naar dat roomse Brabant, en Hij gaat naar Limburg – Hij gaat naar het Galiléa der heidenen. Van Hem geldt ten volle: ‘Voor elk, die in het duister dwaalt, verstrekt deez’ zon een helder licht.’

 

Aan Jezus geërgerd – hebt u dat nooit eens? Dat hebt u toch ook weleens gehad? Misschien wel toen u of jij nog heel jong was en een dominee een afsnijdende prediking bracht waarin er van u of jou niets overbleef. U dacht mogelijk al heel wat bij elkaar geschraapt te hebben, zoals de rijke jongeling, om vervolgens te moeten leren een vijand te zijn van vrije genade. Maar de Heere kan en wil ons ook leren, juist in die weg van nadere ontdekking waarin we alles moeten inleveren en niets meer overhouden, dat Hij van de hoogste waarde is en dat Hij alles voor ons wil zijn.

Gemeente, we kunnen makkelijk roepen: Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh.3:30), maar als God het u gaat leren, dan is het wel een weg tegen vlees en bloed in. Aan de andere kant: er komt zoveel liefde en genade in mee dat het ook een zoete weg is, een zielsprofijtelijke weg, een weg waarin God de eer ontvangt en Christus alle waarde krijgt.

 

Filippus is even uit het veld geslagen door de afwijzende reactie van Nathánaël; dat kunt u wel begrijpen. Ambtsdragers maken dat ook mee. Óf bruut, óf goddeloos, óf rechtzinnig, maar de mensen hebben altijd wel een weerwoord. En ze willen onder die klem vandaan. ‘Ik wil niet zalig worden zoals God het wil.’ Nee, dat willen we ook niet.

Maar Filippus denkt: ik kan mijn vriend niet overtuigen. Weet u wat hij zegt? En dat moeten wij ook maar doen, ambtsdragers en gemeenteleden. Hij zegt: ‘Kom mee.’ Dat is eigenlijk het mandaat van Filippus: Kom en zie.

Jongens en meisjes, Filippus spreekt zijn Meester na; kijk maar eens terug naar vers 40. Johannes en Andréas zoeken Jezus. Ze weten niet waar Hij woont en waar ze Hem kunnen vinden. Weet je wat Jezus dan uitnodigend zegt? Komt en ziet!

Als u opvoeder bent, vader of moeder, of u bent ambtsdrager of onderwijskracht, en u mag de Heere liefhebben, dan gaat u uw Meester nadoen. Dan gaat u uw Meester naspreken, niets meer en niets minder. Filippus gaat hetzelfde zeggen als zijn Meester. Daar gaat ernst, bewogenheid, teerheid en liefde van uit. En hij houdt vol. Dat moeten wij ook doen. Hij laat de moed niet zakken. Hij dringt als het ware bij Nathánaël aan, als een herder achter de kudde: Kom en zie. Ik kan je niet overtuigen, maar kom dan mee. Wie kan het beter tegen je zeggen en wie kan jou beter overtuigen, Nathánaël, dan Jezus Zelf?

 

Als je bij Jezus mag komen, dan raak je alles kwijt. Wat is dat heerlijk. Dan raak je je eigen gedachten over zalig worden, je kritiek, je vooroordelen en tegenstribbelen allemaal kwijt. Hoe heerlijk is het als je eens een ogenblik jezelf kwijt mag raken en je onvoorwaardelijk mag overgeven in Zijn handen, als je mag vallen in Zijn armen. Dat is het heerlijkste wat er is.

Kom en zie. Kóm en zie! Dat moeten we veel doen. Zult u het deze week doen? Zó staat u voor de catechisatiegroep. Zó bent u in uw gezin bezig met huisgodsdienst. Zó sta je voor de vereniging. Kóm en zie! Kom, ga met mij en doe als ik!

 

Kom en zie. In die weg komt God mee en dan zal de vrucht niet uitblijven. We gaan er eerst samen van zingen, Psalm 77 vers 8:

 

Heilig zijn, o God, Uw wegen;

Niemand spreek’ Uw hoogheid tegen;

Wie, wie is een God als Gij,

Groot van macht en heerschappij?

Ja, Gij zijt die God, Die d’ oren

Wond’ren doet op wond’ren horen;

Gij hebt Uwen roem alom

Groot gemaakt bij ’t heidendom.

 

  1. Over Jezus verwonderd

We lezen in vers 48 twee dingen over Jezus; die lezen we wel vaker van Hem: Jezus ziet en Hij spreekt.

