Ds. Th. van Stuijvenberg - Psalmen 65 : 5

Een lofzang voor God in Sion

Psalmen 65
De verkiezing door God
De woning bij Hem
De verzadiging door Hem

Psalmen 65 : 5

Psalmen 65
5
Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 81: 11 en 12
Lezen : Psalm 65
Zingen : Psalm 116: 1, 2 en 11
Zingen : Psalm 65: 2
Zingen : Psalm 84: 5

Met de hulp des Heeren wensen we u te bepalen bij Psalm 65 en daarvan het vijfde vers:

 

Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.

 

Gemeente, deze psalm is: Een lofzang voor God in Sion.

 

In dit vers horen we de dichter spreken over:

1. De verkiezing door God.

2. De woning bij Hem.

3. De verzadiging door Hem.

 

Deze psalm is een lofzang. Hoor maar wat de dichter zegt: De lofzang is in stilheid tot U, o God in Sion; en U zal de gelofte betaald worden. David zingt dus geen loflied op zichzelf, maar een loflied ter ere van de Heere. In het laatste vers van deze psalm horen we dat loflied nog eens: Zij juichen, ook zingen zij.

 

Wat is nu de achtergrond van dit loflied waarin de dichter zingt hoe hij in stilheid tot God nadert? Wel, er is een grote droogte geweest in het land Israël. Een periode waarin niets groeien en bloeien kon. Maar, zie wat de Heere gedaan heeft! Op hun noodgeschrei deed Hij grote wonderen. Het gebed is de ademtocht der ziel. In het gebed worden de noden en de zorgen voor het aangezicht van de Heere neergelegd. Dat wil niet zeggen dat de Heere die noden niet kent, maar Hij wil er van het huis van Jakob om gevraagd worden: Ik heb tot het zaad Jakobs niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs. En op dat gebed heeft de Heere een milde en rijke regen gegeven. Dat heeft de dichter gezien en zijn hart is erdoor in de Heere verblijd.

De dichter is blij met de daden Gods en hij ziet ook de werken van God in de natuur. De aarde is in feesttooi. We horen hem zingen over de velden die bedekt zijn met kudden en over de dalen die bedekt zijn met koren. Hij mag uitzien naar een rijke oogst.

De dichter denkt wanneer hij deze psalm dicht niet alleen aan de tijdelijke zegeningen die de Heere gegeven heeft. Er is droogte geweest, maar de Heere heeft weer regen gegeven en Hij geeft weer wasdom. De Heere heeft zijn verwachting niet beschaamd.

Maar we moeten ons toch afvragen: ‘Wat was nu de oorzaak van die droogte die in het land Israël kwam? Wat zat daarachter?’ De dichter zegt het in deze psalm: Ongerechtige dingen die hadden de overhand over mij.

‘Over mij’, zegt hij. Hij spreekt niet als eerste over de overtreding van het volk, maar over zijn persoonlijke overtreding. Pas daarna wijst hij op de schuld en de overtreding van het volk.  Maar wat rijk is het als hij daar bovenuit ook kan zingen: Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij, maar onze ongerechtigheid, die verzoent Gij.

 

We zien dat zijn hart niet alleen vervuld is door tijdelijke weldaden, maar ook ligt er een begeerte in zijn ziel om de Heere een loflied aan te heffen, en ook omdat de Heere zijn zonden vergeven heeft. Het is voor hem zo ontzettend groot, dat de Heere omziet naar mensen zoals hij, en naar een volk zoals het volk van Israël. Gemeente, ook naar mensen zoals wij zijn.

Het is rijk als de gestalte zoals de dichter die in Psalm 65 verwoordt, ook in ons hart leeft. De dichter gaat ervan zingen: Welgelukzalig is hij dien Gij verkiest. Daarom spreekt onze eerste gedachte over:

 

1. De verkiezing door God

 

Welgelukzalig, zegt hij. Dat woord ‘welgelukzalig’ komen we nogal eens tegen in de Bijbel, vooral in de psalmen. Luistert u maar:

 

Welgelukzalig is de man die op Hem betrouwt.

Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.

Welgelukzalig is de mens wiens sterkte in U is.

Welgelukzalig is het volk hetwelk het geklank kent.

 

Wat betekent het woord ‘welgelukzalig’? Wel, dit woord drukt de hoogste vorm van geluk uit. We zouden kunnen zeggen: intens gelukkig. Wat is het wonderlijk dat in een wereld die in het boze ligt, een mens met zo’n zondig hart toch zo diep gelukkig kan zijn! Want van nature zijn we dat echt niet. Dan moeten we zeggen dat wij diepongelukkig zijn. We zijn rampzalig. Dat betekent: vol van rampen, vol van ongeluk. Of niet?

Het is de beschermende hand van God, het is alleen Gods algemene goedheid en genade, dat er nog zoveel weldaden en zegeningen voor ons zijn. Hij overlaadt ons met Zijn gunstbewijzen; Hij spaart ons. Hij heeft geen lust in onze dood, maar dat we ons bekeren. Hij klopt nog aan de deur van ons hart. Hij heeft ons nog niet verwezen naar die verschrikkelijke plaats die we ons hebben waardig gemaakt. Dominee Ledeboer zegt: ‘Behalve de satan is er geen ongelukkiger schepsel dan wij mensen.’

