Ds. A.B. van der Heiden - Ezechiël 37 : 14a

Onderwerp

Gods almachtige en vrijmachtige genade, die door de Geest wordt gewerkt
Het dal van de dood
Het wonder van goddelijke, vrijmachtige genade

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 99: 2
Lezen : Ezechiël 37: 1 - 14
Zingen : Psalm 119: 3 en 9
Zingen : Psalm 103: 5
Zingen : Psalm 150: 1

Gemeente, het Schriftwoord dat we met de hulp des Heeren met u willen overdenken, kunt u vinden in het voorgelezen Schriftgedeelte, de profetieën van Ezechiël, hoofdstuk 37, vers veertien, het eerste gedeelte. Daar lezen we Gods Woord en onze tekst:  

 

En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven.

 

We letten met elkaar op twee gedachten:

  1. Het dal van de dood
  2. Het wonder van goddelijke, vrijmachtige genade

 

Ten eerste bepaalt dit hoofdstuk ons bij het dal van de dood. Het dal van de dood, waarin de profeet Ezechiël zulke bijzondere en aangrijpende dingen moet zien.

Ten tweede worden we bepaald bij het wonder van vrijmachtige en almachtige genade, die uit de dood doet opstaan als een goddelijk en onuitsprekelijk wonder. Daar waar de dood heerst, waar geen leven meer is, waar alles in de dood is weggezonken, waar het uitzichtloos is en hopeloos – daar gaat God nu leven verwekken, nieuw leven dat in de vrucht openbaar komt.

Het gaat dus in dit gedeelte van Gods Woord over Gods almachtige en vrijmachtige genade, die door Gods Geest gewerkt wordt.

 

1. Het dal van de dood

De profeet Ezechiël is door de Heere geroepen. Geroepen om Gods Woord te prediken en een boodschap van de Hemel te brengen in het land van Babel. Daar woont een gedeelte van het volk Israël aan de rivier de Chébar.

De profeet Ezechiël is één van degenen die onder de regering van de koning Jojachin uit het land van Juda en Jeruzalem in ballingschap is weggevoerd en in het land van Babel is terechtgekomen.

Het was enkele jaren voordat Jeruzalem verwoest werd, voordat de tempel des Heeren met vuur verbrand werd en het koningshuis van David werd tenietgedaan. Vóór dit alles heeft plaatsgevonden, is er al een behoorlijk aantal mensen uit het land van Juda en Jeruzalem naar Babel gebracht. Dat is de eerste wegvoering.

Bij die eerste wegvoering werden de geestelijke leiders – de elite van het volk, het intellect, de mensen met een hoge positie – in ballingschap gebracht. En onder die groep weggevoerden was ook de profeet Ezechiël, de zoon van een priester.

 

Die profeet woont in het midden van de ballingen in Babel, aan de Chébar. En dan roept de Heere hem om Gods boodschap aan het volk Israël te brengen. Deze profeet moet helemaal tegen de tijdgeest in prediken, want die mensen daar in Babel zitten helemaal niet in de put. Ze zijn zeer optimistisch gestemd, want ze denken dat ze heel spoedig weer naar het land der beloften zullen terugkeren, en dat ze maar voor een heel korte periode in het land van de ballingschap zullen zijn. Dan moet die profeet preken, tegen de tijdgeest in. We zouden zeggen: echt tegen de publieke opinie in.

We weten uit Gods Woord hoe ze die boodschap hebben aangehoord. Ze hebben er om gelachen, ze hebben ermee gespot. Ze hebben gezegd: Is hij niet een verdichter van gelijkenissen (Ez.20:49)? Met andere woorden: het zijn allemaal maar fabels, die die man uitspreekt. Ze hebben de woorden van de profeet verworpen, en daarmee de goddelijke woorden die tot hen gericht werden.

 

De profeet – die door God getrouw gemaakt is – moet aan het volk een ontzettende oordeelsboodschap brengen. Hij moet tegen het volk gaan zeggen dat het oordeel van God vreselijk zal zijn en dat het onafwendbaar is.

Waarom onafwendbaar en onherroepelijk? Wel, de oorzaak daarvan is dat ze in de zonde en de onbekeerlijkheid volhard hebben. Ze hebben de woorden Gods verworpen. Jeruzalem en Juda hebben zich niet tot de levende God bekeerd. Hun zonden zijn vele geworden.

God is wel lankmoedig en groot van goedertierenheid, maar er is een grens. Ja, er is een grens aan Zijn geduld. En nu is Hij aan die grens gekomen. Daarom moet deze profeet daar in Babel het oordeel Gods aankondigen.

Ze hebben het niet willen geloven. Ze hebben in hun blindheid en dwaasheid met die oordeelsaankondiging gespot. Maar op een de dag zijn de boodschappers in het land van Babel gekomen met de verschrikkelijke boodschap dat er zich in Juda, in Jeruzalem, een vreselijke ramp had voltrokken, een catastrofe.

