Ds. Th. van Stuijvenberg - Psalmen 25 : 12

Wie heeft lust de Heere te vrezen

Psalmen 25
De levensvraag
De levensweg

Psalmen 25 : 12

Psalmen 25
12
Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 6
Lezen : 2 Samuël 15: 13 - 37
Zingen : Psalm 23: 1 en 2
Zingen : Psalm 25: 7
Zingen : Psalm 119: 2 en 4

Met de hulp van de Heere willen we u bepalen bij Psalm 25 en daarvan het twaalfde vers:

 

Wie is de man, die de Heere vreest? Hij zal hem onderwijzen in de weg, dien hij zal hebben te verkiezen.

 

Gemeente, de vreze des Heeren is een groot goed. De vreze des Heeren is niet hetzelfde als genade. De vreze des Heeren is een gevolg van genade. Zij is vrucht van genade. De vreze des Heeren, zouden we kunnen zeggen, is onze gezindheid voor God.

Het heeft niets te maken met bangheid, ook niets met verschrikking, of slaafse vrees. Nee! Het is alleen maar angst en vrees voor straf, omdat ons geweten ons zegt dat we verkeerd gedaan hebben. Ons geweten is de stedehouder Gods en het zegt dat de Heere ons straffen moet. Dáár komt de slaafse vrees en de angst vandaan.

 

Maar waaruit komt de vreze des Heeren dan voort? Wel, zij vloeit voort uit de vergeving van de zonden. Als onze zonden vergeven zijn, dan hebben we geen angst meer.

Als Gods kinderen mogen weten dat hun schuld vergeven is, wil dat niet zeggen dat ze niet vrezen als ze weer in de zonde vallen. Natuurlijk wel, want de Heere stelt hen de zonden ordentelijk voor ogen. Maar het gaat hier over de eeuwige straf waarmee de Heere ons straft als wij in de zonden blijven voortleven. Als de zonde vergeven is, dan hoor je de dichter zingen:

 

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven.

 

Ook voor de tijd. ‘Ja maar’, zult u zeggen, ‘er wordt toch ook in Gods Woord gezegd dat de Heere Zijn kinderen straft?’ Zeer zeker. Maar dan moeten we toch wel erbij zeggen: ‘Als de Heere Zijn kinderen straft, dan is dat Vaderlijk. Dan zijn dat Zijn liefde-kastijdingen.’ Dat kan heel ingrijpend zijn, en dat kan ontzettend veel pijn veroorzaken naar lichaam en ziel, maar dat alle hoop dan wegvalt is onmogelijk.

 

De vreze des Heeren houdt kinderlijke eerbied in. Kind tegenover zijn Vader. Diep ontzag voor God. In de kinderlijke vreze, gemeente, is de liefde tot de Heere de grondtoon. Dat ziet u toch ook in het dagelijkse leven? Uw kind vreest u niet wanneer u elke dag met straffen dreigt, maar omdat u van uw kind houdt. Uw kind ziet het in uw ogen; want u sluit het in uw armen en het fluistert: ‘Ik hou van je’.

Welnu, zo is het ook in het geestelijke leven. ‘De Heere vrezen’, waarover gesproken wordt in onze tekstwoorden, betekent: Hem dienen, Hem lieven en loven.

We vrezen Hem niet vanwege de straf die volgt op de zonde, ook niet omdat de hemel aan Zijn Kerk beloofd is. We vrezen en dienen de Heere uit louter liefde, om Zijns Zelfs wil. Daarom zijn we begonnen met te zeggen: ‘De vreze des Heeren is een groot goed.’ Dat is voor ons van de grootste betekenis; voor de tijd en voor de eeuwigheid.

We kunnen ook een lang leven, een gezond leven, een rijk leven als het grootste goed zien en het zoeken van de Heere en het leven met Hem zien als onbelangrijk of van later zorg.

Jongens en meisjes, pas op, het is spoedig te laat! Leer in je jonge jaren de Heere te vrezen, het allerhoogst en eeuwig Goed. Ons jonge leven aan Hem wijden, Die het waard is om door ons geëerd, gevreesd en gediend te worden, is het allerhoogste goed! We hebben allemaal als kinderen het versje geleerd, dat we hebben gezongen:

 

Wie heeft lust den Heer’ te vrezen,

’t Allerhoogst en eeuwig goed?

 

Hierover gaat het in onze tekst. Zij stelt ons de vraag: Wie heeft lust de Heere te vrezen?

