Ds. A. Schot - Johannes 3 : 14 - 15

Een koperen slang in noodtoestand

Een aangrijpende geschiedenis
Een onbevattelijke vergelijking
Een actuele toepassing
Deze preek staat nog niet geheel in het PrekenWeb-format. Dit volgt zo spoedig mogelijk.
De inhoud is daarvan uiteraard niet afhankelijk

Johannes 3 : 14 - 15

Johannes 3
14
En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden;
15
Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 79: 4 en 7
Lezen : Johannes 3: 1 - 21
Zingen : Psalm 6: 2, 4, 6 en 9
Zingen : Psalm 68: 10 en 17
Zingen : Psalm 103: 2

Gemeente,

De tekstwoorden voor deze morgen kunt u vinden in het u voorgelezen Schriftgedeelte, Johannes 3 en daarvan de verzen 14 en 15, waar we Gods woord en onze tekstwoorden voor dit uur aldus lezen:

 

En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

Gemeente, we schrijven onder deze tekstwoorden: een koperen slang in noodtoestand.

We letten met de hulp des Heeren op drie gedachten:

1. een aangrijpende geschiedenis;

2.een onbevattelijke vergelijking;

3. een actuele toepassing.

 

Onze eerste gedachte is een aangrijpende geschiedenis. We lezen dat aan het begin van vers 14. ‘En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft’. Het is de geschiedenis uit Numeri 21, de geschiedenis van de koperen slang.

Onze tweede gedachte is een onbevattelijke vergelijking. Als de Heere Jezus zegt: ‘Alzo’, Hij maakt een vergelijking tussen de koperen slang en Zichzelf. ‘Alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden’.

En onze derde gedachte is een actuele toepassing. Wat hier staat, is niet alleen bedoeld voor het volk Israël, het is niet alleen bestemd voor Nicodémus, maar er staat in vers 15: ‘Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe’.

 

1. Een aangrijpende geschiedenis

Gemeente, onze tekstwoorden zijn genomen uit de geschiedenis van Nicodémus, een farizeeër die ‘s nachts tot de Heere Jezus gekomen was om de vreze der Joden. Nicodémus had veel kennis, maar zijn geloofsleer was een begripsleer. Als hij bij de Heere Jezus komt, begint hij met de woorden: ‘Rabbi wij weten’. De Heere Jezus plaatst hem echter met één woord buiten het Koninkrijk der hemelen. Het antwoord van de Heere Jezus aan Nicodémus is: ‘Nicodémus, u moet wederom geboren worden, er moet een wonder in uw leven gebeuren’.

In het lange gesprek dat ons uit Johannes 3 is voorgelezen, gaat het in de eerste plaats over de noodzaak van de wedergeboorte. Gemeente, daar moet het ook in de prediking vanmorgen in de eerste plaats over gaan. De noodzaak van de waarachtige wedergeboorte. ‘Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien’. In de tweede plaats gaat het in dit gesprek over de noodzaak van het geloof. Ook het ware zaligmakende geloof kan niet gemist worden. Dat geloof hangt ook samen met de wedergeboorte. Het wordt gepland in de wedergeboorte, en het moet tot beoefening gebracht worden; het moet komen tot de kennis van de geheel enige Zaligmaker Jezus Christus. Die geloofskennis ontbrak in het leven van Nicodémus. Want hij noemt hem een Rabbi van God gezonden, hij kent Christus niet als de Rabbi van God gezonden.

 

In dit gesprek gaat de Heere uitleggen wie Hij werkelijk is. Kijkt u maar naar vers 13; daar zegt Hij: ‘En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in den hemel is.’ De kanttekening zegt hier: ‘dat wil zeggen: niemand is opgevaren, niemand is met zijn verstand doorgedrongen tot volmaakte kennis der hemelse zaken, aangaande den raad Gods van de zaligheid der mensen, om die den mensen te openbaren.’

Christus – Hij komt uit de hemel en met Zijn goddelijke natuur is Hij nog in de hemel. Omdat Hij uit de hemel komt, kan Hij deze hemelse wijsheid bekendmaken. Maar hoe zult u geloven, zegt Hij, indien Ik u de hemelse dingen zou zeggen, als u niet eens de aardse dingen gelooft?

Gemeente, als wij vanmorgen in deze noodsituatie die hemelse zaken met elkaar mogen overdenken, geve de Heere ons een oor om te horen en een hart om op te merken. De Heere Jezus wijst terug op de geschiedenis van de koperen slang. U kunt deze geschiedenis vinden in Numeri 21: ‘En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft.’ Voor Nicodémus was dat een heel bekende geschiedenis. Hij was immers een leraar in Israël. En jongens en meisjes, ook voor jullie is dat een bekende geschiedenis.

