Ds. P. van Ruitenburg - Handelingen 16 : 25

Een les uit vreugde in de gevangenis

Paulus en Silas in de gevangenis
Vreugde ondanks de omstandigheden
Een les voor ons allen

Handelingen 16 : 25

Handelingen 16
25
En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen en de gevangenen hoorden naar hen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 105: 22
Lezen : Handelingen 16: 11 - 40
Zingen : Psalm 1: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 68: 11
Zingen : Psalm 73: 12

Gemeente, het tekstgedeelte voor vandaag is Handelingen 16 vers 25:

 

En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen en de gevangenen hoorden naar hen.

 

Het thema is Een les uit vreugde in de gevangenis.

 

We zien achtereenvolgens:

1. Paulus en Silas in de gevangenis;

2. vreugde ondanks de omstandigheden;

3. een les voor ons allen.

1. Paulus en Silas in de gevangenis

Gemeente, de Heere had Paulus geroepen om over te komen naar Macedónië. Hij had een man gezien, die riep: ‘Kom over in Macedónië en help ons’ (Hand.16:9). Dat was zo duidelijk voor de apostel Paulus dat hij geen keuze had. Of laat ik het anders zeggen: hij wilde niet anders dan zich aan de wil van God overgeven. Daarom verliet hij Troas, kwam aan de andere kant van de zee en verkondigde het Woord van God in Filippi.

Filippi was een Romeinse vestingstad. We vermoeden dat hier vooral Romeinen woonden. Er was waarschijnlijk geen synagoge, anders had Paulus op de sabbat het Woord dáár wel gebracht. We gaan ervanuit dat er niet meer dan tien Joden woonden, anders was er wel een synagoge geweest. Paulus heeft het Woord dikwijls bij de rivier gebracht. Hij hield openluchtpreken, hagenpreken. De Heere heeft het Woord daar gezegend. Denk aan Lydia, de purperverkoopster. De Heere heeft haar hart geopend, zodat ze anders ging luisteren en dingen ging horen, die ze nog nooit gehoord had. Daardoor nam ze acht op wat door Paulus gesproken werd. Het is niet voor niets geweest. De Heere heeft het Woord gezegend.

 

Maar nu zien we op een van die dagen Paulus door de stad trekken. Hij is op weg naar een van die bijeenkomsten. Er komt iemand achter hem aan. Het is een meisje met een waarzeggende geest. Iemand die soms helemaal in vervoering raakte, in trance kwam en dan de toekomst kon voorspellen. Uiteraard moest daar geld voor betaald worden. Er waren mensen die daar winst uit sloegen, en die erbij gebaat waren dat dat meisje de toekomst voorspelde.

Nu is er iets opvallends. Als ze achter Paulus en Silas aanloopt, roept ze iets bijzonders. Er staat: Dezelve volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen (Hand. 16:17). Wat een getuigenis! Dat hadden we nooit van die kant verwacht! Het is toch wel heel bijzonder dat die waarzeggende geest daar iets van voelt: dienstknechten van de allerhoogste God. ‘Zij vertellen ons het allerbelangrijkste,’ zegt ze. ‘Ze vertellen ons de weg der zaligheid, ze vertellen ons het enige nodige.’

Ze blijft maar achter Paulus, Silas, Timotheüs en Lukas aanlopen. Ze blijft het zeggen: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen. Paulus heeft haar even laten begaan, maar hij was het er niet mee eens. Hij vond dat het zo niet moest. Hij kon dit getuigenis absoluut niet gebruiken. Wat hem betreft, hield deze jonge vrouw haar mond. Want, al was het geen leugen, het kwam uit de verkeerde hoek.

In Paulus brandde een vuur. Hij kon zich niet meer inhouden en geloofde dat hij die boze en misleidende geest moest uitwerpen. Hij deed het na enkele dagen. Hij zei: Ik gebied u in de Naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit ter zelfder ure (Hand. 16:18).

 

Waarom mag dat meisje dat niet zeggen? Het was toch waar? Zij zíjn toch dienstknechten van de allerhoogste God? En God ís toch de Allerhoogste? Ze verkondigen toch de weg der zaligheid? Wat is daar nu voor verkeerds aan? Waarom moet dat meisje haar mond houden? Al komt het van een andere kant, we moeten toch niet te kritisch zijn? We moeten toch niet van alles een probleem maken? Waarom moet zij haar mond gaan houden?

O gemeente, de vorst der duisternis is zo slim! Hij wil graag dingen mengen. Hij vindt het helemaal niet erg als de waarheid beleden wordt, als je tegelijkertijd de leugen ook maar vasthoudt. Hij wil dolgraag godsdiensten vermengen tot een mengelmoes van allerlei dingen waar mensen zich in thuis voelen, en waarin iedereen iets van zijn gading vindt. De vorst der duisternis wil de scherpe kantjes eraf halen, zodat iedereen het er wel mee eens kan zijn.