 

We staan stil bij:

1.  De levensvraag

2.  De levensweg

 

1. De levensvraag

 

Deze psalm is gedicht in de tijd dat David vluchten moest voor zijn zoon Absalom. Daarom hebben we 2 Samuël 15 gelezen. De psalm bestaat niet uit losse, onsamenhangende verzen. Nee, als we die tweeëntwintig verzen van Psalm 25 nagaan, dan zien we een heel duidelijke ordening. Het is een gebed. U weet, een gebed is geen opsomming van feiten, het is geen betoog, het is geen systematisch geheel. In een gebed worden vragen, noden en zorgen aan de Heere voorgelegd.

We hoeven de Heere niets uit te leggen, zoals wij als mens tegenover mens, wél doen. Wij moeten soms de dingen die we noemen nader toelichten. Maar zo is het niet in een gebed dat opgezonden wordt naar de Heere. We mogen de Heere alles vragen! ‘Heere, mag het zijn naar Uw heilige wil, Uw Goddelijke raad en eeuwig welbehagen.’

 

Ondanks dat het een gebed is, herkennen we duidelijk een ordelijke opbouw. De eerste zeven verzen van deze psalm vormen samen een gebed. Daarop volgen de middelste verzen, de verzen 9 tot 15; die heel anders zijn, maar toch niet uit de toon vallen. Zij onderbreken het gebed. Laten we maar eens kijken wat er staat in vers 8 tot en met 10: De Heere is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg. David, de dichter van deze psalm, gaat getuigen, er komen ontboezemingen: Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren. Alle paden des Heeren zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.

Hoort u het? Een ontboezeming. Een getuigenis.

 

Daarna wordt de draad van het gebed weer opgevat. Midden in dit getuigende gedeelte, vormt vers 11 weer een korte en een afzonderlijke bede: Om Uws Naams wil, Heere, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.  

Merkt u op dat de dichter dicht bij de Heere leeft? Als hij deze psalm dicht, doet hij dat niet omdat hij even tijd heeft om een gedicht te schrijven, zonder dat zijn hart erbij is. Nee, hij legt zijn hart voor de Heere open. Hij denkt aan zijn zonden. David is hier niet echt op de toppen van het geloof. Niet iemand, van wie je zou zeggen: ‘Niet aanraken, want hij is zo heilig!’ Zo iemand vind je overigens nergens in de wereld en zo is het ook niet met David. Hij is en hij blijft voor de Heere een arme zondaar, die nooit of te nimmer beter wordt, al mag hij weten dat zijn zonden vergeven zijn.

David vervolgt zijn gebed in vers 16 heel persoonlijk: Wend U tot mij en zijt mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. Maar daar blijft het niet bij. Hij eindigt met: O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden. Zo verruimt zich het hart van David en pleit hij op Gods barmhartigheid voor Zijn bondsvolk.

Welnu, in dit getuigende gedeelte staat ons tekstwoord. Het is heel bekend in de berijming: Wie heeft lust de Heere te vrezen? Kinderen, dit is een van de eerste versjes die jullie op school geleerd hebben.

 

Als we de tekst van de Bijbel lezen staat er: Wie is de man die de Heere vreest? Dat is een hele belangrijke vraag. We kunnen gerust zeggen, dat is voor ons allen de allerbelangrijkste vraag in ons leven.

Wie is de man die de Heere vreest? Je kunt meestal niet gelijk zeggen: ‘Kijk, dat ben ik.’ Nee, want het leven der genade maakt ootmoedig. Dat is geen valse bescheidenheid of gemaakte hoogmoed, want daarvoor moeten we juist bang zijn. David is een ootmoedig man. Hij heeft leren buigen voor de Heere.

Gemeente, dat is voor ons allemaal nodig. Of we nu jong zijn, of oud. Soms klinkt het ‘dat ben ik’ pas als we oud geworden zijn en zien dat de Heere ons zoveel goeds heeft gedaan. Dan knielen we ootmoedig voor Hem neer! Hij heeft ons alle trouw bewezen en ons steeds nagewandeld. Hij heeft ons geholpen in alle noden en zorgen. ‘Zo’n Heiland, die Heelmeester, is de mijne!’

 

Wie is de man, die de Heere vreest? Het staat er niet, maar David wijst dan op zichzelf. Hij vreesde vanaf jonge leeftijd de Heere; toen bewees Hij hem reeds Zijn genade. Dat hoor je direct in Psalm 23, die hij gedicht heeft toen hij de schapen weidde:

 

De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.

