Ds. A.B. van der Heiden - Lukas 23 : 44 - 46

Jezus' nederdalen in de dood

Lukas 23
Waarom Hij moet nederdalen
De woorden de Hij daarbij spreekt
De zaligheid die Hij daarbij verwerft

Lukas 23 : 44 - 46

Lukas 23
44
En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
45
En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde midden door.
46
En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 22: 1
Lezen : Lukas 23: 44 - 48
Zingen : Psalm 16: 4 en 5
Zingen : Psalm 69: 13
Zingen : Psalm 22: 12

Het Schriftwoord dat we met de hulp van de Heere op deze Goede Vrijdag hopen te overdenken, kunt u vinden in het Evangelie naar Lukas, hoofdstuk 23, de verzen 44 tot en met 46:

 

44. En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.

45. En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde middendoor.

46. En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.

 

We worden bepaald bij Jezus’ nederdalen in de dood:

  1. Waarom Hij moet nederdalen;
  2. de woorden die Hij daarbij spreekt;
  3. de zaligheid die Hij daarbij verwerft.

 

  1. Waarom Hij moet nederdalen

Gemeente, wat is het altijd een heel bijzondere boodschap die op de Goede Vrijdag gepredikt mag worden: Hij Die geen zonde gekend of gedaan heeft, de eeuwige Zoon van de Vader, is neergedaald in al de bitterheid die de zonde teweeggebracht heeft. Hij is neergedaald in de dood en heeft de laatste bittere druppels uit de lijdensbeker gedronken.

Als we daarbij bepaald worden, dan worden we bij de dood bepaald. En als we bij de dood bepaald worden, dan worden we bij uw en mijn schande bepaald, want de dood is niet door God geschapen in het paradijs. Maar de Heere had gezegd: ‘Als u ongehoorzaam bent, als u daarvan eet, zult u de dood sterven.’

 

We horen elke dag van de dood. In elke krant die u opslaat, leest u de rouwadvertenties. Oude mensen moeten sterven; jonge mensen kunnen ook sterven. Wie leeft er die de slaap van de dood niet eens zal slapen? Sommigen sterven na een lang, smartelijk ziekbed, anderen plotseling of onverwachts. Wie redt zijn ziel van het graf?

Wat een diepontroerende en aangrijpende werkelijkheid dat er straks niemand van ons meer op deze wereld zal zijn. Dan zullen we allen de weg gegaan zijn van alle vlees. Een ontroerende en aangrijpende werkelijkheid omvat alle mensen. Zult u daaraan denken, gemeente? Memento mori – denk er toch gedurig aan dat u moet gaan sterven en God moet ontmoeten.

 

Waarom toch dat ‘sterven’, dat zo helemaal indruist tegen onze natuur, die op het leven gericht is? Wel, dat is door één mens gekomen. Paulus zegt het met nadruk: Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben (Rom.5:12). Als we over de dood spreken, worden we altijd teruggewezen naar het paradijs, waar wij ons van God hebben losgescheurd. Daarom moeten we sterven.

‘Sterven’ houdt niet alleen maar in dat onze ziel van ons lichaam gescheiden wordt als we aan het einde van ons leven gekomen zijn. De dood is veelomvattender, veel meer dan dat. We spreken in onze belijdenis van de ‘drievoudige dood’: de tijdelijke dood, maar ook de geestelijke en de eeuwige dood.

Wij mensen komen geestelijk dood op de wereld. We zijn de geestelijke dood nu al gestorven. We zijn geestelijk in het zondegraf verzonken. Onze geestelijke dood wil zeggen dat de macht van de zonde heerschappij over ons heeft. De dood heerst over ons in ons leven.

Maar er is nog meer: achter onze dood ligt de eeuwige dood, het eeuwig straflijden in de hel, waar alle goddelozen in zullen moeten óndergaan.

 

Maar wat mogen we nu op de Goede Vrijdag overdenken? Want als dit het enige was wat ik u te zeggen had, dan had u beter niet naar de kerk kunnen komen.

Gelukkig hebben we ontzaglijk veel meer te zeggen. Want we mogen op deze Goede Vrijdag in het bijzonder overdenken dat op Golgotha de eeuwige Zoon van God in de dood is afgedaald.

