Ds. D. Rietdijk - Mattheüs 28 : 2 - 5

De opstanding van de Heere Jezus Christus

Hij heeft het graf geopend
Hij heeft de vijanden verslagen
Hij heeft Zijn volk vertroost

MattheĆ¼s 28 : 2 - 5

Mattheüs 28
2
En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven.
3
En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw.
4
En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden.
5
Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 118: 12
Lezen : Mattheus 28: 1 - 15
Zingen : Psalm 85: 1 en 3
Zingen : Psalm 97: 7
Zingen : Psalm 89: 3

Gemeente, wij overdenken vanmorgen Mattheüs 28, het tweede tot en met het vijfde vers:

 

En zie, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe en wentelde den steen af van de deur en zat op denzelven.

En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw.

En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden en werden als doden.

Maar de engel antwoordende zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet dat gij zoekt Jezus, Dien gekruisigd was.

 

Gemeente, we staan stil bij de opstanding van de Heere Jezus Christus. Drie dingen gaan we daarvan zien:

1. Hij heeft het graf geopend, vers 2 en 3;

2. Hij heeft de vijanden verslagen, vers 4;

3. Hij heeft Zijn volk vertroost, vers 5.

 

1. Hij heeft het graf geopend

Gemeente, het graf is geopend. De dag van de opstanding van de Heere Jezus Christus is een geweldig grote dag geweest. Mattheüs weet het als enige evangelist op een bijzondere wijze te vertolken. Het blijft altijd weer opnieuw hartverwarmend hoe hij schrijft over die morgen, waarop Jezus uit de doden is verrezen.

Tegelijkertijd blijven er bij hem en bij alle evangelisten vragen over. Vragen die we niet zullen kunnen beantwoorden. Want de opstanding zelf heeft niemand gezien. Er is niemand bij geweest. De discipelen hebben de Opgestane, de Heere Jezus Die leeft, wel ontmoet, maar de opstanding zelf heeft geen ooggetuigen.

 

De Heere is in alle vroegte – u zou kunnen zeggen: voor dag en dauw – uit het graf verrezen, opgestaan uit de doden. Hij heeft het leven weer aangenomen. De Vader van de Heere Jezus Christus heeft Hem opgewekt. En de Heilige Geest heeft Hem een lichaam gegeven, een verheerlijkt lichaam, een lichaam dat niet meer beantwoordde aan de wetten waar ons lichaam aan beantwoordt.

Het was dus een heerlijk lichaam dat Hij ontving. Hij was, zo weten we uit de opstandingsgeschiedenissen, dan hier en dan daar. Hij had een lichaam dat niet meer onderworpen was aan de gevolgen van de zonde. Hij had een lichaam dat niet meer vermoeid werd, niet meer hongerde, niet meer dorstte. Zomaar ineens kwam Hij ook weg uit het gezicht van de Emmaüsgangers. Hij is met recht met een verheerlijkt lichaam uit de doden opgestaan, tot heerlijkheid van Zijn Vader.

Dat nieuwe leven dat Hij met de opstanding gekregen heeft, behoorde aan de aarde helemaal niet meer toe. Dat behoorde eigenlijk helemaal aan de hemel toe.

 

Pasen…, dat is een hoogtepunt. Maar Pasen is geen eindpunt. Pasen is een hoogtepunt en daarom is het een uitgangspunt. Want de Heere is opgestaan uit de doden, en dan hoort Hij niet meer aan de aarde toe. Hij gaat straks ten hemel varen, Hij gaat straks zitten aan de rechterhand van Zijn Vader en Hij zal straks ook wederkomen op de wolken des hemels. Het einde komt in zicht. Met Pasen komt de grote dag van de wederkomst van de Heere Jezus in zicht. U ziet de voortgang van de heilsfeiten.

Pasen ..., dat is het feest van de overwinning van de Heere Christus over dood en graf. Dan zijn er wel geen ooggetuigen geweest van de opstanding van de Heere Jezus uit de dood, maar wij hebben wel een belangwekkende getuige in de Schrift.

Mattheüs gaat daar de nadruk op leggen. Hij begint daarmee, en zegt: De hemel was er getuige van dat Jezus is opgestaan uit de doden. Hij vraagt daar uw volle aandacht voor.

 

Onze tekst begint met: En ziet… Het is al uw aandacht waard wat er nu verteld gaat worden. De hemel is getuige van de opstanding van Jezus.