‘Syncretisme’ noemen we dat met een moeilijk woord. De vorst der duisternis houdt niet van de antithese. Hij houdt niet van tegenstellingen tussen waarheid en leugen. Hij houdt niet van de ordeningen van God, waar de Heere dingen van elkaar scheidt, man en vrouw bijvoorbeeld. Twee verschillende geslachten, die onderscheiden moeten blijven. Maar de vorst der duisternis zegt: Welnee, het is allemaal hetzelfde. Laat de mannen wat vrouwelijker worden en laat de vrouwen wat mannelijker worden. En ook wat de waarheid betreft: zolang het gaat over Jezus en de weg der zaligheid, zolang er nog een stukje van de waarheid verkondigd wordt, gaan we over al die andere dingen maar niet moeilijk doen.

 

Dat is ook zo in onze tijd. Ik ben er niet voor om óver kritisch te zijn, maar we moeten wel onze ogen openhouden. De vorst der duisternis maakt ons wel heel erg onkritisch. Daar moeten we op letten. We zien vooral onder onze jongeren dat men niet meer tegen tegenstellingen kan, tegen het separerende, tegen het ordelijke van het Woord van de levende God. Er is soms iets van een valse oecumene, waardoor men de geesten niet wil beproeven of ze uit God zijn.

Maar in deze geschiedenis moet Paulus zeggen: Dit is niet uit God, al spreekt ze de waarheid, want het komt van de verkeerde kant.

 

Gemeente, de vorst der duisternis heeft heel wat pijlen op zijn boog. Daardoor waarschuwt de apostel Paulus zelfs voor een ándere Jezus en een ánder evangelie. Dat probeert de duivel vandaag ook. Hij probeert mensen gelovig te maken met een ándere Jezus, met een ánder evangelie. Hij wil geen kritische geluiden horen, hij wil niet dat we vragen stellen. Maar … laten we toch beproeven of de geesten uit God zijn!

Als wij daar hadden gelopen en we hadden dit Paulus horen zeggen, zouden we misschien gezegd hebben: Maar wat is er nu verkeerd aan wat die jonge vrouw zegt? Het is helemaal Bijbels. En toch zei de apostel Paulus er ‘nee’ tegen. Hij wist waar het op uit zou draaien en dat dit uiteindelijk een mengelmoes van godsdienst zou opleveren.

Ook in de Islam wordt over Jezus gesproken, en Rome spreekt eveneens over Jezus. Dat gebeurt in zoveel kerken en genootschappen. Maar dat betekent nog niet dat het uit de goede hoek komt.

Nee, niet óver kritisch worden! Dat wil ik echt niet. Niet: wíj zijn de enige ware kerk ... Nee, bid maar: Heere, ik ben zo’n bedrieglijk mens. Mogen mijn ogen geopend worden voor de waarheid, mag ik laten staan wat er staat in het Woord van de levende God?

 

Terug naar de geschiedenis. De vorst der duisternis laat deze jonge vrouw los. Ze komt bij zinnen. Dit heeft tot gevolg dat ze de toekomst niet meer kan voorspellen. Uiteraard zijn degenen die daar geld aan verdienden, boos. Zij hebben geen inkomsten meer. Inkomsten zijn heel belangrijk voor mensen, waar het geld ook maar vandaan komt. De geldgierigheid is een wortel van alle kwaad (1 Tim.6:10). Zo ook hier. Ze ontketenen een oproer. Paulus en Silas worden voor de rechtbank gesleurd. Daar worden ze geslagen. Niet zomaar één of twee keer, nee, vele keren. Dat moet je je eens voorstellen. Paulus en Silas zijn een groot gevaar voor de stad, dachten ze. Zij zijn de schuldigen. Vele keren kregen ze met de zweep een klap op hun rug. Dat doet erg veel pijn. Heel lang daarna voel je het nog. Hun rug ziet bont en blauw. Het zou me niet verbazen als in die tijd en in die omstandigheden de wonden ook gingen ontsteken.

Paulus en Silas moeten in de binnenste kerker worden gebracht. Ze moeten in bewaring gesteld worden. De gevangenisbewaarder wordt op het hart gebonden: Let erop dat deze mensen niet ontsnappen, want dat zal je je leven kosten! Hij werpt ze in de binnenste kerker. Hun voeten moeten vast in de ijzers. Ze liggen daar op hun rug; ze hebben erg veel pijn.

 

Is dat de weg van de Heere? Zijn ze niet verkeerd bezig geweest? Was het wel waar dat er iemand stond die zei: Kom over in Macedónië en help ons (Hand. 16:9)? Misschien hebben ze het verkeerd begrepen. Hun weg wordt niet erg voorspoedig gemaakt. Aanvankelijk leek het er wel op. Denk maar aan de geschiedenis van Lydia. Maar kijk nu, dit zijn de gevolgen ...