Had Hij dan ook gezondigd? Nee, Hij was zonder zonde. Het was niet Zíjn dood die Hij stierf, maar het was de dood van dat volk dat zich de dood waardig gemaakt heeft, dat volk dat Hij uit de hand van de Vader ontvangen heeft en dat uit alle geslachten, volken en natiën bijeenvergaard zal worden.

 

Daar hangt Christus, op Golgotha. Hij is ter dood veroordeeld door Pilatus. Al heeft Pilatus betuigd dat hij geen schuld in deze Mens gevonden heeft, hij heeft Hem uiteindelijk toch overgegeven om gekruisigd te worden. Hij is gegeseld. Die bittere geselroede heeft Zijn rug opengescheurd.

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis zeggen onze vaderen dat in die wonden van Christus fonteinen van vertroosting geopend zijn. Jesaja roept het uit: Door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5).

Christus is gekruisigd. Niet tussen Johannes, de apostel der liefde, en Jakobus. Nee, Christus hing tussen twee moordenaars. Jezus’ kruis stond in het midden, tussen twee misdadigers, alsof Hij de allerbelangrijkste was.

 

Gods Woord beschrijft zo uitvoerig wat er allemaal op Golgotha gebeurd is; ook de woorden die Hij gesproken heeft toen Hij aan dat vervloekte hout hing, nadat Hij de doornenkroon gedragen had. Daar op Golgotha bidt Christus nog voor de vijanden: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. We horen Hem ook tot Zijn moeder spreken, die aan de voet van het kruis staat. Een zwaard gaat door haar ziel als ze voor haar ogen ziet dat haar Kind die ontzettende kruisdood sterft. ‘Vrouw, zie, uw zoon. Zoon, zie, uw moeder.’

En die moordenaar, die al met één been in de rampzaligheid staat, wordt door de kracht van Gods vrijmachtige en almachtige genade uit die geestelijke dood tot het leven geroepen. De eerste vrucht is dan altijd dat je zondaar voor God wordt; dan ga je je schuld belijden. Die moordenaar zegt dan: En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. Hij veroordeelt zichzelf en verklaart de Heere vrij. En dan gaat hij ook bidden: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.

 

Vervolgens lezen we in onze tekst: En het was omtrent de zesde ure.

U moet niet denken dat hier 6.00 uur in de morgen mee bedoeld wordt. Voor de Joden begon de dag pas om 6.00 uur ’s morgens, dus ‘de zesde ure’ is in onze tijdrekening 12.00 uur ‘s middags.

Wat is er toen gebeurd op Golgotha? We lezen in vers 44: En er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. De zon werd in één keer verduisterd en een stikdonkere nacht viel over de hele wereld.

Dat is heel bijzonder geweest. Volgens de natuurkundigen is het in de ordening van de natuur onmogelijk dat er bij volle maan een zonsverduistering plaatsvindt. En de Joden vierden het paasfeest altijd bij volle maan; dat is nog steeds zo. Van tijd tot tijd is er een zonsverduistering, maar die kan dus nooit plaatsvinden als er een volle maan is.

Een zonsverduistering om 12.00 uur, midden op de dag, wanneer de zon op z’n hoogst staat, als het ware loodrecht boven de aarde, dat is een goddelijke, wonderlijke, onbevattelijke, bovennatuurlijke gebeurtenis. En er werd duisternis over de gehele aarde, staat er. Dus nergens op de wereld was er nog licht.

Dat zal wat geweest zijn! Denk je eens in dat het midden op de dag nergens op de wereld licht is, dat het overal duister is ... Een ontzettende gebeurtenis.

 

Duisternis – wat betekent dat? Duisternis is in Gods Woord dikwijls het beeld van de dood. Zoals het licht in Gods Woord het beeld is van Gods gunst, van leven, zo is de duisternis in Gods Woord het beeld, het symbool van het oordeel en de dood.

We lezen in de Bijbel dat de rampzaligheid ook genoemd wordt: de buitenste duisternis, waar wening zal zijn en knersing der tanden. Daar zal immers een eeuwige duisternis zijn, waar de goddelozen in eeuwige wanhoop zullen moeten óndergaan.

 

Maar wat gebeurde daar nu op Golgotha? Daar op Golgotha, en over heel de wereld, was er een ontzaglijke duisternis. En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. Wat gebeurde er dan? In die dikke duisternis werd Christus op Golgotha door Zijn hemelse Vader verlaten.