Want als de deuren van de huizen van de vrouwen in Jeruzalem open gaan, gaan ook de deuren van de hemel open. De deuren van de huizen van de vrouwen gingen open om die vrouwen door te laten met hun specerijen. Zij wilden met hun specerijen immers naar het graf gaan om de Heere Jezus te zalven. Daar hadden zij op Goede Vrijdag geen gelegenheid meer voor gehad. Het was toen bijna sabbat, want die begon om zes uur.

Daarom zullen zij dat werk nu op Paasmorgen doen, op de eerste dag der week, als de sabbat voorbij is. De deuren van die vrouwen met hun specerijen gaan open om Jezus in de dood te gaan bewaren.

Maar ook de deuren van de hemel gaan op datzelfde ogenblik open, omdat Jezus zal gaan opstaan uit de dood. De hemel weet van Zijn opstanding.

Dat de deuren van de hemel open gaan, gaat niet ongemerkt aan de aarde voorbij. Want als de deuren van de hemel opengaan om daar een engel door te laten die naar de hof van Jozef van Arimathea zal gaan, dan beeft de aarde. De hele schepping is ook bij het gebeuren van de opstanding van de Heere Jezus betrokken.

 

En ziet, zegt Mattheüs, er geschiedde een grote aardbeving. Mattheüs heeft ons ook verteld dat de aarde beefde, toen de Heere Jezus aan het kruis gestorven is. Toen aanschouwde de aarde het gruwelijkste wat ooit gezien kan worden. Toen werd de Zoon van God aan een hout gehangen, toen stierf Hij de dood. Toen grepen mensen de Zoon des Konings en ze doodden Hem. De aarde heeft gesidderd onder dat gebeuren van het sterven van Jezus. De aarde was ontzet over dat ontzaglijke gebeuren: de Zoon van God stierf. Het was de doodsschrik van deze schepping.

Maar nu de Heere Jezus opstaat uit de doden en de hemel opengaat om een engel door te laten met zijn bijzondere opdracht om naar de hof van Jozef te gaan – nu wordt die aarde weer bewogen. Die aarde verheugt zich nu de smarten van de dood ontbonden zijn. Met Pasen komt de dag van de volkomen bevrijding van de ganse schepping naderbij!

 

Er staan in de Bijbel over de schepping twee dingen. In de eerste plaats dat ze in barensnood is en zucht (naar Rom.8:22). Die barensnood en dat zuchten van de schepping die buigt onder de dienstbaarheid, kun je telkens weer gewaarworden, en op allerlei manieren.

Maar er staat in de tweede plaats ook dat de schepping, de aarde, beeft. Als de Heere Jezus opstaat uit de doden, mag die schepping in de toekomst zien. Dan mag ze de komst zien van de dag dat ze uit de dienstbaarheid van de verderfenis zal worden vrijgemaakt. Er komt straks een nieuwe geboorte. Bij barensweeën, bij barensnood hoort een geboorte. Zo komt er straks een nieuwe geboorte van de hemel en van de aarde. En dat wordt door de opstanding van de Heere Jezus uit de dood vastgelegd. De aarde beefde op Goede Vrijdag van doodsschrik en zij beeft op de opstandingsdag van Jezus van vreugde, omdat straks de hemelen andermaal zullen opengaan.

Op de jongste dag gaan de hemelen andermaal open. Dan gaan ze open, niet om een engel door te laten, maar dan zullen ze opengaan om Jezus door te laten. Jezus, Die komen zal met de wolken des hemels en Die oordelen zal de levenden en de doden. Dan zal er een nieuwe aarde komen.

 

Dat vindt u in de Bijbel telkens: dat de aarde beeft als Christus voorttrekt in Zijn kracht.

Dat vindt u al in het Oude Testament, als Israël uit Egypte trekt. Dan gaat het ten diepste om de belofte die Israël draagt dat uit hen de Messias zal voortkomen. Als ze uit Egypte gaan, zegt de Bijbel: Toen Israël uit Egypte toog, toen sprongen de bergen als rammen en de heuvelen als lammeren. Beef, gij aarde, voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs. (Ps.114:1, 4, 7). De aarde is daarbij betrokken. Die aarde zal straks vernieuwd worden. Er zal een nieuwe aarde komen. En dat is het werk van de Heere Jezus, vastgelegd op de dag van Zijn opstanding. Een nieuwe aarde, vrijgemaakt uit de banden van de dienstbaarheid door Jezus Christus.