Hij doet mij nederliggen in grazige weiden;

Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.

Hij verkwikt mijn ziel;

Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil.

 

Dit kan alleen maar een kleine jongen zingen, die de Heere vreest. Maar misschien vraagt iemand zich wel af: ’Is dit nu werkelijk wel in het leven van David gebeurd? Het zou toch zomaar kunnen zijn dat zijn vader Isaï en zijn moeder bekeerde mensen waren, en dat de vreze van de Heere automatisch op David is overgedragen?’

Nee, dat weet u wel! De genade die God schenkt in het leven van een zondaar is geen automatisme. Genade valt ons niet ten deel omdat wij op het erf van het verbond geboren zijn. Dat houdt wel in dat we de rijkste beloften van de drie-enige God ontvangen. Veracht toch Zijn grondeloze barmhartigheid niet! Verzondig het niet! Denk niet: ’het komt zo wel goed in mijn leven.’ Nee, gemeente, dat is levensgevaarlijk! Een nieuw leven, gewerkt door de Heilige Geest, is nodig om deel te hebben aan de weldaden van het genadeverbond, om een kind van God te zijn.

 

We zien het vaak in het leven van mensen die vanaf hun jeugd de Heere vrezen – zoals David – dat zij niet precies kunnen zeggen wanneer de Heere in hun leven begonnen is. Maar ze weten wel zeker dat de Heere in hun leven gekomen is. Als ze wat ouder worden, en meer lessen van de Heere krijgen, dan leren ze het onderscheid wel tussen slaafse vrees en kinderlijke vrees. Ze kunnen dan de algemene overtuigingen, die er in hun leven zijn, onderscheiden van de zaligmakende overtuigingen. Zaligmakende overtuigingen gaan samen met liefde tot de Heere; en die wordt door de Heilige Geest in het hart gewekt.

Welnu, zo was het ook in het leven van David. Hij had achter de schapen een teer leven. Hij had naast zijn wapen – een knots – en zijn voedsel, ook zijn harp bij zich. Hoe vaak nam hij die harp niet ter hand en heeft hij daarop getokkeld: De Heere is mijn Herder, Hij doet mij nederliggen in grazige weiden?

 

Heeft David altijd in de vreze des Heeren gewandeld? Helaas niet! Gemeente, dat verzwijgt de Heere niet in Zijn Woord. Hij stapt niet over de zonden heen. De Heere beschrijft in Zijn Woord ook de zwarte bladzijden van het levensboek van Zijn kinderen. De donkere dagen in het leven van David verzwijgt de Heere niet. Dat wist David zelf ook. Wat een bittere tranen heeft hij daarover geschreid! Het heeft hem veel verdriet gedaan!

Maar ondanks zijn falen en zijn zonden, en zijn afglijden van de wegen des Heeren, heeft David geleerd om te bidden: Wie is de man die de Heere vreest? Dan heeft hij toch zijn hart opgeheven naar de levende God.

Daarom zijn de woorden die hij hier neerschrijft: ‘Wie is de man die de Heere vreest’ geen onbedachtzaam gesproken woorden van David. Nee, het is hartentaal. Welgemeend, want David is een man die de Heere vreest, en die tere vreze des Heeren komt op deze wijze openbaar.

Als we alleen op zijn fouten letten, gemeente, op zijn zonden en op zijn falen, dan schrijven we hem direct af. Dan zeggen we: ‘Is dat nu een man die de Heere vreest?’ Dan zouden we koning David moeten rangschikken onder de dubieuze posten.

Nee! Weet u, waar u naar kijken moet? Niet naar zijn falen, maar naar de tere vreze Gods, die alle verstand te boven gaat. Als we dat zien in het leven van David, zoals dat in het Woord Gods beschreven wordt, dan krijgen we hem hartelijk lief. Dacht u ook niet? Jazeker! Dan zeggen we: ‘Kijk David, ik leef wel vele eeuwen later dan u, maar die omstandigheden, die zielsomstandigheden, die zijn mij niet vreemd.’

 

David denkt in zijn gebed zelfs nog aan zijn jeugdjaren. De zonden van zijn jeugd, die drukken hem nog steeds terneer. Hoor hem bidden: Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen.

Jonge mensen, ik houd in dit verband niet van mensen – u toch ook niet? – die de zonden uit hun jonge jaren eens lekker breed uitmeten. Dat is niet goed, gemeente! Want dan hebben we er heimelijk nog schik om. We proberen andere mensen misschien wel aan het lachen te krijgen, als we die zonden van vroeger zitten aan te dikken en uit te meten.