 

De geschiedenis van de koperen slang is heel aangrijpend. Wanneer heeft die plaatsgevonden? Het is bijna aan het einde van de woestijnreis. Het volk van Israël heeft veertig jaar gezworven door de woestijn. Aan de reis naar het beloofde land is bijna een eind gekomen. Er is ontzaglijk veel gebeurd. Er is een hele generatie uitgestorven. Mensen van twintig jaar oud en daarboven vonden een graf in de woestijn. Alleen Mozes en Aäron en Jozua en Kaleb zijn nog als enigen van de vorige generatie overgebleven. En nu zijn ze bijna aangekomen om het beloofde land binnen te trekken.

Maar dan volgt er een grote tegenslag. De Edomieten zijn niet van plan om het volk Israël door te laten. Nu zullen ze met een boog om het land van de Edomieten moeten gaan. Dat betekent dat er opnieuw een reis voor hen ligt. En dan komt het volk in opstand. Dit is al de zevende keer dat de kinderen Israëls in algemene opstand komen. Opstandig zeggen zij: ‘Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in deze woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood’. Zij verachtten al de bemoeienissen die de Heere met hen heeft gehouden.

Dan blijft het oordeel niet uit. Na die zevende opstand spreekt de Heere op een aangrijpende wijze. We lezen in Numeri 21: ‘Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk; die beten het volk; en er stierf veel volk van Israël’. Toen zond de HEERE slangen – eigenlijk staat er: de HEERE liet ze gaan. De HEERE liet die slangen los. Gemeente, die slangen waren er al. Ze kropen er al veertig jaar. Die slangen zaten verscholen onder de rotsen. Maar plotseling komen die slangen uit hun schuilhoeken tevoorschijn. Gedurende heel de woestijnreis heeft God Zelf die slangen op een afstand gehouden. De Heere heeft zo trouw voor Zijn volk gezorgd, maar nu trekt Hij Zijn hand even terug. En als Hij Zijn hand even terugtrekt, komen al die slangen uit hun schuilhoeken tevoorschijn en ze kruipen tussen de tenten, ze kruipen onder de mensen en ze bijten mannen, vrouwen, kinderen.

De gevolgen zijn diepingrijpend. Er wordt gesproken over ‘vurige slangen’ en waarschijnlijk heeft dat woordje ‘vurig’ te maken met de gevolgen van de slangenbeet. Als mensen gebeten werden, kregen ze koorts. De koorts gloeide als een vuur door hun aderen, het gif verspreidde zich door geheel hun lichaam. De beet was dodelijk en er was geen enkel geneesmiddel.

 

Gemeente, dat was een oordeel Gods. Het is geen vraag of deze vurige slangen een oordeel van God zijn, dat is vast en zeker het geval. Het is geen vraag of het coronavirus een oordeel van God is, dat is het vast en zeker. Al de gevolgen van de zonden zijn oordelen van God over de zonden, en dat moet ons verootmoedigen. Ook wij zijn gebetenen, wij zijn aangetast door het gif van de oude slang in het paradijs. We hebben ons vrijwillig laten bijten met al de gevolgen van dien. We zijn allemaal besmet gemeente, jong en oud, door dat dodelijke slangengif. We zijn allen ten dode opgeschreven. We zijn allen gebetenen. Dat gif heeft het gehele mensdom doortrokken. Het is alsof de Heere Jezus hier tegen Nicodémus zegt: ‘Ach, Nicodémus, met al uw kennis, u bent een gebetene door de oude slang. U moet wederom geboren worden.’ En dat is ook de boodschap gemeente, in de roepstemmen die vandaag tot ons komen.

En wat is nu de uitwerking? Wat was nu de uitwerking bij de kinderen Israëls? We hebben gelezen in Numeri 21: ‘Daarom kwam het volk tot Mozes en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE dat Hij deze slangen van ons wegneme.’ Toen bad Mozes voor het volk.’ Diep aangrijpend, we zien het gebeuren. Daar krioelen die slangen. Overal klinkt geschreeuw, daar is iemand gebeten, daar is iemand gebeten. O, in die tent ook al, in die familie ook al, in dat gezin ook al, het is een algemeen oordeel dat rondgaat. Daar sterft er één, daar sterft er één, verschrikkelijk zijn de gevolgen. En waar brengt het hen?