Daarom ziet Johannes in de hemel voor de troon niet alleen vierentwintig ouderlingen – twaalf ouderlingen als vertegenwoordigers van het Oude Testament en twaalf ouderlingen als vertegenwoordigers van het Nieuwe Testament – maar hij ziet daar ook vier dieren: de vertegenwoordiging van de ganse schepping. De God des levens, de Schepper van hemel en aarde, laat Zijn schepping niet los. Hij zal die schepping verlossen uit de dienstbaarheid der verderfenis.

 

De aarde beeft. Het verband met de komst van de engel naar de hof van Jozef is duidelijk. Mattheüs zegt: Want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel.

Deze engel komt zichtbaar uit de hemel naar de aarde. Zijn gedaante draagt de heerlijkheid des hemels. Hij komt gelijk de bliksem. Zo is zijn gedaante. Als een bliksemschicht, zo daalt die engel neer uit de hemel. Het hemelvuur dat mens en beest verschrikt, brengt de heerlijkheid, de majesteit van God mee.

 

Waarom komt die engel nu zo? Er zijn zoveel engelen op de aarde gekomen en die hadden een gewone menselijke gestalte. Waarom komt deze engel nu met de gedaante als van een bliksem, en met kleding, wit gelijk de sneeuw?

Wel, op Pasen komt daar niet een engel ‘zomaar‘ in een zichtbare gedaante, maar dan brengt hij de luister en de heerlijkheid van de Heere Jezus Christus mee. Dan is Zijn vernedering voorbij, dan is de vernietiging van Jezus, Die gekruisigd was, voorbij Dan komt de heerlijkheid van Jezus al openbaar in het neerdalen van die engel, die komt met de heerlijkheid en de majesteit van de hemel. De vernedering van Jezus is voorbij. Hij is opgestaan uit de doden.

 

En die kleding is wit gelijk sneeuw. Die brengt iets mee van de reinheid van de hemel en van de heiligheid van God. Het is een koninklijk kleed. In smetteloze heiligheid daalt hij van God af. Markus deelt mee dat het kleed van die engel ‘een lang kleed’ was (Mark. 16:5). Als in het oosten iemand aan het werk was, was dat kleed opgeschort; dat werd met een gordel gedaan. Dan konden de voeten zich gemakkelijk bewegen.

Maar deze engel draagt een lang kleed, een lang wit kleed, wit gelijk de sneeuw. Dat wil zeggen dat die engel in rust is. Dat lange kleed van die engel predikt al dat het alles is volbracht. Die dienaar in de hof van Jozef predikt al dat het alles, alles is voldaan. De gebeurtenis in de hof van Jozef predikt dat de verlossing is aangebracht. Alleen zijn komst in de hof is al een prediking van de overwinningsrust in heerlijkheid van Jezus Christus, Die gekruist was.

 

En die engel komt in de hof van Jozef ten behoeve van Christus. Niet alsof de Heere Jezus dat nodig had, want de Heere Jezus heeft helemaal geen dienstbetoon nodig. Hij is de machtige God Die opgestaan is uit de doden en Die verrijst in heerlijkheid en kracht. Hij heeft alle macht in de hemel en op de aarde. Hij komt als de Machtige, als de Overwinnaar over graf en over dood, en heeft geen dienstbetoon meer nodig. Maar dat dienstbetoon geeft de engel, omdat de Heere het zo waardig is.

We zien op Paasmorgen dat Jezus het waardig is dat de hemel en de aarde Hem dienen. Die hemel en die aarde aanbidden Hem, vanwege Zijn macht en Zijn majesteit. In de hof van Jozef van Arimathea zijn er dienaren die Hem begroeten en de eer van Zijn Naam uitroepen. Zij zetten luister bij aan het hoge feit van Zijn opstanding uit de doden.

Dat hier een engel komt, is een prediking. Deze indrukwekkende verschijning gaat naar het graf. Hij schrijdt naar dat graf toe, naar die grafspelonk van Jozef van Arimathea. Dat wil zeggen dat de hemel de voet zet op elke meter grond. De hemel neemt als het ware deze aarde in beslag – een aarde die ligtonder de voeten van de Heere Jezus Christus.

Dan gaat de engel de steen wegrollen die daar op Goede Vrijdag vóór het graf geplaatst was. Die steen wordt door een engelenhand weggerold. En tegelijk met die steen worden de zegels van het Sanhedrin verbroken. Die mensenzegels worden verbroken. De hemel rekent af met de zekerheid die mensen zich gemaakt hebben.