Nee, Davids jeugdjaren werpen een schaduw over zijn hele latere leven. We lezen van Paulus dat hij een scherpe doorn in zijn vlees had, opdat hij zich niet zou verheffen. David had dat hiermee ook.

Jongens en meisjes, luister eens even. Je moet eraan denken, als we het in ons jonge leven zo bont maken – ook al weten vader en moeder en de kerkenraad er niet van – dat dit leven een kruis kan worden in ons latere leven. De Heere komt erop terug! Hij rekent toch af! Al is het dat de Heere uit genade onze ogen opent, Hij rekent met ons af aan deze zijde van het graf. De Heere stapt niet over de zonden heen. Gods kinderen denken niet zoals de antinomiaan: ‘Het is nu eenmaal zo, het is gebeurd. De Heere zal het wel vergeven, de Heere zal het wel door de vingers zien.’

Nee, die zonden worden hun tot een kruis, en ze worden smartelijk beweend. Zelfs ogenschijnlijk kleine dingen komen in onze herinnering terug. Maar David leidde al op jonge leeftijd een leven in de vreze des Heeren. Wat had hij de Heere lief! Wat had hij een eerbied voor de Heere! Hoor maar wat hij zingt:

 

God heb ik lief; want die getrouwe Heer

Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor, ’k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

 

Als angsten der hel en de vrees voor de doods hem omvangen, dan roept hij daar weer bovenuit: Toch heb ik mijn God lief, want die getrouwe Heere, hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen.

En als hij huppelt voor de ark – om nog maar eens iets uit zijn leven te noemen – wat komt daar dan de liefde en de eerbied voor de Heere bijzonder in uit! Eenvoudig gekleed in een linnen lijfrok, geen koninklijk kleed aan, zodat zijn vrouw Michal hem bespot. Hij heeft voor de Heere gehuppeld van zielenvreugd.

Dan komt de vreze Gods openbaar. God heb ik lief. Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere mijn Ontfermer. Vanwege de trouw, vanwege de gunst, vanwege de genade die de Heere aan hem bewezen had.

 

Maar nu eerst dit. Het kan zijn, als een kind des Heeren nog jong is, dat hij veel spreekt over de goedheid van de Heere, en dat hij leeft voor de Heere en met de Heere, en dat het geloof levend mag zijn, maar dat als hij ouder wordt, het dan afzakt. Dat is erg!

U en ik hebben allemaal wel kinderen Gods gekend, van wie we weliswaar mogen hopen dat ze ingegaan zijn in de vreugde van hun Heere, maar toen ze ouder werden ging het leven tanen. Het schriftonderzoek werd minder. Ze lazen niet meer – om het maar eenvoudig te zeggen – een preekje van Ralph Erskine of Hugo Binning of wat dan ook. Nee, daar hadden ze geen zin meer in. Wat is dat erg! Dit houdt hen niet uit de hemel, maar geeft wel veel donkerheid in het leven; zoiets leidt tot een armoedig geestelijk leven. Wat moeten we daar bang voor zijn! Als we in onze jeugd en in de kracht van ons leven, getuigenis hebben gegeven van de hoop die in ons is, en als we ouder worden het geloofsleven gaat tanen.

Wat zou daarvan de oorzaak kunnen zijn denkt u?

Wel, ik denk dat we dan te veel op onze bekering hebben geleefd, en dat we te weinig opgezien hebben naar de hemel. Dat we te weinig de bediening van de Heere Jezus nodig hadden en te weinig gebeden hebben om de leiding van de Heilige Geest.

Gemeente, dit is niet alleen een gevaar voor gemeenteleden, maar ook voor de dienaar des Woords en voor ouderlingen en diakenen. We kunnen zo in ons ambtelijke werk opgaan. We kunnen zo goed onze leden en doopleden voorhouden steeds de Heere nodig te hebben en tegelijk vergeten dat wij zelf ook elke dag weer bekeerd moeten worden. Vergeten dat we elke dag iets van de vreze des Heeren moeten leren kennen, die het beginsel is van alle wijsheid.

 

David vraagt: ‘Wie is de man die de Heere vreest?’ We antwoorden dan al snel: David, dat bent u zelf. Maar nu wordt deze vraag ook aan ons gesteld. Daarop moet u vandaag antwoord geven voor de Heere en uw ziel. Wie is de man die de Heere vreest? Wie is de vrouw die de Heere vreest?