Jezus zag Nathánaël tot Zich komen. Ziet Hij vandaag u en jou en mij tot Zich komen? Want Hij is toch niet veranderd? Jezus zag Nathánaël tot Zich komen. Daar komt er een, een die Hij van Zijn Vader heeft gekregen in de stilte van de eeuwigheid, als loon op Zijn middelaarsarbeid. Wat zal dat voor Jezus geweest zijn! Voor hem gaat Hij naar Golgotha. Jezus zag Nathánaël tot Zich komen. Nog even en Hij zal zeggen: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen – dat gebeurt nu – en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37).

 

Jezus zag Nathánaël tot Zich komen. Weet u waarom Nathánaël komt?

We moeten wel eerlijk zijn. We schrijven niets op rekening van Nathánaël. Want als wij vanuit onszelf tot Jezus moesten komen, gemeente, dan gebeurde het nooit; echt niet. Uit en van onszelf moeten we het maar nooit verwachten, geen enkel goed. Er is niemand die naar Hem zoekt en niemand die naar Hem vraagt. Dat is onze doodstaat getekend. Dus dat Nathánaël hier komt, of dat u vandaag voor het eerst of opnieuw bij Jezus komt, dat is altijd vrucht van het eeuwige, eenzijdige genadewerk van Hem, van Zijn trekkende liefde, van Zijn verkiezende liefde, van Zijn borgtochtelijke liefde, van Zijn toepassende liefde. Er komt niets van Nathánaël bij, en van u en mij ook niet.

Aan de andere kant: Nathánaël gaat wel in geloofsgehoorzaamheid met Filippus mee. Hij gaat wel in op die uitnodiging: Kom en zie.

Vindt u dat ook zo’n spanningsveld? Ik vind dat ook moeilijk. Als u komt, dan is dat omdat God u trekt. Maar u moet wel komen; u moet wel op die roepstem acht slaan. Is er, juist ook in de kerk, al niet zo vaak naar u geroepen en bij u op aangedrongen: Kom en zie? Als u niet komt, ja, dan is het uw eigen schuld. Want u bent wel voor honderd procent verantwoordelijk. De roep ‘kom en zie’ is welgemeend, ernstig, indringend en liefdevol; daar mankeert het niet aan. Wat moet God nu nog meer doen aan u?

Dat is een spanningsveld.

 

Jezus zag Nathánaël tot Zich komen. Hij kijkt en roept ook vandaag. En ook morgenochtend tijdens de dagopening op school, jonge mensen. Ook dan is de boodschap: Kom en zie. Dat is in twee woorden de nodiging van het evangelie: kom en zie. Wees welkom en overtuig jezelf. Dus we moeten doen wat ons opgedragen wordt: komen. Dan blijft het altijd een wonder dat God begonnen is. En dat wonder wordt steeds groter.

Daar komt Nathánaël. De ogen van de Zaligmaker zien hem. Dan zegt de Heere Jezus tegen degenen die om Hem heen staan, zodanig dat Nathánaël het kan horen: Zie en Hij wijst op Nathánaël – zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is.

Nu moet u niet denken dat Jezus een mens gaat verheerlijken, want dat is onmogelijk. Maar Hij prijst Zijn eigen werk. Hij zegt: Zie, het is echt waar, daar komt een Israëliet. Wat geeft Hij Nathánaël een erenaam. Want wie had deze naam van de Heere gekregen? Wie werd er een Israëliet genoemd, wie kreeg de naam ‘Israël’? Jakob, bij Pniël. In vers 52 herinnert Jezus ons aan de geschiedenis van Jakob te Bethel en Jakob te Pniël.

 

Een Israëliet. In Nathánaël was niets te prijzen, maar door Gods Geest heeft hij zichzelf leren kennen, is hij eerlijk en oprecht geworden. Hij was ook een mens die de aartsleugenaar, de bedrieger, de mensenmoorder van den beginne was toegevallen. Maar Gods Geest heeft hem zaligmakend bearbeid. Hij heeft zichzelf als een Jakob leren kennen. En Jakob betekent ‘leugenaar’.

Dat weet u verstandelijk ook wel; dat hebt u geleerd. Jullie ook, jongelui. Maar als de Heere met Zijn liefde in je hart komt en je hart verbreekt, dan komt datgene wat je tussen je oren hebt zitten en wat je hebt geleerd, in je hart. Dan kom je er werkelijk achter: ik ben een Jakob – ik ben een leugenaar. En dat vervult je met droefheid en smart. Want God, Die in je leven gekomen is en recht op je leven heeft, is het zo waard om geëerd, gediend en gevreesd te worden. Je krijgt Hem lief. Er komt een levende betrekking op Hem.