 

Als de grafspelonk dan geopend is, is dat een prediking van de hemel dat de Vader van onze Heere Jezus Christus door het zenden van die engel ‘Amen’ zegt op het offer van Golgotha. Dan wil dat een prediking zijn dat de opstanding door de hemel is erkend. Het is een prediking dat de Vader ‘Amen’ zegt op het ‘Het is volbracht’ van Jezus aan het kruis van Golgotha. Nu laat de Vader van onze Heere Jezus Christus voor de gehele wereld op Paasmorgen prediken: ‘Amen! Het is volbracht.’

Het offer van Jezus is ten volle door Hem geaccepteerd. Het is genoeg bevonden. Als de hemel op de derde dag opengaat om die engel door te laten, is dat het ‘Amen’ van de Vader op de opstanding en daarmee op het volbrachte werk van de Heere Jezus.

 

De engel predikt door het openen van de grafspelonk. Maar wat zegt hij eigenlijk als de steen wordt weggerold? Dan zegt hij dit: ‘Hij is overgeleverd om onze zonden.’ Daarom is Hij in dat graf gelegd en daarom heeft Jezus gerust in dat graf met Zijn dode lichaam. Maar ‘Hij is opgewekt om onze rechtvaardigmaking’ (Rom.4:25). Hij is opgestaan, opdat Hij mensen rechtvaardigen zou. Hij is opgestaan om onze rechtvaardigmaking, om vrij te spreken. En luistert u goed: dit is de boodschap van Paasmorgen. Daartoe is Hij opgestaan uit de doden: om vrij te spreken van schuld en van straf, en om een recht te geven op het eeuwige leven. Dan jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, álles is voldaan. Wat een wonder, als u dát mag horen in de prediking van Pasen: overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

 

Gemeente, dat is nooit te begrijpen. U hoort Paulus in verwondering de woorden neerschrijven in de Romeinenbrief, hoofdstuk 8: Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is. Kijk, daar hebt u het: dat graf gaat open. ‘Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt? (Rom. 8:34,33). Daar hebt u de triomfkreet van Pasen.

Gemeente, in de opening van dat graf door die engel ligt het ‘Amen’ van God. Daar ligt die rechtvaardiging van God van verloren mensenkinderen. Van u, van mij.

Er kan op deze dag over de gehele wereld gepredikt worden dat er in het offer van Christus verzoening te vinden, genade te verkrijgen en vergeving te ontvangen is voor een mensenkind. Want de Vader heeft genoegen genomen in het offer van Zijn Zoon. Dat is de prediking van Pasen.

 

Jongens, meisjes, horen jullie het? De Heere Jezus is opgestaan uit de doden. En dat betekent niet alleen , dat Hij uit de dood verrezen is en dat het fijn is – laat ik even gewoon zeggen – dat Hij nu niet meer in het graf ligt, maar het is véél meer! Het wil dit zeggen: dat jullie een nieuw hart kunnen krijgen. Als de Heere Jezus niet was opgestaan, had dat niet gekund. Maar omdat Hij is opgestaan, omdat we vandaag Paasfeest vieren, omdat God van de hemel wist dat Jezus opstond uit de doden, daardoor kunnen jullie een nieuw hart krijgen. Daardoor kunnen mensen vergeving krijgen. Vergeving van schuld en straf en een recht op het eeuwige leven. Daarom kunnen we bij Hem terecht! Hij leeft! En daarom kun je bij Hem een gewillig oor vinden. Want Hij is opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

Buig je knieën maar voor de Heere, hoor. En vraag er maar om. Zeg maar: ‘Heere, vandaag is het Pasen geweest, en Jezus is opgestaan uit de doden. En omdat Hij opgestaan is uit de doden, daarom kunnen wij een nieuw hart krijgen. Heere, wilt U mij dát geven.’

 

Dat is Pasen: de steen afgewenteld van het graf. Alle schuld voldaan. De Vader is bevredigd in het offer van de Zoon.

En dan denk ik even aan die machtige vijf en tachtigste Psalm. Het is eigenlijk een Paaspsalm:

 

De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan;

Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan;

Gij vindt in gunst, in niet in wraak, Uw lust;

De hitte van Uw gramschap is geblust.

 

En dan dat machtige. Mattheüs beschrijft dat zo heel duidelijk. De engel rolt die steen weg. Als die steen weggerold is, wordt hij op de grond gelegd, en dan gaat de engel op die steen zitten. Dat is niet zomaar iets, dat een engel op een steen gaat zitten, op een grafsteen wel te verstaan. Moet u zich voorstellen: de engelen die leven in het hemelse licht bij de troon van God komen bij een graf. Bij een graf staat niemand graag. Nu komen die engelen bij een graf en gaan ze op zo’n grafsteen zitten. Dat doet die engel hier niet zomaar … Daar gaat een sprake van uit, dat betekent wat!