 

  1. De woorden die Hij daarbij spreekt

In die verschrikkelijke duisternis heeft Hij uitgeroepen: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten? (Mark.15:34). Toen is Hij als het ware neergedaald in de hel en heeft Hij de ontzaglijke diepte van de verlorenheid, van de vloek en van het oordeel moeten ondergaan. In die dikke duisternis heeft Hij het aangezicht van Zijn vader in toorn en in gramschap ontmoet.

Wie zal ooit de diepte van het lijden van Christus kunnen peilen? Hij heeft niet enkel toorn en gramschap gezien. Hij is de hel ingegaan. Waarom? Om een hel- en doemwaardig zondaarsvolk te gaan verlossen. Hij is in het vuur van de toorn van God verteerd geworden: ‘Wat hitte doet mij branden!’ Daar heeft Hij Zich met Zijn ziel en lichaam gesteld in de ontzaglijke duisternis en verlorenheid.

 

Daarom heeft Christus uit de bodem van Zijn ziel moeten klagen: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten? Waarom moest dat? Hij wist waarom. Hij heeft dat gedaan om het leven en de zaligheid voor Zijn volk aan te brengen. Wij zijn allen van nature kinderen des doods, door onze zonden en ongerechtigheden waardig om voor eeuwig van God verlaten te worden, om prijsgegeven te worden aan die eeuwige Godsverlating, aan die eeuwige ondergang.

Maar hoor nu, gemeente: Christus, Die het niet verdiend had, heeft Zichzelf willen onderwerpen en is in die ontzaglijke diepte afgedaald. Daar is maar één woord voor: dat is ‘liefde’. Paulus zegt het: ‘Wie zal ooit kunnen bevatten de lengte, de breedte en de diepte van Christus’ liefde?’

Maar hier schittert ook de liefde van de Vader, want God de Vader gaf Zijn eniggeboren Zoon over aan deze bittere dood: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven (…) (Rom.8:32).

Wat een eeuwig wonder als we daar in ons leven iets van mogen leren en er in onze ziel iets van verklaard mag worden. Want nadat Christus in die ontzaglijke duisternis en uiterste Godsverlating verkeerd had en Hij de laatste bittere druppels uit de lijdensbeker gedronken had, riep Hij uit: Het is volbracht! (Joh.19:30). En dan lezen we: En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde middendoor.

 

Wat is dat, dat ‘voorhangsel’? Dat was de scheiding tussen het heilige en het heilige der heiligen in de tempel van de Heere. Het was een heel dik gordijn dat de toegang tot het heilige der heiligen afsloot. Daar stond immers de ark, met daarin de heilige wet van God, die tegen elke zondaar zegt: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal.3:10). De wet van God spreekt de vloek over u en mij uit; wij zijn vloekelingen geworden.

Dat voorhangsel predikt u en mij en dat hele volk dat de toegang tot God afgesloten is, dat een zondaar nooit in Gods gemeenschap, in de plaats waar de Heere woont, kan naderen. Maar één keer per jaar, op de Grote Verzoendag, mocht de hogepriester met een schaal bloed het heilige der heiligen binnengaan. Dan moest dat bloed op het verzoendeksel gesprenkeld worden, dat op de ark lag met daarin de wet van de Heere.

Als de hogepriester met die schaal bloed dat heilige der heilige binnenging, dan ging de toegang open. De toegang tot God moest door bloed geopend worden. Maar de hogepriester moest weer terugkeren. Dat gordijn ging weer dicht en dat bloed verouderde. Daarom moest de hogepriester ieder jaar opnieuw met vers bloed naar binnen.

 

Eeuwenlang is het zo doorgegaan, totdat Christus op Golgotha met Zijn eigen bloed het hemelse heiligdom inging toen Hij aan het einde van Zijn lijden gekomen was en uitriep: Het is volbracht! – volkomen genoegdoening, de schuld tot aan de laatste penning betaald, God verheerlijkt in al Zijn heerlijke deugden. Tot in de dood is Hij gehoorzaam geweest.