 

Wel, dan lezen we gelukkig ook dat er mensen zijn die in de schuld mogen komen. Zij gaan tot Mozes en belijden: ‘Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben.’ Mag ik eens vragen: heeft het coronavirus u daar ook al gebracht? De roepstemmen die tot ons komen, het leed waarvan we in deze dagen getuige zijn, gaat als door merg en been. Maar gemeente, waar heeft het ons gebracht? Zijn we reeds in de schuld gekomen voor God? Hebben we al geleerd dat het alles is vanwege onze zonden? O, de kinderen Israëls roepen tot Mozes: Vraag toch de Heere of Hij deze slangen weg wil nemen, vraag toch of Hij dit oordeel op wil heffen.

Onder die bange omstandigheden, gaat Mozes voor het volk tot de Heere, en dan geeft de Heere hem een wonderlijk bevel. ‘Maak u een vurige slang en stel ze op een stang; en het zal geschieden dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.’ De Heere openbaart aan Mozes een middel tot genezing. Dat middel bestond niet. Dat middel kende Mozes niet, dat middel was onder het volk ook niet bekend. Niemand zou daar opgekomen zijn, maar het wordt door de Heere Zelf bekend gemaakt. Hij Die het oordeel heeft gezonden, wijst ook het geneesmiddel aan. En wanneer doet Hij dat? Dat doet Hij als het volk in de schuld mag komen, als het volk op zijn plaats mag komen. Dan is diezelfde God Die zo toornt, ook zo’n barmhartig God dat Hij een geneesmiddel zendt en aanwijst om dat oordeel af te wenden.

 

Het is trouwens wel heel wonderlijk, het volk had gevraagd of de slangen weggenomen mochten worden, maar de Heere neemt ze niet weg. Die slangen blijven en ze blijven bijten. De Heere neemt niet de slangen weg, maar geeft een middel waardoor die slangenbeet onschadelijk kan worden gemaakt, waardoor de mensen veilig zijn ondanks het blijvende gevaar. Kijk, dat is een heel belangrijke les, dat is nu ook de manier waarop de Heere mensen verlost van dat oude slangengif. De Heere neemt de gevolgen van de zonde niet weg.

Dat willen we zo graag, en daar bidden we misschien om in deze dagen. We vragen of de Heere het coronavirus weg wil nemen. We vragen of de Heere al de virussen en al de ellende weg wil nemen? Als de ene ziekte echter weg is, komt de volgende. De gevolgen van de zonde worden niet weggenomen. Maar in dat alles wijst de Heere aan boetvaardige zondaren nog een middel tot behoud. Een middel om verlost te worden van het gevaar, een middel om bevrijd te worden van de oorzaak van alle honger en kommer, namelijk de zonde zelf.

 

Die koperen slang is er niet meer. Zevenhonderd jaar is de koperen slang bewaard. Hij is vernietigd toen er afgoderij mee werd bedreven in de dagen van Hizkia. Maar gemeente, de geschiedenis van de koperen slang is ook een beeld van een geneesmiddel dat betekenis heeft in het Nieuwe Testament. Christus maakt een onbevattelijke vergelijking. En dat brengt ons bij onze tweede gedachte.

 

2. Een onbevattelijke vergelijking

Als Hij zegt ‘alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden’ is dat een onbevattelijke vergelijking. De koperen slang werd verhoogd en geplaatst op een stang. Hij werd omhooggestoken, zodat de mensen hem uit de verte konden zien. Nu zegt de Heere Jezus: ‘Alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden’. Wat bedoelt Hij daarmee? Hoe moet de Heere Jezus verhoogd worden? Iemand zegt: ‘O, ik moet denken aan de opstanding of aan de hemelvaart, toen is Hij verhoogd’. Zeker, maar dat is niet wat de Heere hier bedoelt. Hij moet ook aan een hout verhoogd worden, Hij moet aan het kruishout verhoogd worden. Diezelfde betekenis vinden we in Johannes 8:28 waar staat: ‘Wanneer gij den Zoon des mensen zult verhoogd hebben, dan zult gij verstaan dat Ik Die ben, en dat Ik van Mijzelven niets doe.’ En datzelfde vinden we ook in Johannes 12 vers 32: ‘En Ik, zo wanneer Ik van de aarde verhoogd zal zijn, zal hen allen tot Mij trekken.’ En dan verduidelijkt Johannes: ‘En dit zeide Hij, betekenende hoedanigen dood Hij sterven zou.’ Het Joodse volk en ook Nicodémus verwachtten een Messias die verhoogd zou worden en als koning heersen zou. De Heere Jezus zegt: ‘Nicodémus, Ik moet verhoogd worden, maar op een andere manier dan jij denkt. Ik moet aan het kruishout verhoogd worden. Zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft.’