Heel Jeruzalem is verwoest. De heilige stad is een puinhoop geworden en de tempel des Heeren is met vuur verbrand. God heeft, vol majesteit en heerlijkheid, Zijn Goddelijke bedreiging ten uitvoer gebracht.

De Heere is immers een Waarmaker van Zijn Woord. Dat geldt voor Zijn beloften, maar ook voor Zijn bedreigingen.

 

Dan lijkt het alsof het nu voor altijd met de Kerk Gods op aarde afgelopen is. De Kerk des Heeren lijkt als van de aardbodem weggevaagd. Er is immers niets meer over. Geen stad meer, geen tempel meer, geen koning meer. Het volk is verstrooid en degenen die nog in Juda en Jeruzalem waren, zijn nu ook in ballingschap naar het land van Babel gevoerd. Dan lijkt het alsof het voor eeuwig is afgelopen, alsof de kerk op aarde heeft opgehouden te bestaan.

Het is in vervulling gegaan wat de dichter in Psalm 79 zingt:

 

Getrouwe God, de heidenen zijn gekomen;

Zij hebben stout Uw erfland ingenomen;

Jeruzalem, de tempel, Uw altaren,

’t Ligt al verwoest door die geweldenaren.

Uw knechten zijn geveld,

Door hun verwoed geweld;

Hun lijken, onbegraven,

Verzaden, na hun dood,

’t Gedierte in hongersnood,

En gier en kraai en raven.          

 

 

Maar als dan alles in de dood schijnt vastgelopen te zijn, wordt dezelfde Geest Die de profeet heeft aangegord om Gods rechtvaardige oordelen aan te kondigen, nu ook vaardig om te prediken dat de Heere naar de trouw van Zijn eeuwig verbond Zich nog over Jeruzalem en Juda zal ontfermen. Hij heeft Jeruzalem verkoren, omdat Hij in het brandende braambos woont. Al de ontrouw en al de zonden van het volk kunnen Gods trouw niet tenietdoen.

 

De Heere geeft de profeet Ezechiël namelijk een bijzonder gezicht, een visioen waarin de Heere spreekt van de wonderlijke, goddelijke ontferming die Hij aan Zijn volk zal geven.

We lezen in het eerste vers van ons hoofdstuk: De hand des Heeren was op mij, en de Heere voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei.

De profeet wordt door de Heere in dat visioen midden in een grote vallei geplaatst; een dal tussen twee bergen. Het is alsof de profeet dat als een werkelijkheid beleeft.

Hij kijkt om zich heen, en dan ziet hij tot zijn ontzetting – wat moet dat voor die man geweest zijn! – allemaal beenderen op de grond liggen. Ze liggen overal waar hij om zich heen kijkt. En het zijn geen beenderen van dieren, maar van mensen ... O, wat ontzettend! Mensen die vele jaren geleden al gestorven zijn. Mensen die eenmaal geschapen zijn naar het beeld Gods in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Mensen, van wie de apostel zegt tot de inwoners van Athene: Wij dan zijnde Gods geslacht … (Hand. 17:29). 

Ezechiël moet dat heel goed in zich opnemen. Hij moet er niet zomaar oppervlakkig kennis van nemen, maar hij moet het echt in zich opnemen. We lezen namelijk dat de Heere hem van de ene kant naar de kant bracht. Hij moet heel de vallei doorwandelen en er heel nauwkeurig acht op geven.

Hij ziet het: één en al dood en verderf. Het is één groot knekelveld. Alles is al verteerd, de dood heeft in zijn verwoesting alles tenietgedaan. We lezen immers: En zie – met nadruk – in het tweede vers: er waren zeer vele op den grond der vallei. En zie – de tweede maal. Met andere woorden: daar mogen we niet zomaar lichtvaardig overheen stappen! En zie – zegt de Heere – zij waren zeer dor. Het waren er vele. En ze waren zeer dor. Geen enkel leven was er in dat dal meer te bespeuren.

 

Als je naar die beenderen kijkt, zeg je: ‘Het is ten enenmale onmogelijk dat er ooit nog leven in die beenderen zal kunnen komen.’ Maar dan gaat de Heere aan de profeet een wonderlijke vraag stellen, eigenlijk een onmogelijke vraag. Mensenkind, zo gaat de Heere tot hem spreken. Mensenkind. Dat woordje moet de profeet bij zijn afkomst bepalen. Kind van Adam, zwak, machteloos. In het licht van de majesteit van de dood zijn we machteloos. Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? (Ezech.37:3)

Wij zouden zeggen: ‘Dat kan natuurlijk niet! Onmogelijk!’ Het ongeloof zegt altijd: ‘Het kan niet. Het kán niet!’  En de duivel zegt ook: ‘Het kan niet.’ Maar de profeet weet uit zijn eigen leven, hoe God een God is Die mogelijk maakt wat bij mensen nooit meer kan.

Daardoor geeft hij een kostelijk antwoord op de vraag van de Heere: Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? Hij zegt namelijk geen ‘ja’ en ook geen ‘nee.’ Maar hij zegt: Heere, Heere, Gij weet het.