Daarom lezen we in de Bijbel dat God de Vader als met een almachtige hand het voorhangsel van de tempel van boven tot beneden scheurde. Het is alsof God van de hemel zegt: ‘Nu is de scheiding weggenomen. Nu is er een weg gebaand waar nooit een weg was. Nu kunnen zondaren, kinderen van Adam, die eeuwig buiten Mijn gemeenschap moesten blijven vanwege hun zonden en ongerechtigheden, weer toegang tot de troon der genade krijgen.’

Mensen kunnen weer in Gods gunst en gemeenschap worden hersteld. Nu mag het gepredikt worden dat er een gerechtigheid is die van de dood redt, dat er mensen zijn die weer zullen gaan beantwoorden aan het doel van de Schepper. De weg naar het heiligdom, de weg tot de gemeenschap Gods, is door de bloedstorting van Christus geopend.

 

Wat betekent dat, gemeente? Dat goddelozen nog zalig kunnen worden en ook zeker zalig zúllen worden; dat betekent het. Want het loon dat Christus verdiend heeft op Golgotha, heeft Hij uit de hand van Zijn Vader ontvangen. En God de Vader heeft Zijn Knecht, Die dat grote werk volbracht heeft, niet een kárig loontje uitbetaald. Op deze wereld kunnen werkgevers hun personeel soms een karig loontje uitbetalen, maar in Jesaja 53 lezen we dat God de Vader zegt: Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen – hoort u dat: van velen – (…) omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is gesteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft (Jes.53:12).

 

Zijn er vandaag mensen in de kerk die in hun leven weleens hebben moeten leren dat ze zonder God in de wereld zijn, dat er een ontzaglijke afstand is tussen God en hun hart, dat er door de zonde een scheiding gekomen is? Moet de wet van God u aanklagen en veroordelen? Zegt die wet van God tegen u: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal.3:10)? Klaagt uw geweten u aan? Is het werkelijkheid voor u geworden wat David uitroept: ‘Ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog; dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig’?

Heb je gezien dat je tegen een goeddoend God gezondigd hebt? Is het ook in jouw leven werkelijkheid geworden dat je het waard bent dat God je voor eeuwig zou voorbijgaan? David zegt: ‘'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ Heeft God je oog geopend en zag je dat je tegen een goeddoend God gezondigd hebt en dat er een afstand is tussen God en je hart die je nooit meer kunt overbruggen?

 

Hoor dan nu wat Goede Vrijdag ons zegt: En het voorhangsel des tempels scheurde middendoor. De God van de hemel heeft in het offer van Zijn Zoon volkomen bevrediging ontvangen.

Wij mensen hebben die weg tot God afgesneden. Wij hebben die weg door eigen schuld toegesloten. Dat heeft God niet gedaan, maar dat is door onze schuld. En nu heeft God van Zijn kant die weg tot de gemeenschap Gods geopend door het bitter lijden en sterven van Christus. Daarom kan de apostel Paulus aan de Hebreeën schrijven: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan, ook als we in onszelf geen vrijmoedigheid hebben, als we onszelf aan moet klagen en veroordelen vanwege ons bestaan. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden (Hebr.4:16).

De weg is geopend door God Zelf, zodat de grootste van de zondaren nog gepredikt en toegeroepen kan en mag worden: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken (1Tim.1:15). De weg tot het heiligdom is geopend.

 

Misschien zitten er mensen in de kerk die moeten zeggen: ‘Zou ik ook nog door die geopende weg in een verzoende betrekking met God kunnen komen? Want als ik naar binnen kijk, naar mijn eigen hart en naar mijn eigen bestaan, dan is die weg voor eeuwig afgesloten. Dan kan het nooit meer. Nooit meer! Ik heb de dood verdiend.’

Maar nu zegt het evangelie ons om niet naar binnen te kijken en niet te kijken op wie we zijn in ons eigen bestaan, want dan moeten we ons elke dag voor de Heere schamen; dan moeten we ons elke dag voor de Heere veroordelen en aanklagen. Maar zie dan op dat gescheurde voorhangsel: En het voorhangsel des tempels scheurde middendoor, van boven naar beneden. Daarom kan het nog voor mensen voor wie het nooit meer zou kunnen, die zich uit de gunst en de gemeenschap van God hebben weggezondigd. Want het voorhangsel des tempels scheurde middendoor.