 

Nu staat er in onze psalm: Welgelukzalig is hij. Dan moet er toch wel iets gebeurd zijn in het leven van de dichter.

Is het misschien zo dat degene die aan het woord is, die dichter, het in alles goed getroffen heeft? We denken misschien: Het is zeker iemand die een goede baan heeft, iemand die veel verdient. Hij is misschien iemand die een goed huwelijksleven heeft, die een gelukkig gezin heeft en een prachtig huis. Maar u voelt wel aan dat dit het ware geluk niet is. Echt niet! Nee, we mogen wel dankbaar zijn voor de zegeningen die de Heere ons in uiterlijke zin geeft, maar we moeten er wel rekening mee houden dat het maar voor een tijd is. De tijdelijke zegeningen die God ons geeft, geeft Hij ons ook om daarmee Zijn kerk te dienen. Tijdelijke zegeningen geeft Hij niet om er alleen zelf van te leven maar ook om christelijke handreiking te doen.

 

Welgelukzalig is hij, zegt de dichter, die Gij verkiest. Dat houdt veel meer in. Nu zegt u misschien over onze tekstwoorden: ‘Ja, dat geloof ik wel. Ik geloof dat de uitverkorenen gelukkig zijn, want God heeft van eeuwigheid aan hen gedacht.’

We weten, als we onder het Woord des Heeren groot geworden zijn, dat de verkiezing Gods onberouwelijk is. Wat de Heere besluit zal zonder verhindering doorgaan. We zeggen er vaak ook nog bij – want we weten het zo goed – ‘allen die Hij verkoren heeft, zullen zeker zalig worden. Wat ben je dan toch gelukkig! Ik kan dan wel begrijpen dat er staat: Welgelukzalig is hij dien Gij verkiest.

Dat is zeker waar. Het is ook een onuitsprekelijk geluk als we weten mogen dat we van eeuwigheid verkoren zijn ter zaligheid. U vraagt wellicht: ‘Is er wel één mens op aarde die er in zijn leven van verzekerd is, dat hij verkoren is ter zaligheid?’

Wel, Maarten Luther heeft weleens gezegd: ‘Het zal de vraag zijn of ik erbij hoor.’ Hij had ontzettend veel zielsbestrijdingen, en zijn aanvechtingen waren ontelbaar op alle terreinen van zijn leven. Maar, toen hij het geloof beoefende, weet u wat hij toen zei?

‘Al zou het zo zijn dat er niet één uitverkoren was, ik ben het wel.’

Hoe kon hij dat zeggen?

Wel, omdat hij uit de vruchten van zijn geloofsleven verzekerd was van zijn verkiezing.

 

Gemeente, er is een volk op aarde dat uit de vruchten van het geloof verzekerd is, dat God hen van eeuwigheid liefgehad heeft. Hij heeft hen van eeuwigheid verkoren ter zaligheid om Zijn lof te vertellen. Al is het dat er van hun kant geen enkele reden is. Nee, de Heere verkiest uit soeverein welbehagen.

De remonstrant zegt: ‘Omdat de Heere gezien heeft dat Jakob wel zou geloven en Ezau niet, daarom heeft de Heere Jakob verkoren en Ezau niet.’ Maar zo is het niet, hoor!

 

Uit vrije goedheid waart Gij haar
Een vriendelijk Beschermer,
En hebt ellendigen dat land
Bereid door Uwe sterke hand,
O Israëls Ontfermer!

 

Het is groot als we deze psalm – als we staan in het leven des geloofs – mogen zingen. Om op die plaats te zijn is toch zo noodzakelijk voor de Kerk des Heeren! Natuurlijk is het rijk als we eens mogen spreken over wat God gedaan heeft in de achterliggende tijden en jaren. We mogen nooit nalaten om dat te doen, tenminste, als het strekt tot eer van God, Die waardig is te ontvangen alle lof en alle dankzegging. Maar het is noodzakelijker dat we spreken uit het leven des geloofs van alle dag. Niet over de ervaring van tien of twintig jaar geleden, maar van nu.

Als je mag staan in het leven des geloofs, dan zeg je: ‘Dat de Heere naar mij omgezien heeft, is niet omdat ik beter was dan een ander.’ Integendeel, als de Heilige Geest ons bekend maakt waar we vandaan komen, dan zeggen we: ‘Heere, wie ben ik, dat Gij naar mij omgezien hebt?’

Gemeente, als de Heere iets gaat openbaren in ons leven van Zijn verkiezende liefde, dan gaan we ons niet daarachter verschuilen, maar wij gaan God daarom groot maken. We gaan ons verwonderen en het brengt ons, in aanbidding en in stilte, aan de voeten van de Heere. Er staat in onze tekst: Welgelukzalig is hij, die Gij verkiest. Dan zijn we voor eeuwig gelukkig.