Zo wordt er vaak geredeneerd. Als het moeilijk wordt, ben je blijkbaar op de verkeerde weg, denkt men. Is dat zo? Als het te pijnlijk wordt of te moeilijk, als het tegenzit, betekent het dan dat je je gedachten moet herzien of je beslissingen verkeerd waren? Dat je een andere keuze had moeten maken? Nee, dat hoeft zeker niet! Het gebeurt vaak genoeg dat de Heere de weg wijst en dat er toch tegenslagen zijn. En die tegenslagen betekenen niet dat je een verkeerde keuze hebt gemaakt, maar het betekent dat de Heere je laat lijden. De Heere legt soms een kruis op om redenen, die Hij beter weet dan wij.

 

Misschien zijn er wel onder ons die zeggen: Ik moet hier weg en het anders doen, want de Heere komt me tegen. Wees voorzichtig met zulke redeneringen. Misschien wil de Heere wel dat u op uw post blijft, en wil Hij het gebruiken om anderen iets te laten zien met die onderwerping. Misschien is het nodig voor u om zo getuchtigd te worden. Staat er niet in Klaagliederen 3: 27-28: Het is goed voor een man dat hij het juk in zijn jeugd draagt. Hij zitte eenzaam en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft? De Heere legt het op in Zijn voorzienig beleid. Paulus en Silas weten dat het hier ook zo is. Ze hoeven zich niet af te vragen of dit de weg van de Heere is. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed. Ik heb de wereld overwonnen (Joh.16:33).

 

Hebben wij ons ervoor over? Kunnen wij wat opofferen? Als we vooraf al weten dat het zéér gaat doen en er geweldige tegenstand komt, houden we dan onze mond? Eli, de hogepriester, was bang en wilde zijn kinderen niet eens zuur aanzien. Hij was bang dat hij ruzie zou krijgen en dat ze lelijke dingen tegen hem zouden zeggen. Daarom hield hij zijn mond maar. Hij had zichzelf er niet voor over.

Misschien is het ook daarom wel dat jij niets tegen je collega’s of vrienden durft te zeggen. Je bent bang dat ze je alleen laten; je bent bang dat je bekritiseerd en uitgelachen wordt.

De apostel Paulus werd niet alleen uitgelachen, hij werd met een zweep geslagen. Paulus had het ervoor over. Hij wist dat dit was voorzégd en hij wilde zich opofferen voor de Heere.

 

We leven in een tijd dat het steeds moelijker lijkt om te lijden. We willen niet lijden. Tegenwoordig wordt vaak gezegd: ‘De Heere wil dat ik gelukkig ben, want Hij wil het geluk van mensen. Daarom moet ik díe beslissingen nemen die mijn geluk bevorderen, want dat is de wil van God. God wil dat ik gelukkig ben.’

Zo is het níet! Het gaat er niet om of u er gelukkig van wordt. Het gaat er niet om welk gevoel u erbij hebt. Het gaat erom wat de wil van de Heere is!

Het is heel wat om zendingswerker te worden. Dat is geen avonturierswerk, het is opofferen. Wat een voorrecht dat er mensen zijn die zich daarvoor over hebben, ver bij hun geliefden vandaan, vaak in moeilijke omstandigheden!

Kunnen wij nog lijden? Kunnen wij nog volgen? Kunnen wij ons nog opofferen?

De apostel Paulus en Silas wisten wat het was om geseling en steniging te ondergaan. De apostel Paulus is een keer gestenigd. Ze dachten toen dat hij gestorven was. Daarom zijn ze maar weggelopen. Toen iedereen weg was, stond Paulus weer op, als uit de dood verrezen. En hij ging door met zijn werk. Het moest, ondanks het lijden. Het moest.

 

Recht op geluk … Hoor ik dat zeggen? Wie heeft er recht om gelukkig te zijn? Dat recht hebben we niet. Misschien wil de Heere dat u lijdt in uw huwelijk, op uw werk, in uw omstandigheden. Neem het dan niet in eigen hand en zeg niet: ‘Dit was een verkeerde beslissing, ik wil niet lijden.’ Dat is een egoïstische manier van denken. De Heere vraagt ons Zíjn wegen te bewandelen, ook als we moeten lijden. Hij vraagt van ons achter Hém aan te komen! En kon het zijn – met Gods hulp – dat juk vrolijk dragen.

Dat zie ik hier bij Paulus ook: het juk vrolijk dragen. Ze bidden midden in de nacht en zingen Gode lofzangen. En de gevangenen hoorden naar hen (Hand. 16:25).

 

Misschien hebt u daarom wel een kruis, zodat uw kinderen, uw vrienden, uw man, uw vrouw kunnen zien hoe u dat kruis draagt. Dat u zó kunt laten zien wat het is om de Heere te vrezen. In ootmoed en zonder vragen. In het besef: ik heb geen recht om gelukkig te zijn. Dan kunt u God Gód laten en beseft u dat Hij vrij en soeverein is. De Heere doet met mij wat Hij wil en Hij neemt van me af wat Hem behaagt. En dan toch, ondanks alles, de Heere te volgen … wat een voorrecht!