Hij neemt die grafsteen in beslag. De hemel legt beslag op de grafsteen. Dat graf zal nooit meer worden dichtgedaan. Dat is de prediking. Het is voor eeuwig dat Deze, door de dood Gevangene, Zijn boeien heeft verbroken en is uitgegaan uit het graf. Jezus leeft. Het graf is voor eeuwig geopend. Engelen gaan erin en eruit, zoals we dat van andere evangelisten weten.

 

De spelonk van de dood bevat alleen nog maar het fijne lijnwaad van Jozef van Arimathea; dat ligt netjes opgerold, keurig netjes. Het is allemaal ordelijk geschied. Deze Dode is niet uit het graf geroofd. De hoofddoeken liggen aan het hoofdeinde en de andere doeken aan het voeteneinde, zegt Johannes (Joh.19). Ze zijn nooit meer nodig! Het is voorbij! De overwinning over dood en graf is een feit geworden. Christus is de Overwinnaar van de onverbiddelijke dood. Hij is ook de Overwinnaar van het graf dat nooit meer gesloten zal worden, maar dat altijd open zal blijven.

 

Hij heeft het leven aangebracht. En dat is niet het leven zoals wij dat hier van nature kennen. Want met dat leven is er altijd wat. Dan zijn we ziek, dan zijn we moe. Maar het leven dat Christus aanbrengt, is het bruisende leven; dat is het volle leven, dat opspringt tot in eeuwigheid. Dat is het leven waar mensenkinderen in mogen leven en God eeuwig mogen grootmaken. Dat is het leven dat nimmermeer vergaat. Die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven (Joh. 11:25). Dus al moeten we dan onze doden begraven, al leggen we dan hun lichaam in het graf, de doden die in Christus ontslapen zijn zullen leven tot in eeuwigheid. Dat is dat volle bruisende, onvergankelijke leven, dat Christus aan het licht heeft gebracht.

De engel zit op de steen. Die steen is in beslag genomen door de hemel.

We gaan naar ons tweede punt.

 

2. Hij heeft de vijanden verslagen

De wachters werden zeer verschrikt door de engel. Ze stonden daar bij het graf, want de hogepriester was er op Goede Vrijdag niet zo erg gerust op, al werd het dan vastgesteld dat Jezus gestorven was. Hij was er niet zo erg gerust op. Niet één van de discipelen heeft onthouden dat Jezus gezegd heeft: Ten derde dage zal Ik weder opstaan uit de doden (Matth. 27:63). Die staarden zich blind op de dood van Jezus aan het kruis. Maar de hogepriester wist het. Hij zegt: Deze verleider heeft gezegd: Na drie dagen zal Ik opstaan. Er moeten dus wachters komen. En Pilatus heeft gezegd: ‘Daar bemoei ik me niet meer mee. Je hebt een wacht, zet die er maar voor.’

Sommige uitleggers zeggen dat het de wachters zijn geweest, die daar aan de voet van het kruis zaten. Het is mogelijk, hoor, dat dat het dezelfde soldaten waren, daar aan de voet van het kruis. U weet wel, die zaten te dobbelen om de mantel van Jezus. Mogelijk zijn het die wachters geweest. Wat zijn ze geschrokken op de heuvel Golgotha, toen de aarde beefde.

En nu zitten ze in de nacht bij het graf, en de aarde gaat voor de tweede maal beven. Daar komt een gedaante als een bliksem uit de hemel neer … En die verlicht het duister van de schemerende morgen. Dan worden die wachters als doden.

 

Met een angstschreeuw zijn die wachters als doden geworden. Dat wil zeggen dat ze de gedaante van een dode aannamen. Helemaal verstijfd liggen ze daar achterover op de grond. Onbekwaam om te waken, onbekwaam om te vluchten. Het heeft dus te maken met de werkelijke dood. Want door de schrik waren ze ook een ogenblik geen wachters meer. Dat heeft te maken met de dood. De vijand ligt daar verslagen. De vijand is overwonnen door de Levende. Die wachters zijn als doden.

Door het kruis heeft Jezus getriomfeerd over alle vijanden, en in Zijn opstanding wordt dat openbaar. Daar liggen ze als doden in de hof.

De rollen worden op Paasmorgen omgekeerd. Vrijdag hadden de soldaten alles te zeggen. Ze hebben gespot tot het einde toe. Op Paasmorgen is er geen spot meer. Ze liggen als doden, achterover op de grond. Christus heeft de vijanden overwonnen. De Dode werd levend, en de levenden werden als doden.