 

De Bijbel, Gods Woord, spreekt heel anders over de verkiezing dan dat wij vaak doen. Zij spreekt altijd over de verkiezing als over een diep geheim. De Gemeente Gods, die verkoren is ten eeuwigen leven, kan zich daarover alleen maar verwonderen en God aanbidden en verheerlijken.

De leer der verkiezing moeten we niet zien als een struikelblok, waaraan we ons kunnen stoten. Nee, die leer is bestemd opdat we God verheerlijken om Zijn grondeloze genade. Hoe dikwijls horen we niet zeggen: ‘Nu ja, God heeft al van eeuwigheid vastgelegd wie er zalig zal worden en wie niet. Dus, daar is heel weinig aan te veranderen.’ Maar dat is niet juist. Het is een bewijs dat ze niets begrijpen van de Goddelijke verkiezing.  Het is juist tot verheerlijking van Gods grote Naam en tot het behoud van een schuldige zondaar, die ligt in het moeras van zijn ongerechtigheid.

 

De Heere heeft ons tot hiertoe nog gespaard en dat we nu in de kerk zijn, daarin betoont Hij ons Zijn gunst. We leven nog in de welaangename tijd, in de dag der zaligheid. Dat moet ons verwonderen en verootmoedigen. Hier, in Gods huis ligt Gods Woord open en we mogen thuis ook alle dagen het blijde Evangelie daarin lezen.  

Gemeente, het mag niet zo zijn in uw leven: ‘O ja, ik moet nog lezen.’ En als we naar de kerk gaan dan is dat geen ‘moeten’, maar we ‘mogen’ naar de kerk. Er is, als het goed is, een diep verlangen om in Gods voorhoven, in Zijn huis te vertoeven. Dan verlangen we naar de liefelijke klank van het eeuwig blijvend Godsgetuigenis. We zien uit om te horen de blijde Boodschap, de weg der zaligheid, die is in Christus Jezus.

Als we de Heere leren zoeken en het Evangelie ons raakt, dan moeten we niet beginnen te redeneren over de uitverkiezing. Op de verdere weg van het geloof geeft de Heere ons daarover licht. Dan wordt dat een wonder en vragen we: ‘Waarom was het op mij gemunt, Heere? Waarom is het dat U naar mij omgezien hebt?’

Waar moeten we wél beginnen? De Heere laat ons leven in het licht van het Evangelie. In dit licht zien we, in Gods Woord lezen we Zijn geopenbaarde wil. Daarmee moeten we werkzaam zijn en niet met de verborgen raad van God.

We zijn gedoopt en de Heere heeft toen Zijn verbond aan ons voorhoofd verzegeld. Daar moet u eens goed over nadenken. Dat wil toch wat zeggen! De doop heeft zo’n diepe betekenis; die spreekt van Gods grondeloze genade!

De Heere onderwijst ons door Zijn Woord en roept ons toe: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer (Jes.45:22). Ziet toch op Mij’, staat er in de Engelse vertaling. Is dat niet een groot wonder?

 

Maar weet u wat nu zo erg is? Dat we aan die nodiging zo gewend zijn! We horen het niet eens meer als Christus zegt: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop, en Hij ons toeroept: ‘Ziet toch op Mij!’ en ‘Wend u naar mij toe!’ In de grond van de zaak willen we veel liever verloren gaan, dan voor God buigen en het voor Hem verliezen. Maar als we dat gaan inzien dan gaan we ons wegschamen. Dan zien we dat de Heere ons behoud bedoelt en ervaren we hoeveel geduld Hij met ons heeft.

Hoeveel mest heeft Hij al om onze levensboom gelegd? Dan belijden we: ‘Heere, U wilt mij zalig maken, maar ik ben zo goddeloos. Heere, ik ben een vijand van U en van mijn eigen zaligheid.’

Maar gelukkig als God onze ogen daarvoor opent en als we ons diep schamen en schaamrood worden voor het aangezicht van de Heere. Weet u wat er dan gebeurt?

Dan zegt u: ‘Ik kan niet meer buiten Hem leven. Nee, ik blijf zoeken, ik blijf vragen. Net zo lang tot ik Hem gevonden heb.’ Dan wachten we op de Heere, zoals de wachters op de morgen. En als Hij door ons gevonden wordt, als Hij ons vindt dan wordt ons gebed: ‘Waarom was het toch op mij gemunt, Heere?’

Jakob heeft erom geworsteld met de Heere, en allen die zich wegschamen voor God en die het als een wonder zien dat de Heere bemoeienissen met hen houdt, die gaan met Jacob zeggen: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent. Dat zijn de onfeilbare vruchten van de wedergeboorte en u moet onderzoeken of die vruchten in uw leven gevonden worden.

Vruchten van de uitverkiezing zijn ‘het niet kunnen loslaten’ en ‘het blijven aanhouden’, ‘het dagelijks de Heere verwachten’ en ‘Hem niet los kunnen laten totdat Hij ons zegent’.

