Ds. M. Karens - Johannes 21 : 1 - 14

Onderwerp

De derde openbaring van de Levensvorst aan Zijn discipelen
Door de Levensvorst beproefd
Door de Levensvorst verrast
Door de Levensvorst verkwikt

Johannes 21 : 1 - 14

Johannes 21
1
Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus:
2
Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanael, die van Kana in Galilea was, en de zonen van Zebedeus, en twee anderen van Zijn discipelen.
3
Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip; en in dien nacht vingen zij niets.
4
En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dat het Jezus was.
5
Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen.
6
En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.
7
De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt), en wierp zichzelven in de zee.
8
En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de vissen.
9
Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood.
10
Jezus zeide tot hen: Brengt van den vissen, die gij nu gevangen hebt.
11
Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren, zo scheurde het net niet.
12
Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere was.
13
Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den vis desgelijks.
14
Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 86: 1
Lezen : Johannes 21: 1 - 14
Zingen : Psalm 30: 3, 4 en 8
Zingen : Psalm 145: 5
Zingen : Psalm 89: 8

Gemeente, met ’s Heeren hulp willen we overdenken het gedeelte dat u is voorgelezen uit het Evangelie naar Johannes, het 21e hoofdstuk daarvan de eerste veertien verzen. Wij lezen alleen vers 1 en vers 14:

 

Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus:

Dit was nu de derde maal dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was.

 

We schrijven onder dit gedeelte: De derde openbaring van de Levensvorst aan Zijn discipelen

 

Ze worden:

1. Door de Levensvorst beproefd (vers 1 tot en met 5).

2. Door de Levensvorst verrast (vers 6 tot en met 11).

3. Door de Levensvorst verkwikt (vers 12 tot en met 14).

 

Het gaat dus over de derde openbaring van de Levensvorst aan Zijn discipelen. Onthoudt de drie woorden: beproefd, verrast en verkwikt.

 

Johannes schrijft: Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen. Dat ziet op de voorafgaande openbaringen, de verschijningen van de Levensvorst, van de opgestane Heere Jezus Christus, die plaatsvonden in Jeruzalem. Als u de laatste verzen van hoofdstuk 20 leest, moet u eigenlijk vaststellen dat Johannes zijn evangeliebeschrijving afgesloten heeft. In de laatste twee verzen staat: Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam (Joh.20:30,31).

Het is alsof Johannes daar de toepassing van zijn Evangelie maakt als hij zegt: ‘Er is nog veel meer te zeggen, maar dit is geschreven met het grote doel: Opdat gij – heel persoonlijk, jij, u – door Gods genade tot het geloof komt in deze Christus.’

 

Maar dan is het net of hij zijn pen toch nog één keer oppakt. Hij heeft zijn Evangelie afgesloten, maar het is of hij opnieuw door de Heilige Geest gedreven wordt, zoals ook elders staat: de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken (2Petr.1:21). Hij wil toch ook nog verslag doen van die ene verschijning.

Na dezen, wij zetten vroeger in een brief of nu misschien in een mailtje een P.S., een Post Scriptum, een naschrift. Het is net of hoofdstuk 21 nog een naschrift is, als Johannes zegt: Na dezen openbaarde Jezus Zich aldus.

 

Het is de derde openbaring aan de discipelen. Jongens en meisjes, jullie weten wel dat er veel meer verschijningen van de Heere Jezus geweest zijn, maar het gaat hier over de derde verschijning aan de discipelen. Het valt dan op dat Hij twee keer op de eerste dag van de week verscheen, en één keer – we zien dit in onze tekst – als de discipelen aan het werk zijn.  

Matthew Henry zegt daar zo mooi over: ‘Christus kan Zich op velerlei wijze aan Zijn volk openbaren. Gewoonlijk doet Hij dat in Zijn inzettingen, onder de prediking in de kerk. Maar soms bezoekt Hij hen door Zijn Geest als zij hun gewone bezigheden verrichten.’

Dus de Heere wil Zijn kinderen in het bijzonder op de rustdag onder het Woord onderwijzen en Zich openbaren en verklaren. Maar Hij kan het ook doen onder het werk; dat zien we in deze derde openbaring.

 

Onze eerste gedachte:

  1. Door de Levensvorst beproefd

We zijn in gedachten op het strand van de zee van Tiberias, vlakbij Kapernaüm en Kana. Opvallend, daar is Johannes zijn Evangelie ook begonnen. In Johannes 2 lezen we: Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem (Joh.2:11). In het laatste hoofdstuk zijn we weer op het strand dichtbij Kapernaüm. Als de opgestane Levensvorst openbaart Jezus weer Zijn heerlijkheid.

Hij openbaarde Zich aldus. Drie keer staat in dit gedeelte: openbaarde Zich. Daar ligt dus de nadruk op. Wat wil dat zeggen: Hij openbaarde Zich? U moet maar een beetje meedenken. ‘Openbaren’ staat tegenover iets wat verborgen is. Iets wat er wel is, maar we zien het niet. Het is verborgen. Hij openbaarde Zich. U zou het zich zo kunnen voorstellen: als er ergens in een plaats een standbeeld of een indrukwekkend kunstwerk door de burgemeester wordt onthuld, dan ligt daar een kleed over. Dan wordt in één ruk te midden van de mensen dat kleed weggetrokken en dan ziet u wat daar staat. Denk daar maar aan bij het woord ‘openbaren’. Het stond er al, maar we zagen het nog niet. De verhulling moet worden weggenomen.