 

De Heere Jezus gebruikt het woordje moeten. ‘Alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.’ Dat is noodzakelijk, dat zal gebeuren en dat moet gebeuren. Waarom moet dat gebeuren? Dat vloeit voort uit Gods eeuwige raad. Gemeente, dat is een moeten des Vaders, dat is een moeten des Zoons en dat is een moeten des Heiligen Geestes. De Zoon des mensen moet aan het kruis verhoogd worden. Waarom? Omdat de Vader dat wil. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. De bezoldiging der zonde is de dood, er kan geen verzoening zijn zonder voldoening. Christus moet Zichzelf laten kruisigen om aan het recht van Zijn Vader te voldoen. Dat is een goddelijk moeten; een andere keuze, met eerbied gezegd, heeft de Vader niet. Hij is een rechtvaardig God, Hij is een heilig God.

Het is een moeten aan de kant van de Heere Jezus Christus. Waarom? Omdat Hij van tweeën gedrongen wordt. Hij wordt gedrongen uit liefde tot Zijn Vader. Hij kan niet verdragen dat de deugden van Zijn Vader níet verheerlijkt worden. De prijs op de zonde moet betaald worden. Aan Gods recht wíl Hij genoeg doen. En het is ook een moeten omdat Hij zich gedrongen weet uit liefde tot Zijn Kerk. Hij heeft hen liefgehad met een eeuwige liefde, Hij moet verhoogd worden aan het vloekhout voor Simon Petrus, Hij moet verhoogd worden aan het vloekhout voor Thomas. Maar we weten inmiddels: Hij moet ook verhoogd worden voor Nicodémus, ook al beseft deze man daar op dit ogenblik nog niets van. De Zoon des mensen moet verhoogd worden. En gelukkig dat Christus Zich niet heeft laten leiden door de wil van Nicodémus of van Zijn discipelen. Hij heeft Zich niet laten weerhouden om de raad Gods te volvoeren. Hij moet verhoogd worden aan het vloekhout, omdat de Heilige Geest anders geen weldaden heeft om toe te passen. Als de Zoon des mensen niet verhoogd wordt, kan er geen gebetene gered worden. De verhoogde Christus is het enige geneesmiddel. Daarom zegt Hij: ‘Alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.’

 

Maar gemeente, jong en oud, dat zal ook in ons hart een moeten moeten worden. ‘Alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.’ Er is geen ander middel, er is geen andere weg om met God verzoend te worden. Eigengerechtigheid is geen geneesmiddel, maar slechts een lapmiddel. Je wordt er alleen maar zieker van. Er is een andere gerechtigheid nodig, een gerechtigheid die voor God bestaan kan, waarmee God tevreden is. Dat is de gerechtigheid, de borg- en bloedgerechtigheid van de Heere Jezus Christus.

Dan maakt de Heere Jezus een onbevattelijke vergelijking met het woordje alzo. Hij zegt: ‘Alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.’ Hij wil zeggen: zoals het toen gegaan is, in Numeri 21, zo zal het ook straks gaan, Nicodémus. Nu in de volheid van de tijd zal het op dezelfde wijze gebeuren. Dat is een heel aangrijpende vergelijking.

Gemeente, als de Heere Jezus deze vergelijking Zelf niet zou gemaakt hebben, had ik het vanmorgen niet gedurfd. Wie zal Hem durven vergelijken bij een slang? Wat is de slang? De slang is het beeld van de duivel. Het doet ons denken, jongens en meisjes, aan de zondeval. Het doet ons denken aan de zonde. Dat kunnen we toch niet in verband brengen met de Heere Jezus Zelf? En toch doet de Heere Jezus dat wel. Hij zegt: ‘Alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.’

 

Mozes moest een slang maken; en zo’n koperen slang was niet mooi om te zien. Een slang is ook niet mooi om te zien. Een slang is vroeger mooi geweest, maar door de zondeval is hij van zijn heerlijkheid beroofd. De slang is niet meer zoals de slang was toen de Heere hem geschapen heeft. De heerlijkheid van de slang is weggenomen. Dus zo’n koperen slang, hoe kunstig ook vervaardigd, had op zichzelf geen heerlijkheid. En gemeente, zo heeft de gekruisigde Christus ook geen heerlijkheid. Het is triest dat van de kruisiging van de Heere Jezus vaak een romantisch verhaal wordt gemaakt. Zult ú dat niet doen? De kruisiging van Christus is zeer diepaangrijpend. Hij heeft Zich zó diep moeten vernederen, dat Hij Zijn broeders in alles gelijk geworden is. De kruisdood was zeer smadelijk. Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid. De Heere heeft Zijn heerlijkheid afgelegd. Hij heeft daar gehangen, naakt aan het kruis. Dat is diepingrijpend. Zoals de slang verhoogd moest worden zonder heerlijkheid, zo is Christus verhoogd geworden.