Welgelukzalig, zegt David in deze psalm, die Gij verkiest. Hij mag kijken achter het grote geheim, dat voor de Kerk geopenbaard wordt in het zaligen van een dode zondaar, die om niet het leven en de welgelukzaligheid verkrijgt.

 

Dat brengt ons tot onze tweede gedachte; wij staan stil bij:

 

2. De woning bij Hem

 

In onze tekstwoorden staat: en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven.

Wat een wonder dat dat nog kan! Als we zeggen: ‘Het is voor mij helemaal geen wonder, hoor, dat de Heere naar mij omgezien heeft’, dan klopt er iets niet. Nee, als wij op de rechte plaats zijn, dan zeggen we: ‘Heere, wat een wonder dat u een zondig mens, als ik ben, opzoekt!’ Dat zei Petrus ook toen de Heere hem zo’n grote visvangst verschafte: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens (Luk.5:9).

U moet eens op u in laten werken, dat Hij zondige mensen tot Hem doet naderen en bij Hem doet wonen. Bij God, Die zo heilig is en voor Wie de engelen uitroepen: Heilig, heilig, heilig.

Jesaja zegt: ‘Heere ik kan voor U niet bestaan.’ En dat zeggen Job en Abraham en alle bijbelheiligen hem na. Ook de Kerk van vandaag leert het: Wee mij, want ik verga, want ik kan voor U niet bestaan.

 

Er staat ook in de Bijbel: De boze zal bij U niet verkeren (Ps.5:5). Daarom moeten we wel onderzoeken wie het zijn die de Heere doet naderen, dat hij wone in Zijn voorhoven.

Wat zijn dat voor mensen? Wel, dat zijn de priesters en de levieten. De mensen die voor Gods aangezicht staan om te dienen in de Tabernakel en later in de tempel. Zij mogen naderen en wonen in Gods voorhoven.

Die priesters en die levieten waren toch zeker wel heilige mensen, omdat ze in de heilige dienst des Heeren werkzaam waren? Nee, ook zij konden ook alleen maar gewassen en gereinigd worden door het bloed dat straks op Golgotha vergoten zou worden.

Zij mochten naderen en ze mochten wonen in Zijn voorhoven. Ze hadden er niet om gevraagd, ze hadden zich niet op de voorgrond geplaatst. Nee, maar ze zijn door de Heere tot de dienst in de tempel geroepen. Maar met de priester en de leviet mocht het hele volk naderen en wonen in het voorhof van de tempel; een volk dat in schuld en in zonde verloren ligt voor God.

 

De priester is een zondig mens en de leviet is een zondig mens; en het volk is een schuldig volk. Maar hoe kunnen zij dan naderen? Zij kunnen alleen maar naderen en wonen in de voorhoven in een weg van verzoening. Maar er is verzoening! Achter het voorhangsel, in het Heilige der Heiligen, stond de ark des verbonds met het verzoendeksel. Eén keer per jaar ging de hogepriester het Heilige der Heilige binnen om het bloed van bokken en schapen op dat verzoendeksel te plengen. Dat bloed kon de schuld van het volk niet wegnemen. Nee, maar het wees op de komende Messias, Die volkomen verzoening zou aanbrengen. De gelovige Israëliet heeft daarop mogen zien. Hij zag door het geloof, door alles heen, op Golgotha, waar de Heere Jezus, Gods Zoon, Zijn bloed zou storten tot verzoening. Bij een volk, bij een priester en bij een leviet die zo voor Zijn aangezicht komt, wil de Heere wonen.

 

Gemeente, we mogen niet bij die tempel op de tempelberg blijven stilstaan. Nee, alles wijst heen naar de grote Hogepriester, de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Over Wie de Apostel Paulus tegen de Hebreeën gezegd heeft: Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebr.4:15).

De Kerk van het Nieuwe Testament mag terugzien op het offer van Christus aan het kruis op Golgotha. Hij is met Zijn bloed ingegaan voor het aangezicht van Zijn Vader en heeft zo de zaligheid voor Zijn Kerk aangebracht. Zowel de gelovigen van het Oude Testament als die van het Nieuwe Testament hebben gezien op het bloed van de Heere Jezus, de Schoonste aller mensenkinderen. Hij heeft de schuld verzoend en Hij heeft de zonden weggenomen. Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden (Hebr.10:14). Dan wordt het een wonder dat God mensen verkoren heeft om tot Hem te naderen en bij Hem te wonen.

Maar het is alles uit genade. Sola Gratia, zoals de Reformatie het uitgedrukt heeft. Het is opdat Zijn Naam eeuwig de eer zal ontvangen en de zondaar de zaligheid. Christus is het Middelpunt van het Evangelie. Hij is het, Die ons Zijn vriendschap biedt. In Hem is de ganse Kerk des Heeren uitverkoren van voor de grondlegging der wereld. In Christus Jezus, de verkoren Knecht des Vaders, zijn ze allen begrepen.

 

Gemeente, we moeten weten, we moeten geloven het eigendom te zijn van onze Heere Jezus Christus, dan ligt onze eeuwig verkiezing vast. Nee, dan is het geen misschientje!