 

Dat is het werk van God de Heilige Geest. Het is noodzakelijk, ook in het leven van Gods kinderen, dat elke keer weer verborgenheden geopenbaard worden. Dat wil zeggen de ogen worden geopend door de verlichting van de Heilige Geest. Dan worden de schellen van de ogen afgenomen.

Door Woord en Geest wil Christus Zich ook nu nog openbaren. Nee, niet meer met natuurlijke ogen, maar opdat geloofsogen zouden zien Wie die gezegende Levensvorst is. Hij openbaarde Zich aldus. Het is alsof Johannes zegt: Ik zal laten zien hoe dat gaat. Aldus, op deze wijze.

Zeven discipelen zijn onder leiding van Petrus in de zee van Galilea gaan vissen. Er zijn twee onbekenden bij. Het zijn wel discipelen, het zijn leerlingen op de leerschool van de Heilige Geest, hun namen staan geschreven in het Boek des Levens des Lams. Ze zijn bij God bekend. Misschien zit er hier ook wel zo’n naamloze, die zich er niet bij durft te rekenen, maar die toch eerlijk moet zeggen de wereld een scheidbrief te hebben gegeven. Bent u ook zo’n naamloze? U durft de naam van Christen niet te dragen, maar u weet dat u ook niet meer bij de wereld hoort. Twee naamlozen, geen naam. Mensen die zich niet bij Gods kinderen durven rekenen, maar ook niet meer bij de wereld horen, die zijn er ook hier als Christus Zich gaat openbaren.

 

Ik ga vissen, zegt Simon Petrus. Ze zijn in Galiléa en ze wachten op de belofte die Jezus gegeven heeft, al op de eerste Paasdag: Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat heen, boodschapt Mijn broederen dat zij heengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij Mij zien (Matth.28:10).

Ze zijn gegaan, maar wachten duurt lang. Toch? Wachten duurt vaak lang! Toen heeft Petrus op een zekere dag gezegd: Ik ga vissen. Nee, hij overlegt niet met de andere zes. Wat jullie doen moet je zelf weten: Ik ga vissen. Met de nadruk op ‘ik’.

Dan zeggen de anderen tegen hem: Wij gaan met u. Dan gaan ze vissen. De meesten van hen zijn vissers geweest, dus ze pakken hun oude beroep weer op. Er is heel veel over geschreven en over gediscussieerd. Mocht dat? Deden ze daar verkeerd aan? Ze waren toch geroepen tot vissers der mensen? Ze waren toch krachtdadig door Christus geroepen en uitgestoten? Mag je dan je oude beroep weer oppakken? Ik denk dat ze er helemaal niet verkeerd aan deden. Jezus verwijt hun ook niets. Tijdens het wachten was het nodig om in hun levensonderhoud te voorzien.

 

De eerste dagen, na Pasen, misschien de eerste weken, hadden ze heel veel te bespreken met elkaar, mochten ze spreken over de wegen des Heeren. Ze mochten vertellen hoe ze Jezus hadden ontmoet, maar ze raken een beetje uitgepraat. De kracht gaat er een beetje uit, als je het telkens weer moet vertellen. Daarom: Ik ga vissen. Ze pakken hun oude beroep op.

Ik zei al: ze gingen met een belofte naar Galilea. De weg tussen belofte en vervulling is altijd een weg van beproeving. De Heere vervult al de beloften in het leven van Zijn Kerk. Ik bedoel, wat Hij gesproken heeft met kracht, dat vervult Hij. Dat vervult Hij altijd op Zijn tijd en altijd door de weg van de onmogelijkheid. Is het niet zo, kinderen van God? Het gaat door een weg van onmogelijkheid. Daar in Galiléa vroegen ze zich af: Zouden Gods beloftenissen, immer hun vervulling missen? Zou Hij Zijn genâ vergeten? Want wachten duurt zo lang! Hij had het beloofd, maar Hij komt niet; de Bruidegom vertoeft om hen op te zoeken. Ze wachten, hopen en zien uit naar de komst van de Meester. Hij heeft het beloofd.

 

De Heere moet altijd weer plaats maken in het leven van Zijn kinderen voor elke openbaring en verschijning en het spreken in het hart. Het is telkens een wonder. Zoals de bruid het heeft uitgeroepen in Hooglied 2: Dat is de stem mijns Liefsten, zie Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen (Hoogl.2:8). Hij is een verrassende Meester en Bruidegom. Over Gods kinderen wordt wel eens gezegd dat ze ‘een komende en een gaande Jezus’ leren kennen. Ligt dat ook in de Schrift niet helder verklaard?

Ik heb een vraag. Kennen we iets van dat spreken van de Heere door Woord en Geest in ons hart en leven? Mag u weten, dat u deze gezegende Zaligmaker ontmoet hebt op uw levensweg? Kennen we iets van die genade, die grote genade? Johannes mocht zeggen Het was de tiende ure (Joh.1:40) dat Christus Zich voor het eerst openbaarde in mijn leven. Daar bij Bethábara bij de Jordaan. Zeiden ze vroeger niet dat de laatste Godsontmoeting de beste verzekering is?

