Ds. A.F. Honkoop - 2 Samuël 24 : 17

Gods schrikkelijke plaag onder Israël

De oorzaak van die plaag
De schuldige onder die plaag
Het offer tot verzoening van die plaag
Deze preek is ongewijzigd overgenomen uit een eerdere uitgave, door Hoekmans Boekhandel en Uitgeverij, onder de titel 'Maar wat hebben deze schapen gedaan?'
De preek is destijds uitgegeven rondom de uitbraak van polio in ons land.

2 Samuël 24 : 17

2 Samuël 24
17
En David, als hij den engel zag, die het volk sloeg, sprak tot den HEERE, en zeide: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 125: 1 en 2
Lezen : 2 Samuël 24
Zingen : Psalm 91: 1 en 5
Zingen : Gebed des Heeren: 4
Zingen : Psalm 6: 9

L.S.

Bij het uitgeven van deze preek wil ik graag vooraf een enkele opmerking maken.

Het is voorwaar niet de lust tot sensatie die mij heeft doen besluiten deze preek het licht te doen zien. En ook niet omdat de zaak waarover wordt gehandeld reeds niet van vele zijden toegelicht en besproken is. Middellijk is het aandringen van vele zijden en bijzonder uit mijn eigen gemeente, waar ik op 18 juni '78 deze preek heb gedaan, de aanleiding geweest. Toch heb ik veel geaarzeld, enerzijds met de gedachte dat anderen meer bekwaam waren dan ik en anderzijds bevreesd tot het verwekken van een onheilige strijd.

 

De oorzaak dat ik echter thans deze preek voor publicatie gegeven heb ligt in het feit dat juist datgene waar het om gaat en wat juist van de grootste betekenis is niet wordt gehoord. Dit heeft mijn hart met droefheid vervuld en mij gedrongen tot deze uitgave.

 

Neen, 't is zeer zeker niet de lust of begeerte om te oordelen of te veroordelen maar wel om op te wekken tot verootmoediging en een weerkeren tot de Heere.

 

Daartoe mocht de Heere dit alles nog willen gebruiken. 't Is liefde tot Zijn eer en naam, en hoewel ik tot eigen oneer er bij moet zeggen daar zo weinig van te beoefenen, en uit liefde voor de gemeenten die mij hiertoe deed besluiten.

 

Uw heilzoekende dienaar in Christus,

A.F. Honkoop

                                                                                                 

 

In Amos 3 : 6 worden we voor de vraag geplaatst: „Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet?” En uit opvoeding en belijdenis zullen we dit volmondig toestemmen. We leren en we belijden immers, dat God in alles regeert, dat niets bij geval geschiedt, maar dat alle dingen ons van Zijn hand toekomen. Maar nu de praktijk, nu de beleving daarvan. Er liggen een paar weken achter ons, die zulke grote beroeringen hebben gebracht. Weken, die voor veel ouders ook bijzondere zorg hebben gebracht, door een ziekte, die op sommige plaatsen geconstateerd werd.

En volmondig stemmen we toe: een ernstige en verschrikkelijke ziekte voor degenen, die er door getroffen werden. Door dat alles deden zich vele vragen voor. Laten we het maar eerlijk zeggen. Mogen we wel of niet gebruik maken van de middelen, die ons en onze kinderen beschermen kunnen. Er werden soms heftige discussie's gevoerd. En dat alles werd uitgebuit door degenen, welke buiten zijn.

O, de vorst der duisternis was gereed en hij had vele instrumenten; velen, die tot zijn dienst bereid zijn, om op allerlei wijze die kleine groep van mensen, waarvan men openlijk durft te zeggen, dat zij in deze maatschappij niet meer thuis horen, om die te benauwen en in de engte te drijven.

 

Geheel ons land is er als het ware door geroerd geworden. Ja, het was nieuws, actueel nieuws, dat door de media kon worden doorgegeven. We zijn er zo mee bezig geweest, maar helaas, wat niét werd gehoord, wat niét werd waargenomen, om ermee als schuldigen onder God te buigen. Is er dan een kwaad in de stad, dat de Heere niet doet? O, met dat alles komen we niet daar terecht om eens te erkennen: De Heere is rechtvaardig en elk een van Zijn oordelen is recht. Zou dat niet de weg zijn? Zou dat niet het doel zijn, dat de Heere er mogelijk nog mee beoogt? Zou Hij Zijn volk, zou Hij Zijn Sion nog wakker willen schudden? Want weet, dat alle beroeringen, die er in de wereld zijn, hetzij groot of klein, alles wat er geschiedt, er is om dat volk van God, omdat Sion bij God zo veel waarde heeft. Dat dat volk dan nog onder God leerde buigen en zich voor Gods aangezicht nog mocht vernederen. Dat we eens komen mochten, waar ook David was.