 

Is het nu altijd te zien dat de Heere Jezus alle vijanden overwonnen heeft? Kunnen Gods kinderen, die hun hoop toch op de Heere Jezus gesteld hebben, dat nu ook altijd zien? Zijn de vijanden nu altijd mensen die als doden liggen?

Het kan soms zijn, gemeente, dat je denkt dat niet Jezus, maar de vijand alle macht heeft op aarde. Dat kun je denken. Menig kind van God zucht daaronder, is daar bezwaard onder. En wellicht is de tijd aanstaande dat we dat nog veel meer zullen gaan ervaren. Wie Christus belijdt, moet rekenen op een vijand die machtig is.

Denkt u even aan Johannes op Patmos die op de rotspunt zat in de Middellandse Zee, verbannen uit zijn gemeente. Hij zat daar met de vraag: Hoe kan het, en hoe moet het? Want de vijand had grote kracht en macht in zijn leven. Maar nu juist daar, op die rots, ontmoet hij de Levensvorst, Die komt in al Zijn heerlijkheid. Hij zegt tegen Johannes: Vrees niet. Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben weder levend geworden tot in alle eeuwigheid. Amen. Ik draag de sleutels der hel en des doods (Openb. 1:17,18).

Dat wil dus zeggen dat de Kerk altijd wél bewaard wordt, ook al lijkt het alsof de vijand machtig is en alles kan, alles kan zeggen en alles kan doen. Maar Christus is opgestaan. Vrees niet; Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. En dan zegt Hij erbij: Amen. Het zal waar en zeker zijn.

 

Gemeente, er is niet één kind van God onbeschut en onbeschermd in deze wereld, al zijn ze ook verbannen op een eiland. Dat is voor de Kerk zelfs tot grote winst geweest, want de Heere heeft op dat eilandje aan Johannes alles geopenbaard wat er in de toekomst met de Kerk des Heeren gebeuren zou. De Heere heeft laten zien dat de overwinning, de uiteindelijke overwinning er zal komen, ondanks de worsteling met al de vijanden die zullen opstaan tegen het Rijk van Christus. Ze zullen alle overwonnen worden, en Hij zal de Overwinnaar zijn tot in eeuwigheid.

De opstanding der doden is een garantie en onderpand dat de Kerk des Heeren zal overwinnen, al zie je er hier niets van. Er is vaste grond om op Hem te hopen, op Zijn genade en op Zijn levenskracht.

 

En zij werden als doden. Gemeente, dat is de waarheid, want ze waren in feite al dood. Elk mens die Christus verwerpt en voor eigen rekening leeft, is dood in zonden en misdaden (Ef. 2:1). En dat wordt erger naarmate wij méér Christus vergeten, ons verzetten en Hem verwerpen. Hoe meer Hij Zich openbaart en hoe meer Hij van Zijn genade laat zien, hoe erger de zonden worden. Jezus heeft immers gezegd: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen (Joh. 9:39). Het verzet tegen de genade wordt groter naarmate de genade zich heerlijker openbaart. En naarmate de Heere Jezus Zich heerlijker openbaart, zal ook het hart harder worden bij de verwerping van Hem. Blinden zullen zien, maar zienden – dat wil zeggen mensen die in eigen kracht en wijsheid leefden – zullen blind worden.

De wachters werden als doden. Het heeft niet lang geduurd, maar het was wel even waar. Ze werden als doden. Het heeft niet lang geduurd, want straks dan gaan ze weer verder, door het Sanhedrin omgekocht. Ze hebben de leugen in de wereld gebracht dat Hij gestolen is door Zijn discipelen. Dat doen ze tegen al de indrukken in, tegen alle dodelijke vrees in. Ze hebben hun geweten gesust, ze hebben het gestild. Ze zijn weer verder gegaan. Niemand van hen heeft geroepen tot de levende God en niemand heeft gevraagd naar de Heere en Zijn sterkte.

 

Is dat bij ons ook zo? Blijven we altijd maar zo doorleven? Blijven we onberoerd dat Jezus is opgestaan uit de doden in Zijn Majesteit en kracht?

We leven maar weer rustig verder, en vragen nooit naar Hem. Zo is het toch, jongens, meisjes, ouderen? Kunnen we het dan buiten Christus stellen? Buiten de Levende, Die uit de doden verrezen is en Die Zijn werk heeft volbracht? Dat betekent een eeuwige ondergang.