U zult zeggen: ‘Hoe komt het dan dat de Kerk des Heeren zo dikwijls heen en weer geslingerd wordt?’ Wel, dat komt niet omdat er geen vastheid in God ligt of in Christus Jezus, want Hij is de Rotssteen. Nee, dat ligt in hen, want ze zijn in zichzelf dode zondaren. Zij worden door het licht van de Heilige Geest ontdekt aan de staat waarin zij verkeren en tot het geloof gebracht. De Heilige Geest werkt het geloof in het hart, zodat ze zich gewonnen geven, zich overgeven aan de Heere. Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet (Hebr.11:1).

Het geloofsleven van Gods Kerk wordt door de aanvechtingen in het leven geworteld. Maar wij willen liever rust hebben. Of niet? Wij willen niet gestoord worden, wij willen zoetjesaan voortgaan. Maar de Heere acht aanvechtingen in het leven van Zijn Kerk nodig, opdat wij geworteld worden in Hem, Die de voleinder des geloofs is, Die om de vreugde die Hem voorgesteld was het kruis heeft gedragen, om die vastigheid te verkrijgen.

 

Welzalig dien Gij hebt verkoren,
Dien G’ uit al ’t aards gedruis
Doet naad’ren, en Uw heilstem horen,
Ja, wonen in Uw huis.

 

Nee, niemand van Zijn Kerk zal achterblijven. Als Hij in uw leven naar u heeft omgezien kan het zijn dat u wel eens denkt: ‘Zou de Heere mij vergeten?’ Het kan lang donker zijn in uw leven, maar de Heere vergeet u niet. Als Hij zich een poosje verbergt dan doet Hij dat opdat u uit de nood van uw zielenleven tot Hem zult roepen. De Heere hoort graag dat we Hem zoeken en tot Hem roepen, maar dan zal Hij u ook Zijn liefde tonen. Hoor maar: Al wat Mij de Vader geeft, dat zal tot Mij komen. En wie tot Mij komt, die zal ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37).

 

Wij spreken de Heere altijd tegen. U niet? Al is het dat wij het niet hardop zeggen, maar in ons hart maken we zo dikwijls tegenwerpingen. Ik hoor iemand zeggen: ‘Wie uitverkoren is, die komt er zeer zeker, die komt zeker thuis, maar de anderen, die komen er niet, die gaan verloren.’ Wat wilt u daarmee zeggen? U wilt eigenlijk weten wie uitverkoren zijn en of u daarbij bent.  Als u met deze gedachte leeft, dan moet ik u ernstig waarschuwen. Als u zo voortleeft gaat u voor eeuwig verloren.

Nergens hoort u de Heere in de Bijbel zeggen: ‘Kom maar, want u heb Ik uitverkoren.’ Maar wel lezen we: Ik heb tot het zaad Jakobs niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs (Jes.45:19)En Paulus schrijft: Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen (2Kor.5:20).

 

‘Ja maar’, zegt u, ‘mag ik dan zomaar tot God naderen? Moet ik dan eerst niet wat beter zijn?’ Ja, die Roomse zuurdesem leeft in ons aller hart. Denk maar aan Luther. Wat heeft hij niet geprobeerd om een beter mens te worden, voordat de Heere het licht van het Evangelie deed opgaan in zijn leven! We zijn altijd maar bezig om onszelf op te knappen voor de Heere en denken dat Hij daarom ons wel genade zal schenken.

Stel eens dat u ziek bent. Zou u dan ook zeggen: ‘Laat ik eerst proberen me wat beter te voelen, voordat ik naar de dokter ga. Ik wil eerst aan de beterende hand zijn?’ Dat is dwaas. Als je ziek bent moet je naar de dokter. En zo is het ook voor ons geestelijk leven. Die ziek zijn hebben de grote Heiland en Heelmeester nodig. We moeten ons schamen als we ons altijd maar aan het opknappen zijn voor de Heere. Dan is er geen reden om ons op de borst te slaan. Ondanks al de weldaden zetten we de Heere dan aan de kant.

Zeker, we mogen tot de Heere gaan zoals we zijn, zelfs met vuile kleren. We hebben geen rechten, maar mogen tot God gaan zoals de tollenaar achter in de tempel. Hij slaat zich op zijn borst en we horen hem zeggen: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:5). Denk ook eens aan de verloren zoon. Wij zouden niets met hem ophebben als we hem zouden zien in zijn vuile plunje en op versleten sandalen. Maar zijn vader stond van verre te kijken of zijn zoon niet zou terugkeren naar het vaderhuis. Al dacht de zoon niet meer aan zijn vader, de vader had hem nooit uit zijn hart verloren. Zo mogen wij ook tot Christus gaan, in onze vuile plunje, zonder ons eerst op te knappen. Ja, volk des Heeren, zo mogen we steeds weer tot de Zaligmaker Jezus Christus gaan om ons hart uit te storten.