 

Christus kwam terwijl zij bezig waren op de zee van Galiléa. Dan staat zo treffend in vers 3: en in dien nacht vingen zij niets. Een pijnlijke ervaring voor die ervaren vissers. De meesten van hen waren jong, opgegroeid rondom het meer. Ze kenden de zandbanken, ze wisten waar de vissen zaten. Wat hadden ze daar vaak veel gevangen… Maar in dien nacht vingen zij niets. Ze hebben hun krachten niet gespaard. Ze hebben met al hun kunde de één na de andere keer hun netten uitgeworpen, maar ze vingen niets. Terwijl de nacht de beste tijd is om te vissen en dan toch niets vangen! Dan gaan ze terug naar het strand. De nacht eindigt, het morgenlicht breekt aan over Galilea. Vruchteloze arbeid. Een nacht lang niets gevangen.

Weet u wat ik dacht? Wat is een groter wonder, dat ze straks 153 grote vissen vangen of dat in een hele nacht vissen er niet één visje in het net komt? Is dat ook niet een groot wonder? Zien we daarin niet dat de Heere, de grote Schepper aller dingen, ook de vissen in het meer van Galilea bestuurt? In die nacht vingen zij niets, helemaal niets.

 

En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dat het Jezus was. Bij het aanbreken van de dag, tijdens het ochtendgloren over Galilea, zien ze een ‘vreemdeling’. In de verte zien ze Hem staan op het strand. Jezus staat op de oever. We lezen in dit gedeelte dat de afstand tot het strand ongeveer honderd meter moet zijn.

Hij stond; daarin ligt iets in van rust, iets van vastheid. In het Griekse werkwoord kunnen we zien dat Hij daar al lange tijd stond; een langdurig staan. Dat is heel treffend. Terwijl zij in die nacht ploeterden, stond Hij daar. Waarschijnlijk heeft Hij er al gestaan terwijl zij in die bange nacht bezig waren om wat te vangen, terwijl zij zwoegen op het meer van Galilea. Terwijl zij denken dat Hij niet komt, dat Hij hen vergeet en zij daar bezig zijn, staat Jezus op de oever.

Wat ligt daar in het bijzonder voor Gods kinderen een troost in! Hun ogen zijn voor Hem gesloten, zij hebben er geen erg in. Ze denken: Waar blijft Hij? Hij heeft het toch beloofd? Maar Hij is altijd dichterbij dan zij denken, ondanks hun vruchteloos bezig zijn en al hun ploeteren. Zijn ogen doorlopen de ganse aarde.

Matthew Henry zegt: ‘Als onze overtocht over die zee ruw en stormachtig is, dan is het ons een troost dat onze Meester op de oever is en dat wij ons tot Hem spoeden. Christus is ons dikwijls meer nabij dan wij denken en dat zullen wij tot onze vertroosting gewaarworden.’

 

Als de morgen aanbreekt, staat Jezus op de oever. Zijn ogen doorlopen de ganse aarde. Hij is nabij de ziel die tot Hem zucht. Hij staat er en Hij kent de Zijnen: Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een iegelijk, die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid (2Tim.2:19).

Hij kent ze in hun strijd, in hun worstelingen, in hun moeiten. Hij kent ze al van eeuwigheid. Je zou kunnen zeggen: Hij stond op de kusten van de eeuwigheid en Hij heeft gezegd: Ik ken de Mijnen en wordt van de Mijnen gekend (Joh.10:14).

In al hun worstelingen, in al de nachten waarin ze vruchteloos worstelen, geldt het: Mijn oog zal op u zijn (Ps.32:8). Ik zal raad geven. Wat blijkt hier hoe lieflijk de opgestane Herder der schapen de Zijnen opzoekt. Hij zal Zijn hand tot de kleinen wenden (Zach.13:7).

Doch Hem zagen zij niet (Luk.24:24). Tot degenen die in waarheid naar Zijn komst uitzien, die misschien moeten zeggen de achterliggende weken al verschillende paaspreken te hebben gehoord en Hem toch niet gezien, tot hen mag ik zeggen: ‘Hij kan zo nabij zijn, want Hij is geen ledig Aanschouwer. Hij aanschouwt de moeiten en het verdriet, ook in het tijdelijke leven, ook in rouw en verdriet. Hij aanschouwt de moeiten en het verdriet, opdat men het in Zijn hand geve (Ps.10:14). Hij weet uw adres, Hij kent u in uw ellende, in uw nooddruft. Al bent u er blind voor, Hij kent de vragen van uw hart. Jezus stond op de oever en zijn discipelen wisten het niet.’

Die vreemde wandelaar, die daar zo vroeg in de ochtend op het strand in Galilea loopt… Zien we niet in al de paasgeschiedenissen dat de Levensvorst, de opgestane Christus Zelf, uw ogen moet openen? Hij opende het graf dat door die grote steen afgesloten was. Hij opende de Schriften. Hij kwam als de deuren gesloten waren. Wat is dat een troost en een wonder dat de Heere der heerlijkheid komt en de ziel nabij is, die tot Hem zucht! Daarom: Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen (Hab.2:3).

 

Dan klinkt op dat stille strand, vanaf zo’n honderd meter afstand, een ontdekkende vraag: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Ik denk dat de discipelen geschrokken zijn. Wat vraagt die vreemdeling? Een paar visjes, want toespijs is iets wat bij brood gegeten wordt. Ook een ei, wat groente of wat vis was toespijs; beleg zouden we kunnen zeggen.

Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Let op die aanspraak: Kinderkens! Jongens en meisjes, er staat eigenlijk ‘makkers’. Ze waren geen kinderen meer, maar ze waren wel Zijn kinderen. De kinderen die God Hem had gegeven, zegt Matthew Henry. Kinderkens! Makkers… Ik hoor er iets van een bijzondere verhouding in.

Jezus wist dat de netten leeg waren. Toch vraagt Hij: Heb jullie niet enige toespijs? Hebben jullie niet wat visjes voor Mij? Waarom vraagt Hij dat, jongens en meisjes? De Heere Jezus weet toch alles? Waarom moet Hij dat vragen? Hij weet dat de netten leeg zijn en Hij weet toch wat ze afgetobd hebben om die nacht niets te vangen? Weet je waarom Hij dat vraagt? Hij wil het zo graag van hen horen. Ook van u en van jou. Ze moeten met hun armoede openbaar komen. Wij ook, maar dat is het laatste wat we willen.

Als Jezus vraagt: Heb je niet enige toespijs, heb je niet iets voor Mij? Dan moeten ze voor de dag komen met hun onmogelijkheden, moeten ze voor de dag komen met hun leegheid.

Enige toespijs? Nee, zelfs dat hebben ze niet. Wat een beschamend antwoord, zij antwoorden: Neen. Ik denk dat ze het niet zo vriendelijk gezegd hebben tegen die Vreemdeling. Wat denkt u? Nee! Korter kan het niet. Het zal best wel bot geklonken hebben. Neen!

Met al uw ervaringen, met al uw zoeken, met al uw kennis en dan toch na een nacht moeten zeggen: ‘Nee!’ Lege netten. Een verloren nacht, niets om Hem aan te bieden. Niets om Hem te geven.

Misschien zit er zo iemand in de kerk. Vroeger wel eens iets mogen vangen. Vroeger, in dat beginnende genadeleven, naar de kerk, en er was áltijd iets bij. Maar nu? Vroeger zo’n zoete tijd waarvan de Schrift zegt: Ik zal haar lokken. Maar nu: Ik zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken (Hos.2:13). Nu eerlijk tegen God moeten zeggen: ‘Heere, ik heb niets.’ Misschien wel geworsteld aan de troon der genade en niets ontvangen. Nee, ik heb U niets aan te bieden. Met uw lege net, niets om de Heere te geven. Straatarm in uzelf. O, dat valt niet mee voor mijn vlees, dat valt niet mee voor mijn godsdienstige vlees! Dat is pijnlijk!

 

We ervaren midden in de dood te liggen. Heere, ik kan niet! Ik deug niet! Ik heb niet! Ik wil niet! Neen! Uw eigen onmacht meer en meer leren kennen, de boosheid van uw hart meer en meer leren zien en ook de werkelijkheid van Gods Woord ervaren: Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid (Matth.21:19). Vroeger nog weleens een traan die wat verlichting bracht, vroeger nog weleens kunnen steunen op uw eigen gerechtigheden, maar nu moeten zeggen: ‘Heere, nee, helemaal niets, geen gerechtigheid, geen heiligheid, geen geloof, geen traan, geen zucht om te zuchten, geen gebed, niets.’

Zo worden de discipelen door de Levensvorst beproefd en moeten ze zeggen: ‘Ik ben nooddruftig, arm en naakt; O God, mijn Helper uit ellenden! Haast U tot mij; wil bijstand zenden; Uw komst is 't, die mijn heil volmaakt.’

 

Dat horen we in onze tweede aandachtspunt.

  1. Door de Levensvorst verrast

 

Christus geeft Zijn discipelen een raad. Hij geeft ze eigenlijk een opdracht. Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Ze krijgen een opdracht die dwars tegen hun eigen kennen en kunnen indruist. Dwars tegen hun visserservaring in. Dat is onmogelijk. Aan de rechterkant, dat is vlak tussen de kust en het schip. Daar zit nooit vis. Aan de rechterkant werp je nooit het net uit.

Maar het is een opdracht met een belofte: gij zult vinden. Er staat niet ‘vangen’, maar er staat ‘vinden’. Ze zullen vinden. Ze zullen vis vinden. Ja, dat ook, maar ze zullen Hém vinden.

 

Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Dan zullen ze Hem vinden, Die ze zoeken, naar Wie hun hart uitgaat. Werpt het net aan de rechterzijde. Weet u wat altijd weer opvalt in deze bekende geschiedenis: ze spreken het niet tegen. Ze zeggen niet tegen die Vreemdeling: ‘We kunnen wel zien, dat u geen visser bent.’ Nee, van dat machtswoord van Christus – Hij spreekt als Machthebbende – gaat zoveel gezag uit dat ze het net aan de andere zijde uitwerpen.

Dan gebeurt het grote wonder: Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen. Wat een ontzaglijk wonder op Zijn machtswoord! Het laatste wonder dat Christus als de Paasvorst heeft gedaan op de aarde. Eénmaal eerder, aan het begin van hun ambtelijke bediening, was er ook een wonderlijke visvangst, toen Hij ze riep tot vissers der mensen.

Eerder heeft hij dat wonder gedaan, lees Lukas 4, en nu wordt dat wonder herhaald. Het zijn 153 grote vissen door Zijn koninklijke macht! Een menigte van grote vissen in het net. Er kunnen er wel bij zijn van tien kilo. 153 van die enorme grote vissen. Er zullen waarschijnlijk ook wel kleine bij gezeten hebben. Het net was overvol, maar scheurde niet. Nog een wonder!