 

En het is daarvoor, dat we in dit morgenuur uw aandacht vragen. De tekstwoorden kunt u vinden in het u voorgelezen schriftgedeelte: 2 Samuël 24 : 17, het middelste gedeelte, waar Gods Woord aldus luidt: „Zie ik, ik heb gezondigd en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan?" 

 

We willen met u stilstaan bij: Gods schrikkelijke plaag onder Israël.

 

Wij letten dan op een drietal gedachten:

1. De oorzaak van die plaag

2. De schuldige onder die plaag

3. Het offer tot verzoening van die plaag

 

1. De oorzaak van die plaag

De tijd, waarin ons teksthoofdstuk ons verplaatst was voor Israël een droeve en een schrikkelijke tijd. Een tijd van smart en rouw. Er ging immers een engel des verderfs door het land, die het volk sloeg met zo'n verschrikkelijke en zo'n vreselijke ziekte, namelijk de pest. Laten we niet trachten u te schilderen wat dit onder Israël geweest is. We kunnen het ons wel enigszins indenken. Welk een druk moet er op dat volk hebben gelegen. Welk een bange vreze moet er niet in het hart zijn geweest. Welke droeve jammerklachten moeten er zijn opgegaan.

 

Maar waar we wel de nadruk op willen leggen, dat is dit, dat het God was, Die dit kwaad onder hen zond. God, Die immers te gebieden heeft over dood en leven, over ziekte én gezondheid. Van Hem belijden we toch in Zondag 10 van onze H.C. dat er niets bij geval geschiedt, maar dat alle dingen: voor- en tegenspoed, ziekte en gezondheid, vruchtbare en onvruchtbare jaren niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen. Maar hoe dikwijls wordt dat vergeten. We zien menigmaal op de omstandigheden, we zien wel op de hand, die slaat, maar we zien niet op de oorzaak ervan.

 

We zien niet, dat God in alles Zijn raad uitvoert. Ja, ook nu nog, ook onder ons, er is geen kwaad, dat de Heere niet doet, er is geen ziekte en er is geen beproeving, die door God niet gezonden wordt. En wat was er nu de oorzaak van? We lezen in vers 1: „En de toorn des Heeren voer voort te ontsteken tegen Israël". Waarom dan? Was het dan dat volk niet meer, dat de Heere liefhad en dat Hij Zich had afgezonderd? O, vraagt u waarom? Om hun zonden en hun afwijkingen, om hun vergeten van de Heere. Ze waren immers zo rijk beweldadigd, maar ook zo snood en zo ondankbaar. God had geen onrecht gedaan als Hij dat hele volk van voor Zijn aangezicht verdelgd had.

 

En ook nu nog zijn de zonden en ons verlaten van de Heere de oorzaak van alle ellende en van alle verdriet, van alle moeite en van alle tegenspoed. Wij, wij hebben God op het hoogst misdaan, wij zijn van het heilspoor afgegaan, wij en onze vaderen tevens, enz. (versregels uit Psalm 106 : 4).

 

Zeker, wij kunnen over alles heen leven. Toch is het te vrezen dat hetgeen we nu ervaren nog maar ver gerommel van de bui is die op komt zetten. En wat zal het zijn als God, Wiens toorn is opgewekt, over de zonden bezoeking zal doen. De Heere waarschuwt nog, voordat de donder zal gaan losbreken en de plasregens zullen gaan nederdalen. God komt ons nog tegen met Zijn roepstemmen en met Zijn vermaningen. Hij buigt Zich nog in liefde tot ons neer en waarschuwt ons nog opdat we tot Hem zouden weerkeren met boete en berouw. Opdat we ons vernederen zouden voor Zijn heilig aangezicht. O, de oorzaak van het kwaad dat er geschiedt, is nooit ver te zoeken. Van de bittere gevolgen die ons overkomen, ligt de oorzaak in de zonde. We hebben God verlaten, met God reeds gebroken in het paradijs en allerwege ziet men de droeve openbaringen daarvan. We vergeten zo dikwijls wat er zo duidelijk staat in het doopformulier, dat wij en onze kinderen ons allerhande ellende, om onze zonden onderworpen hebben. We zien en ervaren de gevolgen van de zonde, maar wij zien zo weinig van de oorzaak.