Als u in uw Bijbel naar het derde vers kijkt, ziet u het eerste woordje ‘Heere’ met kleine letters, en het tweede woordje ‘Heere’ met hoofdletters afgedrukt. Twee namen van de Heere worden daar in de Hebreeuwse taal gebruikt. De Naam ‘Adonai’, de Almachtige, de eeuwige God, de Bezitter. Maar ook de Naam Heere, Jehovah, de God Die in het brandende braambos woont, de Onveranderlijke, de God van het verbond.

Heere, Heere, Gij weet het. Als je naar die beenderen kijkt, zeg je: ‘Het kan nooit. Het is onmogelijk.’ Maar dan mag die profeet rust vinden in de alwetendheid Gods. Heere, Heere, Gij weet het. Hij laat het aan de Heere over.

 

Dan krijgt Ezechiël een opdracht. God gebruikt immers altijd middelen. De Heere is niet aan middelen gebonden, wij wel. Maar in Zijn goddelijke wijsheid wil Hij middelen gebruiken. Wij vinden het altijd mooi als het onmiddellijk gebeurt, maar God is een God van orde.

Wat lezen we dan? Hij moet prediken; zie vers 4: Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot hen: Gij dorre beenderen, hoort des Heeren woord. Alzo zegt de Heere Heere tot deze beenderen: Zie, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden. 

Ezechiël krijgt een opdracht. Hij wordt geroepen, zoals al de dienaren Gods door de Heere geroepen worden. Hij moet een boodschap brengen. Hij moet tot die dorre doodsbeenderen gaan prediken.

Wat moet hij gaan prediken?  Hoort des Heeren  woord, zo lezen we. U zult zeggen: ‘Ja maar, die beenderen kunnen helemaal niet horen! Die zijn dood, die zijn dor. Die hebben geen oren om te horen.’ Als we vandaag op de begraafplaats een preek zouden houden, zouden we toch zeggen: ‘Dat is de grootste dwaasheid die denkbaar is.’ En toch moet hij tot deze dorre doodsbeenderen zeggen: Gij dorre beenderen, hoort des Heeren  woord. Maar ze kunnen niet horen, ze hebben geen oren aan hun hoofd… En toch: Hoort des Heeren  woord. 

 

Wat is het Woord des Heeren? Wat is de boodschap van het Woord? Dat is: de dood in Adam, en: het leven in Christus. Dat is de wet en het Evangelie. Dat is de vloek en de zegen. De volle raad van God.

Predik het Woord! Het Woord, waarin ons toegeroepen wordt, dat God geen lust heeft in de dood van de goddeloze, maar ons zouden bekeren en leven. Dat Woord, dat eeuwig zeker is, en slechten wijsheid leert. Daarvan heeft de apostel Paulus gezegd in één van zijn brieven: Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen om de zondaren zalig te maken (1 Tim.1:15). Dat is het woord, waarvan Christus als hét Woord de grote Inhoud is. Daar spreekt Johannes van in Johannes 1, als hij uitroept: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid (Joh.1:14).

 

Er is geen enkele hoop dat die beenderen het woord zullen horen, want ze zijn in de dood weggezonken. En toch: ‘Predik het woord tot deze dorre doodsbeenderen’. Dat is de opdracht, die alle dienaren die God in de wijngaard hier op aarde uitzendt, hebben te volbrengen. Dan staat elke dienaar tussen dorre doodsbeenderen. Dan staan we ook vandaag in uw midden als in een doodsvallei.

Zoals het hier staat, zijn de doodsbeenderen het beeld van het volk van Israël. We lezen hier in de Bijbel dat de Heere zegt: Mensenkind, deze beenderen, die zijn het ganse huis Israëls (Ezech. 37:11). Die dorre doodsbeenderen zien niet alleen op de heidenen; niet alleen op de mensen van de wereld, die tóen in de goddeloosheid en de afgoderij verzonken waren. Vandaag aan de dag is het precies eender.

U zegt misschien: ‘Ja, maar daar hebben wij dan toch geen boodschap aan?’ Zeker wel, want het is niet anders, het is niet beter in de tijd waarin wij leven.

Heel de wereld is in de dwaasheid, in de afgoderij van – ik noem maar iets – de wereldkampioenschappen. Daarvan zijn helaas ook veel van onze jongens en meisjes in de ban – hun geest is er door gegrepen. Jongens en meisjes, houd je er toch ver bij vandaan! Het is afgoderij die alleen maar Gods oordeel over ons kan oproepen.

 

Als het nu dus gaat over dorre doodsbeenderen, moeten we niet naar een ander kijken, maar dan staan al de dienaren Gods in de kerk als het ware in zo’n vallei. En dan staat er ook nog met nadruk: en ziet, ze waren zeer dor (Ezech. 37:2). Maar, wat gebeurt er dan?

Daarbij worden we bepaald in onze 2e gedachte:

 

 

  1. Het wonder van Goddelijke, vrijmachtige genade

 

 Nu gaat door de wonderlijke werking van de Heilige Geest de Heere Zich aan het Woord verbinden. De dode beenderen gaan leven.