De Heere heeft nog nooit een boetvaardige weggestuurd. Hij heeft ook nooit gezegd: Zoek mij tevergeefs. Hoort daarom Zijn stem: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:5). Hoe vaak hebben we die vriendelijke stem van de Heere al niet gehoord?

Misschien zegt iemand: ‘Maar ik heb geen voeten om tot Hem te gaan.’ Heeft u het wel eens geprobeerd? Hoe bent u erachter gekomen dat u geen voeten hebt om te lopen en geen handen om Zijn genadeboodschap aan te nemen? Daar komen we pas achter als we het geprobeerd hebben. Anders weten we het niet en praten we maar wat na.

 

De Kerk des Heeren komt erachter dat het alles een eenzijdig Godswerk is. Zij zegt: ‘Heere, wilt u me trekken met koorden van liefde.’ Dan redeneren we niet meer, maar wordt het beleving. Dan zegt de Heere: ‘Ik zal u een plaats geven. U mag naderen, niet met uw zondagse pak aan, maar met uw werkplunje, al zit er een scheur in, al is die nog zo smerig.’

‘Te naderen, om te wonen in Zijn voorhoven.’ Dat staat in onze tekst en dat maakt het juist zo ruim. Hoe dan? In het Heilige der Heiligen mocht alleen de Hogepriester komen, één keer per jaar. In het Heilige alleen de priesters, maar in het voorhof mochten alle mensen komen. Wat is het dan een bron van blijdschap als de Heere zegt dat Zijn volk zal naderen tot Zijn voorhoven en daar mag wonen!

‘Naderen en wonen.’ U weet wel: ‘wonen’ wijst op verblijven. Niet zoals we bij iemand op visite gaan en dan na een uur weer vertrekken, nee, wonen is ergens verblijven, voorgoed.

O, dat wil toch wel wat zeggen! Wat is de Heere toch nederbuigend goed dat Hij dit zegt in deze psalm. Hij roept het ons toe, ook nu.

 

Gemeente, mogen wonen in Zijn voorhoven... Ziet u wel hoe goed God is? Hoe barmhartig en genadig Hij is? Ziet u wel, dat de Heere het goed met ons meent? Verlangen wij daarnaar? Willen wij wel?

Dat verlangen komt als Hij in onze harten plaats daarvoor maakt. Ons hart is een beestenstal, maar de Heere schenkt dat verlangen om te wonen in Zijn tempel. Dat is door Christus, Die als het vleesgeworden Woord onder ons heeft gewoond. Hij heeft gaven genomen om uit te delen aan wederhorigen om bij God te wonen. Dan mag u opzien naar Christus en zeggen: ‘Heere, ik ben zo’n wederhorige, maar zegt U toch dat ik bij U mag blijven wonen.’ Ja, uit genade, omdat Hij de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen. Hij is de mensen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Hij is zo laag afgedaald om bij afkerigen te wonen. Is dat nu geen wonder?

Is het de begeerte van uw hart om in Gods huis te wonen, dicht bij de Heere.

Zingt het dan in uw hart:

 

Hoe lief heb ik Uw woning,
De tent, o Hemelkoning.?

 

Of zing met Asaf:

 

’k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn noden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten.?

 

Zo maken we andere mensen nieuwsgierig en roepen hen toe:

 

Kom, ga met ons, en doe als wij.
Jeruzalem, dat ik bemin,
Wij treden uwe poorten in.

 

Maar wat is er dan te zien en wat is er dan te krijgen? De tekst zegt het: Wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis. Daarbij staan we zo meteen stil, maar we zingen eerst Psalm 65 vers 2:

 

Een stroom van ongerechtigheden

Had d’ overhand op mij;

Maar ons weerspanning overtreden

Verzoent en zuivert Gij.

Welzalig dien Gij hebt verkoren,

Dien G’ uit al ’t aards gedruis

Doet naad’ren, en Uw heilstem horen,

Ja, wonen in Uw huis.

 

Onze derde gedachte:

 

3. De verzadiging met Hem

 

Onze tekst zegt: Wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis. Huis en paleis zijn twee woorden voor één zaak. God woont in de tempel, maar een paleis, dat is toch het huis van een koning? Daarover is de dichter zo verwonderd! Hij heeft geleerd dat hij maar een bedelaar is. Hij, die eerst zo rijk was, is geestelijk arm geworden, een bedelaar, een dakloze zouden we kunnen zeggen. Hij mag in Zijn huis, in Zijn paleis komen. Hij krijgt daar ook te eten, hij wordt verzadigd.

De dichter van onze psalm verwondert zich daarover. Het is één en al verwondering in deze psalm. Hij verwondert zich niet over zijn prestaties, maar hij is verwonderd over de daden van God, bewezen aan een mensenkind dat nergens recht en aanspraak op heeft.