Nog één keer Matthew Henry: ‘Wij zullen er niets bij verliezen als we Christus’ orders opvolgen. Zij zullen welvaren, die de regel van het Woord en de leiding van de Geest en de werken van Gods voorzienigheid volgen.’ Christus zegt tegen al mijn verstandelijke kennis en kunde in: ‘Werpt het net uit aan de rechterzijde.’ Als dat nu eens door Gods genade in uw leven mag gebeuren!

 

Wij zoeken het altijd aan de verkeerde kant, aan de kant van onze kennis en kunde. Aan de kant vanwaar wij rekenen dat de Heere zal overkomen. Aan de kant van ons eigen inzicht. Maar nu klinkt de boodschap van Jezus daar op het Meer van Galilea: Werpt het net aan de andere zijde. Dat is eigenlijk de overgave van het geloof. Dat is alles van jezelf loslaten en je overgeven aan Zijn goddelijk getuigenis. Het net uitwerpen aan Gods kant.

Dat is het net – mag ik het zo zeggen – uitwerpen, niet meer aan de kant van ons eigen kennen en onze eigengerechtigheden, maar het net door het geloof uitwerpen in het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus, want daarin is alles te vinden.

De hele nacht tobben en dan de opdracht: Werpt het net aan de andere zijde. Om nu door het geloof u over te geven. Sterven aan eigen verwachting, aan eigen kennen en kunnen en dan op Christus’ bevel het net uitwerpen aan de andere zijde. Dan gebeuren er wonderen.

 

In het gebeuren ligt een treffend beeld van het werk dat de discipelen moeten gaan doen. Ze zijn geroepen tot dienaren des Woords, tot apostelen. Ze moeten het net gaan uitwerpen, het Evangelienet. Wat kan dat ook een moeitevolle arbeid zijn! Het net uitwerpen in het Koninkrijk Gods. Wat is het de ervaring van allen die dienen in een ambt! Wat kan dat soms een moeitevolle arbeid zijn! Wat kunnen er tijden zijn dat we moeten zeggen: Niets gevangen.

Hoe vaak is het net al uitgeworpen in uw leven? Hoeveel preken hebt u al gehoord? Het schijnt vaak zo vruchteloos. Niets, is het antwoord hier. Dan weet een ambtsdrager misschien wel hoe de discipelen zich gevoeld hebben. Als je met Jesaja moet zeggen: Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard (Jes.53:1).

Maar dan is het een bemoediging voor de discipelen en voor allen die moeten en mogen dienen in het Koninkrijk Gods: Werp het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden! Gij zúlt! Dat is een vaste belofte. Híj zal zorgen dat het net vol wordt. Als de discipelen straks in Zijn naam het Evangelienet mogen gaan uitwerpen, als ze dan die eerste trek boven halen, zijn het er dan 153? Nee, 3000 bekeerlingen op de eerste Pinksterdag!

Petrus staande in de kracht van de Heilige geest. Als Hij het net mag uitwerpen op het tempelplein, zijn het er dan 153? Nee, 3000 feestgangers worden er gevangen in het net van het Evangelie. Daarom, grote vissen. Ds. Kohlbrugge zegt: ‘Dit getal staat vast tot vertroosting van al die grote vissen. Ik bedoel van al die grote zondaren, die door ’s Heeren scheppende macht en krachtdadige roeping in het net van het Woord zijn gebracht en door diezelfde macht uit de zee van de zonde opgetrokken worden. Dat net, grote zondaren, verzonken in de dood en in de zonde. Opgetrokken door het net van het Evangelie en daarom laat Christus zo zien wat er zal gebeuren in de toekomst.’

Zo laat Christus hier zien: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth.28:18). Het getal ligt vast, dat getal is van eeuwigheid bepaald. Nog worden de netten van het Evangelie uitgeworpen opdat Zijn huis vol worde.

Nu de vraag: Bent u ooit gevangen? Toen het net van het Evangelie uitgeworpen werd? Misschien bent u 80 of 90 jaar. Als uw of jouw naam afgelezen moet worden op zondagmorgen omdat u bent weggenomen, hoe zou het dan met u zijn? Want waar de boom valt, daar zal hij altijd liggen. Er zijn maar twee wegen. Mag u weten dat u gevangen bent in het net van het Evangelie? Het Evangelienet wordt in de prediking uitgeworpen. Spartelt u nog tegen? Trekt het leven in de zonden u nog steeds zo?

Zullen we allemaal bidden of we door dat net van het Evangelie, dat wordt uitgeworpen, gevangen mogen worden door Zijn genade? Of we gevangen mogen worden uit die volkerenzee van zonde en schuld?

En het net scheurde niet. Nee, er zal niet één van de 153 verloren gaan. Niemand uit hen is verloren gegaan dan de Zoon des verderfs.

 

Wat gebeurt er dan? Als ze dat net ophalen zien ze tot verwondering 153 grote vissen. En dan lezen we: en de discipel dan welke Jezus liefhad zeide tot Petrus: Het is de Heere! Dan gebeurt dat grote wonder. Ze zien het opeens: het is de Heere, de Levensvorst.

Voordat we daar nog een moment over denken, gaan we eerst zingen. Psalm 145 vers 5:

 

Uw heerschappij verduurt zelfs d' eeuwigheid;

Uw koninkrijk is eind'loos uitgebreid.