 

Dan is nodig, dat God er ons Zelf bij stilzet, dat Hij ons de schellen van de ogen rukt en Hij het duister op doet klaren. Dan is het nodig, dat de Heere in de verheerlijking van Zijn genade ons de ware wijsheid schenkt. Dan zal het in ons leven zo anders worden. Dan zien we niet alleen de gevolgen, maar dan zien we ook de oorzaak. Dan zijn het de zonden, waardoor Gods toorn is opgewekt. Dan zijn het de ongerechtigheden, waardoor Gods gramschap ontstoken is.

 

We lezen in dit eerste vers: „God porde David aan". Hoe moeten we dit nu toch verstaan, en welke verklaring moeten we daaraan geven. Port God dan aan tot zonde? En weet u wat dan zo opmerkelijk is? In 1 Kronieken 21 : 1 staat precies het tegengestelde. Daar kunnen we lezen: „En de satan porde David aan". Hoe moeten we dit dan verklaren?

Toch is dat niet zo moeilijk. God is altijd de eerste oorzaak. God liet toe, dat de satan David aanporde. God hield Zijn hand terug en liet toe dat David zijn hoogmoed naar buiten ging openbaren. Want er was immers onder Israël een tijd van rust geweest. Alle vijanden waren onderworpen. David nam toe in grootheid en in heerlijkheid. En juist dân zijn de gevaren zo groot.

 

Als het volk rust, en ingezonken is en denkt op de lauweren te kunnen rusten. Dan gaat het gebed verflauwen en het aankleven aan de troon der genade. Dan wordt waargenomen wat ook in onze tijd zo duidelijk is. Er wordt zo weinig waargenomen van de waarachtige vreze Gods. Onder het geestelijke Israël zijn de wijze maagden mét de dwaze maagden in slaap gevallen. Maar één rust er niet! Het is de vorst der duisternis. En hoe menigmaal is het reeds gelukt om dan te vervoeren tot hoogmoed.

 

Zo is het met David gegaan en hij liet het volk tellen. Hij wilde weten hoe groot of zijn macht reeds was en hoe hoog hij reeds verheven was. Het is zo gunstig niet als die wortel van hoogmoed zich doet gelden, als we ons gaan verheffen tegen de Heere, als dat wandelen in ootmoed, in kleinheid en in zelfvernedering verre van ons is. Is het niet een algemeen beeld, aan de ene zijde doodheid en dorheid, en aan de andere zijde hoogmoed en zelfverheffing. God duldt het niet!

 

Wat hoog is zal vernederd worden. Als dat eigen koningschap zich doet gelden, zoals ook bij David het geval is, dan heeft God wel middelen om ons van de troon af te brengen. Al moeten we dan voor heel de wereld te schande worden, maar God zal Zijn volk dan niet sparen. Want weet, dat diezelfde wereld, die ons nu zo de hand toesteekt, die ons zo ten dienste wil zijn, die met allerlei middelen aan komt dragen en ons zo graag helpen wil, die zal straks zeggen: Waar was nu hun geloofsovertuiging of waar is het nu uit gebleken, dat het waarlijk ernst is geweest?

Weest er op berekend, dat diezelfde spot, die u nu misschien reeds innerlijk foltert, het straks in het openbaar zal doen. We hebben het laatste woord nog niet gehoord, en het zal er mee eindigen. Niet alleen dat wij zullen bespot worden maar dat God zal bespot worden en dat Zijn naam zal gekrenkt worden. En mocht ons dát eens tot een smart worden, tot een innerlijke zielesmart! Mocht ons dát eens in het stof doen buigen en in ware verootmoediging brengen. Mocht het ons eens gaan zoals het David is gegaan. Daar gaan we bij stilstaan in ons 2e punt.