U moet antwoord geven op de vraag: Hebt u eerbied voor God? Hebt u liefde voor de Heere? Stemt u ook in met Petrus Datheen?


Als ik dan U heb, o Heer’ mijn,
Zou daar iets anders mijn God zijn?
Zou ik ergens groot ofte klene,
Een God hebben dan U allene?

 

Ligt dit ook in uw hart?

 

Weg wereld, weg schatten,
Gij kunt niet bevatten,
Hoe rijk dat ik ben.
‘k Heb alles verloren,
maar Jezus verkoren,
wiens eigen ik ben!

 

Ligt er de hartelijke keus in uw ziel om liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben? Acht u de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom dan al de schatten van Egypte? Leeft u in eerbied voor de Heere? Spreken we eerbiedig over Hem? Bidden we eerbiedig, en ootmoedig? Het antwoord op de vraag: Wie is de man die de Heere vreest, leren we niet op de Hogeschool. Nee, gemeente, dit is geen vraag die wij met ons verstand kunnen beantwoorden. Want de vreze des Heeren zit vanbinnen, in ons hart. De vreze des Heeren vergt niet zo veel woorden.

Obadja, de hofmeester van Achab, verkeert in grote moeilijkheden. Als hij Elia ontmoet horen wij hem zeggen: Ik, uw knecht, nu vrees den Heere van mijn jonkheid af (1Kon.18:12). Kunnen jullie dat ook zeggen, jongens? Kunnen jullie dat zeggen, meisjes? Ik nu vrees de Heere? Geef eens antwoord op de vraag:

Wie is de man, die de Heere vreest?

Wie is de vrouw, die de Heere vreest?

Wie is de jongen, die de Heere vreest?

Wie is het meisje, dat de Heere vreest?

 

De ware vreze des Heeren is niet één of ander aangeleerd godsdienstig lesje. Daarmee heeft het niets te maken. Bovendien, dat nagemaakte, dat geforceerde, dat opgelegde, dat vergulde leven, dat stoot zo vreselijk af. Daarin zit altijd iets overdrevens, iets dat niet echt, wat niet blijvend is. Nee, laten we onszelf niet bedriegen! Die kinderlijke vrees, die vreze des Heeren kunnen we niet aanleren. Zelfs de geleerdste onderwijzer, docent of professor, kan ons dat niet leren.

Ik heb wel eens iemand horen zeggen: ‘Die of die was mijn geestelijke vader.’ Of: ‘Die vrouw was mijn geestelijke moeder.’ Het is gelukkig als de Heere mensen gebruiken wil om ons tot een hand en een voet te zijn in het leven. Maar we hebben een heel andere leermeester nodig! Als je alleen maar kan zeggen: ‘die of die was mijn geestelijke vader of mijn geestelijke moeder’, en je praat helemaal niet over de Heere Jezus, dan ben je arm. Ontzettend arm!

 

Weet u waar de vreze des Heeren toe behoort? Die vreze behoort tot de natuur van de genade. Wat behoort tot de natuur van de mens? Wel, dat hij zich redt met de mogelijkheden en de middelen die hij zelf heeft. De mens is een redelijk schepsel en een dier niet; dat weet iedereen. Maar de natuur van de mens is zondig. Diep zondig! Onverbeterlijk aan onze zijde. De natuur van de genade is evenwel anders, die natuur verheerlijkt God. Genade doet ons leven uit Christus en wandelen in de vreze des Heeren.

De liefde tot God in ons hart kan dus niet aangeleerd worden, die hebben we niet door geboorte, maar krijgen we door wedergeboorte. De vreze des Heeren is het beginsel van alle wijsheid. Zij is vrucht van genade.

Door wedergeboorte krijgen we een nieuw leven ingeplant. Als we uit God geboren worden, als de genade van Christus ons geschonken wordt, dan wordt die liefde in ons hart uitgestort.

Ik weet niet wat uw ervaring is, maar let er maar op, wanneer iemand spreekt over het leven der genade of er sprake is van liefde tot God. We kunnen natuurlijk geweldige en miraculeuze dingen vertellen – zo diep, zo ontzettend diep – maar het gaat om de liefde Gods! Er kan zo veel zijn wat slechts algemene overtuiging is. Maar de liefde tot God buigt, vernedert en verbrijzelt.