Gij ondersteunt hem, die voor 't onheil zwicht:

Wie nederstort, wordt door U opgericht.

't Ziet al op U; 't blijft alles op U wachten;

Gij sterkt door spijs, te rechter tijd, hun krachten;

G' ontsluit Uw hand, ontfermend en weldadig,

Opdat Uw gunst, al wat er leeft, verzadig'.

 

We overdenken de derde openbaring van de Levensvorst aan Zijn discipelen. We hebben er iets van gezien hoe de Levensvorst Zijn discipelen beproeft met een belofte over de wereld, maar de vervulling blijft uit. De Belover zien we niet! Is dat uw strijd? O, gij die God zoekt in al uw zielsverdriet, houdt aan, grijpt moed.

We zien dat ze in deze geschiedenis door de Levensvorst verrast worden. In de weg van de onmogelijkheid komt Hij; Hij stond er al. Hij had ze op het oog in al hun strijd. Hij geeft de opdracht: Ga aan de andere kant vissen. Wij vissen altijd maar aan de verkeerde kant. Laat los, en gij zult losgelaten worden. In opdracht van de Levensvorst werpen de discipelen, dwars tegen hun kunnen en kennen in, het net aan de andere zijde van het schip uit. En dan gaat de Levensvorst hen verrassen. 153 grote vissen en het net scheurde niet.

Dan wordt Hij herkend. De discipel dan welke Jezus liefhad… Dat is Johannes, de schrijver van het Evangelie, die altijd op de achtergrond staat en zijn eigen naam niet noemt. Hij zegt tegen Petrus: Het is de Heere!

Johannes’ ogen worden geopend. Door het wonder dat er gebeurt, wordt zijn oog verlicht en vallen de schellen van zijn ogen. Zoals we zingen: Mijn oog verlicht’, de nevels op doe klaren; Dat mijne ziel de wond’ren zie en eer’, Die in Uw wet alom zich openbaren.

 

Dan roept Johannes het uit: Petrus, het is de Kurios! Het is de Heere! Het is de opgestane Christus! De gezegende eigenaar; de Kurios! Hij Die gezegd heeft: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde (Matth.28:18). Het is de Heere! Dan mag Johannes als eerste zien wat hij zelf schrijft in hoofdstuk 1: En het Woord is vleesgeworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader) vol van genade en waarheid (Joh.1:14). Dan ziet Johannes Hem, niet alleen als de Vernederde – hij heeft Hem eerder leren kennen als het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt – maar hier mag hij Hem opnieuw zien als de opgestane Levensvorst, Die is overgeleverd is om zijn zonden maar opgewekt tot zijn rechtvaardigmaking.

Zo wil de Heere nog ogen openen en verlichten door Zijn Heilige Geest, zodat we het Woord gaan verstaan. Als de Heere die gezegende Persoon van Jezus openbaart door Woord en Geest dan mag het geloofsoog van Gods kind zien wat er in Hem als de opgestane Levensvorst te vinden is.

 

Johannes, de denker, de apostel der liefde ziet het als eerste. Terwijl hij nog spreekt, is Petrus al overboord. Impulsief als hij is, springt Petrus in het water. Als het dan de Heere is, moet hij bij Hem zijn. Hij begeert aan de voeten van de Zaligmaker te zijn: Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt), en wierp zichzelven in de zee. Tijdens het vissen die nacht droeg hij alleen zijn onderkleed; het zware opperkleed had hij afgelegd. Maar nu pakt hij het opperkleed, omgordt zich en springt overboord.

Petrus kan niet wachten. Op slag vergeet hij zijn medevissers, de vissen en het schip, en springt hij overboord. Deze Jezus is voor Simon alles geworden! Die veel vergeven is, heeft veel lief. Deze opgestane Zaligmaker is Hem zo dierbaar, zo noodzakelijk, zo gepast!

Wat is er veel in Petrus’ leven gebeurd in de achterliggende dagen! Wat is het waar wat we lezen in vers 17: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Die liefde van Petrus komt hier openbaar. Hij kan niet wachten tot het schip aan de kant is. Hij gaat naar Jezus: U al mijn liefde waardig schatten, wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

De andere zes blijven aan boord; zij slepen het net achter de boot aan. Ze komen op het strand en ontdekken dan iets wonderlijks. Onbegrijpelijk: Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood. Hij heeft hen niet nodig, Hij heeft alle dingen al in gereedheid gebracht. Hij heeft hun vis niet nodig.

 

Ze zien een kolenvuur. Er wordt vis gebakken en er is brood bij. Waar komt dat nu vandaan? Wat denk je, jongens en meisjes? Hoe kan er nu opeens op het strand in Galilea een kolenvuur zijn en brood en vis?

Denk dan maar eens aan de geschiedenis van Elia. Raven, de minst geschikte dieren, brachten hem brood. De almacht van deze Zaligmaker in het rijk van de natuur, en de almacht in het rijk van de genade is groot! Zijn naam is wonderlijk en Zijn werk is wonderlijk. Tot hun verbazing zien ze dat alle dingen klaar staan. Hij heeft voor alles gezorgd. Hij heeft niets van u nodig.

Wat is dat een les, kinderen van God! Hij heeft niets van u nodig. Wij willen steeds iets meebrengen, wij willen zo graag iets aanbrengen, maar Hij kan niets van ons gebruiken. Geen nagelschrap kan iets bijdragen aan onze zaligheid.