 

2. De schuldige onder die plaag

„En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zeide tot den HEERE: Ik heb zéér gezondigd in hetgeen ik gedaan heb maar nu, o HEERE, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.” David is ontwaakt uit zijn roes van zelfverheffing, van zelfgenoegzaamheid, van ingenomenheid met zichzelf. Dat heeft God gedaan. God liet hem nog niet doorhollen in de weg, die hij was ingeslagen. En wat zou het een voorrecht zijn, als dat ook ons deel nog mocht worden. Als God ons nog eens deed ontwaken uit onze roes van zelfverheffing, van ingenomenheid met onszelf, ons niet lied doorhollen in de weg, die we bewandelen. Dan is alles kwijt, dan zal alles verloren zijn.

 

Er is een volk waar God niet van af kan! Dat was de oorzaak dat God David niet overgaf! En er is nog een volk, dat de Heere niet over zal geven, met wie Hij Zijn verbond niet te niet zal doen. O, de oorzaak daarvan lag niet in David, maar de oorzaak daarvan lag in God. In Zijn eeuwige liefde, in Zijn vrijmachtig welbehagen en in dat vast gestaafde Verbond. Daarom werd David stilgezet, werd hij innerlijk tot inkeer gebracht. En nu kunnen Gods kinderen wel eens een ogenblik aan zichzelf worden overgegeven, maar ze zullen nooit verlaten worden.

 

O David, zijn hart sloeg hem. Dat wil zeggen: hij zag wat hij gedaan had, hij kwam tot zichzelf. En als God komt en ons verlichten gaat, als Hij ons verschijnt in het licht van Zijn heiligheid en van Zijn gerechtigheid, dan zal ons hart ons gaan slaan vanwege onze trotse hovaardij.

„Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb". Dat zei David niet tot mensen, maar het ging persoonlijk tussen God en zijn ziel. Met mensen kunnen we er urenlang over spreken en als het daar bij blijft, dan zijn we niet waar we terecht moeten komen. David zei dit tegen de Heere, tegen de God tegen Wie hij gezondigd had. Die God, Die een rechtvaardig Rechter is. O, welgelukzalig die met zijn zonden tot God leert vluchten. Als wij in verootmoediging buigen mogen, dan is het die God, Die gezegd heeft: „Als Mijn volk een welgevallen heeft aan de straffen van Mijn ongerechtigheid, dan zal Ik aan Mijn verbond gedenken.” Die zondaarsgestalte is de Heere zo aangenaam. Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb. Als we dit mogen uitwenen voor het aangezicht des Heeren, dan is bij God nog vergeving.

 

“Op deze zal Ik zien, op de gebrokene van hart en op de verslagene van geest en die voor Mijn Woord beeft.” Hij gaat tot God, Die wel rechtvaardig is en de schuldige geenszins onschuldig kan houden, maar Die ook barmhartig en genadig is. En dan vraagt David niet om wegneming van de straf, hij zocht niet om van de straf ontslagen te worden, want die straf was rechtvaardig. Het is altijd een teken van het ware leven als we de straf aanvaarden kunnen, als we met de dichter zeggen in Psalm 51:

„'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog,

Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig".

O, Gods volk komt daar terecht, dat ze de straffen kunnen billijken. Maar waar David wel om vraagt, dat is wegneming van zijn misdaad. Zo noemt hij zijn zonde. Nee, hij verkleint ze niet, maar ziet ze in de ware gedaante. En als het licht des hemels in het hart gaat schijnen, dan zien we de zonden zoals ze zijn, zien we wat we misdreven hebben. Dan zal er smart en droefheid zijn, want dan liggen er misdaden tussen God en tussen onze ziel en de vrede zal er door worden weggenomen.

 

En ziet, dat komt de profeet Gad tot David en hij wordt voor de keus gesteld: „Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij?"

O, voor welk een keus werd David hier geplaatst. God moet straffen, want Hij kan de schuldige geenszins onschuldig laten. En als wij u nu eens de keuze zouden laten, wat moet dan ons antwoord zijn? Welk bescheid moeten we dan weerbrengen? Of moeten we ons verharden? Maar wie zich verhardt zal schielijk verbroken worden. Moeten we het ontkennen dat we tegen God gezondigd hebben? O, er is een betere weg, namelijk de schuld te eigenen en te belijden tegen de Heere overtreden te hebben. David wist het niet en zei: „Mij is zeer bange". En toch, één ding wist hij wel: „Laat ons toch in de hand des HEEREN vallen!" Hij zocht bij de mensen geen ontkoming en had van de mensen geen verwachting.