 

Zijn er vandaag nog mensen die zich voor de Heere moeten wegschamen?

Jongens en meisjes, misschien zeg je: ‘Ik durf eigenlijk niet meer te bidden, want dan is er een stem vanbinnen die me aanklaagt en veroordeelt. Dan voel ik dat ik het niet waard ben, dat ik het door mijn zonden en ongerechtigheden verdiend heb als de Heere nooit meer naar me zou omzien.’

Moet u vanwege de aanklacht en veroordelingen in uw hart zeggen: ‘Heere, voor zo een als ik ben, kan het toch niet meer? Voor andere mensen kan het nog wel, maar voor mij kan het niet meer.’

Luister: dat zegt de Heere niet tegen u, dat het voor u niet kan. Want Christus is in die ontzaglijke duisternis ondergegaan, in die toorn waar u en ik, waar we allen voor eeuwig in zouden moeten verzinken. Daarom laat God het ons nu horen: En het voorhangsel des tempels scheurde middendoor. Zie toch af van je eigen ongeschiktheid en onwaardigheid en zie vandaag eens op dat gescheurde voorhangsel. Dan kan het voor mensen voor wie het nooit meer kon. Dan kan het voor de grootste van de zondaren.

Zijn er mensen die zo over de wereld gaan, als zulke ellendigen? Hoor dan: En het voorhangsel des tempels scheurde middendoor. God heeft Zelf de toegang geopend. Daarom zet de Heere op de Goede Vrijdag Zelf de deur van Zijn vrije genade open, zodat de allerellendigste, de alleronwaardigste, de allerongeschiktste, de allervuilste, de allergoddelooste, de allergrootste zondaar nog zalig kan worden, nog genodigd kan worden tot dit heil.

 

Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te makenvan welke ik de voornaamste ben, zegt Paulus erbij. Omdat Christus in de buitenste duisternis hing, in de ontzettende Godsverlating, mag dit evangelie verkondigd worden en mogen mensen gewezen worden op dat gescheurde voorhangsel.

Als je dat mag zien, als je mag zien op dat gescheurde voorhangsel, dan is het pas echt Goede Vrijdag. Als je naar jezelf kijkt, is het voor eeuwig afgesneden; dan zijn alle wegen toegesloten. Maar er is een weg geopend buiten de mens, in het gescheurde voorhangsel. Als je daar persoonlijk iets van mag verstaan, dan zul je wenende in verwondering dat wonder bewonderen. Als je moet belijden: ‘Die eeuwige nacht, die duisternis zou eeuwig mijn deel moeten zijn. Die heb ik verdiend’, dan zegt Christus: ‘Ik voor u, Mijn volk, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Omdat Ik in de duisternis verkeerd heb, heb Ik toegang tot de gemeenschap Gods voor de Kerk bereid.’

 

Daarom heeft de Kerk des Heeren stof om te zingen. We doen het uit Psalm 69 vers 13:

 

Dat zal den Heer’ veel aangenamer zijn

Dan os of var, die hunnen klauw verdelen.

De blijdschap zal het hart der vromen strelen,

Als zij mij zien, verlost van smart en pijn.

Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet,

Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;

Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet;

Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.

 

  1. De zaligheid die Hij daarbij verwerft

En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest, zo lezen we in onze tekst in vers 46. Het is alsof Christus zegt: ‘Vader, de nacht van het lijden is nu voorbij.’

Als Hij alles volbracht heeft, mag Christus weer met vrijmoedigheid de Naam van Zijn Vader noemen: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Even daarvoor, in die ontzaglijke Godsverlating, heeft Christus niet gesproken van Zijn ‘Vader’, maar heeft Hij gezegd: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten? (Mark.15:34). Maar nu alles volbracht is, mag Christus als Borg, als Middelaar, weer bij Zijn Vader thuiskomen. Dan mag Hij Zijn ziel in de hand van de hemelse Vader bevelen: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.

 

Christus heeft die woorden niet alleen uitgesproken voor Zichzelf. Hij heeft ze uitgesproken als Borg, als Middelaar. Als Hij zegt: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest, dan mag Hij als het ware heel Zijn Kerk daarin meenemen. Omdat Hij alles volbracht heeft, is er voor die verloren zonen en dochteren weer een thuiskomen bereid in dat Vaderhuis. Een volk van zondaren, dat voor eeuwig het kinderrecht verspeeld had, mag weer terechtkomen bij God als Vader.