Ja, dat gebeurt altijd, als God een mens bekeert. Als God een mens uit de geestelijke dood opwekt tot het nieuwe leven, gaat de Geest Zich aan het Woord verbinden. Dat het vandaag zou mogen gebeuren, hier in de kerk – dat God Zich aan Zijn Woord wil verbinden met de bediening van Zijn lieve Heilige Geest! Want als de Geest eraan te pas komt…

Het Woord alleen kan nooit het wonder teweeg brengen. Maar het Woord en de Heilige Geest werken samen. O, dat het eens gebeuren mocht, dat de dorre, dode velden van de kerk tot leven gewekt worden!

Want deze beenderen zijn het ganse huis Israëls. Deze dorre beenderen, dat zijn we allen, u en ik, van nature. Dan moeten we zeggen: dat is de hele kerk. Er is niemand uitgezonderd, want we hebben allen gezondigd, en we zijn allen in die geestelijke dood gezonken.

 

Wat is er ook in de tijd waarin wij leven in de kerk in zijn algemeenheid in Nederland een dorheid! Nee, we hoeven ons nergens op te verheffen, hoewel de Heere Zijn volk nog heeft. Er is ook nu nog een overblijfsel, zoals Gods Woord spreekt, naar de verkiezing van Zijn genade.

Toch, als we terugdenken aan vorige tijden – in de geschiedenis van de kerk zijn er tijden geweest dat de Heere krachtig met Zijn Geest werkte. Er waren tijden dat er wekelijks onder de prediking mensen bekeerd werden. Wekelijks. Dat waren tijden van geestelijke opleving. God deed wonderen. Gods kinderen kwamen bij elkaar in gebed, als er enkele weken geen mens bekeerd was. Dan vroegen ze aan de Heere wat er tussen gekomen was, omdat de Heere Zijn hand zo stil hield.

 

Gemeente, wat leven we dan in een geesteloze tijd. En als we op die omstandigheden letten, zeggen we: ‘Wat moet er van de kerk, van de gemeente, van onze kinderen, van onze jongens en meisjes – wat moet er van ons terecht komen?’

Maar weet u wat de Heere tot Zijn dienaren gezegd heeft? Predik het Woord, houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer (2 Tim.4: 2). Predik het Woord. De volle raad van God. Aan de ene kant moet gehoord worden wie de mens is, in zijn diepe ellendigheid, zijn vloek, zijn doemwaardigheid, zijn schuld en zijn verlorenheid. Predik het rechtvaardig oordeel van God over de zonden.

Maar predik ook het Evangelie van de gekruisigde Christus, als het ene Middel tot behoudenis. Predik het Evangelie. Paulus heeft gezegd dat hij nooit anders wenste te prediken dan Jezus Christus, en Die gekruisigd. Een andere boodschap dan Gods Woord is er niet.

De gekruisigde Christus Die op Golgotha de vloek van vloekwaardigen gedragen heeft, en de dood van de doodschuldigen op Zich genomen heeft, moet altijd in de prediking in het middelpunt staan. De prediking moet altijd Christo-centrisch zijn. Want er is maar één Naam, zegt de Heere, Die onder de hemel aan de mensen tot zaligheid gegeven is. Er is geen andere Naam.

 

 Dan lezen we in vers 11: Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen, die zijn het ganse huis Israëls, dit woord geldt ook voor ons. Het gaat ook over uw verhouding en mijn verhouding tegenover God, onze Schepper en Weldoener. Onze beenderen zijn verdord en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Ja, wij zijn afgesneden van onze levenswortel. Door onze diepe val in Adam in het paradijs hebben wij een verbond gesloten met de dood en zijn we van God vervreemd. We zijn zonder God in de wereld.

Is dat uw nood al geworden? Jongens en meisjes, denk er toch aan! Misschien zit je vandaag voor de allerlaatste keer in de kerk. Je zult zeggen: ‘Maar, kan dat dan?’  Jazeker, het is mogelijk dat volgende week zondagmorgen als eerste Psalm 103 gezongen moet worden: ‘Gelijk het gras is ons kortstondig leven’. Mensen die nu achter je en naast je zitten, zullen zeggen: ‘Onbegrijpelijk! Vorige week zondag zat die jongen nog voor me in de kerk, en nu is het al eeuwigheid voor hem.’ Dat kan zomaar gebeuren, jongens en meisjes. Je leven is maar een handbreed gesteld. Je moet maar naar je hand kijken. Gods Woord zegt: ‘Een handbreed gesteld’ (Psalm 39: 6). Het kan geen uitstel lijden.

O, luister toch naar wat de Heere vanmiddag ook tegen u allen zegt.

Nu staat hier dat die hele vallei vol was van dorre doodsbeenderen. Daar is nooit verwachting meer van. In de geestelijke dood, waarin wij allen verzonken zijn, is er van onze kant geen verwachting meer mogelijk.