Bovendien, de slang is vervloekt. We lezen in Genesis 3 dat de slang is vervloekt boven al het gedierte des velds. Die plaats heeft de Heere Jezus ingenomen. Hij is tot een vloek geworden, en dat is niet te bevatten. Met dit verschil: die koperen slang was toch anders dan de slangen die daar op de grond kropen. Wat was het verschil? Die koperen slang leek wel op die slangen op de grond, maar er was toch een groot verschil. Dit verschil: die slangen op de grond waren giftige slangen. Die zaten boordevol met gif. Dat waren gevaarlijke slangen. De Heere Jezus werd tot een vloek, maar Hij is zonder gif, Hij is zonder zonde. Hij is zonder slangenbeet. Hij heeft Zichzelf wel vernederd, Hij heeft wel de plaats van zondaren ingenomen, Hij heeft wel de vloek op Zich geladen, maar Zelf was en bleef Hij rein, Zelf was Hij Heilig, Zelf is hij buiten de besmetting gebleven van het gif van de oude slang. Daarom is er alleen door Hem genezing. Als de Heere Jezus Zelf het gif in Zich had omgedragen, had Hij geen geneesmiddel kunnen zijn. Maar Hij moest als de koperen slang verhoogd worden. Hij moest als de Heilige, als de Reine, verhoogd worden in de plaats van zondaren.

 

Een slang, ach gemeente, wat een wonderlijk geneesmiddel. Ik zou er nooit opgekomen zijn. En voor ons verstand is het ook ongeschikt dat nou juist een koperen slang een middel zou zijn tot genezing. Dat is voor het verstand zelfs één grote dwaasheid. En zo is het nu ook in de prediking des kruises. Wij prediken vanmorgen Christus, de Gekruisigde. Voor de Joden een ergernis en voor de Grieken een dwaasheid, maar voor ons, zegt de apostel, ‘een kracht Gods tot de zaligheid’. O, die koperen slang, daar in Numeri 21, is een symbool van de Heere Jezus Christus.

Mozes zal roodkoper gebruikt hebben; dat was er veel in die omgeving. En wanneer daar die koperen slang daar hangt tussen de hemel en de aarde, is hij rood van kleur. Rood is de kleur van het bloed. Wat een prediking! Koper blijft ook bestaan in het vuur. Niet alles is vuurbestendig, maar koper wel; het komt er weer uit. Gemeente, zo is Christus het vuur van Gods toorn ingegaan. Wij zijn niet bestendig voor dat vuur van Gods toorn, maar Christus wel. Ten slotte: koper is smet werend. Vroeger maakte men de deurknoppen van koper. Koper geeft geen besmetting door. Zo is de Zoon des mensen verhoogd om de zondesmet te weren.

Alzo, dat wil zeggen: op dezelfde wijze. Zo was het voor Christus, maar zo is het ook in het hart. Zo is het voorwerpelijk, maar zo is het ook onderwerpelijk. Hier ligt ook onderwijs voor het bevindelijke leven.

 

Hoe is het gegaan in die oude geschiedenis? Is het begonnen met het oprichten van de koperen slang? Heeft Mozes gezegd tegen de mensen: ‘Ik ga voor jullie eens een slang oprichten, en als ik dat gedaan heb, zullen de slangen komen en die gaan jullie bijten’. Nee, zo is het niet gegaan, eerst is het oordeel gekomen. En toen het oordeel kwam, moest het eerst ook worden ingeleefd. De Heere heeft aan het volk geen weg ter ontkoming gewezen toen zij zich nog verhardden. Ook niet toen de mensen al begonnen te sterven, maar gemeente, de oplossing is gekomen toen men in de schuld kwam. Alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, alzo krijgt de Zoon des mensen waarde voor mensen die in de schuld mogen komen. Die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Voor de Heere Jezus – en dat wordt bij deze geschiedenis vaak uit het oog verloren – moet plaats gemaakt worden. Dat zien we ook heel duidelijk terug in de geschiedenis in de woestijn. Het middel der verlossing was onbekend, het middel der verlossing moest geopenbaard worden.