Kijkt u maar naar de voorbeelden in Gods Woord. Dan leest u van Saulus: En hij bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Dat is nu iemand die het zo goed wist. Bij Gamáliël op school gegaan; een Hebreeër onder de Hebreeën, besneden ten achtsten dage. Hij zou de gemeente in Damascus wel even kapot maken. Maar dan zegt de Heere: ‘Halt!’ En dan klinkt het: Wat wilt Gij dat ik doen zal?

 

Ziet uw wel, dat de vreze Gods de vrucht van het nieuwe leven is? En het beginsel van alle wijsheid? Dan komt u met God in aanraking en krijgt u diep ontzag voor de Heere. Dan worden we bang voor de Heere.

Waarom? Om gestraft te worden?

O zeker! We gaan onze zonden leren kennen en onze ongerechtigheden. Dan zeggen we: ‘Heere, als U in het gericht treedt, dan kan ik niet bestaan.’

Maar weet u wat het verschil is met het nabijkomende christendom, en het nabijkomende werk?

Dan valt men nooit aan Gods kant. Dat gebeurt wél als de Heere genade verheerlijkt in het hart van de zondaar. Dan valt hij aan Gods kant.

Let eens op de moordenaar aan het kruis. Hij zegt: En wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn (Luk.23:40,41). Kijk, dat is nu Gods recht toevallen. Dan krijgen we Gods geboden lief, dan krijgen we God lief, dan krijgen we Zijn dienst lief. Ja, dan zijn Zijn geboden niet zwaar. Dan zeggen we: ‘Heere, ik ben bang om tegen U te zondigen. Om kwaad te doen, waarmee ik U beledig.’

Kijk, daarover gaat het. De Heere beledigen, Hem smart aandoen, daar worden we bang voor. Dan gaan we bidden. Niet uit dwang of gewoonte, maar uit het verlangen van ons hart.

 

Eén van de vruchten van het nieuwe leven is, dat we de Heere aanlopen als een waterstroom. We achten ons gebed van geringe waarde, maar we weten wél dat God bidders hoort en verhoort.

De ouden zeiden wel eens: ‘Er wordt vaak meer met de pet op gebeden dan met de pet af.’ In onze tijd zou je kunnen zeggen: ‘Dan wordt er meer in de auto gebeden of op de tractor dan op je knieën.’ Want we kunnen niet meer buiten God leven, omdat de liefde van de Heere in ons hart is uitgestort.

Je kunt in het leven van alledag altijd zien of iemand leeft in de vreze des Heeren. Ik zie ineens het beeld voor me van die man die op de hoek van de straat stond. Jezus beschrijft dat tafereel. Aan die man kon je echt wel zien dat hij de Heere niet vreesde. Je hoorde hem zeggen: ‘O God, ik dank u dat ik niet ben zoals die man daar of zoals die man die net voorbijloopt.’ Nee, hij bezat de vreze des Heeren niet. Die man bedoelde alleen zichzelf. Hij had alleen maar hoge gedachten van zichzelf en wilde door de mensen geprezen worden.

Maar iemand die de Heere vreest gedraagt zich heel anders en dat kan je zien. Dan straal je ootmoed uit. Dan heb je iets van een kind. Nee, je doet niet kinderachtig, maar je gedraagt je als een kind voor de Heere en de mensen. De tere vreze des Heeren straalt van je af. Je bent bang voor de zonde. Je leeft met de Heere, je vertelt hem alles, zelfs over je dagelijkse werkzaamheden.

 

Ik denk aan die jongen in Veenendaal, jongens en meisjes. Hij wist niet hoe hij zijn sommen moest maken. Op school vouwde hij zijn handen en toen ging het ineens zo goed! Hij kreeg al die moeilijke sommen op tijd af. Toen hij thuiskwam zei hij tegen zijn moeder: ‘Mamma, ik heb alle sommen goed gemaakt terwijl ik eigenlijk niet wist hoe ik het doen moest.’

Zijn moeder vroeg toen: ‘Hoe heb je dat dan gedaan, jongen? Wat is er gebeurd?’ Wel, zei die jongen: ‘Mamma, ik heb aan de Heere gevraagd of Hij mij wilde helpen om die sommen te begrijpen en ze goed te maken.’

O, het is zo eenvoudig! Wij maken het zo moeilijk! We hebben zo’n hard en afkerig hart.