 

De Heere regeert, maar anders dan wij denken. Het kan zijn dat de Heere de tegenslagen geeft in Vaderlijke kastijding, omdat Hij weet wat het meest tot Zijn eer is.

Dit brengt ons tot onze tweede gedachte:

2. Vreugde ondanks de omstandigheden

 We lezen in ons tekstvers dat ze baden en zongen. Laten we ons vooral bezig houden met het feit dat zij Gode lofzangen zongen (Hand. 16:25). Ze baden ook om onderwerping, neem ik aan. Ze baden om Gods leiding in hun leven. Ze baden om Gods hulp, maar ze zongen ook Gode lofzangen.

Mijn vraag is: hoe kan dat? Wat is het geheim daarachter? Jonge vrienden, wat zouden jullie zeggen? Hoe kunnen Paulus en Silas zingen met zo’n pijnlijke rug en met hun voeten in de stok, midden in de nacht, in de diepste kerker? Ze zingen geen klaagliederen, maar lofzangen. Ze zingen goed van de Heere. Hoe kan dat toch?

Misschien is er iemand die zegt: Het is maar voor even; de Heere zal het niet teveel laten worden. Zeker, dat geloof ik ook. De Heere meet de schouders, ook van Zijn kinderen. Hij zal het niet teveel laten worden. Maar is dát het geheim hierachter?

Paulus en Silas laten God Gód, vrij en soeverein. Jazeker, maar wat is het grootste geheim van die vreze des Heeren? Paulus schrijft het ergens anders: Want het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin (Filipp.1:21). Christus was zijn alles! Dat is het echte geheim.

 

Toen ik deze preek aan het voorbereiden was, liep ik langs mijn boekenkast. Ik was op zoek naar een boekje, maar ik pakte het verkeerde. Het was een klein boekje van John Owen: ‘Gewetensvragen opgelost’. Het voorwoord in het boekje was van ds. J. Fraanje. Ik kende het boekje niet. Ik weet ook niet hoe het in mijn boekenkast is terechtgekomen. Ik heb het voorwoord van ds. Fraanje gelezen. Hij schrijft dat dit boekje voor hem persoonlijk tot grote zegen is geweest. Gewetensvragen, allerlei vragen worden erin beschreven, zoals ‘hoeveel ellendekennis’. In een van die stukjes legt John Owen uit dat er een verschil is tussen in Christus gelóven en in Christus blíjven. Met verwondering en indrukken heb ik dit stukje gelezen. Het zou wel eens kunnen zijn dat dat hoofdstuk ook het hoofdstuk was dat ds. Fraanje zo bijzonder heeft aangesproken. Weet je wat Owen hier zegt? ‘Er is een godsdienst zonder Christus. Christus is er uitgesneden. En dat is geen ware godsdienst meer. Het gaat om Hem!’ Wat zou het een voorrecht zijn als het met ons was als met Paulus: Het leven is mij Christus.

 

Wat is uw lust en uw leven? Geef er eens antwoord op! Waar leef je voor en voor wie en wat? Er moet iets zijn, een doel dat je telkens nastreeft, want anders voel je leegte. Je probeert ergens voor te leven. Voor iets bijzonders. Bij de apostel Paulus was het dit: Het leven is mij Christus.

Ik las in dat boekje: ’s Morgens je ogen opendoen en het eerste waar je aan denkt is: Christus.’ Dat zou wat zijn. U zegt: Ja maar, dat komt niet veel voor. Dat mag waar zijn, maar zo was het bij John Owen wel en zo was het bij de apostel Paulus ook. Het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin (Filipp.1:21). Het wordt zo prachtig uitgelegd wat het is, in Christus geloven, in Christus blijven, met Christus wandelen. Mag ik daar wat van doorgeven? Dat past zo duidelijk bij onze tekst. Zij zongen Gode lofzangen. Het leven van Paulus was Christus.

 

Owen schrijft dat ‘in Christus blijven’ is: in Zijn tegenwoordigheid blijven. In de prediking ontvangen Gods kinderen wel eens een indruk van Christus; ze mogen proberen die levend te houden in hun overdenking. Owen schrijft dan over de verrekijker. Hij zegt dat ze daarmee moeten blijven letten op de persoon van Christus, op Zijn ambt, op Zijn verdiensten en op Zijn dood. ‘En’, zo voegt hij eraan toe: ‘wat u maar wilt van Christus’.

Het gaat hier over Paulus en Silas die dicht bij de Heere leefden. Hun leven was Christus. Ze geloofden in Hem, er waren geloofsoefeningen en er was troost. Maar dat toch niet alleen: er was ook een oefenen om zich bewust te maken Wie Christus is. Eenvoudig gezegd: ze deden er hun best voor om méér van Christus te weten.

Dat betekent dat ze Zijn geboorte overdachten. Is het wel eens een wonder voor u geweest dat Hij geboren is? Geboren in Bethlehem, gelegd in een kribbe. Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. En wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd. De heerlijkheid als van des eniggeboren Zoon des Vaders (Joh.1:14). Owen zegt tot de Kerk: ‘Overdenk dit.’ Zet die verrekijker aan je ogen. En probeer er meer van te zien: Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr.3:18). Zeg niet: ‘Die indruk kwam en ging weer weg.’ Ga zelf niet weg van die indrukken. Ga niet over tot de orde van de dag, maar leef met Christus.
 