 

Alle dingen op het strand van Galilea zijn gereed. Alle dingen door Zijn hand. Zo verrast de Levensvorst Zijn Kerk. Daar in Galilea, maar ook vandaag wil Hij dat nog doen. Hij verschijnt in Zijn opstandingsheerlijkheid. Hij brengt alles aan, Hij bestuurt de vissen en Hij schept vuur, brood en vis.

Hij brengt alles aan voor een schuldige, ellendige Kerk. Het werkverbond zegt: ‘Doe dat en gij zult leven.’ Maar hier zijn de vruchten van het genadeverbond: Ik leef en gij zult leven. Ik leef! Die gezegende Levensvorst brengt een verrassende zegen mee, daar in Galilea. Dat is een bemoediging voor iemand die uitgetobd en uitgewerkt in de kerk zit. Die bij zijn lege net moet belijden: al mijn offers zijn afgekeurd. Alles wat ik wil aandragen is eigenlijk een belediging voor het werk van deze gezegende Zaligmaker. Met alles de dood in, dat is de weg naar Pasen. Midden in de dood liggen, niets kunnen aanbrengen, want alleen Zijn werk brengt redding. Alleen deze Christus en Zijn werk krijgt waarde. Hij wordt verheerlijkt in Zijn eigen werk. Hij heeft alles aangebracht.

 

Dan gaat Hij ze verkwikken. Dat zien we in onze derde gedachte:

  1. Door de Levensvorst verkwikt

 

De discipelen sorteren de vangst. Ze hebben de vissen geteld: 153. Je ziet ze bezig met verwondering: 149, 150, 151, 153! Wat zijn ze verwonderd! Gij zijt een God die de oren, wonderen doet op wonderen horen.

Dan volgt een maaltijd. Beschroomd staan ze daar. Wat zullen ze beschaamd zijn! Arme zondaren die niets kunnen meebrengen en aanbrengen. Weet u wat het wonder is? Hij zorgt voor wat ze nodig hebben. Ik lees in Spreuken 9: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Hij: Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb. Verlaat de slechtigheden en leeft (Spr.9:4,5,6).

 

Jezus nodigt hen aan de middagmaaltijd. In het oude Oosten houdt men twee maaltijden. Het middagmaal is eigenlijk meer een ontbijt en verder hebben ze dan de avondmaaltijd. Komt herwaarts, houdt het middagmaal. De nodiging klinkt: Komt herwaarts, alle dingen zijn gereed.

Die maaltijd, daar op het strand van Galilea, is een beeld van rust. Een maaltijd betekent voor de oosterling ook gemeenschap houden. Daar ligt vreugde en rust in. Het wijst naar de geloofsgemeenschap met Christus: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28).

 

De gasten, daar zitten ze in stille verwondering, met hun Koning in het midden, zomaar op het zand, uiterlijk geen heerlijkheid. Ze voelen, en ze mogen zien door het geloof Wie Hij is, maar ze durven het niet te zeggen. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? Wetende, dat het de Heere was. In stille verwondering zitten ze daar. Dan geeft Hij hen de vis en het brood. O, wat diep buigt de Levensvorst Zich weer neer!

Wetende, dat het de Heere is… Ze mogen door het geloof zien dat Hij het is, de gezegende Zaligmaker. Met heilige schroom en aanbidding ontvangen ze van Hem het brood en de vis. Calvijn zegt: ‘Het Evangelie wil zeggen dat de discipelen Christus niet gevraagd hebben omdat zij vreesden Hem te beledigen dewijl Hij Zich met zulke zichtbare tekenen geopenbaard had.’ Dus ze hebben het zo helder gezien dat ze niet durven vragen: Wie zijt gij, Heere? Want ze weten het door het geloof.

 

Zo zitten ze daar op het zand. Voor de natuurlijke mens ligt hier geen heerlijkheid in. Maar ik denk dat er in hun hart leefde, op die morgen van licht en blijdschap, na die donkere nacht: ‘Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen, zal ’t schoonste lied van enen Koning zingen.’ Hij geeft hen het brood en de vis. Er staat in vers 13 zo treffend: Jezus dan kwam en nam en gaf. Alles komt van Zijn kant. Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den vis desgelijks.

Het gaat hier over een middagmaal, een ontbijt op het strand. Toch liggen er lijnen, zodat je aan het Heilig Avondmaal gaat denken. Jezus kwam en nam en gaf. Het gaat alles van Hem uit, hier op het strand in Galilea. Wat hebben de discipelen moeten leren, en wat moeten Gods kinderen telkens weer leren: Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen (Mark.10:35), tot een losprijs voor ellendige, verloren vijanden.

 

Hij kwam en Hij nam. Hij pakt het brood en Hij geeft het. Hij deelt het uit. In het leven der genade, in het Koninkrijk van God is er geen zelfbediening. Daar hoef je het zelf niet te pakken en te grijpen, want wat je neemt moet je toch weer teruggeven. Maar Hij kwam en Hij nam en Hij gaf. Hij deelt het uit. Je ziet in je gedachten, daar op het strand, de meerdere Jozef; en Zijn schuren zijn vol. Kinderen van God, Hij heeft het verdiend, Hij heeft alles verworven wat u nodig hebt. Hij heeft alles verworven door Zijn dierbare dood: gerechtigheid, heiligheid en zaligheid. Hij heeft voedsel bereid voor arme, hongerige zielen en Hij deelt het uit. Hij zegt: Ik ben het Brood des levens (Joh.6:35). Dat deelt Hij uit. Je mag ook zeggen: Hij past het toe. Hij past het toe, persoonlijk door Zijn Geest, aan het hart.