We zijn veel te koppig om voor God te buigen en om in kinderlijke afhankelijkheid naar Hem op te zien. Gemeente, het grootste in je leven is: een kind worden voor de Heere. Niets te zijn in eigen oog voor God.

Dit is de hoogste stand in het genadeleven! Dat kan men zien. Dan zeggen we: ‘Kijk, van die man straalt iets af van de vreze des Heeren, en niet alleen ’s zondags als hij naar de kerk gaat. Kijk, dat meisje laat zien dat ze van de Heere houdt, niet alleen op school, maar ook buiten schooltijd.’ Dan hoor je: ‘Nou, van hun godsdienst moet ik niet zoveel hebben hoor! Maar die man of dat meisje straalt toch iets uit. Er gaat iets van hen uit.’ Het dwingt respect af.

Kijk, gemeente, daar gaat het om! Onze wereld ligt in het boze. Met God, met Zijn dienst en Zijn dag wordt geen rekening meer gehouden. Wat is het nodig dat we leven als een licht in deze wereld en als het zout der aarde!

 

U vraagt misschien: ‘Hoe moet dat eigenlijk? Wat kun je op kantoor of in de fabriek met heel veel collega’s eigenlijk betekenen? Hoe wordt daar de vreze des Heeren zichtbaar? Wat betekent in die omgeving mijn godsdienst en het leven met de Heere?’

Moet u proberen mensen te bekeren? Nou, dat heb ik ook ooit geprobeerd, hoor! Dat wil ik wel eerlijk bekennen. In de tijd die ik nu mag dienen in de Kerk des Heeren heb ik ook al dikwijls geprobeerd mensen te bekeren. Maar het loopt op nul-komma-nul uit. Gelukkig leren we het en mogen we zeggen: ‘Heere, ik heb gezaaid, maar zou U nu de oogst willen geven?’

De Heere gebruikt daarbij soms wonderlijke wegen. Het komt soms van een kant waarvan wij het niet verwachten. God grijpt in, Hij laat het gestrooide zaad ontkiemen en laat het plantje groeien, zodat het vruchten voortbrengt. Dan kunt u het zien in het dagelijkse leven.

Het zaad zal ook vrucht dragen als we in de eenzaamheid onze noden aan God voorleggen, als we Hem aanlopen als een waterstroom. Er zijn ernstig zieke mensen onder ons. Houden we aan bij de Heere om hulp en uitkomst voor hun lichamelijke en geestelijke nood? De Heere hoort! Zeker waar!

Kinderen, jullie bidden toch ook wel eens voor onze zieke mensen of de Heere hen beter wil maken? De Heere hoort het kindergebed! Echt waar! Hij zegt dat Hij het piepen van de jonge raven hoort; dan luistert Hij toch ook naar jou als je op je knieën voor je bed zit?

 

Wie is de man, die de Heere vreest? We staan nu nog stil bij de tweede gedachte, maar eerst zingen we Psalm 25 vers 7:

 

Gods verborgen omgang vinden

Zielen waar Zijn vrees in woont;

’t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden,

Naar Zijn vreêverbond, getoond.

D’ ogen houdt mijn stil gemoed

Opwaarts, om op God te letten;

Hij, Die trouw is, zal mijn voet

Voeren uit der bozen netten.

 

Onze tweede gedachte is:

 

2. De levensweg

 

Wie is de man die de Heere vreest?

Deze vraag horen we uit de mond van de koninklijke zanger, maar we horen hem ook zingen: Om Uws Naams wil, Heere, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.

Hoe denkt u over zo’n man? Durft u hem nog te veroordelen? Durft u hem nog weg te zetten als een dubieuze post? Wilt u nog met uw vinger naar hem wijzen en hem van alles in zijn schoenen schuiven?

O nee, de Heere vergoelijkt de zonden niet. Gods kinderen zondigen niet goedkoop. Hij stelt ze hun zonden ordentelijk voor ogen. Hij brengt ze op de rechte plaats, aan Zijn voeten, om ze te bewenen. Om de zonden te betreuren. Ze dragen ze mee tot het einde van hun leven. Pas dan leggen ze het lichaam der zonde af. Dan gaan ze de bruiloftszaal in, die daar staat aangericht. Daar zal de ganse Kerk aanzitten aan de tafel, met Abraham, Izak en Jacob, bekleed met het kleed dat is witgewassen in het bloed van Christus. Gewassen en gereinigde zondaren!