 

Misschien dacht u toen u de Heere Jezus leerde kennen aanvankelijk wel dat het er alleen maar beter op zou worden, dat u van een Jakob een Israël zou worden. Maar nee, dat Jakobsbestaan, dat neemt u een leven lang mee.

Weet u wat nu zo’n wonder is? Jezus komt uit Názareth en Hij geeft mensen uit Názareth, zulke Jakobskinderen, een andere naam. Simon wordt Petrus. Moet u het van Petrus verwachten, die rots in de branding? Nee, echt niet! Maar toch een Petrus. Jakob wordt een Israël, een vorst Gods.

Zo pronkt Jezus hier met Zijn kind Nathánaël, een Israëliet, een Jakobskind: Ik ben het goede werk van Mijn genade in hem begonnen en Ik heb van hem een Israël gemaakt. Ik heb hem eerlijk gemaakt en Ik houd hem oprecht, en klein, en ootmoedig.

Zo leert Nathánaël van genade te leven. Een Israëliet, in welken geen bedrog is – dat is een lofprijzing. U kunt wel begrijpen dat Nathánaël dat niet begrijpt. Kunt u het begrijpen dat God naar u omziet? Dat is toch een wonder? Als dat geen wonder voor u is, dan snap ik het niet. Dan moet u het nog maar eens bekijken, want God werkt altijd naar het wonder toe. En dat wonder wordt steeds groter.

 

Nathánaël vraagt: Van waar kent Gij mij? Eigenlijk staat er in de oorspronkelijke tekst dat Nathánaël verlegen is om nader onderwijs – hoe zit dat? Dat is geen ongeloof, maar verlegenheid. Van waar kent Gij mij?

De jonge Maria vraagt aan Gabriël, die tot haar kwam en Jezus’ geboorte aankondigde: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne? (Luk.1:34). Ik weet het niet. Ik zie het niet. Ik heb het niet. Wilt u zich nader verklaren?

Hebt u dat ook weleens gevraagd, net als de oude Elizabet? Als Maria bij haar op bezoek komt, dan weet ze: onder haar hart, in haar buik, daar is de Zaligmaker. Dat gelooft ze. Dan gaat ze haar lofzang zingen: Van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? (Luk.1:43).

Die twee woordjes: Hij tot mij. ‘Ik voor u, daar gij anders (…).’ Van waar kent Gij mij? Dat is de ware verwondering; daar heeft Gods Kerk straks een eeuwigheid voor nodig. U kwam tot ons. Wat bent U groot. Wat bent U alle lof en eer waardig.

 

Dan gaat Jezus iets doen. Hij doet dat zo onderscheiden. Gemeente, zullen we de weg van de Heere nooit inpassen in een systeem, van ‘zo en zo moet het en anders klopt het niet’? O nee, de Heere doet dat zo onderscheiden. Maar in elke weg die God met een mens gaat, ontvangt Hij de eer en gaat de zondaar buigen. Dat komt u in alle bekeringsgeschiedenissen tegen. De Zaligmaker krijgt dan waarde.

Hoe doet Jezus dat nu hier? Hij gaat iets over Nathánaël zeggen: Nathánaël, zal Ik je eens wat vertellen? Ik kende je al vanuit de eeuwigheid. Ik kende je al voordat Filippus je riep. Ik weet dat jij een vijgenboom hebt. Daar heb Ik je al gezien.

Hij ziet, Hij hoort en Hij spreekt. En wat ziet Jezus nu van ons?

 

Een vijgenboom is een nogal lage boom met een heel dicht bladerdak. De bladeren hangen bijna tot op de grond. Je kunt je onder die boom heerlijk ontspannen. Zeker rond de klok van twaalf uur is er verkoeling in zijn schaduw. Je kunt daar heerlijk tot rust komen en een fijn gesprek hebben.

Voor Nathánaël was het een bidvertrek; het was zijn binnenkamer. Daar heeft hij zijn knieën gebogen. Daar heeft hij zijn hart voor God uitgestort en zijn zonden voor de Heere beleden. Daar heeft hij gehongerd en gedorst naar Christus en naar Hem uitgezien. Niemand had Nathánaël daar gezien, maar God wel.