En toch, wat een wonder: de Heere geeft een opdracht aan de profeet. En dan gaat hij profeteren. We lezen in het zevende vers: Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid als ik profeteerde, en zie, een beroering! En de beenderen naderden, elk been tot zijn been.

Plotseling, als die profeet aan het preken is, vindt er, door een goddelijke, almachtige kracht, een beroering in die beenderen plaats. Die beenderen beginnen te bewegen!

Wat zal dat voor die man een wonder geweest zijn, een onbevattelijk wonder, dat die beenderen plotseling gaan bewegen …

We lezen hier: het ene been naderde tot het andere been. Er staat: En de beenderen naderden, elk been tot zijn been. Er ontstaat als het ware een menselijk geraamte. Ze naderden tot elkaar.

Wat is de oorzaak daarvan? Wel, de almachtige God brengt leven in die beenderen! Op de boodschap: Gij dorre beenderen, hoort des Heeren Woord doet de God van hemel en aarde, Die alle macht heeft, een wonder.

 

Gemeente, geloven wij het ook dat God nog wonderen kan doen? Ben je vanmiddag naar de kerk gekomen, nadat je je knieën boog en vroeg: ‘Heere, zou U vanmiddag nog een wonder willen doen? Een eeuwig, onbegrijpelijk wonder. Zou U mijn stenen hart willen wegnemen, en zou U mij een vlesen hart willen geven?’

Een wonder is nooit te begrijpen. Een wonder is alleen maar te bewonderen. Ziet, ze waren zeer dor. Zeer dor.

Nu gaat dit hoofdstuk ons prediken, wat de almachtige God doet als Hij Zich over een zondaar ontfermt. Een zondaar die altijd zijn doel gemist heeft, maar die door Gods wonderlijke genade vernieuwd wordt, en die teruggebracht wordt tot de gemeenschap met God.

 

We vinden hier in dit hoofdstuk een opmerkelijke zaak. Eerst lezen we dat er in die beenderen beweging kwam. Het ene been naderde tot het andere been. En dan lezen we verder dat de Heere zenuwen over die beenderen legt, vlees op die beenderen brengt en een huid over die lichamen heentrekt – lees het maar in het achtste vers. En ik zag, en zie, er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over hen, maar – dan komt het! –  er was geen geest in hen. Er was geen geest in hen. De ziel was er als het ware nog niet in; de ziel waardoor een mens werkelijk mens is. Een mens bestaat uit ziel en lichaam.

Maar dan lezen we in het negende vers: En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind, en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere Heere: Gij geest, kom aan van de vier winden – van de hemel – en blaas in deze gedoden.

Bij de hemelvaart heeft de Heere gezegd: Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven (Joh.14:16). Dat is de Geest Die in al de waarheid leidt. En God heeft gesproken tot de Geest, als vrucht van de gebedsverhoring van Zijn Zoon: Zo zegt de Heere Heere: Gij geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.

Die Geest is uitgestort op de Pinksterdag. Als vrucht van de opstanding en de hemelvaart van Christus is de Geest des levens uitgestort, en toen is het wonder gebeurd in Jeruzalem.

Ja, door de Geest zijn er velen, velen – drieduizend zielen – onder één preek van Petrus  door de Heilige Geest getrokken uit de duisternis. Ze werden waarachtig tot God bekeerd. Daar heeft het wonder van de levendmaking zich voltrokken. Daar in Jeruzalem – en dat wat één grote vallei vol met dorre doodsbeenderen was!

 

We zien hier in dit hoofdstuk een voortgang.

Er is allereerst een beroering. Is er wel eens een beroering in uw leven gekomen? Want daar begint het mee. Ook in Jeruzalem begon het daarmee. Ze werden verslagen in het hart (Hand. 2:37) door het Woord, het ontdekkende woord, het woord van zonde en schuld. Petrus heeft hun de schuldbrief als het ware mogen thuisbrengen. En de Heilige Geest heeft het in hun hart gelegd. Ze moesten vallen voor deze ontdekkende prediking. Ze werden als het ware voor de spiegel van de Wet van God gesteld.

Petrus heeft hun eerlijk gezegd dat ze schandelijke en goddeloze zondaren waren, dat hun zonde tot een climax was gekomen, dat ze de Christus der heerlijkheid gekruisigd hadden. Welken gij genomen hebt, zegt Petrus, en aan het kruis gehecht en gedood . Dezen, door de bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der ontrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood (Hand. 2:23). 

 

Is er al een beroering gekomen, jongens en meisjes? Is het Woord van God als het ware dwars door je heengegaan, toen je in de kerk zat te luisteren? Ben je eraan ontdekt dat je een verloren zondaar bent? Ben je erachter gekomen dat je tegen God gezondigd hebt? Weet je dat je tegen al de geboden Gods, tegen de heilige God, maar ook de goeddoende God, gezondigd hebt?

Er kwam een beroering!