 

Zo heeft David het geleerd: om Uws Naams wil. Hij weet dat zijn zonden vergeven zijn. Maar elke keer vraagt hij het opnieuw. Hoe vaak uw kind ook ondeugend is, het komt elke keer weer naar u toe. ‘Mama, papa, ik heb het verkeerd gedaan. Wilt u het me weer vergeven?’ Dan stuurt u uw kind niet weg, maar u neemt het in uw armen.

Jongens en meisjes, jullie voelen je daar toch niet te groot voor? Te wijs? Te zelfstandig? Nee toch? Het is juist heel goed. Je wordt er rijk van, als je tegenover de mensen je schuld toegeeft.

Zo is ook het buigen voor de Heere, voor Hem Die het zo waard is geëerd en gevreesd en gediend te worden. Denk er goed om, als je op stelten loopt, dan loop je grote kans om je benen te breken. Je moet door schade en schande wijs worden! Maar pas op: het kost een hoop energie om je eigenwijsheid af te leren!

Zo gaat het nu ook in het geestelijke leven. Wat moeten Gods kinderen met David toch vaak op deze plek komen en zeggen: Om Uws Naams wil, Heere, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.

Benen breken, volk van God! Op de knieën komen! Struikelen en vallen! Zo is uw leven. Maar het zal u ten goede komen, u die naar Zijn voornemen geroepen bent. Daarom zegt David en u moet toch ook maar eens antwoord geven: Wie is de man, die de Heere vreest?

 

David stelt deze vraag vandaag aan allen die om hem heen staan. David is een zondaar, hoor! Een arme zondaar. Maar hij weet gewassen te zijn door het bloed van Christus. Hij vraagt: Wie is er nu onder jullie die de Heere vreest? Wie is de man die de Heere vreest?

Daarin wil hij ons allen betrekken. Hij zegt niet: ‘Ik, ik, ik.’ Nee hoor, zo ligt het niet! Het kenmerk van het geestelijke leven is: niets te zijn in eigen oog voor God. Worden als een kind. Dat geldt voor al Gods kinderen.

‘Wie is er onder u die de Heere vreest?’

Wat is uw antwoord? Die vraag wordt ons indringend gesteld. U moet uzelf heel precies, heel nauwgezet onderzoeken. Hoe ligt het in uw hart? Hoe is uw leven?

Op huisbezoek wordt soms de vraag gesteld: ‘Bij wie hoort u?’ Vreest u de Heere? Mag u Hem dienen? Kunt u zeggen het eigendom te zijn van de Heere Jezus Christus?’

Vaak krijg je dan als antwoord: Nou, dat vind ik toch wel een heel moeilijke vraag. Een moeilijke vraag om daar zo direct antwoord op te geven. Maar u weet het wel; u weet best of de Heere alles voor u geworden is; of u van de Heere Jezus houdt.

 

Er zijn mensen, die de Heere hebben lief gekregen, maar toch niet volmondig kunnen zeggen: ‘Ja, ik vrees de Heere, net als David.’ Ze horen niet meer bij de wereld, daarvan hebben ze afstand genomen. De keuze van Mozes om bij het volk van de Heere te horen leeft in hun hart. Maar ze aarzelen nog om volmondig ‘ja’ te zeggen.

Andere mensen willen buiten schot blijven als die vraag gesteld wordt. Zij zeggen: ‘Kijk eens hier! Ik laat niet in mijn portemonnee kijken, en ook niet in mijn hart!’

O, onderzoek toch uw hart! Gemeente, wees oprecht! Geef een eerlijk antwoord voor God en voor de mensen. De vraag: Wie is de man die den Heere vreest, is zo indringend. Het antwoord is allesbeslissend voor ons leven en om eens behouden thuis te komen.

 

Amen.

 

Slotzang Psalm 119 vers 2 en 4:

 

Die, wars van ’t kwaad, niet in de zonde leeft;

Maar zijnen gang bestiert naar ’s Heeren wetten.

Gij, grote God, Die ons bevelen geeft,

Gij eist, dat w’ op Uw woord gestadig letten,

En dat w’ ons hart, aan Uwen wil verkleefd,

Geduriglijk op Uwe wegen zetten.

 

Ik zal, oprecht van hart, Uw Naam, o Heer’,

Gestaâg den roem van Uwe grootheid geven;

Als ik ’t gezag en ’t heilig oogmerk leer

Van ’t vlekk’loos recht, door Uwe hand beschreven.

’k Zal Uw geboôn bewaren tot Uw eer;

Verlaat mij toch niet gans’lijk in dit leven.