 

Gemeente, zo is het vandaag ook. Het middel der verlossing is onbekend. Ja, we weten het wel met ons verstand, maar het moet in ons hart geopenbaard worden. Maar als wij zelf nog allerlei middelen hebben waarmee we proberen van dat slangengif af te komen, komt een mens niet in de schuld. Dan heeft een mens dit middel niet nodig. Ik denk dat de mensen in de woestijn ook eerst geprobeerd hebben het zelf op te lossen. Ze hebben gedacht: we zullen onze tent goed afsluiten. Ze hebben gedacht: in onze tent zal het wel niet komen. Toen ze gebeten waren, hebben ze geprobeerd de slangen van zich af te schudden. Ze hebben gekeken of ze nog wat in de tent hadden van kruiden die misschien helpen zouden. Ze hebben geprobeerd het gif weer uit hun lichaam te krijgen. Ze hebben geprobeerd om de wonden te verbinden. Natuurlijk hebben ze er alles aan gedaan.

Maar toen er niets meer hielp, werd het pas nood. Gemeente, zo moet het ook in ons leven nood worden. In die weg komt de oplossing. Dat ligt in het woordje alzo. Zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden. De Zoon des mensen werd daar, onder het symbool van de oude slang, verhoogd voor mensen die zelf geen oplossing meer hadden. Mensen die daar dorsten als gevolg van het slangengif en geen uitkomst meer zagen.  Toen heeft Mozes onder hen die slang mogen verhogen voor boetvaardigen. Dat hadden zij niet verdiend.

 

Ik zag pas nog een schilderij van de geschiedenis van de koperen slang. Toen zag ik daar Mozes staan, heel eenzaam bij die stang, onder die koperen slang. Zo staan ook de dominees in deze dagen van het coronavirus heel eenzaam in lege kerken. Maar de boodschap mag naar buiten komen. Zo mogen Gods knechten vandaag mooi werk doen. Ze mogen in deze noodsituatie wijzen  op de Heere Jezus Christus. Mozes heeft het volk mogen wijzen op Hem. En dat mogen wij vandaag ook nog doen. O, wat een voorrecht dat de Heere ons dat nog geeft. Dat Hij zijn knechten nog zendt, als het ware, tussen de levenden en de doden om het Evangelie van de gekruisigde Christus te verkondigen. Er is geen ander fundament.

Gemeente, de koperen slang moest niet alleen opgericht worden, de ogen van de mensen moesten er ook op gericht worden. Toen Mozes die slang had opgericht, kon Mozes niet zeggen: ‘Nou, dan laten we het hierbij en dan zal het allemaal wel goedkomen, we houden ons preekje en doen een gebed en dan ...’. Nee, nee, nee, de ogen van die mensen moesten erop gericht worden. Want als iemand níet zag op die slang, stierf hij alsnog; dan ervoer hij de kracht van het geneesmiddel niet. Gemeente, zonder het ware geloof zal het ons niet baten. Dát moet de nood van ons leven zijn.

 

Heeft Nicodémus dat allemaal op hetzelfde moment begrepen? Natuurlijk niet. Een van de verklaarders zegt dat Nicodémus hier zoveel dingen van de Heere te horen krijgt, dat hij zijn hele leven ervoor nodig had om de inhoud ervan te leren, en dat geloof ik ook. Maar dit is wel de kern geweest. Wedergeboorte en geloof. Dat is de kern geweest: de dood door de oude slang en de kruisiging van Christus. Christus heeft in enkele pennenstreken het Evangelie des kruises meegegeven aan deze eigengerechtigde farizeeër. Hij was een arme man, die probeerde in leven te blijven en behouden te worden door zijn werken. Hij moest leren dat er van hem niets mee telde. Ik denk dat het voor Nicodémus op Goede Vrijdag wel teruggekomen zal zijn, deze preek. ‘Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.’

Een onbevattelijke vergelijking. We gaan naar onze derde gedachte: een actuele toepassing. Maar eer we daar iets van zeggen, gaan we zingen uit Psalm 68 en daarvan het 10e en het 17e vers.

 

Geloofd zij God met diepst ontzag!

Hij overlaadt ons, dag aan dag,

Met Zijne gunstbewijzen.

Die God is onze zaligheid;

Wie zou die hoogste Majesteit

Dan niet met eerbied prijzen?

Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,

Ons 't eeuwig, zalig leven;

Hij kan, èn wil, èn zal in nood,

Zelfs bij het naad'ren van den dood,

Volkomen uitkomst geven.