Met Hem leven, met Hem wandelen. Henoch dan wandelde met God (Gen. 5:24). Dat houdt ook in: een wandelen met de Heere Jezus. Een overdenken van Zijn koninklijke, priesterlijke en profetische ambt, van de wegen van Zijn vernedering en verhoging en van Zijn heerlijke Namen. En daarmee de hele dag bezigzijn. Dat is een nabij leven, een wandelen met God. Dan wordt de wereld bleek en een stuk minder interessant. Als Christus ons alles is, moet de wereld vanzelf verbleken.

‘Ja,’ schrijft Owen, ‘het gaat niet alleen om steeds met een geheiligd verstand Christus te overdenken, maar ook om de wil. De hele dag door bang zijn voor de zonde. De hele dag de vinger aan de pols: ik wil niet zondigen, ik wil mijn Meester niet bedroeven. Die zonden hebben Hem aan het kruishout genageld. Ik wil mij niet van Hem verwijderen.’

Zo bevreesd ben je voor de zonde! En als je niet zeker bent of het wel of niet mag? Dan is het de veiligste weg om het niet te doen, want het ligt zo teer! Dat heeft ook te maken met wat de apostel Petrus zegt: Voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid. En bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen. Want zo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jezus Christus (2 Petr.1:5-8).

De Heere beloont Zijn kinderen in het leven als ze dicht bij Hem leven. Als Hij komt en op de deur klopt, laten ze dan niet zeggen met de bruid uit het Hooglied dat ze hun kleren al hebben uitgetrokken en ze al naar bed zijn gegaan. Nee, laten ze onmiddellijk de deur open doen! Zo zou het moeten zijn.

 

Voelt u, gemeente, het zijn grote dingen waar we het nu over hebben. Ik weet het, maar we zeggen het omdat Gods kinderen anders tevreden zijn met te weinig. Er is zoveel méér. Er is niet alleen meer te kennen van Christus, maar er is ook een dichter, een nauwer leven met Hem. Dat zeg ik niet alleen tegen u, maar ook tegen mezelf. We leven in een donkere tijd. Gods kinderen letten soms dagen na elkaar niet op Wie Christus is. Dan zetten ze de verrekijker niet aan het oog. Dan zoeken ze Christus niet, maar de dingen die beneden zijn. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kol.3:2). Bedenk de dingen van Hem, zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels (Matth.26:64).

 

Ten slotte zegt Owen dat er niet alleen een geheiligde kennis moet zijn en een wil om bevreesd te zijn voor de zonde, maar ook een levend gevoel kan niet gemist worden. Laten we daarom de Heere bidden om veel liefde in het hart voor de Zaligmaker.

De apostel Paulus was in de gevangenis. Hij kon Gode lofzangen zingen. Weet u waarom? De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil. Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij (Ps.23:1-4).

Dat is ten diepste Christus. Weet u hoe het hier bij Paulus ligt? Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen - (Ps.73:24).

 

Hier liggen twee mensen in de gevangenis op de grond, met pijn in de rug. Toch heb ik  geen medelijden, want het zijn gelukkige mensen.

Vorige week kwam ik bij een moeder in het ziekenhuis. Ik las een stukje voor uit Openbaring 22: En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen. En zullen Zijn aangezicht zien (Openb.22:3-5). Ze nam het zuurstofkapje van haar mond af en ze zei: ‘Dat zal wat zijn: Zijn aangezicht zien. Waarom zouden we hier nog willen blijven?’ Ze deed het kapje weer terug op haar gezicht. Daar ligt iemand met kanker, in ademnood. Maar lijdend mag ze goed van de Heere spreken. En zullen Zijn aangezicht zien; dat is leven. Dat is het ware leven, lieven, loven. Dat is waar men Jezus mag zien.

Nee, niet een Jezus van vijf letters. Dat is gevaarlijk; de dingen liggen soms heel subtiel – dat hebben we zojuist ook gezien. Daarom moest die jonge waarzegster haar mond houden.

 

We leven in een tijd dat we zo weinig uit de mond van Gods kinderen horen Wie Christus is. Het gaat toch om Hem? We moeten met Hem verzoend worden. Hoe centraal staat dat in de prediking? Er is geen ander Fundament, of wel? Die de Zoon heeft, die heeft het leven; die de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet (1 Joh.5:12). Dat is krasse taal. Zo staat het in het Woord van God. Misschien hebt u een vertroosting, een mooie psalm, misschien bent u bemoedigd. Misschien hebt u nog nooit eerder zo’n mooie preek gehoord en hebt u nieuwe krachten opgedaan. Maar als het buiten Christus om gaat, als we met een boog om Hem blijven heenlopen, moeten we er toch een vraagteken achter zetten.