Zolang we onszelf nog op de been kunnen houden verwonderen we ons er niet over dat God naar ons omziet. Als Mefiboseth door David uit Lodebar gehaald wordt, weet hij: ‘Ik ben een zoon des doods.’ Hij weet: ‘Ik ben een kind van Saul. Dit is het einde voor mij. Ik moet mijn testament maar opmaken.’ Maar wat een wonder: hij mag in het huis van de koning komen en blijven. Hij mag gedurig aan des konings tafel zitten om daar te eten en te drinken. En dat voor Mefiboseth die moest zeggen: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben. Zulke mensen, die Hij verkiest, en doet naderen, dat zij wonen in Zijn voorhoven, zijn werkelijk gelukzalig. Zij zijn het die verzadigd worden met het vette van Zijn paleis. De Koning, de Heere, zorgt voor hun levensonderhoud.

 

We kunnen ook denken aan de priesterdienst. De priesters en de levieten werden door de Heere onderhouden in het huis des Heeren. Zij mochten eten van de offeranden die tot het brandofferaltaar gebracht werden. Daarmee werden ze verzadigd. Hebben ze het allemaal ervaren als eten uit Gods hand? Helaas niet. Er zijn veel priesters geweest, die het werk alleen maar op grond van erfopvolging gedaan hebben, en die de betekenis helemaal niet gezien hebben.

Wat is het toch groot om als wederhorige, als bedelaar, als dakloze in geestelijke zin, te mogen komen en te blijven in Gods huis en om daar verzadigd te worden met al het goede.

Er zijn mensen die denken, dat als je één keer per zondag naar de kerk gaat, het wel genoeg is. Maar, gemeente, daarmee heeft de dichter geen genoegen genomen. Hij verlangde in het huis van de koning te zijn, er te wonen, er te blijven. Deze man had honger en dorst, hij begeerde het goede van Gods huis en het vette van Zijn paleis te genieten. Ja, hij heeft uitgeroepen:

 

Hier wordt ’t vette van Uw huis gesmaakt;
Een volle beek van wellust maakt
Hier elk in liefde dronken.

 

Als we gegeten hebben zeggen we soms: ‘Ik ben heerlijk verkwikt. Ik ben echt verzadigd. Nu kan ik er weer een poosje tegen.’ Zo is het nu ook in geestelijke zin.

Maar waarmee worden we verzadigd als we in Gods huis verkeren? Zijn we dan zelfvoldaan? Nee, we worden verzadigd met Hem. Hij is een overvloeiende fontein. We weten: ‘Als ik U heb, Heere, dan heb ik alles, maar als ik U mis, dan ga ik de kerk uit met een leeg hart.’ Als we Hem missen, als we niets van Hem gekregen hebben onder de bediening van Zijn Woord, als niet van de daken gepredikt wordt wat in de binnenkamer plaatsvindt, dan gaan we de kerk uit en zeggen: ‘Ach, wat is het toch nog leeg vanbinnen, leeg in mijn hoofd, leeg in mijn hart.’

 

Bent u vandaag naar de kerk gekomen om verzadigd te worden, verzadiging van vreugde te ontvangen? Nee, niet om uw honger een beetje te stillen, maar om voluit te zingen van Gods genadige ontferming? Alles wat we nodig hebben biedt de Heere ons aan in Zijn Woord. Het ligt niet aan Hem als we droevig gesteld zijn, bij Hem is een oceaan van genade.

God heeft ons goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, maar wij hebben ons van Hem losgemaakt en zijn onze eigen weg gegaan. Een droeve weg, een rampzalige weg. En desondanks prijst de Heere ons de weg des heils nog aan. Hij biedt het ons aan, aan ellendige mensen. Dacht u dat er bij de Heere een tekort is? Zou Hij het niet kunnen? Hoe vaak denken we niet dat de Heere ons Zijn genade niet schenkt omdat Hij het niet wil of niet kan! Maar miljoenen mensen zijn reeds verzadigd en tallozen zullen verzadigd worden met het vette en het goede van Zijn paleis. Zou er dan te kort zijn voor u? Er is nog overvloed! Nog is er overvloed, gemeente, voor u, bij Hem!

 

Hoe krijg ik daar nu deel aan? Vragen jullie je dat af, jongens en meisjes? Hoe krijg ik deel aan de schatten van Gods huis? Nou, let op! De dichter was op de juiste plaats. Daar maakt hij de Heere groot en daar schonk de Heere hem al die weldaden en zegeningen. God wil geprezen worden. We moeten Zijn Naam uitroepen! De dichter zegt: ‘Die verkiest Hij, die worden verzadigd met het vette van Zijn huis en met het goede van Zijn paleis.’

Deze dichter is een door-onweder-voortgedrevene, een ongetroost mens, een dakloze, een bedelaar, iemand die er helemaal buiten staat. Weet u wat hij mag doen? Hij mag door het geloof al de weldaden van onze tekst naar zich toehalen. Hij mag mee-eten. Hij mag delen in de volheid, die in Christus Jezus is.

Nee, dat is niet vrijpostig.  Als u aan tafel zit te eten en er komt iemand binnenlopen, die zegt: ‘Ik zal maar aanschikken, want jullie hebben toch genoeg.’ Dan zeggen we: ‘Wacht eens even. Je bent een beetje vrijpostig.‘  Maar zo ligt het bij de dichter niet; hij beoefent het geloof. En dat geloof is van boven. Gelukkig maar, het is een gave Gods.  Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme (Ef.2:9). De schenking gaat vooraf aan de toe-eigening; Christus is een Middelaar van verwerving en van toepassing.