 

Hoe groot, hoe vrees'lijk zijt G' alom,

Uit Uw verheven heiligdom,

Aanbidd'lijk Opperwezen!

't Is Isrels God, die krachten geeft,

Van Wien het volk zijn sterkte heeft.

Looft God; elk moet Hem vrezen.

 

3. Een actuele toepassing

Onze derde gedachte, een actuele toepassing.

Want, gemeente, deze geschiedenis geldt niet alleen het volk van Israël in de woestijn. Deze geschiedenis heeft niet alleen betekenis voor Nicodémus, die deze boodschap persoonlijk meekrijgt van de Heere. Deze geschiedenis is nog hoogst actueel. Hier verbindt de Heere een actuele toepassing aan, als hij zegt: ‘Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.’ ‘Opdat een iegelijk’, wat ligt daarin een ruimte. ‘Een iegelijk’, wat was er een ruimte daar voor het volk van Israël in de woestijn. ‘Een iegelijk’, er waren er zovelen die gebeten waren. Jong en oud. Een iegelijk, dat geldt: Jood en heiden, rijk of arm, welk onderscheid er ook is. Wat ligt er een ruimte in dat woord ‘een iegelijk’.

Maar aan de andere kant, gemeente, wat wordt die ruimte tegelijk ook door de Heere begrenst als Hij zegt ‘een iegelijk die in Hem gelooft’. Dus de grens wordt getrokken door het geloof. Hier op deze aarde wordt de grens tussen de mensen getrokken door het geloof. In de eeuwigheid is de grens getrokken in Gods welbehagen; en op deze aarde voltrekt zich de grens door het geloof. Zonder wedergeboorte, zonder geloof zal niemand het koninkrijk der hemelen ingaan. Dat zien op de koperen slang is een zien des geloofs. Ik zei al: deze geschiedenis wordt vaak heel oppervlakkig ingekleurd. Maar deze geschiedenis is niet oppervlakkig.

 

Gemeente, het gaat hier niet om een natuurlijk zien, maar om het zien des geloofs. Nu lijkt het zo heel gemakkelijk om op Jezus te zien. Maar als u er ervaring mee hebt, zult u met mij weten: dat is nu het laatste wat een mens wil, en het laatste wat hij doet. Er zijn ook in Israël talloze mensen gestorven, terwijl die koperen slang al opgericht was. Een mens vindt de andere geneesmiddelen beter, een mens gaat bij zijn verstand te rade.

Gemeente, het is net als bij die bloedvloeiende vrouw; wanneer kwam ze bij Jezus? Ze kwam toen ze niets meer had, toen ze al haar geld aan de medicijnmeesters verdokterd had. Op het laatst, toen kreeg Hij waarde voor haar. En helaas, helaas … zo is het nog in ons leven. We moeten van alles afgebracht worden, er is geloof nodig! Wat voor geloof is er nodig? U zegt: geloof in de Gekruisigde. Helemaal mee eens. Maar, gemeente, wat gaat er aan dat geloof vooraf? Aan dat geloof in de Gekruisigde gaat het geloof in het slangengif vooraf. Als je niet gelooft dat je door de slang gebeten bent, zul je ook niet in waarheid in de Gekruisigde geloven. Weet u wat voorafgaat aan het zien op Jezus? Daar gaat aan vooraf dat wij geloven dat de beet dodelijk is. Als je niet gelooft dat de beet dodelijk is, gemeente, houdt de mens zich op de been. Net als de Israëlieten dat deden. Als we niet geloven dat de dood volgen zal, wordt het geen nood.

Om in waarheid op Jezus te zien, is het nodig dat alle andere geneesmiddelen voor ons tekortschieten. Anders houden we daaraan vast, want zo is een mens. Als u uzelf kent, zult u dat vanmorgen beamen. Maar er is geen ander middel, er is maar één middel; en dat is het door God uitgedachte middel dat voor ons verstand zo’n dwaasheid is. Gemeente, het is zo nodig dat wij oog krijgen voor de noodzakelijke vernedering van de Heere Jezus Christus. In de weg van de geloofsoefening wordt het oog van een verloren mensenkind op Hem gericht. ‘Een iegelijk die in Hem gelooft’. ‘In Hem’.

Dat geloof in Hem, ach, dat is bij alle gelovigen niet even sterk. Als het over het geloof gaat, gebruikt de Heilige Schrift verschillende woorden. Dan wordt er gesproken over hongeren, over dorsten, over van verre zien, omhelzen. U voelt wel, dat laatste is veel sterker dan hongeren en dorsten. Ik geloof dat er bij de gebetenen een onderscheiden zien is. Het zien van verre of het zien van nabij.