De Heere geve plaats voor Christus. Dan zien we dat we tegen Gód gezondigd hebben en Hém vertoornd hebben door de zonde. Dan zien we dat we écht een Middelaar nodig hebben. Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben (1 Tim.1:15).

 

Dan breekt er in het leven van al Gods kinderen een tijd aan dat ze tot de Heere Jezus gaan bidden. Is dat Bijbels? Jazeker. Zone Davids, ontferm U mijner (Luk.18:38). Hebt u wel eens tot de Heere Jezus gezucht? Aan Hem gevraagd of Hij Zich wil openbaren? Ontferm U mijner; dat is het Adres. Want niemand kan tot God komen dan door Hem. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij (Joh.14:6). Het kan alleen maar door Hem. Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking (1 Kor.16:22).

 

Er staat over de blindgeborene in Johannes 9: Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zeide Hij tot hem: Gelooft gij in den Zoon van God? Hij antwoordde en zeide: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem moge geloven (Joh.9:24,25). De Heere Jezus openbaarde Zich aan Hem en hij aanbad Hem.

Ik vraag u niet hoeveel, maar ik vraag of er énige kennis van Hem is. Is Hij u dierbaar? Daar ligt bij Paulus en Silas het geheim. Omdat hun leven in Christus lag. Denk ook aan Mozes. Hij kon alle verdrukkingen verdragen, omdat de rijkdom van Christus meer was dan de verdrukking die hij ondervond. Want hij zag op de vergelding des loons (Hebr.11:26).

 

De apostel had een bijzonder levensdoel. Dat doel was niet: ik en mijn geluk, maar: de voortgang van het Koninkrijk van God en de eer van de Heere. Vraag er de Heere om, om dat leven, dat échte leven.

Er is een verschil tussen in Christus geloven en met Christus leven. Een verschil tussen wat in Hem gezien te hebben en in Hem te blijven. Blijf in Mij en Ik in u, opdat gij veel vrucht draagt (Joh.15:4). Waarom zei de Heere Jezus dat: Blijf in Mij? Ga niet weg. Nadat je wat genoten hebt, blijf in Mij, in Mijn tegenwoordigheid en in een aanhankelijk leven; en verlaat de eerste liefde niet. Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten (Openb.2:4).

Het zou ons aan het einde van de dag tot droefheid moeten zijn als we de verrekijker niet één keer hebben gericht op de Heere Jezus Christus. Het zou ons schuldig moeten stellen als we niet bang geweest zijn om Hem te bedroeven, en als we Hem niet van harte hebben liefgehad. Het echte leven is het leven met de Heere Jezus Christus.

 

Misschien dat een kind des Heeren zegt: Ja, ik heb weleens enkele dagen gehad dat ik in die liefde mocht leven. En ik dacht: nu mag ik er altijd in leven, maar het ging toch weer weg. Dat kennen al Gods kinderen. Wat een afdwalend hart, wat een dwaalziek hart hebben ze toch! Toch moeten we dit blijven preken: Blijf in Mij en Ik in u (Joh.15:4).

Misschien kent u de Heilige Oorlog van John Bunyan. De stad is heroverd door vorst Immanuël. Dan beschrijft Bunyan dat ze elke dag lekkernijen kregen uit het paleis van de koning. En dat ze elke dag bezoek kregen van Immanuël en er zo hartelijk van genoten. Maar er kwam ook een tijd dat ze niet eens bemerkten dat Immanuël al een paar dagen niet geweest was. Niet eens gemerkt! Zo zou het toch niet moeten zijn? Het zou toch beter kunnen, met Gods hulp?

Vraag erom, kinderen van God. Vraag of je dichter bij de Heere mag komen. Of je in Hem mag blijven, want dat heeft de Heere beloofd en dat is tot Zijn eer. Dan vallen er veel dingen op hun plaats. Dan zijn er automatisch heel veel dingen die niet meer zo belangrijk zijn. Het zal effect hebben op heel ons denken, doen en laten.

 

En … het zal opgemerkt worden. Wat zal dat een voorrecht zijn! En de gevangenen hoorden naar hen! (Hand.16:25). Wat zou het een voorrecht zijn als je kinderen het merken: mijn vader leeft is Christus, mijn moeder leeft in de Heere Jezus, zij hebben Hem lief en dat is hun leven van de vroege morgen tot de late avond. Als de kinderen dat nu eens mochten merken! Wat is het groot als er grootouders zijn, aan wie de kleinkinderen merken: zij leven niet voor dit leven, zij leven voor de Heere. Zij bedenken de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods (Kol.3:2). Dat is iemand die de leden doodt die op de aarde zijn. Hij of zij doodt de zonden, doodt de oude natuur en wandelt in een nieuw godzalig leven.