Een natuurlijk mens heeft er niets aan, die ziet het niet, die begrijpt niets van de heerlijkheid die daarin ligt. Het is alles voor de discipelen. Het is álles voor Gods kinderen; om in Zijn nabijheid en gemeenschap te mogen zien wat Hij heeft bereid. Daar mogen zij smaken en proeven dat Christus goed is. Dan is er overvloed, overvloed bij Hem. Overvloed van vrede, van vreugde, van blijdschap.

 

Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is. In het leven van Zijn discipelen heeft Hij opnieuw betoond dat Hij van hen afweet. Weet u, daar in Galilea wordt het waar: Hongerigen heeft hij met goederen vervuld, rijken heeft Hij ledig weggezonden (Luk.1:53).

Er ligt in Johannes 21 ook een beeld van de toekomst van Gods Kerk. Hier ervaart ze zo vaak nachten, donkere nachten vol duisternis. Dat is de werkelijkheid van het leven der genade. Hier is het zo vaak: Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet (Job23:8). Maar straks zal de eeuwige morgen aanbreken. Straks zullen de nachten van strijd, de nachten van lege netten voorgoed voorbij zijn. Dan zullen ze met Hem mogen aanzitten. Dat is de toekomst van Gods kinderen. Als hun stervensbericht wordt afgelezen op zondagmorgen dan mogen Gods kinderen al aanzitten. Nee, niet op het zand. Ja, op het strand van de eeuwigheid. Op de kusten van de eeuwigheid mogen ze aanzitten met Hem, want Zijn opstanding met Pasen is een zeker pand van onze zalige opstanding op de jongste dag. Dan mag de Kerk naar lichaam en ziel aanzitten met Abraham, Izak en Jakob. Maar hun ogen zullen gericht zijn op Hem, de gezegende Christus. En ze mogen het uitroepen: Het is de Heere! Het is Mijn Heere, mijn Kurios!

Waarom noemt gij Hem mijn Heere? De Heidelbergse Catechismus antwoordt: Omdat Hij mij met lichaam en ziel van al mijn zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en mij alzo Zich tot een eigendom gemaakt heeft.

Het is de Heere! Als dan de morgen van de eeuwigheid aanbreekt, dan is er nooit meer duisternis, nooit meer strijd, maar dan mogen ze eeuwig in Zijn gemeenschap verkeren. Wat zijn ze gelukkig! Hoe zalig is het volk dat het geklank kent! Het volk dat net als de discipelen mag weten dat Hij Zich aan hen heeft geopenbaard.

 

Hoe is het nu met jou, met u? Nog netten vol van de wereld? Netten vol met uw eigengerechtigheden? Ik ben rijk en verrijkt en heb geen ding gebrek (Openb.3:17). Weet u wat onze grootste ellende is? Dat we onze ellende niet kennen. Straks zullen al onze eigengerechtigheden, waar we onze netten vol van hebben ons allen ontvallen.

Daarom, als je vreemdeling bent van dat leven der genade, Christus leeft en daarom kan het, daarom kan het voor jou en voor u. Zeg het maar: ‘Heere, ik heb gehoord dat er een levende Zaligmaker is. Zou u door Uw Geest ook in mijn hart die droefheid naar God willen werken die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid?’

Breekt met de zonde! Bekeert u! De goddeloze verlate zijn weg. Wie Hem zoeken zullen Hem vinden. Hij staat midden onder u in het gewaad van Zijn Woord Die gij niet kent.

Daarom, haast u en spoed u om gevonden te worden in de Zaligmaker Jezus Christus, dan kun je leven, dan kun je sterven.

 

Kinderen van God, mag u weten – hoe lang moet u terug in de tijd? – mag u zeggen: De Heere is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde (Jer.31:3). Bent u een discipel van deze Zaligmaker? Bent u door wedergeboorte en geloof afgesneden van Adam en ingeplant in Hem door het zaligmakende geloof?

Het is steeds weer nodig dat u als een uitgewerkte zondaar met lege netten, met uw schande en uw armoede en uw leegte tot Hem te gaan, opdat Hij u zal vervullen in de weg van het wonder, want: Hij kwam niet om gediend te worden, maar Hij kwam om te dienen en Zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen (Mark.10:35).

Gelukkig als de Heere in de kerk onder de verkondiging van het Evangelie u een keer bezoekt, maar ook een wonder als de Heere u bezoekt onder het werk. Misschien een moeder in een gezin achter de strijkplank, als de Heere door Zijn Woord en Geest overkomt in uw hart, als de Hij net als hier in Galilea tijdens het vissen, tijdens het werk u bezoekt, dan zal Hij lege vaten vervullen uit Zijn volheid.

Zeg eens eerlijk: is dat uw uitzien?  Vertroost mijn ziel in haar geween en zeg haar: Ik ben uw heil alleen! Houdt dan aan! Grijpt moed! De discipelen zijn beproefd, ze zijn verrast en ze zijn door Christus verkwikt. Dat schenke God.

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 89: 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht;

Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.