 

O, vandaag is het Pasen. De Heere laat ons zien in Zijn Woord wat het deel is van hen die zich tegen Hem verzetten. Dan zegt de Heere: Die in den hemel woont zal lachen; en de Allerhoogste zal ze bespotten. Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid (Psalm 2: 4,6). Jezus is niet tegen te houden, hoor. Noch door een zegel, noch door wachters.

Hij is opgestaan – en dat is het laatste – om Zijn volk te troosten. Daar letten we ten slotte op.

 

3. Hij heeft Zijn volk vertroost

Het graf geopend, de vijand verslagen en Zijn volk vertroost.

Op deze heerlijke Paasmorgen komen de vrouwen met specerijen naar het graf om het lichaam van de Meester te zalven. Ook zij willen Hem bewaren, maar anders dan de wachters Hem bewaarden. Die wilden Hem in de dood bewaren. Maar zij wilden Hem in de dood bewaren, door de liefde gedreven. De één wordt gedreven door bittere vijandschap en de andere door liefde die kennelijk harder is dan het graf. Want ze hebben Hem liefgehad.

 

Gemeente, er mag een vraag gesteld worden. De Heere Jezus stelt hem Zelf straks aan Petrus: ‘Hebt gij Mij lief?’ (Joh.21:16). Dus ik mag het u ook vragen. Hebt u Hem lief? De vrouwen hadden Hem lief. Hun geloof is wel zwak, want ze zijn die morgen niet opgestaan met de gedachte: de Heere gaat vandaag opstaan uit de doden. Hij heeft het ons immers voorzegd: ‘Ten derde dage zal Ik opstaan uit de doden.’ Maar nee, er is geen van die vrouwen die aan dat woord gedacht heeft. De liefde was hier sterker dan het geloof. Hun geloof is erg zwak.

Maar ze zijn opgestaan en hebben de specerijen genomen, die ze al klaargemaakt hadden eer de sabbat inviel. En nu gaan ze naar het graf, naar het graf van Jozef van Arimathea.

Dan zou u kunnen zeggen: ‘Die vrouwen zijn te bestraffen, want zij hadden zeker moeten bedenken dat de Heere die dag zou zijn opgestaan. Zij hebben het geweten.’ Ja, maar toch bestraft de Heere hen niet.

 

Als ze bij het graf komen, blijkt dat open te zijn. Ze hadden een steen verwacht – die lag eigenlijk als een steen op hun hart. Ze hadden een steen verwacht, maar het graf is open. En onmiddellijk is er weer de vrees en de schrik: wat zou er met het lichaam van de Heere zijn gebeurd? Bange vrees snoert hun kelen dicht.

En dan komt die engel tot hen, u weet wel, de engel die daar al zat. Die ontmoet de vrouwen en dan zegt Mattheüs – en dat is zo’n fijn trekje bij hem: Maar de engel, antwoordende, zeide…

 

Eerst zijn er dus de wachters, die als dood liggen. En daar staat dan tegenover: Maar de engel antwoordende zeide: Vreest gijlieden niet. Die wachters mogen wel vrezen, maar gijlieden niet. De ongehoorzamen ontvangen geen vertroosting en geen onderwijs. Aan hen zal Jezus Zich niet openbaren. Hij openbaart Zich niet aan de wereld; daar verbergt Hij Zich voor. Maar aan die vrouwen gaat Hij Zich openbaren. Dan krijgen ze antwoord op hun vragen.

 

Maar de engel antwoordende … Wat een onderscheid, hè, of je nu zo’n wachter bent uit vijandschap, of je bent zo’n vrouw die daar komt, weliswaar met overbodige specerijen, maar toch uit liefde klaargemaakt. De Heere heeft niets van u nodig, ook geen specerijen. Hij heeft zelfs die gave van uw liefde niet nodig.

Maar dan antwoordt deze engel. Dat wil zeggen: hij weet van de vragen die in hun hart leven. Dat is geweldig mooi, dat die engel dat weet. En het wordt nog heerlijker, want hij komt met de volle troostboodschap van het Evangelie. Hij zegt: Vreest gijlieden niet. Daarop moet de nadruk vallen. Deze discipelinnen van Jezus hoeven niet te vrezen.

 

Het staat een groot aantal malen in de Bijbel, dat Vreest niet. De Heere komt Zijn volk telkens tegemoet met Vreest niet. Net als de herders in Efratha’s velden; ook zij vreesden met een grote vreze. Tot hen zegt de engel: Vreest niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap (Luk. 2:10). En nu zegt die engel weer: Vreest niet.