 

We leven in een donkere tijd, maar het gevaar is dat we zó blij zijn als we iets merken van het ware leven, maar het vervolgens normaal vinden dat het niet verder komt. We vinden het normaal dat Christus maar één keer per jaar gezien wordt. Zo mag het niet zijn! Dan zal de Heere komen en de kandelaar wegnemen. Daarom: de Heere geve een opwekking onder Gods volk! Misschien is dat boekje van Owen ‘Gewetensvragen opgelost’ nog wel te krijgen. Onderzoek eens hoe het in uw leven is.

 

En u, die vreemdeling van genade bent, u zegt: Dit spreekt me helemaal niet aan. Het klinkt mij helemaal niet aantrekkelijk in de oren. Nee, geen wonder. Want de natuurlijke mens verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Want ze worden geestelijk onderscheiden (1 Kor.2:14). Als je niet geestelijk bent, kun je dat niet verstaan. Maar toch, u mist heel wat. U mist de enige troost in leven en in sterven. U mist niet alleen de ogenblikken, maar ook het leven met de Heere. Daarom: vraag of de Heere uw ogen opent. Vraag of u uw armoede mag zien als u zonder God, zonder Borg en zonder hoop in deze wereld bent.

Wat zou het een voorrecht zijn als hier iemand zó naar huis ging, opdat er plaats mag komen voor de Heere en Zijn zaligend werk.

 

Paulus had wel hoop en daarom kon hij zingen midden in de nacht. Hij liet de Heere vrij en wist dat de Heere veel wijzer is dan hij. Het is ook uitgekomen. De gevangenen hoorden naar hen. Ze hebben gedacht: hoe kan dit, hoe bestaat het! Dat hebben we nog nooit meegemaakt. Mensen die bebloed zijn en een blauwe rug hebben, en dan zingen midden in de nacht.

De Heere moge dit geven als er drukwegen zijn. Als het voor de wind gaat, is het niet zo moeilijk om lofzangen te zingen, maar als het tegenzit, toch te zingen waar Asaf van wist: Hij zal mij leiden door Zijn raad en daarna in heerlijkheid opnemen (Ps.73:24).

Als je geen vreemdeling van genade bent, getuig er dan ook eens van! Deze gevangenen hebben ervan gehoord. Er zijn kinderen Gods, die nog nooit wat aan hun eigen kinderen verteld hebben, die nog nooit goed van de Heere gesproken hebben. Er zijn grootouders die misschien wel met elkaar praten, maar hun kleinkinderen nooit aanspreken. Wat zou het een voorrecht zijn om wél te spreken!

En de gevangenen hoorden naar hen. Het is een voorrecht als je naar het ziekenhuis zou moeten en dan tegen je kinderen kan zeggen: Ik kan het overgeven. Ik mag gelukkig weten wat er in mijn leven gebeurd is.

 

De Heere komt toch wel eens over in Zijn Woord. Als dat zo mag zijn, moet je daar ook iets van zeggen. Er zijn jonge mensen die nog nooit een kind van God iets uit hun leven hebben horen vertellen, die nog nooit jaloers zijn geweest op iemand. Zij hebben vanaf de preekstoel weleens wat horen vertellen, maar ze hoorden het nooit persoonlijk van een geliefde, van een vriend of van een kennis. Nog nóóit!

Gemeente, daar gaat de kerk aan stuk! Als Gods kinderen hun mond houden, gaat het helemaal verkeerd. Als het alleen maar van de preekstoel komt, gaan we het verliezen. Dan gaan we de jonge mensen verliezen. Daarom moet de hand in eigen boezem en moeten we zeggen: Wie ben ik?

 

Het is best mogelijk dat je leven moeilijk is en dat je toch hoop hebt, en blijdschap.

Hoe zijn wij mensen? We trouwen; we hebben misschien een gezinnetje, een goede baan en een groot huis. We gaan op vakantie. Maar als we nu eens in een rolstoel terechtkomen, geliefden, kunnen we dan Gode lofzangen zingen? De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen. De Naam des Heeren zij geloofd (Job 1:21). Om met tranen in je hart, met droefheid in je ziel vanwege het verlies van geliefden toch goed van de Heere te spreken - dat is Gods werk.

‘Ja maar, wat zullen ze wel niet van mij denken? Hoe zullen ze reageren? Misschien luistert er wel niemand.’ Het is de hoogmoed van Gods kinderen, als ze hun mond houden, als ze bang zijn voor de mensen. Ze zijn banger voor de mensen dan dat ze de Heere vrezen. Maar zo halen ze de ongunst van God over zich.

Ik denk nog wel eens aan dat kind van God, dat zei: Als ik er een dag niet over gesproken heb met mijn naaste, kan ik ’s avonds niet bidden. De Heere geve zo’n leven, ook in onze gemeente.

 

Een les uit vreugde in de gevangenis. Laten we gaan zingen Psalm 68:11.

 

Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,

God zal Zijns vijands kop verslaan;

Dien haar'gen schedel vellen,

Die trots, wat heilig is, onteert,

En, daar hij schuld met schuld vermeert,

Zich tegen Hem durft stellen.