We kunnen soms zó in de kerk zitten dat alles langs ons heengaat. Als we thuiskomen, weten we niet eens meer waar de preek over ging … Maar als er een beroering komt, wordt het anders. Dan ga je verslagen en verbroken van hart naar huis. Dan ga je roepen, dan ga je schreeuwen: Uit diepten van ellenden, roep ik met mond en hart. O, God, genâ, hoor hoe een boeteling pleit.

Dan kun je nog zo onverschillig geweest zijn, maar als er een beroering komt, als het Woord kracht gaat doen in je leven, dan verandert het. We lezen hier dat er een geluid werd gehoord. Dan zit je niet meer te slapen in de kerk – dan is het een goddelijk geluid, dan is het alsof je alleen in de kerk zit en het Woord van God tot je komt: Hoort des Heeren Woord! 

Een beroering in een mens. Dat is het werk van de Heilige Geest – dat zijn de eerste roerselen. Dat is het werk van de levendmaking. Die beroering komt niet uit de beenderen zelf voort, want ze waren aan de dood overgegeven. Die beroering was Gods werk.

 

Kan een mens dat voor Gods werk houden? Nee, dat niet. Dan ga je in je ongeluk, in je nood, in je verbrokenheid, in je schuldverslagenheid over de wereld. Wanneer het werkelijk waar gaat worden wat we lezen in het elfde vers: Onze beenderen zijn verdord en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden – dan ga je dat merken. Dan gaan we verslagen en verbroken naar huis. Dan gaan we roepen tot God in onze nood en onze schuld.

Zo gebeurde het bij de verloren zoon. Hij zei: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u (Luk. 15:18).

Als er iets van die beroering is, ga je over je nood spreken. Dan ga je je schuld voor God belijden en beleven. Dan word je zelf dé zondaar. Heel je leven heb je je soms druk gemaakt over de zonden van anderen – en daar kunnen we heel lang over praten, een heel leven lang. Maar dan word je zelf zondaar; dan word je persoonlijk de zondaar.

Het gaat dan net als met David. De Heere zei door Nathan tegen hem: Gij zijt die man (2 Sam. 12: 7). Gij zijt die vrouw. Dan komt u in uw ongeluk. Dan loopt u niet als een bekeerde man of vrouw, maar als een onbekeerde en een goddeloze over de wereld. ‘Ik heb gedaan, Heere, wat kwaad is in Uw ogen; Ik ben Uw gramschap dubbel waardig.’ De droefheid naar God, noemt de Schrift dat (2 Kor.7: 9).      

 

Jongens en meisjes, is dat nu verschrikkelijk om mee te maken? Nee, hoor! Want er ligt ook iets in van zoetheid. De tranen van oprechte boetvaardigheid en van oprechte schuldbelijdenis zijn zoeter dan alle vreugde van de wereld. Daar ligt Gods goedkeuring in. Gods kinderen zouden deze droefheid naar God voor heel de wereld niet willen missen – droefheid die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt (2 Kor.7:10).

Wat moeten we dan doen? De ouderlingen ontmoeten dan een jongen of een meisje op huisbezoek of op de catechisatie, die verslagen is en geen groot verhaal kan vertellen. Die jongen of dat meisje kan alleen maar zeggen: ‘Ik ben een ongelukkige; ik ben een arme, ellendige zondaar.’ Maar zonder God leven – nee, dat kan niet meer. In de stilte mag je dan de nood van je hart uitschreeuwen tot de levende God.

 

Wat moet je dan zeggen tegen mensen, tegen jongens en meisjes die dit meemaken? Moeten we hen onmiddellijk de handen opleggen? Moeten we onmiddellijk tegen hen zeggen: ‘Ja maar, o, dat is een wonder hoor, dat is een wonder van genade? Je bent een kind van God. Want dat leert onze natuur niet.’

De apostel Paulus zegt: Leg niemand haastelijk de handen op (1 Tim.5:22). Er is immers niets schadelijker voor het geestelijke leven dan als een mens rust gaat vinden in zijn overtuiging. Wat is er een wijsheid nodig om met zulke zielen om te gaan! We mogen de dag van de kleine dingen, die groot zijn, nooit verachten. En aan de andere kant: we mogen elkaar nooit zaligspreken in de beleving van onze ellende.

Want dat ware leven, het leven waar we allen naar moeten uitzien, het leven dat de Geest van God verwekt – weet u wat dat is? Dat is wat Mac Cheyne gezongen heeft in het kostelijke gedicht dat hij schreef:

 

Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt,

Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt.

Toen voelde ik wat eisen Gods heiligheid deed;

Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed!

 

Wat lezen we daarna? ‘Tóen…’  En dáár komt het op aan, gemeente:

 

Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered;

Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet;

Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij…

 

Daar werkt de Geest altijd op aan, en daar moet u uzelf op onderzoeken. Is dit het verlangen van uw ziel? Als we het leven – de enige troost, beide in leven en in sterven – nog steeds kunnen vinden in onze tranen, in onze keuze, in onze verbrokenheid, in ons bidden… dan is het niet goed. Daar ligt nóóit leven in!