Een vijgenboom – een bidvertrek waar niemand (of heel weinig mensen) van weten. Want daar loop je niet mee te koop, toch? Kent u dat, moeders? Bij de strijk en tijdens het eten klaarmaken, wanneer het overdag stil is als de kinderen weg zijn en uw man aan het werk is. Er zijn toch moeders en vrouwen onder ons die een vijgenboom hebben, die een preek opzetten of eens een stukje lezen uit de Bijbel?

Stille tijd, gemeente: ’s avonds de smartphone uit, Gods Woord open, uw knieën buigen, dagboek erbij – stille tijd onder de vijgenboom.

Nathánaël dacht dat niemand het wist. Misschien denkt u ook wel dat niemand het weet. En ík weet het ook niet van u, maar er is Iemand Die het wel weet en ziet. Het kan weleens zijn dat u in de kerk komt en daar een preek hoort en dat u dan denkt: Het lijkt net alsof die dominee alles van me weet. Hij weet wat ik de achterliggende week onder mijn vijgenboom heb overdacht, waarmee ik bezig ben geweest; dat wordt vanaf de preekstoel verkondigd.

Maar die dominee weet niets van u. Gód weet van u af. Kent u dat? Dat is toch zo goed. Niet dat u daarmee nu direct die Parel van grote waarde, de Heere Jezus gevonden hebt, maar het is wel ván die Parel; het is wel ván Jezus. En dat is zo zoet en zo zalig.

 

Jezus zegt: Nathánaël, je hebt een vijgenboom. Dat is het middel. Ik heb je daar al gezien voordat Filippus je kwam roepen. En weet je wat nu nodig is, Nathánaël? Dat jij onder die vijgenboom vandaan komt. Niet om met jezelf te komen, maar Mijn werk moet worden verheerlijkt. Mijn genadewerk moet worden opgemerkt. Daar gaat het om.

 

Gemeente, die vijgenboom, hebben we die? U kunt ook zeggen dat de kerk uw vijgenboom is. En als er kerk is, dan bent u er. U moet wel onder die vijgenboom komen. En u moet er ook op z’n tijd weer vandaan komen. Dan komt Gods werk openbaar.

Daar willen we nog op letten als we stilstaan bij:

 

  1. Jezus beleden

Als Jezus tegen Nathánaël zegt dat Hij hem al gezien had voordat Filippus hem kwam roepen, is dat voor hem het middel waardoor de Zon doorbreekt. Zijn kritiek, zijn vooroordelen, zijn twijfels, zijn onzekerheid: alles moet wijken. Het geloof is zó levend en krachtig. En dan mag Nathánaël in één zinnetje (vers 50) meer zeggen dan al zijn broeders en zijn vrienden tot nu hebben gedaan. Want er is er nog niet één geweest die Hem ‘Rabbi’ genoemd heeft; Nathánaël is de eerste. Rabbi, mijn Meester. Hij die het zo goed wist, weet het dan opeens zo goed niet meer.

Gemeente, dat plekje bid ik u van harte toe. Er zijn veel mensen, ook dominees, die het allemaal weten. Maar hoe verder de Heere mij leidt naar de volgende groep, hoe meer ik erachter kom dat ik het helemaal niet weet. Als ik weer bevorderd mag worden, word ik alleen maar teruggezet. Ik ben een grote dwaas. Ik word steeds blinder en ellendiger, opdat Hij alles voor me zal zijn.

Rabbi, mijn Meester, ik ben Uw leerling. Wie wil er nu leerling zijn? Wie wil er nu leerling blijven? We willen op een gegeven ogenblik toch weleens een keer leerling-af zijn. Nee, op de school van de Heere Jezus word je nooit leerling-af. Je wordt ook nooit een groot mens of een bekeerde dominee. O nee, je wordt en je blijft arm in jezelf, ellendig, maar je mag wel op den Naam des Heeren betrouwen (Zef.3:12).

 

Dat afhankelijke leven bid ik u van harte toe. Want dan komt het vanuit de grond van uw bestaan, uit het diepst van uw ziel, net als bij Nathánaël: Rabbi, Gij zijt niet de Zoon van Jozef, maar de Zoon van God. God geeft hem zoveel licht en daardoor mag hij meer zien. Hij ziet in Jezus de Zoon van God. U bent de Immanuël. U bent Israëls gezalfde Koning. We gaan het straks samen zingen: ‘En onze Koning is van Isrels God gegeven.’ U bent dé Koning. ‘De’ – bepalend lidwoord. Hij spreekt niet in het algemeen; hij spreekt met Christus in het middelpunt.