De dichter mag eigenen. Zijn geloof is in beoefening en dan mag hij eigenen. Hij mag eigenen wat God aan hem geeft, wat God in zijn bedelaarshand, in zijn lege hand legt.

 

Gemeente, we zeggen zo gemakkelijk: ‘Dat is een gelukkig volk. Ik wou dat ik ook zo gelukkig was!’ We weten vaak hoe het moet zijn vanuit beschouwende kennis, maar verder komen we niet. En ja, dat volk is ook gelukkig!  En we gaan weer rustig aan de arbeid, we gaan weer verder op onze levensweg.

Kinderen, jongens, meisjes, vaders en moeders, ga toch naar de Heere en zeg: ‘Heere, bij u is zo’n volheid van genade. Mag ik putten uit die bron van levend water? Bij U is toch genoeg?’ Het paleis van Salomo had heel veel grote voorraadkamers, daar konden al zijn knechten en de gasten die hij ontving van eten, maar ooit raakten ze leeg. Maar de voorraadkamers van de meerdere Salomo, de Heere Jezus Christus, raken nooit uitgeput. De Heere Jezus zegt van zichzelf: Meer dan Salomo is hier!

‘Heere, doe mij mijn bedelaarshand naar u uitstrekken. Ik heb een zondig hart. Leert U mij dat, zodat ik me voor U in het stof zal buigen als een nietswaardige in eigen oog.’

We mogen niet rusten op onze bekering of wat er gebeurd is, maar het is een hoge stand in het genadeleven, om weer bedelaar te worden voor de Heere. Terug in het armenhuis, als een gebrekkige, als een hulpbehoevende, om te vertoeven in Gods voorhoven en verzadigd te worden met het goede van Zijn huis.

 

Jongens en meisjes, we kunnen menen, dat als we ons hart in de wereld ophalen, we dan het geluk vinden.  Maar jullie weten net zo goed als ik dat dit tot een teleurstelling leidt. Wat de wereld geeft, wat de wereld ons allemaal voorspelt en wat ze ons voorschotelt, dit alles leidt tot het verderf. Laat je niet aftrekken van God en van Zijn dienst door met allerhande dingen mee te gaan. Doe het niet!

Luister naar het Woord van de Heere. Het leert je ’t Allerhoogst en eeuwig goed! Je vader en je moeder waarschuwen je zo dikwijls. Zij bedoelen het goed met je, hoor! Je denkt wel dat zij je geen pleziertje gunnen. Zij gunnen het je van harte, maar het is niet goed voor je.

Zo doet de Heere ook. Hij roept ons. Hij wil ons aftrekken van de dingen van de wereld en Hij wil ons laten zien de rijkdom, de heerlijkheid, de schoonheid, de glans van Hem en van Zijn gaven, die Christus verworven heeft voor een wederhorig kroost, opdat ze verzadigd zouden worden.

 

Gods Kerk mag er op aarde iets van proeven en smaken. Als je aan hen vraagt, kent u ook iets van dat ‘verzadigd worden’? ‘Ja’, zeggen ze dan, ‘daarvan ben ik niet vreemd.’ In welke trap of mate ook! Maar als de Heere iets geeft van die verzadiging, dan is het hart er vol van. Als God in ons leven komt, als Hij een kruimeltje geloof schenkt, als Hij het geloof vermeerdert, als we toevlucht tot Hem mogen nemen en als we dan die zekerheid in onze ziel mogen omdragen, dan is het vol, dan zijn we volmaakt in de liefde.

Welnu, moge Hij ons volmaken, vervullen met het vette van Zijn huis, met de rijke zegeningen van het verbond, de vergevende kracht van Zijn dierbaar bloed en een uitzicht op het eeuwige leven.

Hij is ons een Redder in nood, Die hulp verschaft, Die uitkomst geeft. Hij geeft uitkomsten in dit tijdelijke leven maar ook straks als we zullen staan voor de poort van de eeuwigheid.

Dan zullen we verzadigd worden met al zijn goederen. Hier loopt soms onze mond al over tot Gods eer, gelijk een bron zich uitstort op de velden. Wat zal het straks zijn, door-onweder-voortgedrevene, en ongetrooste Sioniet! Zie op Hem! Hij heeft het beloofd en Hij zal het ook doen; Hij zal u brengen in Zijn paleis. Hij zal nooit laten varen het werk Zijner handen.

 

Amen.

 

De slotzang is Psalm 84 vers 5:

 

O God, Die ons ten schilde zijt,

En ons voor alle ramp bevrijdt,

Aanschouw toch Uw gezalfden koning.

Eén dag is in Uw huis mij meer

Dan duizend waar ik U ontbeer;

’k Waar’ liever in mijns Bondsgods woning

Een dorpelwachter, dan gewend

Aan d’ ijd’le vreugd in ’s bozen tent.