Hij was weliswaar zeer bang, maar het bracht hem op de goede plaats. Hij mocht in Gods hand vallen, erkennend en belijdend, dat het eeuwig rechtvaardig en dat het eeuwig goed was, zoals God met hem zou handelen.

 

Welk een voorrecht om in Gods hand te mogen vallen, bekennende, dat de Heere rechtvaardig is en dat elk van Zijn oordelen oprecht is. „Laat ons toch in de hand des Heeren vallen". Nee, niet in mensenhanden. Mensen, die ons bespotten en mensen die ons honen. Zie slechts wat allerwege wordt waargenomen. Laat ons in de hand des Heeren vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele. Dat zijn de barmhartigheden, die God in Christus, aan de Zijnen betonen wil. Nu, toen gaf God hem pestilentie van de morgen af tot de gezette tijd toe.

 

Onthoudt het, Gods barmhartigheid heft Zijn rechtvaardigheid niet op. Israël werd geslagen. Maar toch had het nog een voorrecht. Want in die schuldige koning kreeg Israël nu een priester, die voor het aangezicht Gods stond. In David, die gezondigd had, kreeg dat volk nu een voorbidder. O, we lezen hier in vers 17: „En David, als hij de engel zag, die het volk sloeg, sprak tot den HEERE en zeide: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan?”

Zijn hart was verbroken, innerlijk verootmoedigd. Ik. Dat is zuiver persoonlijk. Denkt hier niet aan een buurman. Denkt hier niet aan een ander. Het gaat juist om dat persoonlijke: ik heb gezondigd, ik heb onrecht gedaan. Maar als David dan ook de slachtoffers ziet, als hij op zijn volk ziet, waar hij met barmhartigheid over bewogen was, dan roept hij het uit: „Heere, sla mij dan maar, want wat hebben deze schapen gedaan?! O, sla mij dan maar, die het zo diep verzondigd heeft." O, als we zo toch eens buigen mochten voor het aangezicht des Heeren. Als we zo toch eens bukken mochten en de hemeltroon bestormen mochten, dan kan het niet uitblijven of de hemelen zullen opengaan. Dan zal God opstaan met goedgunstige gedachten.

 

David mocht voorbidder zijn. Maar dan is er een andere Voorbidder, Die voor het aangezicht Gods staat, Christus Jezus, Die Zijn verdiensten voordraagt. Hij wilde de Schuldige zijn voor al Zijn volk en voor al de Zijnen. Hij heeft de ongerechtigheden gedragen, is de weg naar het vloekhout gegaan, daarmee als het ware uitsprekende: „Reken het Mij toe". Hij is met zoveel ontferming over Zijn Sion bewogen geweest.

David trok zich het lot van Zijn volk aan. Hij was nu weer herder. En Jezus Christus, is die grote Herder Israëls. Wat hebben deze schapen gedaan?! In Hem is het oordeel uitgewoed. En zo kan het waar worden waar de Kerk van zingen mag: „Het oordeel keert vol majesteit, haast weder tot gerechtigheid, al wie oprecht is van gemoed, die merkt het op en keurt het goed.' '

We gaan er bij stilstaan in ons 3e punt, maar we zingen eerst uit het Gebed des Heeren vers 4:

Uw wil geschied', Uw wil alleen,

Als in den hemel, hier beneên;

Uw wil is altoos wijs en goed;

't Is majesteit, al wat Gij doet;

Dat ieder stil daarin berust',

En Uw bevelen doe met lust.

 

3. Het offer tot verzoening van die plaag

We kunnen nog lezen hoe God opnieuw tot David kwam en hem bevel geeft: „Ga op, richt den HEERE een altaar op, op de dorsvloer van Arauna, den Jebusiet". Want zonder offerande is er geen vergeving mogelijk. Gods recht eist voldoening! Er moest een offer gebracht worden. David moest dit brengen en hij heeft geen bezwaar om deze weg ook te bewandelen. Hij was weer schaap, dat naar de stem van de Herder hoort. En waar de engel des verderfs had geslagen, moet nu het altaar worden opgericht. Het werd een blijvende plaats om de offers te brengen. O, dat alles is zo leerzaam.