De Heilige Geest zal u ontdekken en afbreken waardoor er in uw leven een ogenblik gaat aanbreken waarop u uitroept:

 

Geef mij Jezus, of ik sterf,

Want buiten Jezus is geen leven,

Maar een eeuwig zielsverderf.

 

Dat moeten we elkaar eerlijk zeggen. We kunnen soms ontzettend veel verhalen vertellen. Dominee Ledeboer – we zouden zeggen ‘de grondlegger van onze gemeenten’ – was eens op bezoek bij iemand die een heel groot verhaal te vertellen had. Hieraan ontdekt, en daaraan ontdekt, en zus diep, en zo diep ontdekt. Maar dominee Ledeboer zat steeds naar buiten te kijken en schudde zijn hoofd. Toen zei hij: ‘Het is Jezus niet. Het is Jezus niet.’

Alles wat buiten Christus is, is ongenoegzaam en tekort. Er is maar één gerechtigheid die van de dood redt. Als we elkaar op een andere grond bouwen, is het een zandgrond. In het uur van uw ontmoeting met God zal er maar één ding bestaan, namelijk de gerechtigheid die van de dood redt, de gerechtigheid van Christus. In Gods heilige weegschaal heeft maar één zaak gewicht: de gerechtigheid van Christus.

 

Nu is het groot – o, het is een wonder – als er beroeringen zijn. Wat kunnen we er blij mee zijn. Maar Petrus heeft de mensen niet zalig gesproken op de Pinksterdag toen ze verslagen werden van hart. Weet u wat hij gedaan heeft? Hij heeft gezegd: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden (Hand. 2:38). Daar werkt de Heilige Geest nu altijd weer op aan. Daar maakt die Heilige Geest plaats voor. Want de Geest is onlosmakelijk verbonden met het werk en de Persoon van Christus.

 

We lezen in vers 10: En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten. Wat is dat dan, gemeente? Het begon met een beroering; en dat is een werk van God. Maar het liep erop uit dat ze mochten opstaan. Ze mochten het leven vinden buiten zichzelf in de gezegende Levensvorst.

Ze stonden op hun voeten. De Geest des Levens zal het leven immers buiten onszelf in Christus doen zoeken. Dan lezen we het: Ze stonden op hun voeten.

 

 

Ze hebben ervaren, wat we nu met elkaar gaan zingen uit Psalm 103 vers 5.

 

Psalm 103: 5

Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,

Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden;

Hij is het, Die ons Zijne vriendschap biedt.

Hij handelt nooit met ons naar onze zonden;

Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,

Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.

 

Gemeente nu komt de vraag tot ons allen: kennen wij daar iets van in ons persoonlijk leven?

Het gaat vandaag over het wonder van Gods almachtige en vrijmachtige genade. Wat ligt daar een ruimte in.

Als wij aan allerlei voorwaarden zouden moeten voldoen, is het maar een arme boodschap. Als we een beroep moeten doen op uw goede wil, op onze gewilligheid en onze keus, dan zou het een ellendige boodschap zijn. Want onze wil is een verkeerde wil, een geknechte wil. Wij zijn dienstknechten van de vorst der duisternis.

Maar Gods Woord predikt het wonder, dat Hij Zich ontfermt over mensen die in de dood verzonken zijn. Als ik mijzelf in allerlei bochten moet wringen, is het voor eeuwig kwijt. Maar nu kan het nog, gemeente. Nu ligt er zo’n ruimte in! Als God Zich over dorre doodsbeenderen gaat ontfermen, kan vandaag hier in de kerk niemand zeggen dat het voor hem niet kan.

 

Waar de dood heerst, is alles afgelopen. En ziet, ze waren zéér dor, staat er. Hopeloos! Uitzichtloos. Er komt nooit meer wat van terecht.

Is dat in uw leven ook al waar geworden? Is het zo geworden dat alle hoop u gans ontviel? Moest u inleven dat niemand zorgde voor uw ziel? De mens ligt van nature in zijn geestelijke dood verzonken.

Paulus schrijft het aan de gemeente van Efeze dat we van nature allen kinderen des toorns zijn – dood in zonden en misdaden. Maar dat is gelukkig niet de enige boodschap. Ezechiël en alle dienaren Gods zijn geen hel- en verdoemenispredikers, maar ze zijn predikers van het Goddelijke en eeuwige Evangelie.

De apostel Paulus zegt niet alleen dat de mens dood is in de zonden en de misdaden. Sommige mensen horen dat graag – daar slapen ze lekker op en ze denken: ‘Nou ja, kijk, als dat dus zo is, hoef ik me niet druk te maken. Dan kan ik er uiteindelijk toch niets aan doen…’

Maar gemeente, als Gods Woord over onze doodstaat spreekt, wordt onze schúld daarin aangewezen. Gods kinderen gaan leren dat hun doodstaat niet een noodlot is waarin ze terecht gekomen zijn, maar schuld; eigen schuld. God heeft ons immers niet geschapen als een dor doodsbeen! Daarom is onze dood onze schuld. Onze eigen schuld. Daar moet het op aan! Dat is een werk van de Heilige Geest - Hij gaat je dat leren.