Christus legt Zijn ziel als het ware in de hand van de Vader als hij uitroept: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Dan mag Zijn ziel zich in de liefde en trouw van de Vader gaan bevinden. Nu spreekt de Heere Jezus daarin ook als Borg Zijn Kerk voor, dat zondaarsvolk, dat voor eeuwig gescheiden had moeten worden van Gods gunst en gemeenschap, dat eeuwig van God verlaten had moeten worden. Maar omdat Hij verlaten was en heeft uitgeroepen: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest, daarom mag dat volk weer een plaats ontvangen in het huis van de Vader.

Wat is dat een wonderlijke, rijke zaak, dat Christus niet alleen voor Zichzelf heeft gezegd: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Hij spreekt dat ook als Borg en Middelaar. Wat is het een eeuwig wonder als Gods kind hier op deze wereld bij ogenblikken de zoete troost mag ervaren dat het door Christus tot die God mag gaan Die niet meer toornt en niet meer scheldt, tot die God van Wie de dichter uitroept: ‘Milde handen, vriend'lijk' ogen, zijn bij U van eeuwigheid.’

 

Dat kan nu nooit anders. Omdat God met vertoornde ogen gezien heeft op Zijn Zoon op Golgotha, daarom zijn er milde handen en vriendelijke ogen voor een volk dat eeuwig in die toorn van Gods gerechtigheid had moeten sterven. Dat is het eeuwige wonder. Als God de Vader de ziel van Zijn Zoon aanvaardt, is het alsof Hij zegt: ‘Ik heb verzoening gevonden. Ik zal niet meer op Mijn volk toornen en schelden.’ Want God is zo rechtvaardig dat Hij de zonden maar één keer straft. God wilde dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiedde, óf door onszelf, óf door een Ander.

Gelukkig zijn zij die die gerechtigheid nodig krijgen, die nooit kunnen rusten voordat ze het met McCheyne, die godzalige dichter, kunnen uitroepen: ‘Nu ken ik die waarheid zo diep als gewis, dat Christus alleen mijn gerechtigheid is.’ Daar komt het op aan. Dat is het enige fundament dat houdbaar is op onze grote reis naar de eeuwigheid. Al het andere is drijfzand; daar zak je doorheen. Al het andere zal in het uur van Gods beproeving hooi en stoppels en hout zijn, dat verbrand zal worden. Maar dit fundament is onwankelbaar.

Wat zou het een wonder zijn als op de Goede Vrijdag onze ziel eens mocht uitroepen: ‘Jezus, Uw verzoenend lijden is het rustpunt van mijn ziel.’

 

Er is een volk op deze wereld dat door Gods genade weleens rusten mag op die gerechtigheid die in Christus is. Gods Kerk mag daar bij ogenblikken in de ziel de onuitsprekelijke kracht en troost van ervaren als ze door het gescheurde voorhangsel mag zien dat die toegang nu geopend is.

Wat een eeuwig wonder dat Gods kinderen dan als een kind met al hun noden voor tijd en eeuwigheid, voor lichaam en ziel, bij die God mogen terechtkomen. Dat is een voorrecht. En als Gods kind gaat sterven, dan zal het ook eeuwig werkelijkheid worden. Dan zal die ziel eeuwig opgenomen worden in heerlijkheid. Dan zal het waar worden: In Uw handen beveel ik Mijn geest.

 

Het is niet zo dat Gods kinderen elke dag kunnen sterven, want stervensgenade krijgt een mens alleen als hij het nodig heeft, maar toch kennen ze bij ogenblikken weleens dat verlangen. Dan denk ik aan dat kind van God dat ik jaren geleden ontmoette. Hij zei tegen me: ‘Dominee, ik heb niet elke dag genade om te kunnen sterven. De dood kan me soms met verschrikking aangrijnzen. Maar als ik vandaag bericht zou krijgen dat ik altijd op deze wereld moet blijven, dan zou ik niet meer verder kunnen leven.’

Begrijpt u? Dan is er toch iets van dat verlangen van de bruid naar de Bruidegom. Die kunnen niet voor altijd van elkaar gescheiden blijven.

Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Christus heeft het in de hand van Zijn Vader mogen leggen. Daarom heeft Gods Kerk weer een toegang tot het Vaderhuis ontvangen.

 

Gemeente, we moeten gaan eindigen. We zijn begonnen met te zeggen dat we moeten gaan sterven. We moeten allen sterven en de eeuwigheid aandoen. ‘Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen?’

Jongens en meisjes, de wereld lacht je toe, hè? Maar de wereld kan je absoluut geen enkele blijdschap en vreugde bereiden. De wereld gaat voorbij met al zijn begeerlijkheid. Neem het toch eens ter harte en zoek de Heere terwijl Hij te vinden is. Dat deel voor Gods kinderen is ook voor jullie verkrijgbaar, jongens en meisjes. En hoe weten we dat? Doordat God dat in de Bijbel gezegd heeft en de zon nog schijnt, want in Psalm 72 staat: ‘Zolang de zon schijnt, zal Ík’ – dat zal de Heere doen; dat doen mensen niet, hoor – ‘zal Ik Mijn naam voortplanten van kind tot kind en van geslacht tot geslacht.’

Ga dan op je knieën en smeek de Heere of je ook door Gods Geest dit mag leren, wat ook op de Goede Vrijdag gepredikt mag worden: dat het voorhangsel scheurde.

 

Wat betekent dat? Wel, dat de deur van de genade van God helemaal geopend is. Het was geen klein scheurtje; het voorhangsel scheurde van boven tot beneden. Dat wil zeggen: de toegang is helemaal geopend. Alle hindernissen zijn van Gods kant weggenomen. Die weg is helemaal open.

Het is wel een smalle weg die tot het leven leidt. Dat wil zeggen dat er van een mens niets door kan en mee kan, dat er van ons niets in aanmerking komt. Maar die weg is zo wijd, zo wijd dat de allergrootste van de zondaren niet te groot is om op die weg te gaan. Die weg, die toegang tot God, is geopend.

 

Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.

Als Gods kind daar in het uur van het sterven op zien mag, dan zal het zeker een zalig sterven zijn. Dan is het geen betaling meer voor de zonden. Dat heeft Christus gedaan. En ik zei al, gemeente, dat God rechtvaardig is: Hij straft de zonden maar één keer. Maar dan moet er wel Een in mijn plaats gaan staan.

Als u nog voor eigen rekening leeft, dan moet u eeuwig ondergaan wat Christus op Golgotha heeft ondergaan. Dan zult u eeuwig in de buitenste duisternis moeten verkeren. Wees er toch van verzekerd dat een keurig net kerkmens die zegt dat hij de waarheid liefheeft, maar die onbekeerd is, in die plaats terechtkomt. Want goed doet geen nut ten dage van Gods verbolgenheid; alleen Gods gerechtigheid redt van de dood. Díe gerechtigheid hebben we nodig.

 

Maar dan mag ik u in Gods Naam verkondigen dat die nog te verkrijgen is, dat God leeft. Het is Pasen geworden na de Goede Vrijdag. Christus is opgestaan uit de doden. Hij leeft altijd om voor Zijn Kerk te bidden. Het kan nog.

Val Hem dan te voet en roep: Heere, ontferm U mijner, zoals die Kananese vouw. Er bleef een gebedje over van drie woordjes, maar het was waar in haar ziel: Heere, help mij! (Matth.15:25). Toen heeft de Heere haar geantwoord: ‘Vrouw, groot is uw geloof.’ Toen was ze als een hondeke onder Zijn tafel.

En wij toch rechtvaardiglijk, zegt die moordenaar aan het kruis. En die Kananese vrouw zegt: ‘Ik ben een hondeke, maar die mogen eten van de brokjes die er vallen van de tafel van de Heere.’ Waarom? Omdat het voorhangsel gescheurd is. Omdat Christus Zijn ziel heeft uitgestort in de dood. Omdat Hij geroepen heeft: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 22 vers 12

 

Gij, die God vreest, gij allen prijst den Heer’;

Dat Jakobs zaad Zijn groten naam vereer';

Ontzie Hem toch, o Israël, en leer

Vertrouwend wachten.

Wie mij veracht', God wou mij niet verachten,

Noch oor noch oog

Van mijn verdrukking wenden;

Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d' ellenden

Riep naar omhoog.