De Heer' heeft Zelf ons toegezeid:

'k Zal u, door macht en wijs beleid,

Uit Basan weêr doen komen;

U zullen, als op Mozes' beê,

Wanneer uw pad loopt door de zee,

Geen golven overstromen.

3. Een les voor ons allen

Gemeente, zouden mensen vandaag tevredener zijn dan honderd jaar geleden? Toen waren er niet zoveel gemakken als we tegenwoordig hebben in het huishouden en op het werk. Er zijn zulke goede voorzieningen; maar zijn we gelukkiger geworden? Misschien zijn er van u die op reis geweest zijn naar derdewereldlanden. Ze hebben kleine kinderen gezien, en gezien hoe ze met stokjes spelen in de modder. Ik heb horen zeggen dat die kinderen tevredener zijn dan de kinderen in ons land. Dat betreft niet alleen de kinderen, ik ben bang dat het in meer of mindere mate voor ons allemaal geldt. We zijn zo verwend. Er moet altijd weer wat nieuws en wat anders, zodat we de moed er een beetje in houden. We zijn altijd op zoek naar iets wat ons weer nieuwe energie geeft en nieuwe kracht.

 

Gemeente, dat is een van de kwalen van de tijd waarin wij leven. Maar waar is het ‘tevreden zijn met de Heere’? De godzaligheid is een groot gewin, met vergenoeging (1 Tim.6:6). Als we iets van Christus hebben en met Hem leven, hebben we minder zin om altijd maar weer wat nieuws te kopen en altijd weer met wat nieuws te beginnen. Het is ziekelijk om altijd op zoek te zijn en geen rust te hebben. Je kunt niet eens meer rustig in je stoel zitten, je moet altijd bezig zijn.

We lezen in Gods Woord dat de Israëlieten in de woestijn murmureerden. O zeker, het leven daar viel ook niet mee. Een murmurerend leven; weet u hoe ernstig de Heere dat heeft opgevat? Er kwamen vurige slangen die er velen doodgebeten hebben. Die geschiedenis is ons tot voorbeeld gesteld. En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van de verderver (1 Kor.10:9,10).

Een mopperend leven. Als je als vader en moeder mopperend door het leven gaat, komt dat niet voort uit de vreze des Heeren. Dat komt de Naam des Heeren niet ten goede. Als je iets weet van Wie de Heere is en wat genade is, dat we geen recht hebben op geluk en dat de Heere alle dingen bestuurt – dan zou de hand op de mond gaan. We moeten de schuld bij onszelf zoeken. We moeten achter de Heere aankomen.

 

En de gevangenen hoorden naar hen. Het is niet tot eer van God als onze kinderen, kleinkinderen, vrienden, bekenden, merken dat we zo mopperen en klagen in het dagelijkse leven. Dat we nooit genoeg hebben en ons verzetten tegen de weg die de Heere met ons gaat. O, dat het eens tot zonde werd! Laat ons vandaag belijden: Heere, ik heb niets te zeggen. Ik heb zo vaak tegen U gemopperd in mijn leven. Heere, maak mij gewillig met de weg die U voor mij bepaald hebt. Gaat u mij voor, nu ik mijn kruis moet dragen.

 

Ik denk nog vaak aan die Chinese dominee. Hij zei tegen een Europese dominee: ‘Ik begrijp jullie niet. U bidt heel anders dan wij bidden.’ Die dominee vroeg: ‘Wat is er dan anders?’ Hij zei: ‘U bidt altijd of de Heere kruisen weg wil nemen en of de Heere dingen makkelijker wil maken, problemen wil oplossen.’ ‘Wat is daar verkeerd aan?’ vroeg de Europese dominee. ‘Wij vragen dat niet,’ antwoordde de Chinese dominee. ‘U vraagt niet of de Heere kruisen weg wil nemen en de weg makkelijker wil maken?’ vroeg hij aan de Chinese dominee. ‘Nee,’ was zijn antwoord, ‘dat vragen wij niet.’ ‘Waarom dan niet?’ ‘Omdat de Heere die kruisen opgelegd heeft. En omdat de Heere weet wat Hij doet. Wij vragen alleen maar om kracht. En wij vragen: Uw wil geschiede.’

 

Dat vergeet je niet, als je het hoort. De Heere geve het ook bij u. Misschien heb je een kruis. Vraag niet of de Heere dat kruis persé weg wil nemen. Maak daar niet zo’n ontzaglijk punt van. Zeg: Heere, als ik dat kruis moet dragen, mag het dan nog ergens goed voor zijn? Mag het zijn dat de gevangenen nog mogen horen dat ik het met U eens ben en u mag volgen? Het leven is mij Christus en het sterven is gewin.

Dat geve de Heere!

Amen.

 

Slotpsalm: Psalm 73:12

 

'k Zal dan gedurig bij U zijn,

In al mijn noden, angst en pijn;

U al mijn liefde waardig schatten,

Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

Gij zult mij leiden door Uw raad,

O God, mijn heil, mijn Toeverlaat,

En mij, hiertoe door U bereid,

Opnemen in Uw heerlijkheid.