Als het over onze doodstaat gaat, zijn wij van nature geneigd om God de schuld te geven.  ‘Nou ja, als ik onbekeerd ben, kan ik er uiteindelijk niets aan doen ….’  Dat kunt u nog een poosje volhouden zolang u op aarde leeft. Maar als u voor God staat, zal het als zand door uw handen heen glijden. Daar zult u doorheen zakken. Dan zult u maar één ding kunnen zeggen: ‘Eigen schuld, eigen schuld.’ Hoort u dat? 

 

Wat is dan de zaligheid? Dat is Gods werk. Om eigen schuld verloren gaan en uit genade alleen zalig worden. Wij willen deze twee zaken altijd met ons verstand aan elkaar knopen en aan elkaar rijgen. Maar die twee sporen in Gods Woord moet u naast elkaar laten lopen. U moet laten staan wat er staat. We mogen aan het Woord niets toevoegen, en we mogen er ook nooit iets vanaf halen.

Wat een wonder. Dorre doodsbeenderen kunnen nog levend worden. En waarom? Omdat God in Zijn eeuwige, onbevattelijke, Goddelijke liefde en welbehagen hogere gedachten heeft dan die van ons. Bij God zal geen ding onmogelijk zijn (Matth. 19: 26).

We zien het hier gebeuren: de eerste beroeringen, als een mens tot zichzelf gebracht wordt, als hij zijn schuldbrief thuiskrijgt, als hij verslagen wordt in zijn hart, wanneer hij als een arme, verloren zondaar gaat leren dat hij tegen God gezondigd heeft. Daar begint het mee.

Dat is niet een voorwaarde, waaraan wij moeten voldoen. Nee, dat is het werk Gods zelf. De beroering in de beenderen was immers ook Gods werk! Er was geen ziel, geen geest in hen. Maar een mens zal nooit de enige troost in leven en sterven kunnen vinden in zijn zonde- en ellendekennis.

Christus heeft in Johannes 16:14 over de Heilige Geest gezegd: Die zal Mij verheerlijken. Er komt een ogenblik in het leven dat alle hoop ons gans ontvalt, en dat er niemand is die voor onze ziel zorgt. ‘Ik erken mijn schuld, die U tot straf bewoog.’

Maar weet u waar dat dan altijd op uitloopt? Op het ogenblik dat u gaat uitroepen: Geef mij Jezus, of ik sterf, want buiten Hem is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. En dan ligt daar het leven in, in deze opgestane Levensvorst.

Dat is Gods gewone weg. De Heere maakt plaats voor de openbaring van de gezegende Christus in de ziel. Waarom? De apostel Paulus zegt in Galaten 4: Totdat Christus een Gestalte in u krijge (Gal. 4: 19). Opdat we aan de voeten van het dierbare Lam Gods zouden terechtkomen.

 

De hemel zal vol zijn van mensen, die Christus als het loon op Zijn arbeid ontvangen heeft, uit alle geslachten, uit alle volken, uit alle naties. Zult u er ook bij zijn?

Als u er niet bij bent, is dat het aller-, allerverschrikkelijkst. Als u buitengeworpen zult moeten worden in de poel die brandt van vuur en sulfer – dat moeten we eerlijk tegen elkaar zeggen – er is buiten Jezus geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. En daarom: Gij, dorre beenderen, hoort des Heeren Woord.

Welk woord dan? Het woord uit Ezech. 33: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve.

Welk woord? Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes. 46:22).

 

En ze stonden op hun voeten.

Volk des Heeren, dat u daarnaar zou hongeren en dorsten, opdat de gerechtigheid van Christus uw deel mag zijn. Mc Cheyne zegt in het lied waarin heel de gang van Gods kinderen verklaard ligt:

 

Toen werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

Toen vluchtte ik – tot Jezus! Hij heeft mij gered;

Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet;

Mijn Heil, en mijn Vrede en mijn Leven werd Hij;

Ik boog me, en geloofde, en – mijn God sprak mij vrij.

 

Dat is het leven. Daar moeten Gods kinderen naar uitzien. Ze moeten meer en meer de Heere smeken of deze Geest hen de dood doet schrijven op alles wat buiten Christus is. Het gaat erom dat ze met Paulus zouden leren om alles schade en drek te achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus.

Laat het uw gebed maar gedurig zijn, voor uzelf, voor de gemeente, voor de kinderen van de gemeente, voor de jongens en de meisjes. Dit gebed: O, Gij Geest, kom aan (….) en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.’ 

Amen.

 

Slotzang Psalm 150: 1

 

Looft God, looft Zijn naam alom;

Looft Hem in Zijn heiligdom;

Looft des HEEREN grote macht,

In den hemel Zijner kracht;

Looft Hem, om Zijn mogendheden,

Looft Hem, naar zo menig blijk

Van Zijn heerlijk koninkrijk,

Voor Zijn troon en hier beneden.