Waarom niet? Wel, gemeente, de engel heeft een boodschap: Ik wéét dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Die engel weet dat. U moet goed bedenken dat engelen niet alwetend zijn; die kunnen niet in het hart kijken. Er is er maar Eén alwetend, dat is God Die in de hemel leeft. Hij heeft deze boodschap aan de engelen meegegeven, toen zij naar de aarde afdaalden. Hij heeft gezegd: ‘Als je dan die vrouwen tegenkomt, daar bij dat geopende graf, zeg dan: Ik weet dat gij zoekt Jezus. Dus dat wil zeggen: God weet ervan, als je Jezus zoekt. De hemel wist dat.

 

Gemeente, weet de Heere dat van ons ook? Weet de Heere van ons dat we Hem zoeken? Ik weet dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Zoeken we Hem? En zoeken we Hem in oprechtheid? Zeggen we: Heere, als ik U niet heb, dan heb ik niets in mijn leven? Maar als ik U heb, heb ik precies alles.’ Het is één van de twee: het is óf alles óf niets. Eén van de twee. Zoeken wij Jezus, Die gekruist was?

Als dat waar is, weet de Heere daarvan: Ik weet dat gij zoekt Jezus, Die gekruist was. Dat is het wonder van de liefde van Christus.

Die vrouwen die zullen zalig worden, hoor. Al is hun geloof zwak en al werkt hun liefde verkeerd, ze zullen zalig worden, omdat Jezus weet dat ze Hem zoeken. Daarom!

 

En een scherp luisteraar hoort in deze woorden ook iets bijzonders. Gij zoekt Jezus Die gekruisigd wás. Het is voorbij, dat hebben die vrouwen gezien. Daar bij dat graf; daar is Hij in gelegd. De engel sluit aan bij het denken en het treuren van de vrouwen. Jezus Die gekruisigd was – daar ging het immers om. Die was daar neergelegd in dat graf en nu komen ze Hem zoeken.

Ik weet dat gij zoekt Jezus. Nu heeft hij een vrolijke boodschap, de boodschap van Pasen voor deze vrouwen. Hij is hier niet; Hij is opgestaan. Jezus leeft. De blijde boodschap van Pasen. Die vrezen, hebben niets te vrezen. De Gekruisigde leeft. En Hij leeft voor eeuwig. En daarom zullen zij ook mogen leven.

Gemeente, de Kerk mag leven zolang Jezus leeft. Beter kan het niet, en zekerder kan het niet. Een blijdere boodschap is er niet. Dat is de Paasboodschap uit de hemel: Hij is hier niet; Hij is opgestaan. Hij leeft.

 

En de engel zegt er nog wat bij. Hij zegt: Komt, ziet de plaats waar de Heere

gelegen heeft. Hij had het eerst over Jezus Die gekruist was, en nu gaat hij over op een andere Naam. Hij zegt: Ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. Dat is de Eigenaar, de Bezitter. Hij is Degene Die ook deze vrouwen gekocht heeft met Zijn bloed. Komt, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. Niet meer: Jezus Die gekruist was. Maar: waar de Heere gelegen heeft. Hij is de Heere, de Eigenaar van Zijn Kerk. Hij is ook de Heere over graf en dood. Hij is de Heere Die over alle dingen beslist.

En omdat het nu Pasen geweest is en deze Heere leeft tot in alle eeuwigheid, daarom kunnen we nu vanuit de dood, de geestelijke dood, overgezet worden in het nieuwe leven uit Hem. De grondslag is gelegd in Pasen.

 

Als we nu overgezet worden in dat nieuwe leven, als we dat van Hem ontvangen, wel, dan zullen we de blijdschap kennen om Hem Die leeft tot in alle eeuwigheid. Hij alleen kan het u geven. En dat geeft Hij met Zijn eigen hand, dat geeft Hij door Zijn eigen Geest, dat geeft Hij met milde hand. U kunt het niet grijpen, maar Hij wil het schenken. En Hij geeft het om niet. Hij geeft het uit genade – daarom is Hij gekruisigd geweest – Hij geeft het uit enkele goedheid.

Deze Jezus, Die gekruisigd was, gaat op Pasen het leven en de gerechtigheid uitdelen - en die zijn er tot in eeuwigheid. Bij Hem moeten we terecht.

Amen.

 

Slotpsalm: Psalm 89 vers 3:

 

De hemel looft, o Heer’, Uw wond’ren dag en nacht,

Uw waarheid wordt op aard’ de glorie toegebracht;

Waar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;

Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?

En welke vorsten ooit het aard’rijk moog’ bevatten,

Wie hunner is, o Heer’, met U gelijk te schatten?