 

Ook nu is er nog een tabernakel, waarin de schuldige in mag gaan. Nu is er nog een Offer, gedurig voor Gods aangezicht. Het offer had deze betekenis, dat de offeraar erkende des doods schuldig te zijn. Maar dan werd het offer gebracht in de plaats van de schuldige.

Wat ligt hier niet in besloten. Wij, des doods schuldig, maar een Offer ervoor in de plaats, het offer van Golgotha. En weet toch, daar moeten we heen met de zonde en met de ongerechtigheid. Daar moeten we heenvluchten ook met alles wat ons benauwt. Ik, ik heb gezondigd, zo riep David het uit. En weet u wat hij toen niet deed, hij is niet aan het werk gegaan om uit Gods hand te blijven. Daar werken wij mee en naar twee kanten. De één zoekt uit Gods hand te blijven door de middelen aan te grijpen, welke geboden worden. En de ander zoekt uit Gods hand te blijven door zichzelf te verheffen, door zich te verschansen in het bolwerk van zijn godsdienst, z'n belijdenis en door zich te beroemen op zijn rechtzinnigheid en door het veroordelen van anderen. Het is ook verkeerd, in beide wordt de praktijk der godzaligheid gemist. Er is maar één weg, die we bewandelen kunnen:

Laat ons in de hand des Heeren vallen. Wat zouden we bevoorrecht zijn en wat zou het ons vrij maken van zo onnoemelijk veel zorg.

 

Immers waar we in de hand des Heeren vallen, daar kan God ons geen kwaad meer doen. En dan het wonderlijke, waar wij vallen mogen, waar wij bukken en waar wij buigen mogen, waar wij zeggen kunnen: „Ik, ik heb onrecht gehandeld," dan is de Heere die God, Die Zijn liefdehart gaat openstellen en een schuldige toe gaat roepen: „Bij Mij is er plaats!' ' Dan mogen we bij Hem schuilen, met al onze zorg en met al ons zielsverdriet.

Bij vernieuwing wordt het dan waar: „Rondom Jeruzalem zijn bergen"; alzo is de Heere rondom Zijn volk van nu aan tot in der eeuwigheid. Dan is Hij een rondas en beukelaar. O, als wij de straffen maar waardig worden, dan gaat de Heere ons toeroepen: „Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt; Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.” (Psalm 91 : 5 en 6).

Dan zijn we zo veilig onder de vleugelen des Almachtigen. O, zouden we u die weg dan niet wijzen. Die weg van verootmoediging voor de Heere. Er is geen plaats voor zelfverheffing, het is geen tijd om ons te beroemen in onze rechtzinnigheid. Het is een tijd, dat ons maar één ding past, dat is buigen voor de Heere en erkennen, dat we tegen God gezondigd hebben, dat Zijn doen en Zijn vonnis gans rechtvaardig is. En waar wij de schuldige worden, daar kunnen we ook voorbidder voor een ander zijn. Wat komt alles dan in geheel ander licht te staan. O, dan gaat er iets leven van: „Wat hebben die schapen gedaan!” Dan stijgt het gebed op: Heere, wil nog sparen, wilt U Uzelf nog ontfermen, Heere, mocht die plage nog ophouden. Er staat hier zo opmerkelijk: „Alzo werd de HEERE den lande verbeden en is deze plaag over Israël opgehouden.”

 

Weet u wat het zeggen wil, als het morgen of als het avond is, als er weer nieuwe berichten zijn: Daar een slachtoffer en daar één getroffen, om dan de pijl in eigen hart te krijgen:

Ik, ik heb gezondigd, maar wat hebben deze schapen gedaan! Geve God ons dan die genade onder Hem te mogen buigen. Moge die God, Die groot is in barmhartigheid en Die zo rijk is in ontferming het ook ons nog geven, om alzo verbeden te worden, opdat de plaag zou ophouden.

Amen.

 

Slotzang Psalm 6: 9

 

De HEER' wild' op mijn ker - men,

Zich over mij ontfermen;

Hij heeft mijn stem verhoord,

De HEER zal, op mijn smeken,

Geen hulp mij doen ontbreken;

Hij houdt getrouw Zijn woord.