Maar nu gaat het om de wáárheid van het zien, gemeente. Ook bij de kruisiging van de Heere Jezus – ik denk dat het goed is dat erbij te betrekken – was er een onderscheiden zien. Hoe was het toen? Toen zijn er mensen geweest en die hebben gezien. Zijn al die mensen zalig geworden? Nee, gemeente, er zijn mensen geweest die Jezus letterlijk hebben gezien. Maar ze hebben gespot, ze hebben gespot, ze hadden hem niet nodig, ontzaglijk! Ze hebben er niets van begrepen. Diepingrijpend. We lezen van de krijgsknechten, die gespot hebben.

Maar er was ook een bewogen zien. Er zijn mensen die hebben gehuild, die hebben gehuild. O, maar die zijn toch wel behouden? Nee, kun je huilend zien naar Jezus en toch nog verloren gaan? Ja, denk eens aan de dochteren van Jeruzalem. De Heere Jezus zegt: ‘Weent niet over Mij, maar weent over uzelve en over uw kinderen.. Het was geen gelovig zien van die dochteren van Jeruzalem. Er kan een emotioneel zien zijn op de Gekruisigde. Gemeente, de schare was bewogen toen de mensen de kruisiging zagen. De mensen hebben op hun borsten geslagen. O, dat was toch wel zaligmakend zeker? Nee, het was geen gelovig zien.

Weet u wat het aangrijpende is? Dat er maar enkele voorbeelden in de Bijbel staan, van mensen, die met het geloof gezien hebben op de Gekruisigde. Dan denk ik aan de moordenaar aan het kruis, die ook in de schuld kwam: ‘Wij toch rechtvaardig, wij ontvangen strafwaardig hetgeen wij gedaan hebben. Maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.’ ‘Gedenk mijner.’ Dat was geen rechthebbend zien, dat was het zien van een verlorene. En dat onwaardig zien was een genezend zien! Daar ging zoveel kracht van uit. Jezus sprak tot hem: ‘Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.’ Dan moet ik ook denken aan de hoofdman, gemeente. De hoofdman over honderd heeft gezien. We lezen niet veel van die hoofdman, maar wel wat dit zien in zijn hart heeft uitgewerkt. Daaruit blijkt dat hij gelovig heeft gezien. Hij zegt: ‘Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon.’ We lezen ten slotte van Zijn bekenden. Ze stonden van verre. Ze hebben gezien, door hun tranen heen. Ze hebben waarschijnlijk niet zo scherp kunnen zien in die ogenblikken. Maar ze hebben door het geloof mogen zien. En dat zien is tot behoud.

 

‘Opdat een iegelijk’ – met alle onderscheid dat er zijn kan, ook in de oefeningen van het geloof  – ‘opdat  een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve’. Kijk, die koperen slang gaf uitstel van de tijdelijke dood. Mensen hoefden voorlopig nog niet te sterven. Als je van corona geneest, mag je nog een poosje leven.

Maar, gemeente, dít is een Geneesmiddel dat redt van de eeuwige dood. ‘Niet verderve’, dat wil zeggen: ‘in de verderfenis niet komen, maar leven’. Dat is het eeuwige leven dat uit Christus voortvloeit. Daarvan zegt Jezus Zelf: ‘Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige, waarachtige God en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.’

Geliefde gemeente, wij leven in bewogen tijden. Wat ik hoor van de mensen die met corona besmet zijn, grijpt mij erg aan. Als ik hoor hoe ziek sommigen zijn, diepingrijpend! Als ik gesprekken heb met mensen die in de zorg werkzaam zijn, dan raakt me dat. En toch, en toch, laat dát in deze dagen onze grootste nood niet zijn. We zijn gebeten door de slang, we zijn bezig om te verderven. Maar die in Hem gelooft, zal niet verderven maar het eeuwige leven hebben.

De Kruisbanier mag vandaag op zoveel plaatsen onder de prediking nog worden opgericht. Ik hoop dat het nood mag worden. Ik hoop dat u er een zicht op mag krijgen, niet als een rechthebbend mens, want dan is er geen sprake van gelovig zien. Maar als een doodschuldige, stervende zondaar, die het leven mag vinden in deze dierbare Christus.

Amen.

 

Slotzang Psalm 103: 2

 

Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van 't verderf uw leven wil verschonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw redder is geweest.