U ziet hier geen lang bekeringsverhaal, zo van: ik heb dit beleefd en dat ervaren. Nee, het is een geloofsbelijdenis, als vrucht van die vijgenboom. Er gaat wel wat aan vooraf. Het gaat wel samen met een vijgenboom.

 

U bent de Zoon van God. U bent de Koning van Israël. Zo mag Nathánaël met mond en hart Jezus belijden. Dan zegt Jezus in vers 51 tegen hem dat hij nog grotere dingen zal zien dan deze. En dít is al zo groot; dít is al zo heerlijk. Vol is vol en zien is hebben; dat is waar. Maar vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard (Matth.16:17), Nathánaël. Dat is vrucht van Mijn werk en daar ben je nu zo goed mee. En daarin wordt Mijn Vader verheerlijkt.

Dat moeten wij ook leren, gemeente. Het gaat niet allereerst om mijn zaligheid, maar het gaat om Gods eer. Het gaat erom dat Hij weer verheerlijkt wordt, door mij.

Gij zult grotere dingen zien dan deze. Wat zullen dat voor dingen zijn? Wel, Nathánaël, er is nog zoveel te leren en nog zoveel af te leren. Nu zeg je dat Ik je Kóning ben, maar Ik ben ook je Profeet. Je hebt Mij al enigermate leren kennen als Profeet, maar Ik ben ook Priester. Ik ga straks Mijn leven voor je geven. Dan zul je er niet alleen achter komen dat Ik de Zaligmaker ben voor jou, maar ook in welke weg Ik de zaligheid voor jou heb verdiend.

In welke weg is dat? Dat is in de weg van het kruis. O, wat zijn er dan nog een obstakels en een ergernissen. Want dat wil ik niet. En Petrus wil dat ook niet. Dat wil geen enkel kind van God. Wij willen niet naar Golgotha. Maar dat is toch de weg van de christen: achter Christus aan, door de dood. U houdt niets over in uzelf, maar u mag alles ontvangen in Hem. Want na de dood is het leven voor Jezus bereid, en voor een Nathánaël zoals u en ik. Die grotere dingen leert u als Jezus Zich groot maakt. En dan moeten wij klein worden. Hoe kleiner u bent, des te groter wordt Hij.

Dat is in de wereld precies andersom; en ook in bepaalde godsdiensten. U moet er altijd maar op letten of het vanuit de diepte komt, of het vanuit de verwondering komt. Staat de mens in het middelpunt, of gaat het om een rijke Zaligmaker voor een arme zondaar?

 

Grotere dingen dan deze.

Gemeente, komen wij in beweging? Waar zijn de Filippussen? Kom en zie. En laat u leiden. Jongelui, kennen jullie een Filippus? Ken je een Filippus die jou meeneemt? Kom en zie. Komen ze zo op huisbezoek?

Bent ú er een? Ik had in mijn jeugdjaren identificatiefiguren, zomaar een paar. Zo wil ik worden. Zo wil ik zijn, want die man lijkt op Jezus. Het mooiste cadeau dat een kind van God of een ambtsdrager of een opvoeder kan krijgen, is dat een kind tegen hem zegt, kinderlijk eenvoudig: ‘U lijkt op Jezus.’ Dan weet je niet waar je het zoeken moet van verwondering. Heere, dat ik dat mag horen uit een kindermond.

‘O Zoon, maak mij Uw beeld gelijk.’ Wat krijgt u dan een afhankelijk leven. Wat wordt u dan bang om te zondigen. Want o, die zonden, ze maken steeds weer scheiding tussen de Heere en uw ziel. Dan is het ook zomaar weer weg en daar ben ik de schuld van. Het ligt nooit aan de Heere; het ligt altijd aan mij.

En daarom, gemeente: kom en zie. Als ik dan bij Nathánaël op huisbezoek kom, dan heeft hij geen lang verhaal – u hoeft geen uren te praten. Nathánaël zegt: Dominee, luister eens. Ik mocht het met mond en hart zeggen: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israëls. Ik mocht bijtekenen. Ik mocht het belijden. Het kwam vanuit het diepst van mijn hart.

 

Gemeente, er is niets van de mens bij. Niet de mens staat in het middelpunt. Het gaat niet om hem; het gaat om de Koning. Zo is alles uit Hem en zo reizen de Nathánaëls naar dat hemelse Jeruzalem.

 

Bent u een Filippus? Bent u een Nathánaël? De God van Nathánaël leeft nog.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 89 vers 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d ere toegebracht;

Wij steken ’t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten Schild in ’t strijdperk van dit leven;

En onze Koning is van Isrels God gegeven.